Een vermelding van de oudste Germaansche bijbelvertaling mag hier niet achterwege blijven, in de eerste plaats omdat van de door haar geschapen kerktaal eenige invloed is uitgegaan op de kerstening van de Westgermaansche talen (zie blz. 18) en daarmede indirect ook op de Nederlandsche kerk- en bijbeltaal, maar ook omdat Nederlandsche geleerden uit onzen bloeitijd de eigenlijke ontdekkers zijn geweest van deze vroegste oorkonde der Germaansche Christenheid.
De Goten waren afkomstig uit Zweden en hadden ± 230 na vele omzwervingen vaste woonplaatsen gekregen ten noorden van de Zwarte Zee en later aan den rechteroever van den Donau. Grieksche gevangenen, van plundertochten door het Kleinaziatische Cappadocië meegevoerd, hebben onder deze heidenen de eerste beginselen van het Christendom gepredikt. Wulfila, zoon van een Westgotischen vader en een Grieksche slavin, voelde al vroeg de roeping, onder zijn stamgenooten het Evangelie te verkondigen. Reeds op dertigjarigen leeftijd werd hij bisschop van de jonge Christengemeenten onder de West-Goten. Als kerkelijk organisator en wereldlijk hoofd heeft hij lange jaren over zijn volk geregeerd, totdat hij in 381 te Constantinopel overleed.
Er waren priesters en voorlezers in zijn Christengemeenten, die de Grieksche Schriftgedeelten tijdens de godsdienstoefening niet zelfstandig voor hun stamgenooten verstaanbaar konden maken. Voor hen in de eerste plaats ondernam Wulfila nu zijn bijbelvertaling. Of hij den bijbel geheel vertaald heeft, staat niet vast. Er zijn namelijk slechts groote stukken van het Nieuwe en enkele korte fragmenten uit het Oude Testament bewaard. Een geschiedschrijver vertelt, dat hij de boeken der Koningen onvertaald zou hebben gelaten om de oorlogzuchtige neiging van zijn volk niet aan te wakkeren, een ongeloofwaardig verhaal. Twee zijner leerlingen hebben nog de
Psalmen in hun landstaal overgebracht. Wulfila's bijbel vertoont een getrouwe vertaling van den Griekschen grondtekst. De taak, die hij op zich genomen had, namelijk een Gotische bijbeltaal te scheppen, was buitengemeen zwaar. De moeilijkheden heeft hij echter glansrijk overwonnen. Oogenschijnlijk zonder eenige moeite weet hij zijn Westgotisch om te buigen naar het Grieksche model. De vertolking is letterlijk, maar dank zij de rijke woordenkeus, waarover zijn Gotisch reeds beschikte, behoefde hij zijn moedertaal geen geweld aan te doen bij zijn welgeslaagde poging, een op het Grieksch berustende bijbeltaal te vormen. Als typeerend voorbeeld laten we hier het Onze Vader volgen:
| Atta | unsar | Þu | in | himinam, | weihnai | namo | Þein. |
| Vader | onze | gij | in | de hemelen | heilig worde | naam | Uw |
| Qimai | Þiudi- nassus |
Þeins. | WairÞai | wilja | Þeins | swe | in | himina |
| Kome | Konin- krijk |
Uw | Ge- schiede (Worde) |
wil | Uw | zoo | in | den hemel |
| jah | ana | airÞai. | Hlaif | unsa- rana |
Þana | sinteinan | gif | uns |
| en | op | de aarde. | Brood | ons | het | dage- lijksch |
geef | ons |
| himma | daga. | Jah | aflet | uns | Þatei | skulans | sijaima, |
| heden | den dag. | En | vergeef (verlaat) | ons | wat | schuldig | wij zijn |
| swaswe | jah | weis | afletam | Þaim | skulam | unsa- raim. |
Jah | ni |
| zooals | ook | wij | vergeven | (de) | schulde- naren |
onze | En | niet |
| briggais | uns | in | fraistub- njai, |
ak | lausei | uns | af | Þanima |
| breng | ons | in | verzoe- king |
maar | verlos | ons | van | den |
| ubilin; | unte | Þeina | ist | Þiudan- gardi |
jah mahts | jah | wulÞus |
| booze (euvel) | want | Uw | is | het Koninkrijk | en de macht | en | de heerlijk- heid |
| in | aiwins. | Amen. |
| in | eeuwigheid. | Amen. |
De bijbelvertaling van Wulfila heeft groote verbreiding gevonden, zoowel onder de West- als onder de Oost-Goten, die zich later in Italië vestigden. Chrysostomus, de patriarch van Constantinopel, liet in de Pauluskerk voor de Gotische gemeenteleden de Schriftgedeelten in hun moedertaal naar Wulfila's bewerking voorlezen. Het merkwaardigste manuscript, waarin zijn vertaling ons bekend is, is de Codex Argenteus. Uitvoeriger brokstukken behelzend dan andere handschriften - het bevat nog 187 van de 330 bladen - met zilveren en gouden letters op fijn purperkleurig perkament geschreven en dateerend uit de 6de eeuw is het om zijn omvang, vorstelijke uitvoering en hoogen ouderdom het merkwaardigste gedenkstuk van het Oudgermaansche Christendom. Langs onnaspeurlijke wegen was het Zilveren Handschrift terechtgekomen in de abdij Werden aan de Ruhr. Tot hun groote vreugde ontdekten Vlaamsche humanisten, die in Keulen woon-
den, het oudste document van Germaansche taal. Zij schreven er groote gedeelten uit over en deelden die mede aan geleerde vrienden in de Nederlanden en Duitschland. Uit Vlaanderen en Brabant afkomstige geleerden als de Antwerpsche geneesheer Goropius Becanus, de Leidsche hoogleeraar Bonaventura Vulcanus en de Heidelbergsche hoogleeraar Janus Gruterus drukten in 1569, 1597 en 1602 in geleerde werken fragmenten van den Gotischen bijbeltekst af.
Intusschen kwam het handschrift eerst terecht in de bibliotheek van den Boheemschen koning te Praag en werd het daarna door de Zweden als deel van den oorlogsbuit meegevoerd naar hun vaderland. De bibliothecaris en leermeester van koningin Christina, Isaäc Vossius, zoon van den bekenden Amsterdamschen hoogleeraar Gerard Vossius, zag terstond het belang van den nieuw verworven schat in. Door een eigenaardigen samenloop van omstandigheden kwam de codex na het aftreden van Christina in 1654 in het bezit van Isaäc Vossius zelf. Men heeft hem in verband hiermee van verduistering en zelfs van diefstal beschuldigd. Er bestaat evenwel reden om onzen landgenoot van dezen blaam te zuiveren, althans zijn gedrag te verklaren. Teekenend is reeds, dat zij, die dan toch anders zich als de rechtmatige eigenares had kunnen doen gelden, ex-koningin Christina, nimmer meer aanspraken op den bijbel heeft gemaakt. Op haar bevel had Isaäc Vossius indertijd voor haar bibliotheek boeken aangekocht. Toen zij na haar troonsafstand in gebreke bleef, om het door hem voorgeschoten bedrag uit te betalen, ontving hij verlof om een aantal handschriften, voor een waarde gelijk aan haar achterstallige schuld, als vergoeding mee naar Holland te nemen. Het is heel goed mogelijk, dat deze afspraak alleen betrekking had op de handschriften die Vossius persoonlijk had verworven, maar als men bovendien nog weet dat hij ook nog recht had op uitbetaling van een aanzienlijk deel van zijn salaris, dan wacht men nog even met het meevoeren van den Gotischen bijbel te bestempelen als diefstal of vervreemding. Hij kende het hooge belang van den tekst. Hij wist ook, dat zijn geleerde oom Franciscus Junius, de zoon van den gelijknamigen theoloog, zich voor den tekst bijzonder interesseerde. Is het dan te verwonderen, dat Vossius onder zulke omstandigheden het eerst het oog liet vallen op den Codex Argenteus en dezen meevoerde naar Holland om zijn oom in de gelegenheid te stellen, zich rustig te verdiepen in den hem gedeeltelijk reeds bekenden tekst? In 1665 heeft deze te Dordrecht de eerste uitgave van den tekst bezorgd, parallel afgedrukt naast een Angelsaksische Evangeliënvertaling uit de 9de eeuw, waarmee hij den
grondslag hielp leggen voor de vergelijkende talenstudie. De samenhang der Oudgermaansche dialecten en hun verwantschap met het Oudgrieksch werd door den genialen taalkundige reeds vermoed.
Drie jaar voor deze uitgave, in 1662, was het handschrift naar Zweden teruggekeerd. De rijkskanselier, graaf De la Gardie, had het namelijk voor 600 Zweedsche daalders of 2000 Hollandsche guldens van Isaäc Vossius teruggekocht. Hij liet het vatten in een zwaren zilveren band, waaraan het mede zijn naam dankt. Eindelijk belandde het door schenking in zijn tegenwoordige veilige verblijfplaats, de universiteitsbibliotheek van Upsala.
De verkondigers van het Christelijk geloof onder de Westgermaansche heidenvolken zijn als scheppers van een kerktaal de wegbereiders van de bijbelvertaling. Het terrein was voor hun arbeid eenigszins ontgonnen, doordat Romeinsche kolonisten hun hooger staande beschaving in den heidenschen tijd reeds hadden gebracht onder de onderworpen stammen. Soldaten, kooplieden en handwerkslui brachten met de nieuwe dingen ook de namen daarvoor in gebruik. Aanleg van wegen en dijken, de inrichting van legerplaatsen en huizen, tot nog toe onbekende handelswaren en landbouwproducten, het gebruik van nieuwe maten, munten, gewichten en gereedschappen, dat alles werd met de bijbehoorende benamingen overgenomen. Door deze voorafgaande romaniseering is het werk van de geloofspredikers aanzienlijk verlicht.
Een zware taak bleef hun echter weggelegd: het scheppen van een woordvoorraad voor de grondbegrippen en liturgie van het nieuwe geloof. De Christelijke ethiek vereischte evenzeer een reeks benamingen van begrippen, die in de heidenwereld volslagen onbekend waren. Twee middelen konden zij daartoe aanwenden. Zij konden aan het Latijn de termen van godsdienst en kerk ontleenen en zij konden zich aanpassen aan de inheemsche talen. Van beide is, ofschoon in verschillende mate, gebruik gemaakt.
Of al deze missionarissen gedeelten van den bijbel in de landstaal hebben overgebracht? Hét is zeer waarschijnlijk, dat zij bij hun prediking de bekendste gedeelten van de Schrift zoo al niet hebben vertaald dan toch in vrije bewoordingen hebben weergegeven. Gelijktijdig met de vorming van de kerktaal ontstond door hun pioniersarbeid een bijbeltaal met eigen woordvoorraad. Zij hebben den grond omgewoeld, waarin de latere vertalingen konden ontkiemen.
In het laatst van de Middeleeuwen kwam de legende in omloop, dat onder Karel den Grooten een Frankisch-Duitsche bijbelvertaling tot stand gekomen zou zijn, het werk van Walafrid Strabo. De werkelijkheid is, dat onder dezen abt van het beroemde Beiersche klooster Reichenau vlijtig de bijbel werd bestudeerd en, waar noodig, toegelicht met glossen (woordverklaringen) in de landstaal (zie blz. 5) zonder dat van een eigenlijke vertaling sprake was. Wel heeft de keizer prediking en onderwijs in de landstalen bevorderd. In een algemeene rijkswet van 801 beval hij, dat ‘ieder priester op alle zon-en feestdagen het evangelie zou verkondigen’. Als handleiding konden de geestelijken het homiliarium of den preekenbundel gebruiken, dien Paulus Diaconus ± 790 op last van den keizer uit de werken der Kerkvaders had samengelezen. Het gebeurde namelijk niet zelden, dat gemakzuchtige of onwetende geestelijken het schriftgedeelte van den kerkdag den geloovigen voorlazen in het Latijn, de taal die in de liturgie der Westersche kerk zich had vastgezet, zonder de moeite te nemen de Schriftles met de bijbehoorende preek te vertalen. Karel de Groote kwam nu met kracht op voor het gebruik van de volkstaal in sommige onderdeelen van den kerkdienst. Zoo verordende het concilie van Tours in Frankrijk in 812 ‘dat de bisschoppen hun preeken moeten overzetten in de romaansche landstaal der boeren of in het duitsche taaleigen’. De concilies van Mainz en Reims, beide in 813 gehouden, gelastten den bisschoppen eveneens om de sermoenen ‘in de volkstaal uit te spreken, opdat een ieder ze verstaan kan’.
De geestelijkheid blééf evenwel, gunstige uitzonderingen daargelaten, nalatig. Nog verscheidene malen werden op latere kerkvergaderingen de besluiten van Tours en Reims woordelijk herhaald. De band tusschen de schare der geloovigen en den bijbel was gaandeweg losser geworden. Zooals de avondmaalskelk den leeken onthouden werd, zoo bleven dezen ook verre van den bijbel zèlf. Deze was immers geschreven in het langzamerhand voor den Romaanschen leek onverstaanbaar geworden, heilig geachte Latijn, een boek voor priesterlijk gebruik. Leeken behoefden slechts het Onze Vader en het Credo, de algemeene Christelijke geloofsbelijdenis in eigen taal te kennen. Wellicht waren er meer ontwikkelden onder hen, die bovendien nog enkele Psalmen kenden. In de laatste jaren der 8ste eeuw leerde Liudger den Frieschen zanger Bernlef de Psalmen zingen. Waarschijnlijk is hier niet sprake van een prozavertaling.
Er zijn wel gedeeltelijke vertalingen van de Schrift, vooral van de Psalmen en Evangeliën, in gebruik geweest. In kloosterscholen had
men vroeger reeds den Latijnschen bijbel voorzien van toelichtingen in de Duitsche taal. Onder Angelsaksischen invloed werd de abdij Reichenau ± 700 middelpunt en uitstralingshaard van zulk een glossenliteratuur, doordat de handschriften van klooster tot klooster werden afgeschreven en uitgebreid. Een volgend stadium vormen de zoogenaamde interlineaire vertalingen. Elk woord van den Latijnschen bijbeltekst werd tusschen de regels telkens voorzien van de overzetting in de landstaal, in nauwen samenhang met genoemde glossenverzamelingen. Het behoeft geen betoog dat deze ‘vertalingen’ onbeholpen waren en doorgaans alleen dienden als hulpmiddel bij het onderwijs in het bijbellatijn aan kloosterscholen.
Het is niettemin merkwaardig, dat de oudste bewaard gebleven samenhangende vertaling, namelijk het Monseeër Mattheus-Evangelie, waarvan helaas slechts enkele brokstukken tot ons gekomen zijn, interlineaire stroefheid zooveel mogelijk vermijdt en zelfs een voor dien tijd onbegrijpelijke vlotheid van uitdrukkingswijze vertoont. De Rijnfrankische vertaler van ± 750 zal wel een geestelijke van hooger rang geweest zijn. Minder voortreffelijk, maar toch altijd nog vrijer van beweging dan een interlineaire vertaling, is de Oostfrankische Evangeliënharmonie, waaraan omstreeks 830 een of meer Benedictijnen van de abdij Fulda gewerkt hebben. Beter geslaagd is de Psalmvertaling van Notker Labeo. Deze heeft omstreeks 1000 voor zijn leerlingen van de Benedictijnerabdij te St. Gallen de psalmen vertaald en toegelicht in een bewonderenswaardig Duitsch. Het Hooglied werd op soortgelijke wijze bewerkt door den Beierschen abt Williram († 1085). Het werk werd tal van malen afgeschreven en heeft o.a. in Nederduitsche copie berust in de kloosterboekerij te Egmond, welk exemplaar thans in de Leidsche universiteitsbibliotheek bewaard wordt.
Er zijn nog tal van fragmentarische Psalm- en Evangeliënvertalingen uit de 9de tot en met de 12de eeuw bewaard, die met elkaar in verband staan en teruggaan op oudere teksten. Veel moet ook verloren gegaan zijn. Zoo gaf graaf Heccardus van Bourgondië in 876 aan iemand een ‘evangelium theudiscum’ ten geschenke. De bisschop van Freisingen, Valdo (884-906), heeft een Evangeliënharmonie vertaald. De Angelsaks Beda († 735) moet in het laatste jaar van zijn leven het Johannesevangelie vertaald hebben. Uit de 9de eeuw dateert een Angelsaksische vertaling der vier Evangeliën, uit de jaren 997-998 de vertolking van den Pentateuch en Jozua door Aelfric.
Onze groote taalvorscher Franciscus Junius is weer de eerste
geweest, die in hartstochtelijken kennisdrang en bezield met het verlangen de bronnen van de Germaansche Christelijke oudheid te ontsluiten, de aandacht op de belangrijkste dezer vertalingen heeft gevestigd. Naast de reeds genoemde editio princeps van Wulfila's bijbel en de Angelsaksische Evangeliën heeft hij in 1655 de Hoogliedparafrase van Williram en de Evangeliënharmonie van Fulda uitgegeven, terwijl hij bovendien nog studie heeft gemaakt van glossen-verzamelingen enz. In 1664 werd door hem ‘'t Vader ons in XX oude Duytse en Noordse Taelen’ uitgegeven, een bijdrage tot de vergelijkende taalwetenschap van den bijkans vergeten geleerde.
Een vraag, die zich nu gaat opdringen is: wat is er nog over van bijbelvertalingen in het Nederlandsch voor de twaalfde eeuw? Het antwoord kan kort zijn: niets. Ongetwijfeld hebben in deze streken actieve geestelijken voor de leeken de Schriftlessen vertaald en hebben op kloosterscholen de leerlingen zich even goed als elders met behulp van glossen bekwaamd in de lectuur van Psalmen en andere bijbelboeken, maar overblijfselen van een samenhangende vertaling zijn ons niet bekend. De boekenlijst van de abdij te Egmond vermeldt een ‘Psalterium teutonice glosatum’, dat is een Psalmboek met glossen in de volkstaal, maar zelfs hier is waarschijnlijk niet eens sprake van Oudnederlandsche verklaringen. Het Oudnederlandsch, dat is ons dialectenconglomeraat voor de twaalfde eeuw, was namelijk Oudwestnederfrankisch. Het handschrift echter, tegelijk met een geglosseerd Johannesevangelie aan het klooster geschonken door Egbert, aartsbisschop van Trier († 993), zal wel Oudoostnederfrankische glossen bevat hebben, dus in de taal van het Limburgsche en Frankische gebied ten zuiden en zuid-oosten van onze tegenwoordige provincie.
Dat er toch vertalingen in gebruik geweest zijn, leert het volgende: In de Latijnsche vertaling van een Frankisch heiligenleven uit de zevende eeuw, handelend over den H. Richarius († 645), wordt verhaald hoe diens lijfeigene Sigobardus ‘de nachtwake houdend bij het lichaam van zijn dooden leermeester, door het lezen van het Evangelie voedsel bood aan zijn ziel tegen de droefheid van het verscheiden, en .... weerstand aan de slaap’. De boekenlijst van het klooster Centula ten noorden van de Somme, in het jaar 831 opgemaakt, vermeldt bij de afdeeling schoolboeken een ‘Passio Domini in theodisco et latino’, het Lijden des Heeren in de volkstaal en het Latijn. Blijkbaar gebruikten de leerlingen van de kloosterschool hier de lijdensgeschiedenis van Christus, uit de vier Evangeliën samen-
gesteld, met op de eene bladzijde den Latijnschen, op de andere den Frankischen tekst.
Wanneer wij het Oudoostnederfrankisch als zeer na verwant met het Oudnederlandsch mogen beschouwen - en er is niets dat zich daartegen verzet - dan valt er te wijzen op een 25-tal Psalmen in dat dialect, die in een zeer laat, nl. 17de-eeuwsch afschrift, voor den ondergang behoed zijn. Het origineel moet een interlineaire vertaling uit de 9de of 10de eeuw vertoond hebben. Naar den 17de-eeuwschen bezitter, den kanunnik Arnoldus van Wachtendonck, worden ze wel de Wachtendoncksche, naar den veronderstelden tijd van ontstaan de Karolingische Psalmen genoemd. Oorspronkelijk zal de vertaling wel thuis gehoord hebben in een of ander klooster op Oudoostnederfrankisch gebied, bijvoorbeeld de abdij van Echternach. De taal wijst er duidelijk op, dat deze interlineaire Psalmenvertaling direct of indirect op een Hoogduitschen grondtekst berust. Als proeve volgen hier eenige verzen uit Psalm 55. Om het interlineair karakter des te beter te laten uitkomen, zetten wij den Latijnschen tekst er boven:
| Ego | autem | ad | Deum | clamavi: | et | Domi- nus |
salvabit | me | |
| 17 | Ik | eft | te | gode | riep, | in | hêrro | behielt | mi. |
| Ik | echter | tot | God | riep | en | de Heer | behield | mij. |
| Vespere | et | mane | et | meridie | |||
| 18 | An âvont | in | an | morgan | in | an | mitdon dage |
| In den avond | en | in | den morgen | en | in | den mid - dag |
| narrabo | et | annun- ciabo |
et | exaudiet. | ||||
| tellon sal | ic | in | kundon, | in | he | gehôren | sal. | |
| vertellen zal | ik | en | verkon- den, |
en | hij | hooren | zal. |
| Redi- met |
in | pace | animam | meam | ab | his | qui | ||
| 19 | Irlôsin | sal | an | frithe | sêla | mîna | fan | thên | thia |
| Verlos- sen |
hij zal | in | vrede | de ziel | mijne | van | dien | dat |
| appropin- quant |
mihi | quoniam | inter | multos | erat | mecum. | |
| 20 | ginâcônt | mi, | uuanda | under | managon | he uuas | mit mi. |
| genaakt | mij, | want | onder | menigen | hij was | met mij. |
Nog ouder zijn eenige Oudsaksische Psalmenfragmenten, die eenige jaren geleden voor den dag gekomen zijn uit het bindwerk van een wiegedruk. De vertaling, waartoe ze behooren, moet omstreeks 850 in het Nederduitsche gebied, wellicht bij Werden, tot stand gekomen zijn. Ook hier werkten Hoogduitsche invloeden. De taal dezer schamele brokstukken vertoont nog het meest verwantschap met een
Westfaalsch Psalmboek uit de eerste helft van de 14de eeuw, waarvan de Leidsche universiteitsbibliotheek een handschrift bezit. De volgende proeve uit Psalm 30 bewijst den samenhang van beide teksten, ondanks het tijdsverschil van 41/2 eeuw.
| Domine | Deus | meus | clamavi | ad | |||
| 3. | drohtin | god | min | riof | toti | Here ic rip tu di | |
| te | et | sanasti | me | ||||
| thi | ende | giheldes | mik | ande du heledes mi | |||
| Domine | eduxisti | ab | inferno | ||||
| 4. | drohtin | uzgi- leddes |
from | helliu | Du lidigedes mine | ||
| animam | meam | salvasti | me | a | |||
| sele | mine | gihelti | mik | from | sele van der helle: du beheildis | ||
| descen- dentibus |
in | lacum | |||||
| nitherua- randiun |
an | grouun | mi van den nider- stigenden in de gruuen |
||||
| Psallite | Domino | sancti | ejus | ||||
| 5. | singad | drohtine | helegan | is | Singet gode sine hiligen; | ||
| et | confite- mini |
memoriae | sancti- | ||||
| ende | bigiant | gihugti | heleg- | ende danket der gehug- nusse |
|||
| tatis | ejus. | ||||||
| domes | is. | siner hiligheit. |
Een terugblik over het geheel der Oudgermaansche vertalingen leidt tot de vaststelling van het feit, dat er niet alleen in plaats en tijd, maar ook in bestemming een aanzienlijk verschil bestaat tusschen den bijbel van Wulfila en de vertalingen in West-Europa. De eerste was gemaakt voor den kerkelijken eeredienst. In de Gotische kerken hoorden de geloovigen den bijbel in de moedertaal. De westelijke vertalingen kwamen echter krachtens aard en bestemming nooit in kerkelijk gebruik, laat staan dat leeken ze lazen voor persoonlijke stichting. Het waren ondernemingen van hooggeplaatste geestelijken, abten en bisschoppen, of van leermeesters in kloosterscholen, die, door tusschen de regels of op de nevenbladzijde een vertaling in de volkstaal aan te brengen, hun leerlingen een hulpmiddel wilden verschaffen bij het aanleeren van het Latijn. Maar al is hun werk beperkt gebleven tot een kleinen kring, het heeft toch de grondslagen helpen leggen voor de bijbelvertaling van later eeuwen.