Afgezien van bovengenoemde Psalmvertalingen, die thuis behooren in het randgebied van het Oudnederlandsch, ontbreekt het ons aan eenig overblijfsel van een samenhangenden vertaalarbeid vóór de 13de eeuw. Het cultureel zwaartepunt had zich inmiddels uit het Limburgsche gebied verlegd naar het opbloeiende Vlaanderen en Brabant. Eerst aan het einde van de 14de eeuw zouden de Noordelijke Nederlanden door de moderne devotie actief gaan deelnemen aan het geestelijk leven des tijds. Het behoeft derhalve niet te verwonderen, dat de eerste Nederlandsche bijbelvertalingen ontstaan zijn in de Zuidelijke Nederlanden en dat pas ± 1400 het Noorden op dit terrein zijn bijdrage gaat leveren.
De taal, waarin de Nederlandsche bijbelvertalingen in de Middeleeuwen geschreven werden, noemt men het ‘Middelnederlandsch’ of ‘Dietsch’, dat omstreeks 1100 ontstond uit het ‘Oudnederlandsch’ en een nieuwe periode in de geschiedenis van de Nederlandsche taal inluidde. De lezer gelieve evenwel te bedenken, dat het Middelnederlandsch een samenvatting is van verschillende streektalen als het Vlaamsch, Brabantsch, Limburgsch, Hollandsch, Overijselsch. Vandaar dat hij deze aanduidingen hier meermalen gebezigd zal vinden. Een algemeene taal, aan welker vorming latere bijbelvertalingen, denk aan den Statenbijbel, krachtigen steun zouden verleenen, bestond nog niet.
Een complete bijbelvertaling in onzen zin is in de Middeleeuwen niet tot stand gekomen, ahhans niet bewaard. De onderzoeker is aangewezen op de schaarsche exemplaren van gedeeltelijke vertalingen, in verschillende tijden en streken vervaardigd. Veel handschriften moeten verloren geraakt zijn. Omtrent den tijd van ontstaan veler teksten tasten we daardoor in het duister. Met behulp van wat de teksten zelf aan gegevens opleveren en gebruik makend van palaeo-
grafische en taalhistorische toetsingsmiddelen kunnen wij echter in groote lijnen de ontwikkeling schetsen. Het ligt voor de hand dat een chronologische behandeling hier de eenig juiste is. Bijbelsche rijmwerken als Maerlant, Boendale geleverd hebben, zullen hier buiten beschouwing blijven (zie blz. 98-99), aangezien zij niet behooren tot de bijbelvertaling in engeren zin.
De geschiedschrijvers der Nederlandsche bijbelvertaling hebben vroeger in het geheel niet of slechts in het voorbijgaan melding gemaakt van een ouden Evangeliëntekst, die, naar achteraf bleek, de merkwaardigste en wellicht ook als kunstwerk de beste overzetting is, die de Middeleeuwen niet enkel in de lage landen bij de zee, maar zelfs in geheel West-Europa opgeleverd hebben. Wel hadden de onderzoekers, die zich met het zoogenaamde Limburgsche Leven van Jezus, want hierover gaat het, hadden beziggehouden, den lossen, natuurlijken stijl geprezen, maar wegens de vele afwijkingen van den Vulgaattekst hadden zij aan deze ‘vrije’ vertaling verder geen aandacht geschonken. Weinig konden zij vermoeden, dat deze vertaling eenmaal in het middelpunt der belangstelling zou komen te staan van de geleerden die een bijzondere studie maken van den oudsten tekst der Grieksche Evangeliën. Het klinkt ook bijna niet om te gelooven: een Nederlandsche Evangeliënvertaling uit de Middeleeuwen wordt gerangschikt onder de vertegenwoordigers van den tekstvorm der Evangeliën uit de tweede eeuw, eenige lezingen bevattend die ouder zijn dan de oudste in de beste Grieksche handschriften; een Nederlandsche bijbelvertaling uit de 13de eeuw wordt door Nederlandsche en Engelsche theologen uitgegeven met een vloed van aanteekeningen en aanhalingen in het Grieksch, Armenisch, Syrisch en Arabisch!
Gedurende de Middeleeuwen zijn tal van Evangeliënharmonieën in omloop geweest, zoowel in het Latijn als in de volkstaal. Daaronder verstaat men een harmonische vereeniging van den inhoud der vier Evangeliën, waarin uitsluitend gebruik is gemaakt van den bijbeltekst. Zooals in een vloer van inlegwerk de verschillende steentjes gezamenlijk een figuur of voorstelling vormen, zijn in een Leven van Jezus de hoofdzaken uit de vier Evangeliën in elkaar gepast tot één geheel. Een ander beeld heeft de soms voorkomende benaming concordantie doen ontstaan, ‘een muzikaal accoord van vier samenstemmende tonen’. Het lag nu voor de hand, dat wie voor persoonlijke stichting het leven van onzen Heiland wilde overdenken of aan eenvoudigen
het leven van Jezus wilde verhalen, gebruik maakte van een Evangeliënharmonie, gelijk nog ieder doet, die bijbelsche geschiedenis vertelt.
De bouw van de meeste Levens van Jezus der Middeleeuwen is, ondanks talrijke verschillen op ondergeschikte punten, vrijwel gelijk. De grondslag was, gelijk men toen reeds vermoedde, in de tweede eeuw onzer jaartelling gelegd door Tatianus (± 150), den apostel der Syriërs. Van hem is de klassieke oervorm afkomstig, waarvan alle latere redacties zijn afgeleid. Van geboorte een Syriër werd hij, na een Grieksche opvoeding ontvangen te hebben, door den martelaar Justinus te Rome tot het Christendom gebracht. Op ongeveer vijftigjarigen leeftijd trok hij terug naar zijn vaderland om onder zijn volksgenooten het Evangelie te verkondigen. Daartoe heeft hij in het Oudsyrisch een Leven van Jezus bewerkt, dat hij Diatessaron noemde, een Grieksche benaming, die letterlijk ‘door vier heen’ beteekent. Het staat vast, dat van het Diatessaron ook Grieksche en Oudlatijnsche, bewerkingen hebben bestaan; minder zeker is, of deze bewerkingen van Tatianus zelf afkomstig zijn, en zoo ja, aan welke van de twee dan de prioriteit toekomt. In ieder geval heeft zijn werk in de Syrische kerk, die door hem georganiseerd was, en daarbuiten grooten invloed uitgeoefend. Een tijdlang is het in de Syrische gemeenten zelfs in kerkelijk gebruik geweest, maar ten slotte hebben de vier afzonderlijke Evangeliën, oudste oorkonden van het Christendom, de plaats ingenomen waarop zij recht hadden. Het gezag, dat Tatianus en zijn werk bezaten, verminderde geleidelijk, toen bleek, dat hij in zijn godsdienstige opvattingen overhelde naar het half-Christelijke, half-heidensche gnosticisme. In de oogen der rechtzinnigen was hij een ketter. Alle handschriften, die men van zijn Oudsyrisch Diatessaron kon opsporen, werden opgehaald en verbrand.
Het gevolg hiervan is geweest dat er, voor zoover bekend, geen enkel exemplaar van over is. Het eenige wat wij bezitten, zijn aanhalingen in de werken van Syrische Kerkvaders, een Armenische commentaar en een volledige Arabische vertaling, waarin evenwel de tekst in overeenstemming gebracht is met den officieelen standaardtekst der Evangeliën, met weglating van die afwijkende lezingen, die aan den oorspronkelijken vorm zulk een buitengemeene beteekenis gegeven moeten hebben. Want dat juist zette aan den oervorm van Tatianus' Diatessaron zooveel gewicht bij: de samensteller heeft handschriften uit de tweede, wellicht uit de eerste eeuw van onze jaartelling gebruikt.
Het lot van Tatianus' Diatessaron: de aanpassing aan een officieelen standaardtekst van den bijbel, heeft zich in later tijd nog eenige malen herhaald. Zooals reeds gezegd is, moet er ook een Oud-Christelijke bewerking in het Latijn bestaan hebben. In 546 werd in opdracht van bisschop Victor van Capua een afschrift voltooid naar een Latijnsche Evangeliënharmonie, die reeds in de 5de eeuw met den Vulgatatekst in overeenstemming gebracht was. Een exemplaar van een Oudlatijnsch handschrift, of later afschrift hiervan, met den oorspronkelijken tekst is niet meer voorhanden, de vele Latijnsche manuscripten uit de Middeleeuwen toonen eveneens den gezuiverden tekstvorm. De Oudhoogduitsche vertaling van Fulda, die ten onrechte onder den naam ‘Tatian’ is uitgegeven, heeft alleen den uiterlijken vorm met het Diatessaron gemeen, de tekst is uitsluitend gebaseerd op de Vulgata.
Hoe men ook zocht, men kon geen handschrift met den Oudsyrischen of Latijnschen tekst van het Diatessaron op het spoor komen. De verschillende Middeleeuwsche vertalingen in de West-europeesche volkstalen werden onderzocht en het gelukte den bekenden Zwitserschen nieuwtestamenticus Zahn in een Zürichsch handschrift van ± 1300, dat een Middelhoogduitsche bewerking in Alemannisch dialect bevatte, tal van merkwaardige lezingen aan te wijzen, terwijl hij ook een Middelnederlandsch handschrift, te Stuttgart berustend, in zijn onderzoek betrok.
Ook een Nederlandsche geleerde, wijlen Prof. Dr. D. Plooy, zette zich tot de bestudeering van de Middelnederlandsche Evangeliënharmonieën. Hij kwam tot de opzienbarende ontdekking, dat het zoogenaamde Limburgsche Leven van Jezus, reeds tweemaal door taalkundigen uitgegeven naar een handschrift van de Luiksche universiteitsbibliotheek, dat omstreeks 1280 in de Benedictijnenabdij van St. Truyen in West-Limburg afgeschreven moet zijn, in hoofdzaak den lang gezochten tekst bevat. Er bestaat naast dezen tekst nog wel een geheele reeks Middelnederlandsche en Duitsche Levens van Jezus, die nauw verwant zijn met deze oude Evangeliënharmonie, maar alle, ook de bovengenoemde uit Zürich en Stuttgart, zijn ze min of meer gecorrigeerd naar de Vulgata, zoodat de geschiedenis zich hier ten tweeden male heeft herhaald. Het Luiksche handschrift evenwel vertoont in groote trekken den oorspronkelijken vorm van het Oud-Christelijke Diatessaron. Met behulp van de Oudsyrische citaten en den Armenischen commentaar heeft Prof. Plooy aannemelijk gemaakt, dat een groote hoeveelheid lezingen, die van de Vulgata afwijken,
niets anders zijn dan oude Diatessaronlezingen. Wij veroorloven ons uit een verhandeling van den geleerde een citaat over den vorm van een bede in het Onze Vader. ‘Daar staat nl. in plaats van: “Leid ons niet in verzoeking” deze bede: “Ende en beghef ons nit in onsen koringen” (verlaat ons niet in onze verzoekingen) en ook zonder speciale theologische kennis voelt ieder wel, dat hier achter zit de gedachte dat God, die immers goed is, ons niet in verzoeking leidt, en dat wij veeleer te bidden hebben dat, wanneer wij in verzoeking komen, God ons niet moge verlaten. Hiermede zijn wij in een godsdienstige quaestie, welker geschiedenis reeds aanvangt bij Jacobus 13: “Niemand zegge als hij verzocht wordt, ik word van Gods wege verzocht. Want God kan niet tot booze dingen verzocht worden en zelf verzoekt hij niemand.” Het is deze door Jacobus uitgesproken gedachte die Marcion omstreeks 150 n. Chr. de bede van het Onze Vader aldus deed formuleeren: “Laat ons niet in verzoeking worden geleid”, een lezing die ook in den oudsten Latijnschen Evangelietekst ..... voorkomt. Zóó als het Luiksche handschrift de bede geeft, vinden wij die echter nauwkeurig bij Hilarius, bisschop van Poitiers († 367 n. Chr.) en hij deelt mede, dat deze vorm de kerkelijk gebruikte was, een bewijs naar het schijnt dat het oude Latijnsche Diatessaron ook eenigen tijd en in bepaalden kring in kerkelijk gebruik is geweest.’
Het gewicht van het zoogenaamde Leven van Jezus als hulpmiddel bij de tekstcritiek der Evangeliën wordt na Plooy's ontdekking algemeen erkend. Deze erkenning sluit echter niet onvoorwaardelijken bijval in. Bestrijding is niet uitgebleven; om allerlei redenen slaan sommigen de waarde minder hoog aan, maar allen moeten toegeven, dat de vertaler een zeer ouden tekst voor zich heeft gehad, ouder nog dan de Evangeliënharmonie van Victor van Capua en afhankelijk van Tatianus.
Nu hiermede de theologische beteekenis van dit Nederlandsche Leven van Jezus eenigszins in het licht gesteld is, kan een behandeling volgen van het werk als episode in de geschiedenis onzer bijbelvertaling. En dan mag men, laten we het maar dadelijk zonder eenigen schroom zeggen, onze Evangeliënharmonie op één lijn stellen met een meesterstuk van vertaalkunst als de Evangeliënvertaling van Luther. Ter inleiding volge hier een proeve met de vertaling in modern Nederlandsch van Mej. Dr. G.C. van Kersbergen:
| Van den sermone dat niemen en mach II heren dienen ende dat men niet en sal sorfechtech syn om eten oft drinken ocht ander dinghen op der erden. | Over de leerrede dat niemand twee heeren kan dienen en dat men niet bezorgd moet zijn om eten of drinken of andere aardsche zaken. |
| Nimen en mach tween heren dienen ochte hi moet den enen haten ende den andren lief hebben. ochte hi moet den enen lief hebben ende den andren verkuschen. Gine mogt nit Gode dienen ende der quader verwentheit. Dar omme seggic u. en syt nit al te sorfechtech om uwen lichame war met dat ghine vuden ende cleeden selt. En is uwe zile nit beter dan spise ende u lichame dan cleeder? Siet ane de vogle die vliegen in der locht. sine sayen nit noch sine ogsten nit. noch sine ghedren nit in schuren. ende nochtan vudt se uwe hemelsche vader. Ende sidi nit werder vor Gode dan si syn? wie es van u allen die hem selven mach langer maken enen voet dan ne nature hef gemakt? ende och gi nin cont ghedon dat Gode so cleine es te doene war omme sidi besorgt van din dat hem toe behorrende es? Ende waromme sorgdi omme cleder tuwen lichame? Siet ane de lilien die wassen in den velde. noch sine pinen noch sine spinnen nochtan so seggic u dat Salomon in alle sire glorien en es also wale nit gecleedt alse ene van hen. Ende ochte dat gars ende die bloeme die heden es ende margen werdt geworpen in den oven om te verbernne. Got also wale cleedt wis onssiedi u dan volc van cleinen gheloeve? En syt dan nit alte sorfechtech noch en segt nit wat sele wi eten. wat sele wi drinken. wat sele wi ane don? want u vader die in den hemele es weet wale dat gi alles des behoeft. mar sukt talre irst dat rike Gods ende sine gereghtegheit. ende al dit | Niemand kan twee heeren dienen: òf hij moet den ééne haten en den andere liefhebben, òf hij moet den ééne liefhebben en den andere versmaden. Gij kunt niet God dienen èn de booze lust. Daarom zeg ik u, weest niet al te bezorgd voor uw lichaam, waarmee gij het voeden en kleeden zult. Is uw ziel niet beter dan spijs en is uw lichaam niet meer dan kleeren? Ziet de vogelen, die vliegen in de lucht, zij zaaien niet en zij oogsten niet, en zij verzamelen niet in schuren, nochtans voedt uw hemelsche vader hen. En zijt gij niet meer waard voor God dan zij? Wie is er onder u allen, die zich zelf een voet langer maken kan dan de natuur hem gemaakt heeft? Wanneer gij dus niet kunt doen, wat voor God zoo gering is te doen, waarom zijt gij dan bezorgd over dat, wat hem behoort? En waarom zijt gij bezorgd om de kleeren voor uw lichaam? Ziet de leliën, die groeien in het veld. Zij arbeiden niet en spinnen niet, nochtans zeg ik u, dat Salomon in al zijn glorie niet zoo wel gekleed was als één van hen. En wanneer God het gras en de bloem die heden is en morgen in den oven geworpen wordt om te verbranden, zoo wel kleedt, waarvoor vreest gij dan, volk van klein geloof? Weest dan toch niet al te bezorgd en zegt niet wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken en wat zullen wij aandoen? Want uw Vader die in den hemel is, weet wel dat gij dit alles noodig hebt. Maar zoekt allereerst het rijk Gods en zijn gerechtigheid, en dit alles zal u toegeworpen worden. Weest dus niet |
| sal u toe geworpen werden. En syt dan nit sorgende om den margen, want de margen sal sorgen vor hem selven. elken daghe es gnoch syns selves sorge. | bezorgd om den (dag van) morgen, want de (dag van) morgen zal voor zich zelf zorgen. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen zorg. |
Wil deze oudste Nederlandsche Evangeliëntekst tot zijn recht komen, dan moet men hem hardop lezen. Wie dit Evangeliewoord ‘met ghoeder willechheit ende met ghoeder ernstechheiden’, zooals de vertaler het in den proloog uitdrukt, op zich laat inwerken, zal getroffen worden door den ontroerenden eenvoud en de zuiverheid van zegging. Hier is de Blijde Boodschap in al haar soberheid ‘uten latine in didscher talen’ gebracht. Bij nauwkeurig toezien blijkt die eenvoud het gevolg te zijn van een ongewoon meesterschap over de taal. Het wonderlijke, dat juist de groote aantrekkelijkheid dezer bijbelvertaling uitmaakt, is de levendige vertelstijl, die in zijn uitdrukkingswijze volmaakt modern aandoet. Opgegroeid als wij zijn bij den Statenbijbel met zijn stijl vol hebraïsmen en graecismen, die ons vertrouwd in de ooren klinken, kunnen wij ons toch niet onttrekken aan de frissche bekoring van dit 13de-eeuwsche werk. Tot onze verrassing bemerken wij, dat er toch niet zoo'n groote afstand tusschen de uitdrukkingsmiddelen van dien tijd en de onze is. In ongedwongen bewoordingen, in de taal, toen en nu gebezigd om op eenvoudige wijze iets duidelijk te maken, wordt het leven van Jezus verhaald. Men zou zich vergissen, indien men dacht dat ook een middelmatig vertaler dat wel had kunnen doen. Om dicht bij huis te blijven kunnen wij wijzen op de vele andere Middeleeuwsche vertalingen, waarin het Latijn te sterk doorklinkt. Onze schrijver is er echter in geslaagd dat te bereiken, wat het ideaal van iederen vertaler behoort te zijn: den weer te geven tekst zóó in zijn moedertaal te transformeeren, dat hij zijn hoorders en lezers volmaakt vertrouwd in de ooren klinkt.
De tegenwerping wordt wellicht gemaakt, dat die vrijheid van zegging wordt verkregen ten koste van den grondtekst. Nu geldt van iedere vertaling, dat zij min of meer inbreuk maakt op de bedoeling van den voorliggenden tekst. Er schuilt een kern van waarheid in het Fransche spreekwoord: ‘traduire, c'est trahir un peu’. De auteur van het Leven van Jezus heeft dit wel degelijk gevoeld. In zijn proloog doet hij namelijk een beroep op de vergevensgezindheid van zijn lezers, wanneer hij ‘in te vele te seggene ochte te lettel’ de Heilige Schrift geweld zou aandoen. Zijn eerbied voor Gods Woord waarborgt ons nu juist, dat zijn vrijheid ‘getrouwer’ is dan een woorde-
lijke vertolking geweest zou zijn. Hij weet, dat een omschrijvende vertaling, zooals hij die zoo vaak aanbrengt, veelal verre te verkiezen is boven een letterlijke weergave. De eerste laat aan duidelijkheid niets te wenschen over, de tweede is voor een niet Latijn kennenden leek soms allesbehalve te verstaan, en zeker voor een leek, die het bijbelverhaal in zijn oorspronkelijken vorm nooit gehoord had.
Een kleine moeilijkheid biedt het ontbreken van den tekst, welken de auteur voor zich gehad heeft. Bevatte die bijvoorbeeld reeds vele omschrijvingen, verduidelijkende woorden en losse gedeelten aaneenhechtende zinnetjes, of zijn deze alle van den Nederlandschen auteur afkomstig? Volgens Prof. Plooy zijn ze grootendeels van Tatianus afkomstig, zijn critici ontkennen dat evenwel. Bij de volgende keuze van enkele sprekende staaltjes uit dit Limburgsche Leven van Jezus (L) hebben we ons bepaald tot niet ‘omstreden’ gevallen. Hoezeer het uitmunt boven ander, soortgelijk werk, kan het best blijken uit een vergelijking met de latere omwerking naar den Vulgaattekst, o.a. overgeleverd in het Stuttgartsche handschrift (S).
Hoe levendig klinkt niet het begin van Joh. 2: ‘Op enen dach so was ene brulocht in ene stat die heet Chana int lant van Galileen ende daer was Marie Ihesus moeder. Al daer so was oc Ihesus ende sine yongren ghenoedt ter brulocht. In dire brulocht so ghevil dat daer wyn gebrac.’ Leg hier nu naast het latinistische proza van S: ‘In den derden dage was gemaect ene brulucht in Cana Galilee. ende dar was Ihesus moeder. ende Ihesus was dar ooc geroupen ende sine jongere ter brulucht ende dar gebrac wijns’. Diezelfde vlotte vertelstijl van L blijkt uit den aanhef: ‘Ens tyds....’ die elders voorkomt. Teekenend is Joh. 8, 9: ‘alse dat hoerden die phariseuse so strekense enwege [= slopen stil weg] uten temple deen na den andren’ in vergelijking met de angstvallig nauwkeurige weergave in S: ‘Doe si dat gehorden doe ginc deen na den andren ut.’ De schrijver knoopt aan bij voorstellingen, die het volk kent, zooals in Joh. 7, 15: ‘hoe comt dat dese so wale gheleert es, die noit ter scholen en ghinc om letter te leerne?’; vgl. S: ‘waer af can dese die scrift ende hise niet geleert en hevet?’ Wie denkt niet aan Middeleeuwsche schilderingen van Bethlehem's stal in Luc. 2, 7: ‘loge van riseren’ [= afdak van rijshout, prieel]. Hoe aanschouwelijk is de lamme vrouw voor oogen gesteld in Luc. 13, 11: ‘si hadde den rugge so gekrumt dat si niet opwert ghesin en conste’ en hoe mat klinkt daarnaast S: ‘ende ginc gecrommet. ende al te male en mochte si niet up waerd gesien’. De taal van den dagelijkschen omgang hooren we in Luc. 5, 28: ‘lit tol ende al’, vgl. S: ‘liet
alle dinc’; Luc. 14, 9: ‘stant op, laet desen daer sitten’, naast S: ‘gef desen die stat’. Hij vermijdt vreemde begrippen, bijv. Joh. 11, 18: ‘also op een virdendeel van der milen’, waar S het letterlijke ‘omtrent XV stadien’ vertoont. Tollenaars noemt hij ‘ghemeine liede’ of ‘liede van der werelt’, Schriftgeleerden ‘mestre van der wet’. De Hebreeuwsche genitieven vervangt hij het liefst door meer inheemsch klinkende omschrijvingen. Zoo noemt hij ‘de vogelen des hemels’ ‘de vogle die vliegen in der locht’; ‘visschers der menschen’ zijn ‘vescheren om liede te vane [= vangen] ende menschen’. Ook zelfstandige naamwoorden omschrijft hij, wanneer het zinsverband dat naar zijn oordeel vereischt. In plaats van ‘dit es dat ordeel’ schrijft hij Joh. 3, 19: ‘Ende dit es die sake waromme dat de werelt sal gheordeelt syn’. Alliteraties komen veelvuldig voor, bijv. Luc. 7, 24: ‘en riet dat de wint yagt war wert dat hi wayt’, Luc. 19, 13: ‘wint ende werft hir met’, Luc. 8, 24: ‘hi gebiedt den winden ende den watre’.
Wie is nu de vertaler geweest van dit voortreffelijke werk? Hij moet een vroom man geweest zijn, vervuld van grooten eerbied voor de Heilige Schrift. Vooraf wekt hij zijn lezers en hoorders op, het Heilig Evangelie ‘sonder begrijp’, dat is onbevangen, te naderen. Voorts doet hij zich kennen als een geleerde, die de kunst van popularisatie verstaat. Tot de eenvoudigen en ongeletterden, voor wie zijn werk kennelijk bedoeld is, spreekt hij over de uitlegkundige werken van Kerkvaders en Schriftverklaarders als ‘grote bueke ende grote ghescreften die vele meerre [= omvangrijker] sijn dan de text van der ewangelien alte male’. Alleen die passages, die toelichting noodig hebben, voorziet hij met groote vaardigheid van een korte aanteekening. Behalve een vroom man en een geleerde is de auteur ook een kunstenaar geweest. Hij doorleeft en begrijpt het Latijnsche Evangeliewoord niet alleen, maar hij weet er de gelijkwaardige uitdrukking van in de moedertaal te scheppen. De woordkeus is treffend van juistheid, de zinsbouw, ondanks de perioden die soms een groote lengte beslaan, glashelder, terwijl de rhythmische deining van zijn proza een kunstgevoelige persoonlijkheid verraadt. Oogenschijnlijk heeft het, in het kader der Nederlandsche bijbelvertaling, iets raadselachtigs, dat onze oudste Evangeliënvertaling ineens de beste is geworden, die wij bezitten. Komt een dergelijk werk dan kant en klaar uit de lucht gevallen? Er moet toch een bodem geweest zijn, waaruit zijn arbeid is opgegroeid, een achtergrond, waartegen zijn persoon als vroom geleerde en kunstenaar zich laat afteekenen?


Een antwoord op al deze vragen verkrijgt men, wanneer men met ons op grond van de overeenkomsten in taal en stijl in den dichter van het Leven van Sinte Lutgard den vertaler van het zgn. Limburgsche Leven van Jezus wil zien. Willem van Affligem, die van 1277 tot aan zijn dood abt van het Benedictijnenklooster te St. Truyen in West-Limburg is geweest, wordt door den kroniekschrijver van de abdij geprezen als ‘een man van buitengewone godsvrucht ...., een vurig beoefenaar van de Heilige Schrift .... even bedreven in de poëzie als in het proza’. Zóó iemand kan ons kunstwerk gemaakt hebben. En nu wordt tevens duidelijk, voor welken kring van eenvoudigen hij zijn bijbelvertaling gemaakt heeft. Niet voor de geleerde ‘monniken en heeren van Sint-Truiden, vele aanzienlijke en geletterde mannen die uitstekend Dietsch, Fransch en Latijn kenden’, gelijk de kroniekschrijver hen noemt, maar voor de mystieke begijnenbeweging, welke in zijn dagen in Limburg en Brabant bloeide en waarmee Willem van Affligem in levendig verkeer stond.
De bakermat van deze beweging die in de 13de eeuw op het vasteland van West-Europa zulk een wijde vlucht nam, stond in de Zuidelijke Nederlanden. Daar het eerst vereenigden vrouwen zich in groote gemeenschappen, om in een leven van armoede en zelfverloochening God te dienen. Het is moeilijk van zulk een machtig geestelijk réveil de dieper liggende oorzaken aan te wijzen. De klooster- en Kerkhervorming, sinds de 10de en 11de eeuw ondernomen vanuit het klooster Cluny, de behoefte aan een persoonlijk doorleefden godsdienst, afkeer van de wereld en haar begeerlijkheden, dat alles dreef vrouwen van adellijke en aanzienlijke afkomst er toe, gezamenlijk een Godgewijd leven te leiden. Het ideaal van de apostolische armoede en wereldverzaking, reeds tot uiting gekomen bij een Franciscus van Assisi en een Petrus Waldus, bezielde ook deze vrouwen. Het woord van Matth. 19, 20; ‘Eene dinc ghebrekt di. weltu volmakt syn so ghanc ende verkoep dat tu hefs ende gheft den armen. ende com ende volgh mi. so soutu vinden enen schat in hemelrike’, was hun een lichtend spoor. Die begeerte om ‘ontbonden te worden en met Christus te zijn’, dat streven naar onthechting van al het aardsche, wekte duizenden vrouwen op om zich voor te bereiden op de vereeniging met hun hemelschen bruidegom Christus.
Als de onmiddellijke aanleiding tot de vorming van deze vrouwengemeenschappen zonder bindende kloostergeloften worden de Kruistochten genoemd. Talrijke mannen verlieten in heiligen geloofsijver huis en haard. In de volkrijke steden van de Zuidelijke Nederlanden
en het naburige Rijnland ontstond een teveel aan vrouwen, voor wie in de maatschappij geen plaats meer was. Ook zij waren aangegrepen door een vurig verlangen, zich in dienst te stellen van God alleen. Die drang zocht een uitweg en zoo vormden zich reeds tegen het einde van de 12de eeuw in deze gewesten en in de stad Keulen zulke vrouwen-vergaderingen op religieuzen grondslag.
Kloosterorden van verschillende soort hebben zich beijverd om den stroom in kerkelijke bedding te leiden. Het gevaar was namelijk groot, dat die vrije leekenvergaderingen, staande buiten alle kerkverband, broeinesten van ketterij zouden worden. In het begin, en ook later nog wel, zijn herhaaldelijk beschuldigingen van ketterij tegen begijnen en hun mannelijke tegenhangers, de begarden, ingebracht. De orde der Cisterciënsers in het bijzonder heeft zich de geestelijke leiding en verzorging der begijnen aangetrokken. Wanneer er in de reeds bestaande nonnenkloosters hunner orde nog gelegenheid tot plaatsing was, traden de begijnen toe als leekezuster of non. Nieuwe kloosters voor Cisterciënserinnen werden in de 13de eeuw opgericht, en toen ook die waren volgestroomd, zijn er op vele plaatsen begijnhoven en -parochies opgericht onder onmiddellijken invloed van Cisterciënser geestelijken. Zoo telde de begijnenparochie van Nijvel in Brabant ruim 2000 vrouwen! Weldra beijverden ook de geestelijken der bedelorden, de Franciscanen en Dominicanen, vooral de laatsten, zich voor de organisatie en geestelijke verzorging der vrome stichtingen. Niet zelden werden deze omgezet in Dominicanessenkloosters.
Met opmerkelijke snelheid heeft de begijnenbeweging zich over geheel West-Europa verbreid. In de 13de eeuw vinden we haar overal in het Rijngebied, Frankrijk en Spanje. Een soortgelijke vereeniging vormden de Godsvrienden, mannen, die streefden naar een innige gemeenschap met God, en in het Rijnland, ook in het gebied langs den Boven-Rijn, en in Nederland in grooten getale zich groepsgewijze vereenigden. Er zijn getuigenissen te over dat Zuidnederlandsche begijnen, Dominicanessen en Godsvrienden geregelde correspondentie onderhielden met hun geloofsgenooten in Duitschland. Keulen, Straatsburg en Bazel waren daar de middelpunten van de geloofsbeweging. Behalve door onderlinge briefwisseling werd het contact levendig gehouden door rondreizende predikers van de orde der Dominicanen.
In en voor dezen kring van begijnen, Cisterciënserinnen en Dominicanessen is een rijke godsdienstige letterkunde in de volkstaal ontstaan. De verborgen omgang met God kan alleen met behulp van de
moedertaal, voertuig van de innigste gedachtenuitdrukking, ver-woord worden. Mystieke ervaringen en visioenen werden door begenadigde vrouwen te boek gesteld, sermoenen en stichtelijke tractaten werden door haar geestelijke verzorgers voor haar vervaardigd. In de eerste helft en het midden der 13de eeuw had zich zoo in Brabant een tot hooge ontwikkeling gebrachte mystieke letterkunde gevormd, voorname kunst die in verfijnd proza de roerselen van het religieus gemoedsleven schilderde. Wij denken hier aan den rijken schat aan liederen, visioenen en brieven van Hadewijch, een vrouw van aanzienlijke afkomst die de bezielende leidster was van een vrouwengemeenschap; aan het werk van Beatrijs van Nazareth, priores van het zoo geheeten klooster van Cisterciënserinnen bij Leuven; aan het werk van nog oudere, onbekende schrijvers.
Ziehier den geestelijken achtergrond van het zoogenaamde Limburgsche Leven van Jezus. Willem van Affligem was geestelijk met deze vrome vrouwen verwant. In mystieke sermoenen, die wellicht van zijn hand zijn, verwerkte hij gedeelten uit het werk van Hadewijch en Beatrijs van Nazareth; hij heeft in Dietschen dichtvorm het leven beschreven van de later heilig verklaarde Lutgardis van Tongeren, een der zuiverste vertegenwoordigsters dezer vrouwenbeweging. De heilige Lutgard was eerst priores van het Benedictinessenklooster St. Catharina bij St. Truyen, maar had later uit deemoed haar aanzienlijke positie vaarwel gezegd om als gewone non toe te treden tot het klooster Aquiria van de strengere orde der Cisterciënserinnen. Voor een kring van zulke vrouwen, niet zoozeer dus begijnen als wel Cisterciënserinnen, Dominicanessen, Tertiarissen enz. heeft de abt van St. Truyen het Leven van Jezus in de landstaal bewerkt, voor haar heeft hij het Diatessaron van Tatianus in ontroerend schoon Nederlandsch vertaald. Bij haar leefde de behoefte om haar Bruidegom te volgen door onmiddellijk te putten uit de bron zelf van alle geestelijk leven, den bijbel. Het is het verschijnsel, dat wij overal waarnemen, waar een waarachtig persoonlijk geloof ontwaakt en zich verdiept: de terugkeer tot God en Zijn Woord.
Kon men beter zijn ideaal van wereldverzaking en zelfverloochening nastreven dan door zich te richten naar ‘de schone historie van den wesene ende van den levene ons heren Ihesu Christi dat hi leidde op ertrike’? Willem van Affligem heeft op onnavolgbare wijze aan dit verlangen naar een bijbelsch Christendom uitdrukking gegeven.
Is het gerechtvaardigd hier van een reformatorische daad te spreken? Wij zijn ons bewust van de vele bezwaren die daartegen kunnen
worden ingebracht. De rechtzinnige vertaler had grooten eerbied voor kerkleer en kerkgezag; van een uitsluitend zich baseeren op het Schriftgezag zoo men dat al reformatorisch mag noemen, is bij hem nog geen sprake. Zijn bedoeling is alleen geweest om aan vrome zusters en broeders, die hun leven zochten in de navolging van Christus, het leven van Jezus als spiegel voor te houden. Maar wanneer we in breederen zin de Hervorming daar reeds potentieel werkzaam zien, waar de bijbel aan de leekenwereld in handen gegeven wordt, dan mogen we in den arbeid van Willem van Affligem een symptoom begroeten van een zich herstellend contact tusschen den geloovigen leek en de openbaring van God in Zijn Woord.
Alvorens over te gaan tot de bespreking van de belangwekkende lotgevallen van het Leven van Jezus, zullen wij eerst eenige andere vertalingen van bijbelgedeelten uit de 13de eeuw de revue laten passeeren. Het geluk wil namelijk, dat onder onze oudste letterkundige handschriften, die niet verder terugklimmen dan tot het midden van de 13de eeuw, eenige vertalingen van bijbelgedeelten voorkomen. Van te voren kan men er welhaast zeker van zijn, dat mystieke kringen in dien tijd reeds een Hoogliedparafrase in de volkstaal en een Getijdenboek bezeten hebben, maar aangezien hiervan wel verschillende afschriften uit de 14de en geen enkel uit de 13de eeuw bestaan, mag men geen dezer met stelligheid aan deze periode toeschrijven. De volgende teksten dateeren echter uit de tweede helft van de 13de eeuw.
In de eerste plaats een vertaling van de Apocalyps of de Openbaring van Johannes, waarvan twee Vlaamsche handschriften uit ± 1280 tot ons gekomen zijn. Een er van berust in de Bibliothèque Nationale te Parijs, het andere in de bibliotheek van de Academie van Wetenschappen te Leningrad. Dat juist dit bijbelboek voor een vertolking in aanmerking kwam, is niet te verwonderen. In Johannes van Patmos zagen de extatische vrouwen en mannen van de mystieke beweging den grooten visionnair, aan wien het voorrecht te beurt was gevallen, God te schouwen. Het Parijsche handschrift bevat bij elk van de 22 hoofdstukken een heerlijke miniatuur, die in later tijd op de volle, daartoe opengelaten nevenbladzijde is aangebracht. De onbekende Vlaamsche kunstenaar weet zich op verrassende wijze vrij te houden van de verstarde Apocalyps-uitbeelding van zijn tijd. Als
oorspronkelijk, kunstgevoelig werker neemt hij een eervolle plaats in te midden van groote kunstenaars als Dürer, die hun beste krachten hebben gegeven om het schier onbereikbare te bereiken: den apocalyptischen visioenen van den grooten ziener vorm te geven.
In tegenstelling tot deze miniaturen is de vertaling zelve van gering gehalte. Het zij verre van ons, den overzetter daarvan eenig verwijt te maken. Het Leven van Jezus, als het werk van een genialen vertaler die met artistieke middelen in volkseigen taal het Diatessaron als het ware herschept, kan moeilijk als maatstaf bij vergelijking met anderen vertaalarbeid dienen, de kunstenaar doorbreekt in vrijen scheppingsdrang de lijn die er loopt van de gebrekkige, interlineaire vertolkingen naar de geleidelijk zich ontwikkelende vertaaltechniek van later tijd. De Vlaamsche Apocalyps daarentegen past geheel in de aangeduide ontwikkelingslijn. Zij vertegenwoordigt de overgangsfase van de stroeve interlineaire naar de vrijere vertaling. De werkwijze van den auteur komt in het kort gezegd hierop neer, dat telkens eenige bij elkaar behoorende Vulgaatwoorden letterlijk verdietscht worden, met het gevolg dat er een latinistisch getint vertaalproza ontstaat, dat ons stijf en onnatuurlijk aandoet. Men leze den aanhef van Openb. I.
Openb. 1, 1-3.
Die openbaringhe Jhesu Christi die hem God gaf te openbaerne sinen knechten, die haestelike moet geschien ende beteekende, sendende bi sinen inghel sinen knecht Janne, die oirconde gaf van den woorde Gods entie orconde Jhesu Christi van allen den dinghen die hi sach. Salich es die leest ende hoort de woort deser prophetien (des boukes), ende onthout de woort die daer in ghescreven staen, want die tijt es na.
Een andere verdietsching van eerbiedwaardigen ouderdom is een Vlaamsche Psalmenvertaling, waarvan de tekst te vinden is in een handschrift van ± 1280, dat voor ongeveer dertig jaren nog berustte in de bibliotheek der Academie van Wetenschappen in het toenmalige St. Petersburg. Op de linker bladzijde staat de Latijnsche, op de tegenover liggende pagina de Vlaamsche tekst. Wij zijn helaas niet in de gelegenheid een fragment van deze oeroude Psalmenvertaling bekend te maken, omdat er nooit een afschrift van gemaakt is.
Er zijn evenwel in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel eenige oude, 14de-eeuwsche afschriften bewaard, die, naar wij om straks te vermelden redenen vermoeden, teruggaan op een 13de-eeuwsch origineel. Wanneer dit niet juist de Leningradsche tekst is, dan is het in elk geval een nauw verwante redactie geweest, aangezien het weten-
schappelijk onderzoek heeft uitgemaakt, dat de oude Psalmenvertalingen één complex vormden. Om den lezer een indruk te geven van de wijze, waarop de Psalmen ten onzent in de 13de eeuw vertaald werden, deelen wij uit het Brusselsche handschrift den 1sten Psalm mede.
Psalm 1.
Salech es die man die niet af en ghinck in den raet der onghenadegher ende in den wech der sondaren niet en stont, ende in den stoel der plaghen niet en sat. Maer in die wet des heren es sijn wille ende sine wet dinct hi nacht ende dach, ende wert alse dat hout dat gheplant es biden henelopene [= loop] der watre, dat sine vrocht gheeft in siere tijt. Ende sijn blat en sal niet te vlieten [= afvallen] ende alle dinc die hi doet werden vruchtbaer. Niet also ghi onghenadeghe, niet also. Maer alse die moude [= stof] die de wint werpt van den anschine der erden. Daer omme en staen niet op die onghenadeghe in den ordele, noch die sondare in den raet der gherechter. Want die here heeft bekint den wech der gherechter ende die wech der onghenadegher sal verderven.
Naast een Evangeliënharmonie, een Apocalyps en een Psalmenvertaling moeten hier te lande omstreeks 1300 ook de kerkelijke Epistelen Evangelielessen in de landstaal bekend geweest zijn. De liturgische Schriftgedeelten, zooals die in alle kerken gelezen werden, kwamen uiteraard eveneens voor vertaling in aanmerking. Trouwens, predikers die hun taak goed verstonden, zullen de les van den kerkdag, waarover hun sermoen handelde, ook wel in de volkstaal hebben voorgelezen. Zoo ontstonden de Dietsche lectionariën, zoo genoemd wanneer de bundels alleen de kerkelijke bijbelpericopen bevatten, of de Dietsche plenariën, zoo genoemd wanneer ze ook nog glossen of toelichtingen in den vorm van korte preeken behelsden. Minder ontwikkelde kloosterlingen, en later ook leeken, konden zich voor de preek voorbereiden door eerst het Schriftgedeelte van den dag te lezen of te hooren. De omvang van de verschillende Nederlandsche Epistel- en Evangelieverzamelingen loopt in de Middeleeuwen sterk uiteen. Kloosterlingen, die vanzelf meer feestdagen kerkelijk hadden te vieren en over het algemeen meer kerkelijke plichten te vervullen hadden, gebruikten een collectie van 536 schriftpericopen, vrome leeken konden met de helft volstaan.
Er is nu in de Amsterdamsche universiteitsbibliotheek een bundel Westvlaamsche Epistelen en Evangeliën bewaard uit het jaar 1348. De ‘exposicies’ of korte preeken, die bij een 25-tal Evangelielessen geplaatst zijn, ademen alle een mystieken geest. Dit brengt ons op het spoor van de herkomst: in een omgeving van ‘eersamer vrouwen die met goeder namen siin ende in wandelinghe behoet’, van vrouwen
die een vromen levenswandel leiden en gaarne ‘iets goeds lezen’, is deze bundel in gebruik geweest. Een Westvlaamsch nonnenklooster, waar de mystiek in eere was, moet dit handschrift in bezit hebben gehad. De vertaling der Evangelielessen is frisch en vloeiend, met een rijke afwisseling in de keuze der woorden. Vooral de verhalende gedeelten munten uit door levendigheid. De toevoeging van allerlei woorden of zinnetjes, die door onderstreping met rooden inkt duidelijk aangegeven worden als toevoegsel bij den eigenlijken bijbeltekst, dient om de vertaling duidelijker, minder latinistisch te maken. Wel heeft de bewerker een lateren, aan de Vulgaat aangepasten vorm van het Leven van Jezus gekend en gebruikt, maar zijn werk is geheel zelfstandig. Een voorbeeld van zulk een Evangelieles moge hier een plaats vinden, en wel de les van Kerstmis.
Luc. 2, 1-14.
In dien tiden was uut ghegheven een ghebod van augustuse den keyser dat men soude bescriven al die werelt. Dese eerste bescrivenesse was ghedaen van cyrinusse die was baeliu1) van syrien. Ende alle die lieden ghingen om hem te beliene2) elkerlijc3) in sine poort4). Ende ioceph die ghinc up van galylea van der poort te nazareth int lant van iudea in davits poort die men heet bethleem. Ende om dat hi was vanden huse ende vanden gheslachte davits dat hi soude bliven met marien sinen ghetrouweden wive die kint drouch5). Ende het gheviel doen si daer waren dat vervult siin hare daghen dat soe6) soude baren. Ende soe baerde haren zone den eerst ghewonnen, ende soe bewantene in cledren, ende leidene in ene crebbe, bedi7) daer en was hem ghene andre stede dan dat stal te sinen bouf8). Ende in dat rike waren herden wakende ende wachtende de wakinge vander nacht up hare beesten. Ende ziet waer die ingel ons heren stont neffens hem lieden. Ende de claerhede gods omme sceense ende si waren vervaert met groter vreesen. Ende die ingel seide tote hem lieden: ‘Ne ontsiet u niet9) want ziet ic bootscepe u grote bliscepe, die wesen sal alden volke, bedi ons es gheboren heden die behoudere die es (onse here) kerst ihesus in die stat davids. Ende dit sal wesen u litekin1). Ghi sult vinden dat kint ghewonden in cledren ende gheleit in ene crebbe’ Ende thants was metten ingel ene grote menechte van rudderscepe vanden hemelsce heercrachten2), lovende gode ende si seiden: ‘Glorie (moete3) wesen) int alre hogeste gode ende in erdrike4) pays5) (allen) lieden die sijn van goeden wille.
Dit is de taal die een Jacob van Maerlant in de 13de eeuw schreef, zoodat wij deze Evangelielessen wel in of kort na zijn tijd, ± 1300, mogen plaatsen. De Epistelpericopen in dezen bundel berusten eveneens op een zeer ouden tekst, die òf Nederlandsch òf Duitsch van oorsprong is. Naast elkaar drukken wij van beide redacties een fragment af, links de oudere naar een Londensch handschrift in 1353 in Brabantsch dialect, rechts de Westvlaamsche bewerking, en wel de lectio, die in het misboek voorkomt op den eersten Zondag van den advent.
| Broedre wet dat die stonde nu te hans2) es ons op te stane van den slape. Mer nu es naerder3) onze zalecheit dan doen wi geloofden. Want die nacht es vergaen entie dach es genaect5). Der omme selen wi en wech worpen die werken der deemsternessen6) ende selen ane doen die wapene des lichts. Ende wi selen alse inden daghe eersamlike7) wandelen, niet in werscapen8) ende niet in dronkenheden ende niet inden bedden ende niet in bevlectheiden ende niet in crige10) no in hate. Mer doet ane Onsen Here Ihesum Christum. | Broeder weet wel dat1) nu de tijt es dat wi up staen van onsen slape, want nu es naerre3) onse zalechede dan wi gheloveden. Die nacht es leden4) ende die dach es ons ghenaect5). Laet ons danne wech werpen die ghewerken van deemsterheden6). Ende laet ons andoen die wapenen van lechte. Also dat wie inden dach eerlike7) moghen wandelen. Niet in groten maeltiden, no in dronkenscepen, niet in onsen bedden, no9) in eneghen oncuusscen dinghen, niet in sceldene, no in stridene. Ne ware11) doet an onsen here ihesus kerst. |
Aandachtige lezing en vergelijking van beide proeven doen zien, dat de tweede tekstvorm een aanzienlijken vooruitgang beteekent: hij is gevarieerder van stijl en uitdrukkingswijze.
Al deze vertalingen, vóór of kort na 1300 ontstaan, verdienen bijzondere aandacht om hun groote verbreiding en daarmee gepaard gaanden invloed, ook ver buiten het Nederlandsche taalgebied. Voorop gaat weer het Leven van Jezus.
De oorspronkelijke vorm hiervan, alleen in het Luiksche handschrift volledig bewaard, week te zeer van den officieelen Vulgaattekst
af dan dat een omwerking in kerkelijken zin lang kon uitblijven. Die aanpassing deed noodwendig het kunstwerk groote schade, maar er bleef van de oorspronkelijke schoonheid in deze verminkte redactie toch nog zooveel over, dat Wilhelm Walther, als geschiedschrijver der Duitsche bijbelvertaling in de Middeleeuwen deskundige bij uitstek, het werk te midden van de tientallen Duitsche overzettingen, die hij behandeld heeft, prees als een modelvertaling, als ‘ein relativ meisterhaftes Werk’. Onverdachter getuigenis voor de kunstwaarde van het Nederlandsche werk is wel nooit gegeven, aangezien de geleerde niets wist omtrent de afkomst van den Duitschen tekst, die voor hem lag. Hij verkeerde in den waan een werk van eigen bodem voor zich te hebben. En een anderen nauw verwanten Duitschen tekst prees hij zelfs als ‘die vollendetste Blüte der mittelalterlichen Bibelverdeutschung’.
Omstreeks 1300 moet het werk namelijk in het Nederrijnsch en in het Alemannisch, het Hoogduitsch van Zwitserland, vertaald zijn. Een wijdvertakte tekstenfamilie strekte zich al spoedig uit ‘vom Fels zum Meer’. Tegelijkertijd werden ook de bovengenoemde Epistelen en de Vlaamsche Psalmenvertaling in het Duitsch vertaald, en beide blijven, gezamenlijk met den harmonietekst, gedurende de geheele Middeleeuwen een grooten invloed uitoefenen op de meest verbreide Evangeliën, Epistelen en Psalmen op Duitsch taalgebied.
Waardoor is nu die verbreiding veroorzaakt? Het antwoord ligt voor het grijpen: de Nederlandsche mystieke beweging heeft, door haar connecties met geestverwanten in het Boven- en Beneden-Rijngebied, de verspreiding in de hand gewerkt. Rondreizende predikers hebben den Nederlandschen tekst in de kloosters der Duitsche Dominicanessen bekend gemaakt; pelgrims, die den weg langs den Rijn volgden op hun doorreis naar Rome en in de conventen van ordegenooten of gelijkgezinden logeerden, hielpen zorg dragen voor uitwisseling van mystieke geschriften en ook bijbelvertalingen in de volkstaal; onderlinge briefwisseling voltooide deze wisselwerking. In de orde der Dominicanen had bijbelstudie vanouds in hooge eere gestaan. Juist deze orde had zich de zaak der verspreiding van bijbelteksten onder Dominicanessen aangetrokken. Het is van een aantal Duitsche Evangeliën-harmonieën bekend, dat ze deel hebben uitgemaakt van een boekerij in zulk een nonnenconvent.
Het beste bewijs, dat deze van oorsprong Nederlandsche teksten zeer geliefd waren, is wel dat zij, na natuurlijk vele wijzigingen te hebben ondergaan, ter perse werden gelegd, toen de boekdrukkunst
sneller vermenigvuldiging mogelijk maakte. Zoo werd een Nederlandsche bijbelvertaling, die in het land van herkomst vrijwel in het vergeetboek was geraakt en verdrongen door andere, twee eeuwen na haar ontstaan in Duitschland door de drukpers gemeen gemaakt! Hier en daar is in de gedrukte Evangelielessen van deze tal van malen herdrukte ‘Ewangely und Epistel Teutsch’ de harmonievorm nog herkenbaar. Ten bewijze halen wij aan een gedeelte uit een ‘mozaïek-pericoop’, links den ouden Nederlandschen, rechts den Duitschen tekst van twee eeuwen later.
| Ghine sult nit ordelen sone werdi niet geordeelt, want in wat ordele dat gi ordeelt suldi geordeelt werden. En verdomt niet, sone werdi niet verdomt. Vergeift so wert u vergeven, ende geift so wert u gegeven. In wat maten dat gi meit wert u weder gemeten. Ene goede mate ende ene vulle, ende ene up gehoopte ende ene overvloeiende sal men u gieten in uwe scoot. Wat siestu dat gestubbe in dijns broeder oge. ende den balke in dinen oge en siestu niet. | ir soellen nit urteilen dz ir nicht geurteylet werden, wenn in dem ir urteilent soellent ir geurteilet werden. Verdampnent nicht das ir nicht verdampnent werdent. Vergebent so wurt uch vergeben. In was mosse ir messen wu̇rt u̇ch wider gemessen. Ein guete mosse und ein volkommen und eyn uff gehuffte mosse und ein u̇berflussige mosz sol man uch geben in uwer schosz. Wes sihest du das gestueppe in dins brueder ougen und einen balcken in dime ougen sihest du nicht. |
Het zou niet de moeite loonen hierbij zoo lang stil te staan, wanneer er niet een zeer belangwekkend vraagstuk mee gemoeid was, namelijk in hoeverre Luther als bijbelvertaler onder invloed stond van zijn voorgangers. Een tijd lang liet men zich bij de beantwoording dezer vraag te veel leiden door zijn godsdienstige overtuiging. Katholieken bestempelden den bijbel van Luther eenvoudig als een plagiaat van de Duitsche Vulgata der Middeleeuwen, Protestanten ontkenden alle verband tusschen beide. De eenig juiste weg om tot een oplossing van het vraagstuk te geraken, werd ingeslagen door den Duitschen geleerde Vollmer. Door tientallen en nog eens tientallen verschillende vertalingen van de vroegste tijden af tot Luther met elkaar te vergelijken bewees hij zonneklaar, dat er een vaste vertaaltraditie bestaat, die reeds begint bij Notker (± 1000) en doorloopt tot Luther. De Lutherbijbel blijft volgens het oordeel van den onbevangen onderzoeker de souvereine schepping van een genialen taalkunstenaar, maar zelfs een Luther heeft zich niet kunnen en willen onttrekken aan
de historische continuïteit. Bewust en onbewust nam hij uit de reeds bestaande bijbeltaal over, wat hem bruikbaar toescheen of zich in zijn geheugen had vastgezet. In zijn jeugd heeft hij wellicht meermalen in de kerk het Epistel en Evangelie in bovengenoemden tekstvorm hooren voorlezen. Als vijftienjarige jongen kocht hij, toen hij vermoedelijk leerling was van de kathedrale school te Maagdenburg, van zijn bijeengespaard zakgeld een ‘Postil’, dat is zulk een gedrukte pericopenbundel, voorzien van de bijbehoorende korte sermoenen of ‘postillen’. Van groote beteekenis is verder, dat het godsdienstonderwijs aan de kathedrale school te Maagdenburg werd verzorgd door de daar wonende Broeders des Gemeenen Levens, die wel niet nagelaten zullen hebben de ontwakende belangstelling voor den bijbel bij hun discipel aan te moedigen en hem te wijzen op het Evangelie als het richtsnoer bij uitnemendheid voor geloofsleven en studie. In het wonderlijk sterke geheugen van den toekomstigen Hervormer moeten zich toen reeds groote gedeelten van den vertaalden bijbel hebben ingegrift; toen reeds moet zich de bijbelkennis gevormd hebben, waaruit hij later vrijelijk zou putten. Zoo is het te verklaren, dat de oude vertaling, vooral van de Evangeliën, als een zuurdeesem in den Lutherbijbel heeft doorgewerkt. Behalve de ‘Postill’ heeft Luther waarschijnlijk ook de Hoogduitsche vertaling van onze Evangeliën-harmonie gebruikt. Melanchthon vertelt namelijk driemaal, dat Luther een Frankische Evangeliën-harmonie, die in opdracht van Lodewijk den Vromen vervaardigd was, bezat en vlijtig raadpleegde. Dat dit wel niet de Oud-Saksische Heliand is geweest, maar het Leven van Jesus, wordt bewezen door talrijke overeenkomsten tusschen het laatste en Luther's Evangeliënvertolking. Zoo krijgt dan Van Druten achteraf nog gelijk, op een wijze als door hemzelf allerminst vermoed is. In zijn ‘Geschiedenis der Nederlandsche Bijbelvertaling’ meende hij, op verschillende plaatsen gelijkenis opgemerkt te hebben tusschen het Nieuwe Testament van Luther en de later te bespreken Noordnederlandsche vertaling van het Nieuwe Testament (zie blz. 66). Deze overeenkomst is, zooals nu blijkt, een gevolg van de omstandigheid, dat beiden, Luther en de Nederlandsche vertaler, indirect door den Diatessarontekst zijn beïnvloed. Twee voorbeelden halen we hier aan. In het boven medegedeelde fragment komt Matth. 7, 4 de vertaling ‘balke’ voor. Het woord ontbreekt op deze plaats in alle andere Duitsche vertalingen van het Mattheus-evangelie, maar komt wel voor in de Ewangely und Epistel Teutsch, waaraan Luther het ontleend heeft. In de tweede plaats heeft Luther
op dezelfde wijze de vertaling van Joh. 21, 21 ‘was geet das dich an’ overgenomen uit den ouden, op Nederlandsch voorbeeld berustenden tekst.
Zooals er dus een lijn loopt van Notker Labeo naar Luther, zoo is er ook een vertaaltraditie van Willem van Affligem tot den Hervormer op te merken. Beiden waren geniale vertalers, souverein ten aanzien van den tekst, dien zij herschiepen. Hoezeer ook in tijd en omgeving van elkaar verwijderd, mogen zij toch in één adem genoemd worden. In den 13de-eeuwschen Benedictijner abt van een Brabantsch klooster en in den 16de-eeuwschen Duitschen reformator leefde en werkte eenzelfde drang, die de stuwkracht is van alle ware reformatie: de drang om velen te laven uit de bron van het Evangelie.