Het jaar 1522 bracht een beslissende wending in de geschiedenis der Nederlandsche bijbelvertaling. De bijbel, tot nog toe in bevoorrechte kringen een vrij veel gelezen boek, werd toen eerst het volksboek bij uitnemendheid. Deze groote omkeer is veroorzaakt door Luther. Hij gaf zijn tijd den bijbel weer als hechten grondslag voor het geloof, in een vertaling, die niet gebaseerd was op de kerkelijke Vulgata, maar op den grondtekst. De studie van het Grieksch en Hebreeuwsch was door het Humanisme nieuw leven ingeblazen. Kennis dezer talen kwam in de Middeleeuwen bijna niet voor; uitzonderingen waren mannen als de geleerde bijbelcommentator Nicolaas van Lyra en de kardinaal Nicolaas van Cusa. Wessel Gansfort was een der eerste Nederlandsche humanisten die den bijbel in de grondtalen gingen lezen. Toen later uitgaven van den bijbel of van bijbelgedeelten in de oorspronkelijke talen verschenen, waren die voor velen een openbaring. Een nieuw licht ging voor hen op. Maar er waren ook eenvoudige, onwetende monniken, die beweringen als: ‘dat men een nieuwe taal had uitgevonden, die men Grieksch noemde en dat een ieder die Hebreeuwsch leerde, kans had om aanstonds Jood te worden’, uitspraken en anderen, meer ontwikkelden, die het er voor hielden, dat al die uitgaven van den bijbel in de grondtalen onnoodig en zelfs schadelijk waren, omdat ze slechts verwarring konden stichten. Het Humanisme had dus strijd te voeren tegen vooroordeel en wanbegrippen.
Toen de Hervorming het volk den bijbel in de volkstaal in handen gaf en daarvoor teruggreep naar den bijbeltekst in zijn allerzuiversten vorm, maakte zij dankbaar gebruik van den baanbrekenden arbeid,
die het Humanisme op het terrein van de hernieuwde bijbelstudie verricht had.
Voor den waren bijbelschen humanist was de Heilige Schrift meer dan louter voorwerp van taalstudie. In zijn oogen was de bijbel de eenige maatstaf voor geloof en leven, bijbelstudie hoogste vorm van wetenschap, bijbellezing plicht van geestelijken en leeken. Dit herinnert ons den naam van Erasmus, den grooten humanist van Nederlandsche afkomst. Aan zijn uitgave van het Grieksche Nieuwe Testament, die in den Hervormingstijd zulk een onberekenbaren invloed heeft uitgeoefend, mogen wij niet stilzwijgend voorbijgaan.
Erasmus zou er niet aan gedacht hebben reeds in 1516 tot deze uitgave over te gaan, wanneer hem daartoe niet in het voorafgaande jaar een verzoek had bereikt van zijn vriend, den Bazelschen uitgever Johannes Frobenius. Dezen was het namelijk ter oore gekomen, dat te Complutum of Alcala in Spanje op 10 Jan. 1514 de druk van een Grieksch Nieuw Testament was voltooid. Onder leiding van Francisco Ximenes de Cisneros, aartsbisschop van Toledo en als kardinaal hoogsten geestelijke in Spanje, werkten een aantal geleerden, door hem met dat doel aan de hoogeschool te Alcala bijeengeroepen, aan de uitgave van een Polyglot of bijbel in vele talen. Paus Leo X, die de humanistische talenstudie welgezind was, had hun enkele zeer oude handschriften uit de bibliotheek van het Vaticaan ter beschikking gesteld. Na de voltooiing van het Nieuwe Testament arbeidde men nog drie jaren aan den tekst van het Oude, dat in 1517 gedrukt werd, de Vulgata in de middenkolom en links en rechts de Grieksche Septuagint en de Hebreeuwsche grondtekst. De Paus draalde echter nog met het geven van toestemming tot openbaarmaking van deze, voor dien tijd voortreffelijke uitgave. Eerst in 1522 werd deze ‘Complutensische Polyglot’ in zes omvangrijke deelen verkrijgbaar gesteld. Voorzichtigheidshalve had men een kleine oplage van slechts 600 exemplaren ter perse gelegd en den prijs hoog gesteld: de kennis van de grondteksten moest beperkt blijven tot een kleinen kring van vakgeleerden.
Frobenius wist, dat de Spaansche uitgave pas in den handel zou worden gebracht, wanneer de geheele Polyglot gereed was. Daarom vatte hij in 1515 het plan op, om eerder dan de Spaansche uitgever met een Grieksch Nieuw Testament voor den dag te komen. Hij vond Erasmus bereid de zorg voor de uitgave op zich te nemen. Speciaal voor dit doel verliet deze Engeland om te Bazel in eigen persoon ter
drukkerij toe te zien op de verzorging van den tekst. In vroeger jaren had hij door zijn tekstcritische studiën gelegenheid gehad zich voor deze nieuwe taak voor te bereiden. Liever door eigen oogen dan door die van anderen ziende, zooals hij het zelf uitdrukte, had hij handschriften van het Grieksche Nieuwe Testament onderling en met de Vulgata vergeleken voor een uitgave der Annotaties van den Italiaanschen humanist Laurentius Valla en zelfstandig den Griekschen grondtekst in het Latijn vertaald en daar aanteekeningen bij gemaakt, een bewerking, die al eenigen tijd in manuscript gereed lag. Met grooten spoed, ja, met eenige overhaasting hebben Erasmus en zijn helpers de uitgave tot stand gebracht. Reeds 1 Maart 1516 verscheen zij in veel grooter oplage en gemakkelijker te hanteeren formaat dan de Complutensische Polyglot, maar wat vooral van beteekenis was, tegen veel lager prijs. De tekst was in twee kolommen gedrukt, links in het oorspronkelijke Grieksch, rechts in de Latijnsche overzetting van Erasmus' hand. Om bij voorbaat de critiek van tegenstanders te ontwapenen, had Erasmus het werk opgedragen aan Paus Leo X, zonder dezen hiervan vooraf in kennis te stellen. Toch is ongunstige beoordeeling, zelfs heftige bestrijding, niet uitgebleven. De afwijking van de Vulgata beschouwde men als aanranding en heiligschennis; verschillende redacties van den Latijnschen bijbel zouden maar onrust zaaien en onzekerheid teweegbrengen.
Hoe fel de tegenstand ook was, de instemming, waarmee de uitgave werd begroet door allen, die haakten naar een wedergeboorte van Christendom en Kerk, behield op den duur de overhand. Dezen zagen terstond in, dat Erasmus' arbeid een daad was van groote theologische en wetenschappelijke beteekenis. Nu kon men eindelijk de leer der zaligheid uit onvertroebelde bronnen putten. De Grieksche handschriften, welke Erasmus als grondslag heeft gekozen, waren geenszins de beste en oudste. Ze riepen in zijn vertaling een Latijnschen tekst in het leven, die sterk afweek van den algemeen gangbaren. De schellen vielen velen van de oogen, nu de onbetrouwbaarheid van de Vulgata aan het licht kwam. Duizenden exemplaren werden verkocht, herdruk verscheen op herdruk, zoowel in als buiten Zwitserland. De tweede druk van 1519 strekte Luther tot uitgangspunt voor zijn Duitsche vertaling. De latere uitgaven van den Griekschen tekst, verschenen bij Robertus en Henricus Stephanus te Parijs, berustten alle, hoe ook gewijzigd door de opneming van lezingen uit oudere en betere handschriften, op den arbeid van Erasmus. Dat gold ook voor Beza's bewerking uit 1588, die indirect weer ten grond-
slag ligt aan den Griekschen tekst, waarvan de Statenvertalers zich hebben bediend.
Welke houding nam Erasmus aan tegenover den bijbel in de volkstaal? Men zou niet vermoeden dat hij, humanist als hij was, met zijn volslagen gemis aan nationaal bewustzijn, met zijn overtuiging te behooren tot een cosmopolitische aristocratie van den geest, zich ooit over deze zaak heeft uitgelaten. Maar dan zou men weinig begrip toonen van het allen-omvattende karakter van zijn leekentheologie, waarvan zijn uitspraak: ‘Christus is voor allen gestorven en begeert daarom door allen gekend te worden’ de kern vormde. Nimmer heeft hij geaarzeld de consequenties van dit centrale standpunt te aanvaarden. Meermalen heeft hij de vertaling en verspreiding van de Heilige Schrift in de leekenwereld verdedigd. In zijn pleidooien vernemen wij bekende klanken en argumenten, alleen zijn de toon en uitdrukkingswijze persoonlijker, meer op den man af, is de bestrijding der tegenstanders vinniger dan voorheen, toen Zerbolt met groote bedachtzaamheid zijn stellingen poneerde. Aangezien de uitlatingen van Erasmus weinig bekend zijn, maakt het gewicht van de zaak het noodzakelijk hemzelf even aan het woord te laten.
In de ‘Vermaning tot den vromen lezer’, die hij aan zijn Nieuw Testament vooraf laat gaan, schrijft hij bij voorbeeld: ‘Ik verschil ten sterkste van gevoelen met hen, die niet willen, dat de Heilige Schrift, in de volkstaal overgebracht, gelezen wordt. Alsof Christus zulke ingewikkelde zaken had geleerd, dat Hij ternauwernood door een handjevol theologen begrepen kon worden! Alsof het nut van den Christelijken godsdienst alleen daarin gelegen is, dat zij onbekend zou blijven!’ En verder: ‘Ik zou willen, dat het vrouwvolk de Evangeliën en de Brieven van Paulus las. Ach, waren deze Schriftgedeelten maar in alle talen overgebracht, zoodat niet alleen Schotten en Spanjaarden, maar ook Turken en Saracenen ze konden lezen en leeren kennen .... Mocht daaruit de akkerman bij het hanteeren van den ploegstaart en de wever bij het snorren der klossen een stuk voor zich opzeggen en de reiziger daarmee onderweg de verveling verdrijven. Mochten de gesprekken van alle Christenen daarover handelen.’
In 1521, ongeveer terzelfder tijd dat Luther bezig was aan zijn vertaling van het Nieuwe Testament, besprak hij in den proloog van zijn Latijnsche Mattheus-paraphrase dezelfde zaak uitvoeriger. Hij keert
zich hier tegen de geestelijken, wier verstand ‘versleten’ is door de beoefening van de Aristotelische wijsbegeerte en de scholastieke godgeleerdheid. Joodsche manieren vindt hij het, de Heilige Schrift voor het volk verborgen te houden. ‘Bekrompen geestelijken,’ zoo zegt hij ongeveer, ‘beweren dat er iets ongeoorloofds geschiedt, wanneer een vrouw of een schoenmaker over de Heilige Schrift spreekt. Maar ik hoor liever maagden en vrouwen van Christus spreken dan geleerden, die in het oog van de menschen groote rabbijnen schijnen. Zie slechts naar degenen, die Christus zelf onder zijn gehoor heeft gehad. Was het niet het gewone volk, mannen zoowel als vrouwen, en waren onder dezen niet blinden, kreupelen, bedelaars, tollenaars, soldaten, hoofdmannen, arbeiders, vrouwen en kinderen? Of wil Christus dan niet gelezen worden door dezelfde menschen, welke hij wel onder zijn gehoor wilde hebben? Als het aan mij lag, dan zouden de boer, de smid, de metselaar, ja zelfs de publieke vrouwen en ook de Turken de Schrift lezen.’
Het bezwaar der tegenstanders van den leekenbijbel, dat deze een bron van dwaling zou worden en dwaalleeraren zich er op zouden beroepen ter rechtvaardiging van hun goddelooze meeningen, weerlegt hij op afdoende wijze: ‘Wanneer het soms eens is voorgekomen, dat iemand door het lezen van de Schrift in dwaling is gevallen, mag men daarom eenvoudige, ongeletterde menschen niet beletten de Heilige Schrift te lezen, omdat zulks niet veroorzaakt is door het lezen zelf, maar door de zonde van den mensch, die de Schrift misbruikt. Nooit heeft men verboden het Evangelie in de Kerken te lezen, al hebben ook de oude aartsketters daaruit al hun dwalingen gehaald. Evenmin verbiedt men den bijen zich neer te zetten op de bloemen, al zuigt de spin daar soms venijn uit.’
Het verwondert niet bij Erasmus, den oud-leerling van de Deventer-school, het argument terug te vinden, dat in de Middeleeuwsche apologieën voor den leekenbijbel telkens weerkeert: ‘Sommigen houden het voor zonde en misdaad, wanneer de Heilige Schrift wordt vertaald in het Fransch of Engelsch. Maar de Evangelisten hebben niet geaarzeld in het Grieksch te schrijven, wat Christus in het Hebreeuwsch gesproken had. Evenmin hebben de Romeinen geschroomd de woorden der Apostelen over te zetten in het Latijn. En Hieronymus heeft zonder eenige aarzeling de Heilige Schrift vertolkt in de taal van Dalmatië. Ik wilde wel dat zij in alle talen van de wereld overgezet zou worden. Christus begeert dat zijn “philosophie” over de lengte en breedte der aarde verbreid zal worden. Hij is voor alle
menschen gestorven en begeert daarom door allen gekend te worden.’ Hij stelt zelfs als ideaal, dat ieder zich eenige kennis van Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn zou eigen maken om Christus te leeren kennen.
Erasmus waarschuwt verder tegen het werktuiglijk opdreunen van onbegrepen Latijnsche Psalmen enz. door ongeletterden en vrouwen: ‘Waarom zou het onbehoorlijk zijn, dat een iegelijk het Evangelie leest in de taal van het land, waarin hij geboren is, een Franschman in het Fransch, een Breton in het Bretonsch, een Nederlander in het Nederlandsch, een Indiër in het Indisch? Het dunkt mij veel onbehoorlijker en bespottelijker, dat ongeletterden en vrouwen als papegaaien hun Psalmen nabauwen en het Vader Ons in het Latijn prevelen, zonder ook maar iets te verstaan van wat zij zeggen.’
Men houde wel in het oog, dat de gezaghebbende Erasmus dit alles heeft gezegd aan den vooravond van de bijbelverspreiding op groote schaal. Later, toen de breuk met Luther was gekomen, trok Erasmus zijn woorden eenigszins in. Hij had al een achterdeurtje opengelaten door de schuld van de onkunde aangaande de Schrift onder het volk te schuiven op de domme, plichtverzakende pastoors: ‘Ik weet wel’, schrijft hij, ‘dat het de taak der pastoors is het brood, dat Christus gebroken en in hun hoede overgegeven heeft, aan het volk uit te deelen. Maar wat moet men doen, wanneer de pastoors het bij zich houden en niet verstrekken?’ Zoo kon hij in later jaren schrijven: ‘Ik moet bekennen dat het het beste is, wanneer het volk onderwezen wordt door het levende woord, maar dan moeten er ook goede leeraren zijn.’
Het aanvankelijk warme, daarna getemperde, enthousiasme van Erasmus heeft hem er niet toe gebracht om zelf den bijbel in een of andere volkstaal over te brengen. Dat liet hij aan anderen over. Door Erasmus alleen zou de bijbel nooit een volksboek geworden zijn: daar was het geloof en de durf van een Luther voor noodig.
Zooals bij het opgaan der zon de sterren verbleeken, zoo heeft de bijbel van Luther, door zijn glans, de Middeleeuwsche vertalingen volkomen verduisterd. Hoewel deze Vulgaatoverzettingen heuglijke symptomen waren van een oplevende belangstelling voor de Heilige Schrift, vermochten zij toch niet den honger naar Gods Woord te stillen. De onbeholpen latinistische taal, waarin zij gesteld waren, moet het volk vreemd in de ooren geklonken hebben. Aan Luther is
het gelukt, om na een haast bovenmenschelijke worsteling met de taal, den bijbel tot een volksboek te maken. De groote Hervormer heeft, beter dan iemand anders, den diepsten nood van zijn tijd gepeild. Door zijn volk een Duitschen bijbel te schenken, maar nu ‘Duitsch’ in den waren zin van het woord, gaf hij het antwoord op de vraag, die veler hart kwelde. Twee factoren troffen dus op gelukkige wijze samen: een volk dat smachtte naar het brood des levens, en een volksman, een profeet, die van God de genade ontvangen had zijn volks-genooten dat brood in overvloedige mate toe te mogen reiken. Zoo is het te verklaren, dat Luther's bijbel, het machtigste werktuig in dienst der Hervorming, binnen eenige jaren over een groot deel van Germaansch Europa een verbreiding vond, als nooit in vroeger of later tijd aan eenig boek te beurt is gevallen. Ook de Nederlandsche reformatorische vertalingen der zestiende eeuw zijn vrijwel alle ontstaan uit den Luther-bijbel. Een korte bespreking van dezen machtigen arbeid mag daarom in dit historisch overzicht niet achterwege blijven.
Luther had reeds als kind den bijbel in de volkstaal leeren kennen. Toen hij nog leerling van de kathedrale school te Maagdenburg was, op ongeveer vijftienjarigen leeftijd, kocht hij van zijn zakgeld een Duitsche ‘Postil’, dat is een bundel Epistelen en Evangeliën met korte toelichtingen. Vijf jaar later las hij als student te Erfurt voor het eerst de complete Vulgata, in de boekerij der hoogeschool. Bij zijn intrede in het Augustijnenklooster aldaar ontving hij voor dagelijksch gebruik een Latijnschen bijbel, in rood leer gebonden. Van dien tijd af heeft hij, naar eigen getuigenis, dagelijks in den bijbel gelezen.
Noch de getrouwe vervulling van zijn kloosterplichten, noch de gezette bijbellezing schonken echter vrede aan de ziel van den ernstigen monnik. Het werd hem bang te moede: Gods Woord stelde voortdurend den eisch van het ‘alles of niets’. Zijn pogingen om langs den weg van kloosterlijke eigengerechtigheid aan dien onvoorwaardelijken eisch te voldoen, leden telkens schipbreuk op zijn sterk besef van de verdorvenheid der menschelijke natuur. Ondanks de regelmatige lezing bleef de bijbel een gesloten boek voor hem. De plechtigheid van zijn promotie tot doctor in de Heilige Schrift op 19 October 1512 gaf een traditioneele symbolische handeling te aanschouwen, waarvan de aanwezigen de verstrekkende beteekenis toen nog niet konden bevroeden. Behalve den doctoralen hoed en ring overhandigde men hem een gesloten bijbel, daarna nog eens dienzelfden bijbel, maar nu geopend.
In den winter van 1513 op 1514, toen hij zich had teruggetrokken
in het Augustijnenklooster te Wittenberg, kwam het in de torenkamer tot een crisis in het zieleleven van den gefolterden monnik. Naarmate hij geringeren dunk kreeg van zijn eigengerechtigheid, nam de straffende rechtvaardigheid Gods in zijn oogen angstwekkender vormen aan. God zelf schonk hem toen eindelijk den troost en vrede, waarnaar zijn vertwijfeld hart gehunkerd had. Het was, zoo getuigde hij later, alsof de poorten van het Paradijs hem in die uren opengingen. Hij heeft ook verteld, welk middel God had gebezigd om de duisternis uit zijn ziel te bannen. Dat middel was diezelfde bijbel, die hem eerst in den gapenden afgrond van eigen ellende had doen staren. Twee tekstwoorden in het bijzonder hadden hem beangstigd, Psalm 33, 2: ‘Bevrijd mij, o God, door Uwe gerechtigheid’ en Rom. 1, 17: ‘de gerechtigheid Gods is geopenbaard in het Evangelie’. Maar plotseling ging hem het ware licht op, toen hij den samenhang zag met het woord van Habakuk, dat Paulus dan laat volgen: ‘de rechtvaardige zal uit het geloof leven’. Toen ervoer hij, dat de ‘justitia Dei’ de gerechtigheid is ‘die God bewerkt’ of ‘die voor God geldt’, zooals hij het later zou vertalen. Toen wist hij, dat de zondaar ‘sola fide’, alléén door het geloof, de gerechtigheid verwerft, die Christus door Zijn zoendood voor ons heeft verworven. ‘Alléén door het geloof’, dat beteekende het wegvallen van 's menschen eigengerechtigheid, het nietswaardige van alle werkheiligheid.
Gaandeweg ontstond in Luther, als gevolg van zijn in eigen ziel doorleefde sola-fide-leer, de zalige zekerheid, dat Christus uit louter genade ook hem rechtvaardig had gemaakt. Deze persoonlijke heilsverzekerdheid, de kerngedachte van het Protestantisme, is hem door de Schrift deelachtig geworden. Zoo legt het Protestantisme als ‘de godsdienst van het geweten’ een groote verantwoordelijkheid op de schouders van den geloovige. Luther heeft dien zwaren last gevoeld. Innerlijke onrust, zelfs angstaanvallen bleven niet uit, maar uit den goeden strijd des geloofs trad hij telkens als overwinnaar te voorschijn. De heroïek van het Protestantisme was op aangrijpende wijze belichaamd in den persoon van den grooten Hervormer.
Zoo ondervond Luther telkens weer aan eigen ziel de verlossende werking van het Evangelie, waarvan de Psalmist reeds gesproken had. Nu ook kon hij zich met geruster gemoed wijden aan de hem opgedragen taak, waartegen hij aanvankelijk erg had opgezien: voor jonge monniken voorlezingen te houden over de Heilige Schrift en predik-arbeid te verrichten. Zelf gered door den bijbel, verlangde hij niets vuriger dan anderen door den bijbel te redden. Van 1513 tot 1521
hield hij colleges over de Psalmen, Romeinen en Galaten. Tijdens de voorbereiding hiervoor drong hij van lieverlee dieper door tot de kern van de Heilige Schrift, waarbij zijn predikarbeid hem te stade kwam.
In deze periode ontwikkelde hij een aantal gedachten, die richtinggevend werden voor zijn later Hervormingswerk. Laten wij de belangrijkste, voorzoover ze met ons onderwerp in verband staan, aanstippen. Buiten de kerkleer om, zelfs ondanks deze, had hij geleerd zich aan den bijbel als het eenige, onfeilbare richtsnoer voor geloof en leven vast te klemmen. De Kerk verloor als genade-instituut en draagster van een gewijde traditie voor hem haar beteekenis. Alleen de Schrift, ‘sola Scriptura’, hield Gods zelfgetuigenis in, had dus normatieve kracht. Dit beginsel vond in Luther een overtuigd belijder en weldra hartstochtelijk verdediger. Nu was evenmin als de sola-fide-leer het sola-Scriptura-beginsel gloednieuw. In de Middeleeuwen waren deze gedachten meermalen uitgesproken, wat geenszins beteekent, dat ze bij Luther niet zelfstandig, als noodzakelijk gevolg van een zielsproces, ontstaan zouden zijn. Maar wat toen als incidenteele opvatting voorkwam werd nu fundamenteel beginsel.
Het door en door menschelijke bekeeringsproces, dat Luther had doorgemaakt en dat zich met verschillende tusschenpoozen had voltrokken, deed hem ook het rechte onderscheid verstaan tusschen Oud en Nieuw Testament. De Vulgata had, doordat zij in één en dezelfde taal geschreven was, het besef van het onderscheid tusschen de bijbelhelften doen verflauwen. De Middeleeuwer zag in de Heilige Schrift een wet en maakte hoogstens verschil tusschen ‘die oude ee’ en ‘die nieuwe ee [= wet]’, zooals men in ons land beide deelen noemde. Luther's innerlijke ontwikkeling, maar ook zijn kennis van het Hebreeuwsch en Grieksch, maakten dat hij de grens scherp ging trekken. Hij had ondervonden, dat de bijbel niet alleen een strengen eisch, maar ook een goede boodschap, inhoudt en zoo het Evangelie in zijn oorspronkelijkste beteekenis leeren verstaan. ‘Evangelischen’ noemden zich dan ook de eerste hervormden. In zijn latere prediking waarschuwde Luther zijn hoorders om van Christus niet een Mozes te maken of een heilige, wiens leven men moet navolgen. Zeker, Christus' leven is een navolgenswaardig exempel, maar Hij is boven alles de Verlosser.
Er is nog een derde punt, waarop Luther herziening van een gangbare meening heeft gebracht. De leer van de duisterheid der Schrift was onhoudbaar gebleken. Het juiste inzicht in den bijbel had hij niet aan kerkelijken uitleg te danken, maar door God aan den bijbel zelf.
Zijn uitspraak: ‘de Heilige Schrift verklaart zichzelf’ is een uitvloeisel van den geschetsten ontwikkelingsgang. Er is geen klaarder boek geschreven dan de bijbel, zegt hij elders. Wanneer de Schrift ‘duistere’ gedeelten bevat, dan ligt die duisterheid niet in het Schriftwoord, maar in ons gebrekkig verstand. Dientengevolge kwam hij tot een verwerping van de veelvoudige Schriftbeteekenis. De eenige beteekenis, waarmee men bij lezing van het Woord rekening heeft te houden, is de letterlijke. De beklemtoning van den ‘sensus litteralis’ is het voornaamste, wat hij in Nicolaas de Lyra waardeeren kan. Het behoeft inmiddels geen betoog, dat Luther niet dan zeer geleidelijk den bijbel heeft kunnen losmaken uit de windselen, waarin de Middeleeuwsche uitlegkunde hem had verstikt; daarvoor was zijn eigen Schriftbeschouwing aanvankelijk nog te zeer doortrokken van Middeleeuwsche begrippen.
Luther's vertaling van den bijbel stond in even nauw verband met zijn bekeering als zijn bovengeschetst standpunt ten aanzien van de Heilige Schrift in het algemeen. Zijn overzetting is zelfs de machtigste hefboom der Hervorming geworden. Het is niet met zekerheid bekend, of hij reeds vóór Worms een vast omlijnd plan om den bijbel te verduitschen, gehad heeft. Wel had hij zich vóórdien, zonder het te weten, op zijn groote taak voorbereid. De humanistische critiek op de Vul-gata had ook hem gebracht tot de studie van de grondtalen, eigenaardig genoeg eerst van het Hebreeuwsch, omdat hij begon met een voorlezing over de Psalmen, later, onder leiding van zijn vriend Johann Lang, hoogleeraar te Erfurt, van het Grieksch. Hij had wellicht een te geringen dunk van zijn kennis van den grondtekst, om het verantwoordelijk werk tot een behoorlijk einde te brengen. Bovendien was hij zich bewust dat het Duitsch niet soepel genoeg was om den gedachtenrijkdom en de stijlvariaties van den bijbel geheel tot hun recht te laten komen. Dat had hij reeds ondervonden, toen hij in 1517 met gebruikmaking van Latijnsche vertalingen naar Hebreeuwschen grondtekst de zeven Boetpsalmen in zijn moedertaal bewerkte. De hoofdzaak van deze bewerking was de uitleg, die een Paulinischen geest ademt, maar de vertaling der Psalmen zelf was toch met groote zorg geschied. Bij vergelijking met zijn latere vertalingen blijkt, dat Luther toen nog de grootste moeite had om het Duitsche geschreven proza los te maken uit de knellende banden van het Latijn. De groote reformatorische geschriften, welke hij de volgende jaren de wereld inzond, bewijzen, dat zijn vaardigheid in het schriftelijk gebruik van de moedertaal snel toenam. Zijn zelfvertrouwen als publicist in de
landstaal groeide. Hij ging zich de profeet van zijn Duitsche volk gevoelen, zoodat hij later kon zeggen: ‘Voor mijn Duitsche volk ben ik geboren, dat wil ik dienen.’
In de afgezonderdheid van den Wartburg, ver van de beslommeringen der reformatorische beweging, vormde zich zijn plan om het Nieuwe Testament te vertalen. Hij begon met dit bijbelgedeelte, omdat het den geloovige den sleutel gaf tot het ware inzicht in de Schrift, maar ook omdat het Grieksch zich ‘gemakkelijker’ liet vertalen. In brieven en polemieken hooren we nu voor het eerst van zijn arbeid en van zijn meening ten aanzien van den leekenbijbel. De Heilige Schrift, zegt hij, is een gemeenschappelijk bezit voor allen, lezing er van is niet het privilege van den priesterstand. Even Erasmiaansch klinkt zijn wensch: ‘Had elke stad maar haar eigen vertaler en ware dit boek maar te vinden in alle talen, handen, oogen, ooren en harten!’, een wensch dien hij ongeveer terzelfdertijd uitspreekt, dat Erasmus zijn Mattheusparaphrase laat verschijnen. De aanmoediging zijner vrienden heeft echter, naar zijn eigen zeggen, den doorslag gegeven.
Gedurende den winter van 1521 op 1522 heeft hij, in den verwonderlijk korten tijd van nog geen twaalf weken, het geheele Nieuwe Testament uit den Griekschen grondtekst vertaald, daarbij gebruik makend van Erasmus' tweede uitgave van het jaar 1519. Bij wijze van vooroefening had hij even te voren, eveneens op den Wartburg, eenige Zondagsche Evangelielessen vertaald voor de omvangrijke Kerk-‘Postill’, welke hij in later jaren volledig zou maken. Zijn groote vertrouwdheid met den bijbeltekst en ongeloofelijke werkkracht stelden hem in staat zijn arbeid zoo snel te voltooien. Als hulpmiddelen gebruikte hij woordenboeken, spraakkunsten en oude handschriften, waaronder wellicht, zooals we reeds weten (zie blz. 43) den Duitschen tekst van de Nederlandsche Evangeliënharmonie. De voor een deel hierop berustende ‘Ewangely und Epistel Teutsch’, het gedrukte Duitsche plenarium of Postill, waarvan Luther ook wel een exemplaar heeft bezeten, althans de bewoordingen sinds zijn jeugd uit het hoofd kende, heeft eveneens een merkbaren invloed gehad op zinsbouw en woordkeuze van Luther's tekst, zonder dat hij ook maar iets van zijn souvereine zelfstandigheid inboette.
Nadat hij bij zijn terugkomst in Wittenberg de vertaling met zijn vrienden nog eens doorgenomen en gecorrigeerd had, kwam op 20 September 1521 bij Melchior Lotther ‘Das Newe Testament Deutzsch. Vuittemberg’ van de pers, zonder naam van drukker of schrijver, het
zoogenaamde Septembertestament. Het boek telde 222 bladen in klein-folioformaat en was dus minder omvangrijk dan de oude bijbel. De tekst was niet ondergebracht in twee kolommen, zooals in de oude handschriften en drukken, maar de regels vulden de bladzijden over de volle breedte. Versindeeling ontbrak nog. Versierde beginletters vormden de eenige verluchting, behalve in de Openbaring van Johannes, waarin Lucas Cranach, geïnspireerd door Albrecht Dürer, houtsneden had aangebracht. Kantteekeningen, bevattend verklaringen van oudheidkundigen en tijdrekenkundigen aard, legden verband tusschen den bijbeltekst en actueele gebeurtenissen, of pasten het gelezene toe op hart en leven. De prologen van Hieronymus, die in de meeste Middeleeuwsche bijbels te vinden waren, zijn vervangen door eenige voorredenen van Luthe's hand.
In den proloog voor het geheele Nieuwe Testament zegt hij, dat dit boek eigenlijk zonder voorwoord behoorde te verschijnen. Aangezien echter het ware inzicht in dit bijbeldeel bedorven is door de willekeurige verklaringen en velerlei prologen van vroeger tijd, acht hij het noodig vooraf een duidelijke uiteenzetting te geven van het verschil tusschen wet en Evangelie, opdat de eenvoudige Christen wete, wat hij aan dit boek hebben zal. Het woord Evangelie beteekent Goede Boodschap. Het is een blijde mare, ‘een prediking van God, den zoon van David, waarachtig God en mensch’. Hij heeft voor ons allen die in Hem gelooven door Zijn dood en verrijzenis dood, zonde en hel overwonnen. Christus geeft geen voorschriften, zooals Mozes, maar richt een vriendelijke uitnoodiging tot den mensch en zegt: ‘Zalig zijn de armen’. ‘En de Apostelen’, zoo gaat Luther voort, ‘gebruiken dezelfde woorden en zeggen: ‘Ik vermaan u, ik smeek, ik bid u’. Mozes oefent pressie uit, en dreigt, slaat en straft gestreng, maar Christus lokt ons met een lieflijke boodschap en troostrijke belofte. In zijn inleiding tot den Brief aan de Romeinen geeft Luther een magistrale uiteenzetting van zijn opvatting omtrent de rechtvaardiging door het geloof.
Op den eersten proloog volgt nog een afzonderlijk antwoord op de vraag ‘welke de echte en edelste boeken des Nieuwen Testaments zijn’. De ‘echte kern en het merg’ onder alle boeken zijn voor Luther het Evangelie van Johannes, de Brieven van Paulus, vooral die tot de Romeinen, Galaten en Efezen en de eerste Brief van Petrus. Ieder Christen zou zich dagelijks met deze geestelijke spijze moeten voeden. Zij handelen immers niet in de eerste plaats over de werken en wonderdaden van Christus, maar over het geloof in Hem, dat zonde, dood en
hel overwint en het leven, gerechtigheid en zaligheid schenkt. Luther zou, als hij ooit voor de keuze gesteld werd, liever de werken dan de prediking van Christus willen missen. Niet op zichzelf, maar vergeleken met de genoemde bijbelboeken is de Brief van Jacobus een ‘echte strooien brief’. Even onafhankelijk is Luther in zijn oordeel over andere boeken, ofschoon hij zich bewust is van de subjectiviteit van zijn oordeel en het aan niemand wil opdringen. De Openbaring van Johannes kan hij niet zoo hoog stellen als de andere geschriften, ‘omdat Christus er niet in geleerd of beleden wordt’. Dergelijke uitspraken doet hij ook ten opzichte van den Brief aan de Hebreën en dien van Judas. Hij gaat zelfs zoover, dat hij de boeken Hebreën, Jacobus, Judas en Openbaring bij elkaar plaatst en ze als een soort deutero-canonisch aanhangsel in de lijst der bijbelboeken onderscheidt van de echte, canonieke boeken van het Nieuwe Testament.
Nog nooit had een boek zooveel opgang gemaakt als het September-testament. De oplage van ± 3000 exemplaren was binnen twee maanden uitverkocht, ondanks den hoogen kostprijs van anderhalven goudgulden, welk bedrag in dien tijd overeenkwam met de waarde van een paard. De gretige ontvangst was een gevolg van de innerlijke hoe danigheden van het werk. Zonder den naam van den schrijver te kennen, alleen afgaand op den inhoud, voelden de Duitschers als bij ingeving, dat nu voor het eerst de Blijde Boodschap hun in de ooren klonk, zooals zij geklonken moest hebben in de ooren der eerste Christenen. Reeds in December 1521 verscheen een tweede uitgave, waarin Luther niet minder dan 500 wijzigingen had aangebracht, grootendeels veranderingen in den zinsbouw, die stuk voor stuk ten doel hadden de bewoordingen meer te laten aansluiten bij den geest van de Duitsche taal. Vertalingen in andere Germaansche talen verschenen weldra, ook in de Nederlanden, waar in 1523 zoowel te Antwerpen als te Amsterdam een druk werd bezorgd. De Roomsch-Katholieke Kerk in Duitschland kon er onmogelijk een gelijkwaardige vertaling tegenover stellen. Daarom pleegde Hieronymus Emser in 1527 vrijmoedig plagiaat door den tekst van Luther, alleen ‘gezuiverd’ van kettersche bestanddeelen, opnieuw uit te geven. De zegetocht van het Luthertestament werd echter door zulke bedekte tegenwerking niet gestuit. Tijdens Luther's leven verschenen er 95 uitgaven, niet medegerekend de 10 in de complete bijbeledities.
Had Luther slechts twaalf weken noodig gehad om het Nieuwe Testament te vertalen, niet minder dan twaalf jaren heeft hij gearbeid aan de vertolking van het Oude Testament. Het moeilijke
Hebreeuwsch van dit omvangrijker bijbeldeel verzette zich hardnekkig tegen aanpassing aan het Duitsche taaleigen. Het taalgenie van Luther zou deze moeilijkheid wel sneller overwonnen hebben, wanneer niet andere beletselen telkens oponthoud veroorzaakten. De breuk met Erasmus, de sacramentsstrijd en velerlei andere religieuze oneenigheid, maatschappelijke woelingen en staatkundige vraagstukken namen herhaaldelijk zijn aandacht in beslag. Lichamelijk lijden dwong hem eenige malen de pen neer te leggen. De boeken van het Oude Testament kon hij daarom slechts stuk voor stuk of bij eenige tegelijk voor zijn volk toegankelijk maken, hetgeen voor de koopers het voordeel had, dat de vrij hooge aanschaffingskosten over eenige jaren verdeeld konden worden. In 1523 verscheen de Pentateuch, in 1524 eerst het gedeelte Jozua tot Esther, daarna Job tot Hooglied, terwijl de Psalmen in hetzelfde jaar afzonderlijk uitkwamen. Nadat enkele profetische boeken vooraf reeds apart waren uitgegeven, kwamen de de Profeten in 1532 in hun geheel van de pers. Eindelijk zette Luther in 1534 de kroon op zijn vertaalarbeid door de uitgave van een volledigen bijbel in twee deelen, met zijn 124 houtsneden een van de fraaiste boekwerken uit den Hervormingstijd. In afwijking van de Vulgata zijn hier voor het eerst de Oudtestamentische Apocryphe boeken door een afzonderlijke nummering en pagineering als aanhangsel achter de canonieke boeken opgenomen. Ze zijn volgens Luther niet gelijkwaardig aan de Heilige Schrift, maar ‘toch nuttig en goed om te lezen’.
Tot zijn dood toe is Luther († 1546) zich blijven wijden aan de volmaking van zijn levenswerk. Bij de herziening liet hij zich voorlichten door een speciale commissie van vrienden en geleerden, kenners van de grondteksten en de moedertaal. In de vergaderingen, welke op gezette tijden gehouden werden en waaraan mannen als Melanchthon, Aurogallus, Cruciger, Justus Jonas, Bugenhagen en anderen deelnamen, ging het initiatief steeds van Luther uit, zooals ook de beslissing alleen bij hem berustte. Van sommige dezer ‘bijbelzittingen’ zijn verslagen bewaard. Deze stellen ons in staat de werkwijze van den vertaler Luther van nabij te volgen. Zij toonen met welk een heiligen ernst hij de zaak van de bijbelvertaling heeft behartigd. Het groote doel, dat hij voortdurend voor oogen hield, was: het Woord Gods zoo te vertolken, dat het zijn volk even eigen in de ooren klonk als vroeger aan Jood en Griek. De herzieningen, die hij met behulp van geleerde vrienden tot stand bracht, geven iets geheel anders te aanschouwen dan men zou verwachten: niet een nauwere aansluiting bij
den grondtekst, maar een toenemende vrijheid en onafhankelijkheid, een steeds verder gaand toegeven aan de eischen van de moedertaal. Zijn vrienden raadpleegde hij om te weten, of de vrije vertaling de bedoeling van het oorspronkelijke trouw weergaf. Groot was zijn afschuw van een letterlijke vertaling, menigvuldig waren zijn uitvallen tegen de ‘Buchstabilisten’ of letterknechten.
Bijbelvertalen was voor Luther verkeeren in een toestand van gespannen zijn. Wanneer hij omtrent de letterlijke beteekenis van den grondtekst, vaak na veel zoeken en tasten, zekerheid verkregen had, was het zaak om op te stijgen tot iets veel hoogers: in de ziel de bedoeling van den Heiligen Geest te doorgronden. Zooals lezing van het Woord slechts onder leiding van den Heiligen Geest met vrucht kan geschieden, moest naar Luther's overtuiging ook de vertaler door den Geest worden voorgelicht. Maar dan kwam het moeilijkste: het bijbelwoord, dat hij langs den weg van grammaticale verklaring en doorschouwing van zijn dieperen zin in de ziel had leeren verstaan, in de moedertaal te her-scheppen. Hoe dieper hij doordrong in de verborgenheden van den Heiligen Geest, des te meer voelde hij zijn vaardigheid groeien om daaraan in de eigen taal uitdrukking te verleenen. Luther's kennis van den grondtekst en zijn beheersching van de landstaal waren de twee pijlers, die overspannen werden door de brug van zijn zielservaring. Zoo ontstond de vrije bijbelvertaling van Luther; vrij door haar oorsprong, omdat de Hervormer ook als vertaler de vrijmakende kracht van het Evangelie in al haar heerlijkheid wilde openbaren; vrij ook door haar bestemming, omdat alleen een bijbel in volkseigen taal een volksboek kon worden.
Men doet Luther onrecht, wanneer men hem wegens deze vrijheid van slordigheid beschuldigt. De protocollen der revisiecommissie bewijzen, dat hem er alles aan gelegen was zijn werk wetenschappelijk te kunnen verantwoorden. Maar zij geven tevens een treffende belichting van het feit, dat de Lutherbijbel een geloofswerk is. Zij laten zien, hoe Luther naar een harmonisch samengaan van verstand en gemoed streefde. Het ontbreken van deze verbinding was het, wat hem in Erasmus' Latijnsche overzetting zoo tegenstond. Erasmus heeft wel het Nieuwe Testament vertaald, zei Luther, maar daarbij niets in de ziel ondervonden, m.a.w. het is werk van het koele verstand, zonder de warmte van het bewogen gemoed. In de oogen van Luther is de Heilige Schrift in de eerste plaats een prediking van den gekruisigden en verrezen Heiland. Voor hem is Christus het middelpunt van de Heilige Schrift. Die stralende kern verlicht zoowel het Nieuwe als
het Oude Testament. Deze Christocentrische opvatting, die ook ten grondslag ligt aan zijn vrij oordeel over den canon - alleen dat ‘wass Christum treibet’, was naar zijn meening schriftuurlijk -, bracht een eenheid van conceptie, die aan zijn arbeid slechts ten goede kon komen. Zijn overzetting heeft als het werk van één auteur bovendien het voordeel, een gaaf geheel te zijn.
Het zij verre van ons te ontkennen, dat Luther zijn Christocentrische Schriftbeschouwing in zijn vertaalwerk soms al te rigoureus heeft toegepast. Meermalen zag hij in Oudtestamentische uitspraken Messiaansche voorspellingen, terwijl daar van den Christus geen sprake is. Dan maakte hij, zonder zich bewust te zijn anderen aanstoot te geven, den bijbeltekst wel eens pasklaar voor zijn zienswijze. Ook als souverein herschepper van den bijbel is hij wel eens te ver gegaan, vooral in de Psalmenbewerking van 1531, die er kennelijk op aangelegd was om ingang te vinden bij het volk in al zijn geledingen en in de plaats te komen van de oude gebedenboeken. Bij het tegen elkaar uitbalanceeren van de bezinning op de grammaticale beteekenis en de doorleving van het Schriftwoord in de ziel heeft Luther aan de laatste somtijds te veel stem toegekend. In onzen tijd zou een dergelijke parafraseerende vertaling ongewenscht zijn. Men bedenke echter het volgende. Zoowel de kennis van den oertekst als de uitdrukkingsmogelijkheden der moderne talen zijn in de eeuwen na Luther zoo verrijkt, de ‘tale Kanaäns’ is zoo algemeen geworden, dat zulk een mate van vrijheid thans niet meer noodig is. Maar Luther moest den bijbel nog planten in het hart van zijn volk. De huismoeder, den rondtrekkenden ambachtsgezel evengoed als hooggeplaatsten wilde hij, naar eigen zeggen, den bijbel in handen geven. Hij had een reformatorisch recht om op de geschetste wijze dat groote doel te bereiken.
Aan dit doel, de Heilige Schrift door eenvoud en helderheid van uitdrukkingswijze, door kracht van zegging te maken tot een nationaal bezit, werd derhalve alles ondergeschikt gemaakt. Het karakter van de Duitsche taal moest zoo geëerbiedigd worden, dat de lezers geen oogenblik den indruk zouden krijgen een vertaald boek voor zich te hebben. Zoo vertaalde hij niet: ‘Zij hebben de stad verdelgd door den mond des zwaards’, maar ‘door de scherpte des zwaards’. In zijn ‘Sendschreiben vom Dolmetschen’ (1530) heeft hij dergelijke vrijheden verdedigd. Vijandige critici hadden hem namelijk beschuldigd van bijbelvervalsching. Alleen al in het Nieuwe Testament zou hij op 3000 plaatsen de bedoeling hebben verdraaid. In het bijzonder fulmineerden zijn Roomsch-Katholieke tegenstanders tegen de vertaling
‘alleen door het geloof’ in Rom. 3, 28, waar een Grieksch aequivalent voor dat ‘alleen’ ontbreekt. Hierover zegt Luther nu in zijn zendbrief: ‘Het ligt in den aard van de Duitsche taal, dat wij, wanneer we van twee dingen het eene toegeven en het andere ontkennen, het woord alleen (slechts) gebruiken in verbinding met niet of geen. Zoo zeggen we: De boer brengt alleen koren en geen geld; neen, ik heb nu geen geld, maar alleen graan; ik heb slechts gegeten, en niet gedronken; heeft u dit alleen maar geschreven en niet overgelezen?’ Zoo ziet men, dat het fijn taalkundig onderscheidingsvermogen van Luther deze vrije vertaling heeft te voorschijn gebracht. Luther noemt in zijn verhandeling nog andere voorbeelden van zulke vrijheden. Welke Duitscher, vraagt hij, zou begrijpen: ‘Uit den overvloed des harten spreekt de mond’ (Matth. 12, 34). Overvloed des harten acht hij in zijn taal evenmin bestaanbaar als overvloed van het huis of overvloed van de kachel. De gewone man zegt in goed Duitsch: ‘Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over’.
Om te bewijzen met hoeveel zorg hij zich had toegelegd op de verstaanbaarheid van den tekstvorm, vertelt hij verder, dat hij mèt zijn vrienden soms twee, drie of vier weken had gezocht en navraag had gedaan naar een bepaald woord, en dan veelal nog zonder het gewenschte resultaat. Bij de vertaling van het boek Job gebeurde het wel, dat hij met Melanchthon en Aurogallus maar drie regels in vier dagen kon voltooien. ‘Nu het af is,’ zegt Luther verder met betrekking tot dit bijbelboek, ‘kan ieder drie, vier bladzijden doorlezen zonder ook maar één oneffenheid op zijn weg tegen te komen. Men wordt niet gewaar, hoeveel gaten er geweest zijn en hoeveel steenen er gelegen hebben, waarover men zich nu gemakkelijk voortbeweegt als over een ge- schaafde plank, terwijl wij hebben moeten zwoegen om de gaten te dichten en de steenen te verwijderen.’ Elders schildert hij aanschouwelijk den bijbel als een uitgestrekt woud, in hetwelk geen boom stond, waaraan hij niet geschud had.
De eigenhandige bijbelhandschriften schenken ons, evenals de aanteekeningen van den secretaris der herzieningscommissie, de gelegenheid Luther bij zijn arbeid te bespieden. We zien, hoe, uitgaande van den grondtekst, een aanvankelijk letterlijke vertaling via verschillende fasen zijn definitieven vorm krijgt. Elke nieuwe formuleering brengt de weergave een stapje dichter bij het Duitsche taaleigen. Het is, zoo zei een van Luther's vrienden, alsof een vloeistof vier-, vijfmaal van de eene kan in de andere wordt overgegoten, totdat eindelijk een heldere substantie overblijft; alsof met groote behoedzaamheid de
deklaag van een vrucht wordt afgepeld, totdat de zuivere, voedzame kern bloot komt te liggen.
In de keuze van de taal, waarin hij zijn bijbel schreef, toonde Luther eveneens zijn practischen zin. Had hij een kunstmatige mengtaal uit bestanddeelen van verschillende streektalen samengesteld, dan zou dat juist een snelle verbreiding van zijn volksbijbel in den weg gestaan hebben. Wat hij noodig had, was de taal met de grootste toekomst. Daarom, en omdat hij zelf een Saks was, koos hij de Keursaksische kanselarijtaal, die ook door haar positie tusschen Noord- en Zuid-Duitschland kans had om in ruimer kring verstaan te worden. De geschiedenis heeft de juistheid van zijn keuze bevestigd. Luther is dus niet de maker van het Hoogduitsch geweest, al heeft zijn bijbel uiteraard de vorming van de algemeene taal aanzienlijk versneld.
Wonderbaarlijk is de woordvoorraad, waarover Luther beschikte in een tijd, toen de Duitsche taal in een toestand van verwaarloozing verkeerde. Zijn bijbel-Duitsch is geworteld in de volkstaal, zooals hij die in zijn jeugd had geleerd. Gesteund door zijn sterk geheugen, kon hij putten uit een fonds van kernachtige, volkseigen uitdrukkingen en zegswijzen. Stelselmatig heeft hij zijn woordenschat verrijkt. Te Wittenberg waren voortdurend gasten uit alle deelen van Duitschland, die hem nieuwe woorden aan de hand deden. Een van zijn vrienden liet hij een spreekwoordenverzameling aanleggen. Een ander bracht uit den huisschat van den Keurvorst juweelen mee, opdat hij zich met eigen oogen kon vergewissen, hoe de naam en kleur was van verschillende edelsteenen, die in Openbaring 21 genoemd worden. Melanchthon correspondeerde voor Luther met geleerden in andere landen over de waarde en afmetingen van sommige Grieksche munten en maten. De namen van allerlei ambten liet hij niet onveranderd, maar gaf die weer met de benaming van dat Duitsche ambt, dat er het meest mee overeenkwam. Een slager liet hij in zijn tegenwoordigheid een schaap slachten en daarna uitbeenen, om zich, met het oog op de vertaling van Oudtestamentische hoofdstukken over offerceremoniën, nauwkeurig op de hoogte te stellen van de namen van ingewanden en lichaamsdeelen. Den tempelbouw lichtte hij voor zichzelf toe door teekeningen, en later voor zijn lezers door bijbehoorende houtsneden te laten maken. Practisch is ook de manier, waarop hij in latere drukken de spelling ging vereenvoudigen en normaliseeren en zijn zorg liet gaan over de illustraties, het lettertype enz. van zijn bijbeldrukken.
Luther was voorts een bijbelvertaler, die op onnavolgbare wijze de
eischen van de practijk wist te vereenigen met een artistieke vormgeving. Hij hield er rekening mee, dat een bijbel gewoonlijk hardop gelezen wordt, hetzij in de kerk, hetzij in het gezin. Omdat dus zijn arbeid in de eerste plaats bestemd was voor hoorders, heeft Luther zich beijverd zijn zinnen zoo doorzichtig mogelijk samen te stellen. Een hoorder kan namelijk niet gemakkelijk een ingewikkelde zinsconstructie overzien. Elke zin werd dus opgebouwd uit een aantal rhythmische eenheden of spreekmaten, die, zonder dat de hoorder zulks merkt, door een spreekpauze gescheiden worden. Bij voorkeur hield hij de verschillende deelen van een werkwoord, met de onmiddellijk daarbij behoorende woorden, bij elkaar. Voor wie den Lutherbijbel hardop hoort voorlezen is het, alsof een spreker in een kerk de verstaanbaarheid en welluidendheid van zijn zinnen versterkt door ze onder te verdeelen in korte spreekmaten, elk met een eigen geluidsvolume. Elke groep bijeenbehoorende woorden kan dan rustig uitklinken, als het ware resoneeren op den klankbodem van de ziel der toehoorders. Welluidendheid en klankkleur, afwisselend van de donkere dreiging van sommige Oudtestamentische gedeelten tot de lokkende uitnoodigingen in het Nieuwe Testament, maken het geheel tot een rijk geschakeerde orgelcompositie, waarvan Luther de begaafde toondichter is. De schoonheid van den Lutherbijbel kan zoo alleen tot haar recht komen, wanneer men hem hardop voorleest. Luther heeft bovendien den bijbelinhoud in de ziel en het geheugen van zijn hoorders willen prenten door kwistig gebruik te maken van allitereerende zegswijzen, praegnante beelden en aanschouwelijke uitdrukkingen.
Men vergelijke de dichterlijkheid van den Lutherbijbel met het onbeholpene der oude Duitsche Vulgaatvertaling in het volgende fragmentje.
| Vulgata | Luther |
|---|---|
| Der Herr der richt mich, und mir gebrast nit; und an der Statt der Weide, da setzt er mich. Er führte mich ob dem Wasser der Wiederbringung. | Der Herr ist mein Hirte, mir wird nichts mangeln; er weidet mich auf einer grünen Auen und führet mich zum frischen Wasser. |