terug  begin  verderprepost
[p. 125]

Hoofdstuk VIII.
Reformatorische bijbelvertaling in de eerste helft van de zestiende eeuw.

§ 1. Voorbereiding.

De bijbelvertaling van Luther vond in de Nederlanden geopende harten en wel toebereide zielen, omdat zij het antwoord kwam geven op de vraag, die velen, bewust of onbewust, in zich omdroegen: hoe weet ik met zekerheid dat ik Jezus Christus toebehoor? Nu de Kerk voor menigeen als heilsinstituut door het onwaardig gedrag van vele harer dienaren had afgedaan, klemde men zich des te vaster aan bijbel en bijbelgezag.

Het pad voor de reformatorische denkbeelden en bijbelvertaling was reeds geëffend door het Bijbelsch Humanisme. Deze geestesstrooming had voor velen den bijbel geplaatst in het middelpunt van het theologisch denken en het godsdienstig gemoedsleven. Schoolrectoren, pastoors en vele ontwikkelden beleden in beperkten kring reeds voor de komst der Hervorming gevoelens, die afweken van de rechtzinnige kerkleer. Uit hun midden werden de Hervormers gerecruteerd, die in woord en geschrift de nieuwe leer verkondigden, een stoutmoedigheid, welke hun niet zelden kwam te staan op den marteldood of verbanning. Een van de wijzen, waarop de ‘schoolmeesters’ hun gedachten verbreidden, verdient hier speciale vermelding, omdat daaruit duidelijk een uiterlijke overeenkomst met de verspreiding van bijbelkennis door de moderne devotie te bewijzen valt. Nog altijd was het de taak der schoolrectoren en fraters, om op Zon- en heiligedagen voor een besloten vergadering van leerlingen en burgers het Epistel en Evangelie van den dag te lezen en uit te leggen. De Delftsche rector Canirivus of, zooals zijn naam in het Nederlandsch luidt, Hondebeke ging die geoorloofde buitenkerkelijke bijeenkomsten gebruiken voor prediking in reformatorischen zin. Hij slaakte de verzuchting: hadden wij maar het recht om in het openbaar op te treden, hoevelen zouden dan niet toegebracht worden. Op dezelfde

[p. 126]

manier werd het zaad van de Hervorming te Utrecht uitgestrooid door Hinne Rode, rector van de Hieronymusschool, en in 's-Gravenhage door den schoolrector Guilhelmus Gnapheus of Willem de Volder. De Zwolsche pastoor (zie blz. 96) had indertijd wel goed gezien, toen hij aan Johan Cele zulk een prediking voor leeken beletten wilde! Want al was diens prediking nog zoo rechtzinnig, ze vond toch plaats in een omgeving, die allesbehalve immuun zou zijn voor een vroeg of laat opkomende ketterij. De reformatorische schoolrectoren zijn de mannen geweest, die den ouden vorm hebben gebruikt voor het ingieten van een nieuwen inhoud.

Geen beter bewijs voor den omvang van dit voortwoekerend kwaad, zooals het zich in de oogen der ketterjagers voordeed, dan de voortdurende herhaling der plakkaten tegen de schoolmeesters ‘van der secte Lutheriane of andere quade opinien’. Telkens werd hun op het hart gebonden om hun boekje niet te buiten te gaan, maar zich te bepalen tot een ‘grammaticalen’ uitleg van het Epistel of Evangelie, dat aan de orde van behandeling was.

Het is bekend, dat onder de Broeders des Gemeenen Levens de beginselen der Hervorming menigen aanhanger vonden, een verschijnsel dat intusschen niet mag dienen als bewijs van een rechtstreekschen samenhang tusschen moderne devotie en Reformatie, hoogstens als negatieve aanwijzing dat in vele gevallen van de rechtzinnigheid der fraters niet voldoende innerlijke kracht uitging om weerstand te bieden aan de ketterij. Een gewezen frater van het Utrechtsche Hieronymushuis, Hendrik van Bommel, schreef in 1522 als rector van het Magdalena-convent aldaar, een Latijnsche verhandeling, waarvan hij zelf in het volgend jaar een vrije bewerking in het Nederlandsch uitgaf onder den titel ‘Summa der Godliker Scrifturen oft een duytsche Theologie’, bezorgd door Jan Zeversz te Leiden. De titel van dit zuiver reformatorische boek is in ons verband veelzeggend. De schrijver wil door een kort begrip der Heilige Schrift zijn lezers de kern van het Christelijk geloof blootleggen. Eenige malen neemt hij den bijbel in de volkstaal in bescherming. In zijn argumenteering sluit hij zich aan bij Zerbolt en Erasmus. Het Evangelie en de Brieven zijn niet alleen bestemd voor priesters, maar ook voor ‘ghemeen borgers’. Typisch Erasmiaansch klinkt: ‘God heeft soe wel den doot gheleden voer den huysman [= boer], als voer den priesters.’ Het zou goed zijn, zegt hij op een andere plaats, wanneer de burgers het Evangelie en de historische gedeelten van het Oude Testament kenden, dan zouden zij den prediker beter kunnen volgen. Deze

[p. 127]

uitspraak herinnert aan Zerbolt, evenals het volgende argument: Paulus schreef zijn Brieven in het Grieksch om door ieder verstaan te kunnen worden; daarna werd de bijbel in het Latijn vertaald, opdat de kerk in Italië en Afrika hem zou verstaan. In dien tijd konden vrouwen lezen en lazen de burgers in huis met hun kinderen den bijbel. Dan houdt hij, als Erasmus, zijn lezers het volgende alternatief voor: ‘Nu is een dynck van noede, òf dat men die heylige scrift in duytsch overset, òf dat men die kinderen altemaele latijn leert.’ Warm voorstander is hij van de school met den bijbel en bijbelsch volksonderwijs. Alle kinderen moeten leeren lezen, die der armen desnoods op kosten van de gemeenschap, om later wat aan den bijbel te hebben. Het aantal onwetende priesters en monniken zou dan verminderen, leeken zouden de predikers des te beter kunnen volgen en tijdens den dagelijkschen arbeid met elkaar kunnen spreken over de Heilige Schrift in plaats van fabels op te disschen of onbetamelijke grappen te vertellen. De ouders vermaant hij: ‘Ende wacht oec scarpelick, ghi ouders, dat u kinder niet en lesen eenighe vreemde historien van amoureusheyt oft van oerlogen ende ander fabulen. Maer coopt hem den duytschen bibel, ende dat heylich Evangelium, ende laetse so van ioncx op leeren ende leesen die godlicke leeringe.’

§ 2. Tekstverscheidenheid en godsdienstige richtingen.

De voorbereidende arbeid der evangelische prediking heeft het verlangen naar een volledigen volksbijbel wakker gemaakt. Zoo kwam de Lutherbijbel, alsof hij geroepen was. Weldra verscheen een Nederlandsche vertaling van den Luthertekst, gevolgd door een reeks andere overzettingen en mengedities, voor een deel berustend op een anderen tekst, maar alle toch ontstaan onder den overheerschenden invloed van den Lutherbijbel. Er ontstond een rijke verscheidenheid van tekstvormen, waarmee we straks kennis zullen maken. Bij den eersten aanblik werkt die bontheid verwarrend op den toeschouwer. Het is daarom gewenscht een korte algemeene beschouwing omtrent het milieu, waarin ze zijn ontstaan, te laten voorafgaan.

Bijbelvertalingen geven een trouwe weerspiegeling van het godsdienstig voelen en denken van een bepaald tijdvak. Hoe meer de godsdienst bloeit, des te meer zal men zich beijveren, door de aanpassing van den volksbijbel aan de eischen van den tijd, de godsdienstige behoeften van de massa tegemoet te komen. Vooral in de bewogen jaren van de Hervorming liep de historie der bijbelvertaling parallel

[p. 128]

met de kerkgeschiedenis, die immers voor een groot deel den ontwikkelingsgang der meeningen ten aanzien van de Schrift en haar gezag te aanschouwen geeft.

De differentiatie der vertalingen moet dus beantwoorden aan een veelheid van godsdienstige stroomingen. Het is echter ondoenlijk om een vertaling naar bestemming en gebruik onder te brengen bij een bepaalde groep, om de eenvoudige reden dat in een overgangsperiode als deze, van belijning en afbakening op theologisch gebied, voorzoover daaraan al behoefte bestond, nog geen sprake kon zijn. De strenge kettervervolgingen lieten daar niet de gelegenheid toe, maar bovendien heeft zich de scheiding tusschen Roomsch-Katholiek en Evangelisch niet plotseling voltrokken, evenmin als de waaiervormige uitspreidding van het Protestantisme. Afgezien van de belangrijke minderheid van zelfverzekerden en doelbewusten, was er een groote schare van weifelenden en aarzelenden, die pas na lang zoeken tot een beslissing kwamen. Er waren in de eerste plaats onder Roomsch-Katholieken bijbelvrienden, die er niet aan dachten met de Moederkerk te breken. Dan waren er de Nicodemussen, die valsche schaamte weerhield, openlijk hun afwijkende gevoelens te belijden. De breede middenstrook werd ingenomen door de velen, wien het niet aan belangstelling voor het nieuwe ontbrak, maar wel aan den moed, om den beslissenden stap te wagen. Aan de andere zijde van de scheidslijn stond de geleidelijk groeiende, schoon niet aaneengesloten groep der Evangelischen, voor een goed deel voortgekomen uit een autochthoon-reformatorische beweging, waarvan de geestelijke opvatting van het altaarsacrament weldra het sprekende kenmerk zou worden. Deze richting werd sinds 1530 vrijwel geheel overvleugeld door de volksbeweging van het Anabaptisme, dat later gedeeltelijk in bloed werd gesmoord, maar als de in stilte werkende Doopsgezinde secte onder leiding van Menno Simons herrees. De godsdienstige tegenstellingen waren dus in de eerste tientallen jaren der Hervorming, toen er nog één algemeen-reformatorische, evangelische richting was, niet toegespitst. Een langdurig gistingsproces ging vooraf aan de uitkristalliseering.

De Hervormingsbeweging hier te lande heeft nimmer een specifiek Luthersch karakter gedragen. Wanneer in plakkaten en polemieken van ‘lutherie’ sprake is, dan gaat het over ketterij in het algemeen. Luther heeft voor de Nederlandsche Hervorming wel vrij baan gemaakt en er groote stuwkracht op uitgeoefend, maar in leerstellig opzicht heeft het Lutheranisme op de Nederlandsche Reformatie niet zijn stempel gedrukt. Bij de ketterverhooren weigerden de aange-

[p. 129]

klaagden stelselmatig zich op Luther te beroepen. Zij eerden hem als profeet, niet als autoriteit in geloofszaken. Niet uit zucht om hun geloofsrechters schaakmat te zetten beriepen zij zich uitsluitend op de Heilige Schrift, maar omdat naar hun diepste overtuiging hierin alleen de rechtvaardiging van hun standpunt te vinden was.

Na het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat het niet mogelijk is, bepaalde bijbelvertalingen in verband te brengen met bepaalde godsdienstige groepen. En zeker mag men de vertaling van den Luthertekst niet beschouwen als ‘Luthersch’. Veeleer moet men hierin een algemeen-reformatorischen bijbel zien, niet gebonden aan een confessie. Een indeeling der bijbelvertalingen naar godsdienstige schakeeringen stuit af op gewichtige bezwaren, zoodat we wel gedwongen zijn de verschillende tekstredacties in chronologische volgorde te bespreken.

§ 3. De Mattheusvertaling van Johan Pelt van 1522.

Het lijkt wel, alsof het gerucht, dat Luther aan een Nieuwe-Testamentvertaling werkte, aan de verschijning in gedrukten vorm vooraf is gegaan, want nog vóór zijn Septembertestament in de Nederlanden bekend kon zijn, kwamen in Amsterdam en Antwerpen uitgaven van de pers, welke een kentering in de geschiedenis onzer bijbelvertaling te weeg brachten. Wellicht heeft Erasmus' aansporing in zijn Mattheus-parafrase van Juni 1522 hier te lande haar uitwerking niet gemist. Gretig greep men naar de uitgaven, welke in 1522 en volgende jaren verschenen. Den bijbel in zijn geheel te lezen, dat moet voor de geloovigen van dien tijd een openbaring geweest zijn, waarvan wij de verrassing niet meer kunnen bevroeden, maar die ongeveer gelijk geweest zal zijn aan de vreugde der humanisten, toen zij den bijbel in de grondtalen ontdekten. Een nieuwe wereld ging voor hen open. Het geloof hervond zijn eenige kenbron, het zedelijk leven zijn eenig betrouwbaar richtsnoer. De bijbeltekst, ontdaan van alle uitlegkundige franje, was in volle ongereptheid aan den dag gekomen. Met groote snelheid werden de bijbeluitgaven vermenigvuldigd, de belangstelling voor bijbellectuur laaide op als nooit te voren.

Amsterdam is de stad, waar de eerste Nederlandsche reformatorische Evangelie-vertaling verschenen is. Vermoedelijk in den loop van 1522 bezorgde Doen Pietersoen ‘in Engelenburch’, zoo heette zijn winkel, een uitgave, waarvan de in rood en zwart gedrukte titel als volgt luidt: ‘Hier beghinnen die Evangelien ons heren Ihesu christi Dats dye goede boetschappe vander vergiffenisse der sonden, ende

[p. 130]

vander eewiger salicheit. Inder duytscer sprake getranslateert. Die welcke sinte Matheus die Apostel ende Evangelist Ihesu Christi bescreven heeft. Met een corte glosacie, om die te badt [= beter] te verstaen. Op dat men weten mach dat elc kerstenmensce schuldich is die Evangelien Cristi te lesen ende dye in sijn herte te dragen boven alle andere leringhen schrifturen Ende daer in vrijlijc, lieflijc ende ghetroulijc te levene ende te stervene.’ De naam van den schrijver noch een jaartal wordt genoemd. Het kleine boekje bevat 200 bladzijden in duodecimo-formaat en behelst alleen het Evangelie van Mattheus met vijf houtgravures van Roomsche afkomst.

Reeds de titel houdt een ‘evangelische’ beginselverklaring in. De opvatting van het Evangelie als goede boodschap, de aansporing tot lezing, maar vooral beleving van het Evangelie en de achterstelling van menschelijke leeringen en geschriften bij het Woord Gods, bewijzen onmiddellijk de hervormingsgezinde strekking. Ouderwetsch zijn nog de vertaalde prologen van Hieronymus, eerst voor de vier Evangeliën gezamenlijk, daarna voor dat van Mattheus afzonderlijk, daarna diens levensbeschrijving van den evangelist, maar wat dan volgt, de Mattheusvertaling zelf met de bijbehoorende aanteekeningen of ‘glosen’ aan het slot van elk hoofdstuk en vooral ‘die Conclusie des Translatoers ofte Overstelders’, dat alles is geheel in overeenstemming met de belofte, die de titel inhoudt.

Deze Conclusie licht ons in omtrent de beweegredenen en werkwijze van den vertaler. De arme en gebrekkige menschen, aldus begint hij, kunnen alleen gerechtvaardigd en godzalig gemaakt worden door de genade en verdienste van Jezus Christus. De goede werken, die Hij van ons begeert, moeten wij volbrengen uit liefde voor Christus, niet uit eigengerechtigheid. Om dat te kunnen doen en onzen Zaligmaker te kennen, is kennis van het Evangelie noodig. Daarom heeft de schrijver het plan opgevat de vier Evangeliën te vertalen en alvast een begin gemaakt met Mattheus, ‘accorderende den ouden text metten niewe Griecschen text, denwelcken Erasmus met groter neersticheyt ons in latijn ghegheven heeft’. Waar de oude tekst - dat is voor hem de Vulgata - duister was, heeft hij den Griekschen - daarmee bedoelt hij de Latijnsche vertaling van Erasmus - geraadpleegd en soms door het toevoegen van synoniemen opheldering willen verschaffen. De glossen, zegt hij, zijn ontleend aan de kantteekeningen van Hieronymus, Augustinus, Erasmus en anderen. Ze dienen ter toelichting van lastige Hebreeuwsche en Grieksche woorden, soms ook, ‘om dat verstant der evangeliën te bet [= beter] te verstaen’.

[p. 131]



illustratie
Afb. 7. - Eerste bladzijde van het Mattheusevangelie van Johan Pelt, in 1522 verschenen bij Doen Pietersoen te Amsterdam.



illustratie
Afb. 8. - Tekstbladzijde van het Mattheusevangelie van Johan Pelt, in 1522 verschenen bij Doen Pietersoen te Amsterdam.

[p. 132]

Zijn arbeid is bestemd voor ‘onnosele ende slechte menschen [ongeletterde en eenvoudige m.] .... dye dagelicx meer met menschelike statuten dan metten woorden ende geboden Gods beswaert ende verlast worden’.

Het best komt het reformatorische karakter uit in de ‘glosen’ van de hand van den schrijver zelf. Bij Matth. 3, 2, waar hij ‘poenitentiam agete’ vertaalt met ‘bekeert u luyden, doet penitencie’ staat bijvoorbeeld: ‘Dat woort doet penitencie en is niet te verstane gelijc vele menschen meynen: ene pijne te lijden voor onse misdaden, die men valschelijc penitencie naemt. Maer het is te seggen, dat een yegelijc sijn quaet ende misdaet bekennen sal ende dat van liefden laten sal, ende totten rechten wech wederkeren sal. Ende dat een yegelijc een goet herte ende goeden wille gecrigen sal, hem vernieuwende van den ouden mensche in den nieuwen mensche.’ De Roomsch-Katholieke boetedoening dient derhalve plaats te maken voor innerlijke vernieuwing en heiliging. De valsche profeten (Matth. 7, 15) en de vijgeboom (Matth. 21, 19) zijn de schraapzuchtige en onkuische monniken met hun werktuiglijken godsdienst. Het primaat van den Paus verwerpt hij in de glosse bij Matth. 16, 18, waar ‘Ghi sijt Petrus’ beteekent: ‘gij zijt vast in het geloof’ en wat daarop volgt zeggen wil: ‘op die vaste belijdinge des geloofs sal ick mijn kercke bouwen’. Een krachtig geluid laat hij hooren tegen het dooden van ketters. Van bijzondere beteekenis is zijn opvatting omtrent de slotwoorden van het Mattheusevangelie, welke volgens hem een bevel voor de discipelen inhouden ‘om alle menschen onverscheydelijc dat heylich evangelium ende die vertroostelicke woorden Christi te leeren’. Midden in den strijd voor den leekenbijbel werpt hij zich, wanneer hij onmiddellijk hierop volgen laat: ‘Ende daerom so lieghen si valscelijck, die segghende sijn, dat wi allen menschen dat evangelium Cristi ende dye woorden Gods niet en behoren te leeren, ende dat si dat niet en behoren te weten. Want alle menschelijcke creatueren dit van node hebben te weten, om vrijelijck daer inne te levene, ende ghetrouwelijck daer inne te sterven.’

De vertaling van den bijbeltekst zelf toont een eenigszins tweeslachtig karakter. Trouwens, de instelling van het heilig Avondmaal beteekent voor hem nog, dat ‘Christus die alder eerste misse dede ende zijn apostelen tot priesteren wijde’. Evenmin als de Roomsch-Katholieke opvatting van het altaarsacrament durft hij de Vulgata overboord te werpen. ‘Den ouden text’ neemt hij als grondslag, slechts wanneer er verschil van lezing aanwezig is, volgt hij Erasmus.

[p. 133]

Dikwijls verantwoordt hij zijn afwijkende overzetting in een afzonderlijke noot, maar nog vaker neemt hij in den bijbeltekst ‘synonima oft biwoorden’ op, zonder den lezer de gelegenheid te geven het ‘bijwoord’ van het hoofdwoord te onderkennen. Blijkbaar had hij zich nog niet geheel kunnen losmaken van de Middeleeuwsche vertaalmanier, welke het onderscheid tusschen bijbelwoord en toevoegselen niet altijd nauwkeurig in acht neemt. Enkele voorbeelden zijn: Matth. 5, 9: paysmakelijck ende payselijck, Matth. 6, 12: onse sculdenaers of misdoenders, Matth. 11, 28: ic sal u luyden vermaken ende versoeten, Matth. 2, 6: een leidtsman ende hertoge, Matth. 3, 2: Bekeert u luyden, doet penitencie, Matth. 19, 24: eenen hemele of cabele.

Als proeve van vertaling laten wij een fragment volgen, voorafgegaan door den korten inhoud, welke boven elk kapittel te vinden is. Dubbelvertalingen en toevoegselen zijn duidelijkheidshalve gecursiveerd.

Matth. 27, 1-10.

Hoe Ihesus Pilato ghelevert wert. Hoe Judas hem selven verhinc. Vanden moordenaer Barrabas. Hoe Ihesus bespot wert. Hoe Simon Ihesum moste helpen zijn cruys dragen. Hoe christus metten moordenaren gecruyst werdt. Ende hoe teghen christus geblasphemeert werdt. Hoe Ihesus roepende sterf. Ende vander begravinge christi. Ende vanden wachters die bi ons heren sepultuere geleyt werden.

Ende den morgen gesciet sijnde, soe hebben alle die princen [= eersten] der priesteren ende die ouders des volcs te samen te rade gegaen tegen Ihesum om hem ter doot te leveren. Ende si hebben hem, gebonden zijnde, toe geleyt ende ghelevert Poncio pilato, den president van Rome.
Ende Iudas die Ihesum ghelevert hadde, siende doen, dat Ihesus totter doot veroordelt ende verwesen was, met berou ende penitencie beroert sijnde, so heeft hi den princen der priesteren ende den ouderen die dertich penningen weder gebracht, seggende: ‘Ic heb gesondicht, leverende dat rechtvaerdich ende onnosel bloet.’ Ende si hebben gesproken: ‘Wat leyter ons aen? Ghi sullet besien.’ Ende die silveren penningen geworpen hebbende inden tempel, so is hi van daer gegaen. Ende wech gaende, so heeft hi hem met een stroppe verhanghen. Die princen der priesteren, genomen hebbende die silveren penningen, hebben gesproken: ‘Ten betaemt ons niet, dat wi dese penninghen inden geltblok werpen sullen. oft inder plaetse, daermen dye offeranden des tempels inne werpet. Die Corban ghenoemt was. Want dit eenen prijs ende coop des bloets is.’ Ende daer op raet ghehouden hebbende, so hebben si daer mede ghecoft eenen pottebackers ackere, die Ager figuli ghenoemt was om die pelgrems daer in te begraven. Ende hier omme is desen acker ghenoemt gheworden Acheldemach. Dats te seggene, den acker des bloets tot op desen hudelicken dach. Ende doen is vervolt geweest, dat door Iheremias den propheet voorseyt was, seggende: ‘Ende si hebben
[p. 134]
ghenomen XXX silveren penningen, den prijs estimerende. Ende den welcken geestimeert hebbende, si ghecoft hebben vanden kinderen van ysrahel, ende hebben hem ghegheven totten acker figuli. Ghelijck die here mi dat bevolen heeft.’

De medegedeelde pericope met haar talrijke latinistische constructies, dubbelvertalingen en bastaardwoorden is karakteristiek voor het werk als geheel. Een meesterstuk van vertaalkunst is het niet, daarvoor volgt de bewerker al te slaafs den Latijnschen tekst. Eenigszins eentonig doet ook de opsomming in de korte inhoudsopgave aan. Het zij echter verre van ons den auteur over zulke feiten hard te vallen. Hoezeer de geschiedschrijver gerechtigd is een werk te beoordeelen met behulp van maatstaven, ontleend aan den tijd van ontstaan, in dit geval gaat het niet aan den genialen arbeid van Luther als middel ter toetsing te bezigen. Beter is, deze Mattheusbewerking te vergelijken met soortgelijke Middeleeuwsche vertalingen. Dan blijkt zij, evenals deze, middelmatig te zijn en zich noch door gebrekkigheid, noch door uitstekende hoedanigheden te onderscheiden. Een bekwaam vertaler was er in de Nederlanden niet, wel een groote behoefte aan een volksbijbel. Hieruit blijkt te meer, dat de bijbel van Luther kwam als geroepen, om zijn zegenrijke werking te beginnen.

Wie is nu de onverschrokken auteur van deze eerste reformatorische vertaling geweest? Langen tijd is de schrijver, is zelfs het bestaan van dit boekje onbekend gebleven, totdat de Utrechtsche hoogleeraar Doedes in 1872 de gelukkige bezitter werd van het plotseling aan den dag gekomen, eenig overgebleven exemplaar, dat thans in de universiteitsbibliotheek te Utrecht veilig is opgeborgen. Nu was reeds lang bekend, dat een zekere Johan Pelt, gardiaan van het Minderbroederklooster te Amsterdam, in den vroegen Hervormingstijd een Mattheusevangelie had vervaardigd. In 1524 had keizer Karel V een nieuw plakkaat tegen het koopen en verkoopen van kettersche boeken uitgevaardigd. Naast het bovengenoemde ‘Die Somme van die godlycke gescriften’ wordt hierin met name genoemd: ‘'t Ewangelie van Sinte Matheus, mit dit glose dair inne gestelt, overmidts dat tselfde qualycken getranslateert is, ende dat inde glosen zekere dwalingen bevonden zijn geweest’. Wie deze boekjes bezat, moest ze binnen acht dagen vernietigen. De naam van Johan Pelt als den auteur van het laatstgenoemde werkje wordt genoemd in het vonnis, dat het Hof van Holland in 1540 heeft uitgesproken tegen den voortvluchtigen Mr. Jan Huybertsz. Deze gewezen Amsterdamsche schout had volgens de acte van beschuldiging met nog andere regeeringspersonen den voortgang der Hervorming in zijn stad niet voldoende gestuit. Zij hadden niet

[p. 135]

alleen oogluikend toegelaten, dat ‘Luterije, Sacramentisterije ende Herdoperie’ om zich heen grepen, maar waren zelfs tegenwoordig geweest bij de sermoenen, die Johan Pelt, overste van het Franciscanenklooster, in de reventer [= eetzaal] van zijn convent placht te houden. Bovendien hadden zij verzuimd om het ‘qualijk ghetranslateerde’ Mattheusevangelie van dezen priester, en andere ‘gecorrumpeerde boucxkens’ op te halen.

Zoo kon Prof. Doedes met zekerheid den auteur van de eerste Hervormde bijbelvertaling aanwijzen, en omdat hij op inwendige gronden het werkje in 1522 verschenen denkt, moet men Pelt's arbeid beschouwen als het eerste Nederlandsche verboden boek.

Aangaande de verdere lotgevallen van Pelt is bekend dat hij, na eerst nog in 1524 verlof gekregen te hebben om in een der parochiekerken van de stad de passie te preken, kort na de afkondiging van het keizerlijk plakkaat wegens zijn prediking van de ‘nye leere’ gevangen werd genomen. De schout, Mr. Jan Huybertsz, zal hem de gevangenschap wel draaglijk hebben gemaakt. Zonder veel moeite wist Pelt nog in hetzelfde jaar te ontvluchten. Na een kort verblijf te Brunswijk vestigde hij zich te Bremen, het toevluchtsoord van zoovele Hervormden van Nederlandsche afkomst in dien tijd. In 1525 hervatte hij aan de Anschariuskerk aldaar zijn predikarbeid, waar hij zich een trouw volgeling van Luther toonde. Gezamenlijk met zijn ambtgenoot Johannes Timans of Tieleman, door het volk om zijn bijtende scherpheid spottenderwijs Soetemelck genaamd, is hij op last van Bugenhagen in 1529 naar Oost-Friesland getrokken om daar het Luthersche standpunt in zake de avondmaalsleer tegen de Zwinglianen te verdedigen. In 1562 is hij te Bremen gestorven.

§ 4. De handschriftelijke vertaling van het Nieuwe Testament, in 1522 '23 uitgegeven door Van Liesveldt.

Onmiddellijk na de verschijning van het Amsterdamsche Mattheusevangelie zette Jacob van Liesveldt ‘op die Camerpoort Brugghe’ te Antwerpen een soortgelijke uitgave op touw. Waarschijnlijk op het eind van 1522 liet hij in vier afzonderlijk verkrijgbare bandjes, even klein van formaat als de druk van zijn Amsterdamschen vakgenoot, de vier Evangeliën verschijnen. De tekst van het titelblad luidt: ‘Hier beghinnen die Evangeliën ons heeren Ihesu Christi. Dats die goede bootschappe van der verghiffenisse der sonden. In der duytscher sprake ghetranslateert. Die welke Sinte Matheus die

[p. 136]

Apostel ende Evangelist Ihesu Christi bescreven heeft.’ Zooals men ziet, heeft Van Liesveldt de inkleeding van den titel overgenomen van Doen Pietersoen. Of de tekst van Mattheus eveneens nagedrukt

illustratie
Afb. 9. - Eerste bladzijde van het Marcusevangelie naar de Vulgata, in 1522 of begin 1523 verschenen bij Jacob van Liesveldt te Antwerpen.

was, is helaas niet bekend aangezien alleen de deeltjes Marcus, Lucas en Johannes bewaard zijn, oorspronkelijk in één bundel samengebonden met het boekje van Pelt en met dit laatste via de bibliotheek van Doedes terechtgekomen in de boekerij van de Utrechtsche universiteit.

De tekst van deze drie Evangeliën is niet nieuw. Bij de beschouwing van onze Middeleeuwsche handschriftelijke vertalingen hebben we reeds vermeld, dat Jacob van Liesveldt voor deze uitgave een totaal vergeten Evangeliëntekst, afkomstig uit de omgeving van Ruusbroec en ontstaan aan het einde van de veertiende eeuw, heeft afgedrukt (zie blz. 60). De stroeve, onbeholpen verdietsching, waarvan thans slechts één volledig manuscript over is, genoot zoo de eer, die wij zouden hebben toegekend aan de overzetting van Johan Schutken, welke zich gemakkelijker liet lezen en bovendien meer verbreid was. Blijkbaar heeft Van Liesveldt, in zijn haast om in de snel opkomende behoefte aan bijbellectuur te voorzien, het eerste het beste volledige Evangeliënmanuscript dat onder zijn bereik was, aan zijn uitgave ten grondslag gelegd. Als bewijs halen we eenige verzen uit Marcus 8 aan, waar de lezer kan nagaan, hoe de redactor den tekst eenigszins vloeiender heeft trachten te maken.

[p. 137]

Marcus 8, 27b-33.

Hs. Brussel Kon. Bibl. 111. Liesveldt 1522.
Ende in den weghe vraghede hi sinen iongeren, hen seggende: Wien seggen mi de menschen sijnde? Die antwerdden hem, seggende: De andere ianne baptiste. De andere helyam, maer de andere alse enen vanden propheten. Doe seidi hen: Maer ghi, wien segdi mi sijnde? Peter seide hem antwerdende: Du best christus. Ende hi esse dreigende dat sijt niemenne en souden seggen van hem. Ende aldair vraechde hi sijnen jongheren, seggende: Wien segghen mi die menschen sijnde? Sij antwoorden hem, segghende: Die andere Johannes baptista. Dander: Helyam. Maer die ander: als een van den propheten. Hij seyde hem: Maer ghi, wien segdi mi te wesen? Peter antwoorde hem ende seide: Ghi sijt Christus. Ende hi dreychde se, dat sijt niemant en souden seggen van hem.

Terstond daarna gaf Van Liesveldt op het eind van 1522 of in het begin van 1523 de veertien Brieven van Paulus in het licht onder den titel: ‘Dit sijn die epistolen des wtvercoren vates [= van het vat] Christi Sinte Pauwels, die hi ghescreven heeft als nu tot diveersche natien ende somwijlen tot particulare personen vol godlijcker vaster onweerroepeliker ende evangelijcker leeringen, seer neerstelick overgeset ende ghecorrigeert’, daarna de zeven algemeene Zendbrieven, aangekondigd als: ‘Die Canolijcke epistelen ende leeringen der eerwaerdigher apostelen, te weten van sinte Jacob, sinte Peeter, sinte Jan evangeliste ende van sinte Judas. Die welke si, na dat si den heyligen geest ontfangen hadden, gescreven hebben tot stichtinghe ende leeringhe van allen kersten menschen.’ Voor deze uitgaven heeft Van Liesveldt zich bediend van een manuscript der Noordnederlandsche vertaling uit den Windesheimer kring. De tekst is eenigszins gemoderniseerd. Men vergelijke:

2 Petr. 1, 19-21.

Schutken. Liesveldt 1523.
Ende wi hebben dat vaster prophetelike woert. Gi doet wel, neem gi dies woerts waer, als der lichtender lanteernen in die duuster stede. Thent [= totdat] die dach inlichte, ende die lichtdragher ghebaert werde in iuwen herten. Verstaet dat eerst dat alle prophecien der scrifturen van haers selfs bedu- dinghe niet en ghesciet, want mitten menscheliken wille en Ende wi hebben dat vast profitelijke woort. Ghi doet wel, neemdi des woorts ware, als der lichtender lantaernen in der duysternissen, tot den dach inlichte ende dye lichtdraghere ghebaert werde in uwer herten. Verstaet, dat alle prophecien der scriftueren van haers selfs bediedinge niet en geschiet. Want metten menschelijcken wille en is die prophecie

[p. 138]

is die prophecie voertijts niet ghebrocht, mer vanden ingheestenden heylighen gheest hebben die heylige menschen gods ghesproken. voortijts niet ghebrocht, maer van den ingheestenden heylighen gheest hebben die heilige menschen Gods gesproken.

Een afzonderlijke uitgave der overige boeken van het Nieuwe Testament, Handelingen en Openbaring, schijnt Van Liesveldt niet bezorgd te hebben. Deze waren reeds tweemaal in hun geheel gedrukt (zie blz. 80), maar bovendien was juist toen, in 1523, de Luthervertaling op komst. Al moest Van Liesveldt van den nood een deugd maken door de Vulgaatvertaling ten perse te leggen, toch is de bedoeling dezer uitgaven zonder eenigen twijfel ‘evangelisch’ geweest. Wel ontbreken glossen of voorreden, maar het overnemen van den Amsterdamschen titel zegt genoeg. Van Liesveldt gaf thans reeds een voorproef van zijn latere hervormde bijbeluitgaven, die hem het hoofd zouden kosten.

§ 5. Vertalingen van den Lutherbijbel.

De meeste drukken van den Nederlandschen Lutherbijbel verschenen in de eerste tientallen jaren der Kerkhervorming in de bloeiende koopstad Antwerpen. De vlottende bevolking was door de veelvuldige aanraking met handelaars en reizende kooplieden meer dan elders ontvankelijk voor nieuwe denkbeelden. Het binnendringen van nieuwe leeringen werd nog bevorderd, doordat de stedelijke overheid aan buitenlanders het verblijf in de stad gemakkelijk moest maken en hun volle vrijheid van godsdienstige overtuiging diende te laten, wilde zij de welvaart binnen de wallen houden. Er was nog een tweede kanaal, waarlangs den Antwerpenaars de nieuwe leer werd toegevoerd. De monniken van het kleine, maar actieve Augustijnenklooster aldaar hebben door hun vrije prediking de Hervorming voorbereid. Zij stonden in regelrecht contact met hun ordegenoot Luther. De sub-prior van 1520, Hendrik van Zutphen, en de prior van 1521-'22, Jacobus Praepositus, hadden in Wittenberg onder zijn leiding gestudeerd. Tijdens hun bestuur werd het klooster een haard van ketterij. De Hervorming greep in de Nederlanden zoo snel om zich heen, dat de pauselijke legaat Aleander reeds in 1520 moest constateeren, dat geheel Vlaanderen aangestoken was, terwijl hij in het volgend jaar te Worms van Holland hetzelfde getuigde.

Een uitstekend geoutilleerde drukpers stond te Antwerpen gereed de beginselen der Hervorming overal in de lage landen bij de zee uit

[p. 139]

te dragen. Als een magneet trok de machtige handelsstad drukkers van Hollandsche en zelfs van Duitsche afkomst tot zich. Zoodra de geschriften van Luther in Duitschland verschenen en tallooze lezers vonden, hebben Antwerpsche uitgevers die nagedrukt of doen vertalen en op groote schaal verspreid. Reeds in 1519 schreef Erasmus vanuit Antwerpen, dat hij slechts de hand behoefde uit te steken om in het bezit te komen van Luther's geschriften. Voor zoover deze op Nederlandschen bodem werden nagedrukt, verschenen ze tot en met 1521 het meest te Antwerpen, in het Latijn of in Nederlandsche vertaling, nog op naam van Maerten Luther, den ‘gheleerden doctoer inder godheyt’. In sommige van die overzettingen dient een ‘slechte [= eenvoudige] ende onwerdige priester’ of een ‘onnutte priester’ zich aan als vertaler. Het ligt voor de hand, de vertalers te zoeken onder de bewoners van het Augustijnenklooster, ofschoon zekere aanwijzingen ontbreken.

Het kerkelijk verzet tegen verbreiding van deze lectuur, georganiseerd door de theologische faculteit te Leuven en den legaat Aleander, is reeds vroeg begonnen. In 1519 en 1520 hadden te Leuven de eerste boekenverbrandingen plaats, wat Erasmus de uitspraak ontlokte, dat men wel Luther's geschriften kon verbranden, maar ze onmogelijk uit de harten kon bannen. Keizer Karel V heeft sinds 1521 in een reeks van plakkaten auto da fé's van Luther's geschriften gelast. Zoo vonden in 1521 en 1522 verbrandingen plaats te Antwerpen, Gent, Brugge, Amersfoort, Leiden en elders, soms van 400 of 500 exemplaren tegelijk.

De ondernemende drukkers van Antwerpen lieten zich hierdoor niet afschrikken. Mochten zij de boeken van Luther niet meer uitgeven, welnu, dan zouden zij trachten door verzwijging van den schrijversnaam de censuur om den tuin te leiden.

Boetpsalmen.

Het eerste boek van Luther, dat in het Nederlandsch vertaald werd was: ‘Die seven penitencie psalmen.... Bescreven door den hoochgheleerden Doctoor in der Godheyt, ghenaemt Martinus Luther, Broedere van sinte Augustinus oerden’. Luther's bovengenoemde (zie blz. 115) vertaling en verklaring van de zeven Boetpsalmen, was als het ware een voorstudie voor zijn latere bijbelvertaling. De vertolker zal wel een Augustijner monnik geweest zijn. Een exemplaar van den eersten druk is niet bewaard; van den tweeden, uit het jaar 1520,

[p. 140]



illustratie
Afb. 10. - Titelblad van de Nederlandsche vertaling van Luther's Boetpsalmen, in 1520 voor de tweede maal verschenen bij Claes de Grave te Antwerpen.



illustratie
Afb. 11. - Colophon van de Nederlandsche vertaling van Luther's Boetpsalmen, in 1520 voor de tweede maal verschenen bij Claes de Grave te Antwerpen.

[p. 141]

bezorgd door Claes de Grave te Antwerpen, is nog slechts één exemplaar, bewaard in de Gentsche universiteitsbibliotheek, over. Zoo grondig zijn deze uitgaven door de inquisitie uitgeroeid.

In de Nederlandsche vertaling, welke hier en daar herinneringen bevat aan de veelverbreide van Schutken, luidt het begin van den zesden ‘penitencie psalm’ vergeleken met Luther:

Psalm 130, 1-5.

Wittenberg 1517. Antwerpen 1520. Wittenberg 1534.
1. O gott, tzu dyr hab ich geschryen von der tyffen, God tot u hebbe ic gheroepen wt die diepte. Aus der tieffen, Ruffe ich Herr zu dir.
2. o got, erhore mein geschrey. Ach das deine oren achtnehmen wollen auff das geschrey meines bittens. O god verhoort mijner stemme. Och laet u ooren doch toe luysteren na die stemme mijns ghebets. Herr hre oemein stimme, Lass deine ohren mercken auff die stimme meines flehens.
3. Szo du wilt achthaben auff die sunde. O mein got, O gott, wer kan dan besteen? Waert dat ghi wilde achten onse sonden o heere mijn god. O god wie soude dan moghen voer u bestaen? So du wilt Herr sunde zu rechen, Herr wer wird bestehen?
4. Dann ist doch nur bey dir allein vorgebung, darumb bistu auch allein tzufurchten. Want bi u alleen is ghenade ende verghevinghe, daer omme zijt ghi alleene te vreesen. Denn bey dir ist die vergebung, Das man dich fürchte.
5. Ich hab gottis gewartet und mein seel hat gewartet, und auf sein wort hab ich gebeytet. Ick hebbe op god ghewachtet, ende mijn siele heeft ghewacht. Ende op zijn woert hebbe ick ghebeyt. Ich harre des Herrn, meine seele harret, Und ich hoffe auff sein wort.

Deze passage bewijst dat Luther in 1517 nog niet die vormbeheersching bezat, die later zijn groote bijbelvertaling zou kenmerken. Daar moest een tijd van zoeken en tasten aan voorafgaan.

Postille.

Luther's tweede vooroefening, de Kerkpostille, op den Wartburg in den herfst van 1521 tot stand gebracht, waarin de Schriftgedeelten direct uit het Grieksch zijn vertaald, is ook in Nederlandschen vorm bewerkt. In 1528 verscheen, zoogenaamd bij Adam Anonymus in Bazel, de ‘Postille op die Epistelen ende Evangelien van allen sondaghen ende sonderlinghen heylichdaghen des geheelen iaers’. Modern

[p. 142]

bibliografisch onderzoek heeft echter aangetoond, dat onder dezen gefingeerden naam zich de Antwerpsche uitgever Johan Hoochstraten schuil hield, die in den Hervormingstijd tal van malen de boekencensuur bij den neus heeft weten te nemen, door op zijn uitgaven behendig verzonnen buitenlandsche schijnadressen te plaatsen. Adam Anonymus, dat zal wel de Bazelsche drukker Adam Petri zijn, dacht men in de 16de eeuw, de man die immers de Postille van Luther ook in het Duitsch had bezorgd. Het zwaartepunt van de Postille ligt uiteraard in de verklaringen, maar aangezien steeds een Schriftles als uitgangspunt dient, mogen wij dit fel vervolgde boek niet onvermeld laten. De eerste pericope ziet er als volgt uit:

Rom. 13, 11-14.

Lieve broeders, want wi dan sulcs weten, als dat die ure hier is vanden slape op te staen. Aengesien onse salicheyt naerder is dan wi geloofden. Den nacht is voor gegaen, den dach is bi ghecomen. Hierom laet ons nu af werpen die wercken der duysternisse, ende aendoen die wapenen des lichts, laet ons eerbaerlic wandelen als inden dach, niet in vollerie [= brasserij] ende dronckenschap, niet in luyerdie ende oneerbaerheyt, niet in twist ende kijf, maer doet ane den here Jesum christum, ende en doet niet wat dat vleesch soect ter lust.

Het Nieuwe Testament van 1523, verschenen te Antwerpen en Amsterdam.

Luther's Nieuwe Testament was nog geen jaar in omloop, of in de Nederlanden verscheen reeds een vertaling, die bij gedeelten van de pers kwam. Te Antwerpen kwamen bij Adriaen van Berghen ‘op die Camerpoort-brugge int Gulden Missael’ den 28en Aug. 1523 de Evangeliën van de pers onder den titel van Doen Pietersoen's en Van Liesveldt's uitgaven uit het vorige jaar: ‘Die Evangelien ons heeren Iesu christi inder duytscher sprake getranslateert. Die welke sinte Matheus, sinte Marcus, sinte Lucas ende sint Ian bescreven hebben. Ende voer elck Capittel een corte bedudenisse, opdat men weten mach, hoe dat elck kerstenmensche sculdich is die Evangelien Cristi te lesen, ende die in zijn herte te dragen, boven alle ander leringhen ende scrifturen. Ende daerin vrilick ende ghetrouwelick te leven ende te sterven. Neerstelick gecorrigeert 1523.’

Het tweede gedeelte, inhoudende de Handelingen der Apostelen en de Openbaring van Johannes, volgde in October, het derde stuk, de Brieven, nog in hetzelfde jaar, maar zonder opgave van de maand van verschijning. Het eenige volledige exemplaar van dit Nieuwe Testament is aanwezig in het BritschMuseum te Londen.

[p. 143]

De prologen en kantteekeningen van Luther ontbreken geheel. Geen voorbericht van bewerker of uitgever is er, om ons de motieven van den vertaler te doen kennen. Het eenige, wat hij aan den Luthertekst zelfstandig heeft toegevoegd, zijn de ‘corte bedudenisse’ of beknopte inhoudsopgaven boven de hoofdstukken, benevens een ‘Tafel’ of register om de Epistelen en Evangeliën te vinden. De meeste Nederlandsche Luthervertalingen van den Hervormingstijd konden namelijk als pericopenbundels gebruikt worden.

Men kan niet zeggen, dat de Luthertekst slaafs of zelfs maar nauwkeurig gevolgd is. De eenigszins onafhankelijke houding van den bewerker wordt bewezen door de vele bastaardwoorden, die hij gebruikt, wanneer een woordelijke vertaling goed Dietsch had opgeleverd. Zulke woorden zijn ‘perfect, onperfectelic, sergianten, regioen, guberneren, ymagie, superscripsie, abhominacio, gracie, tribulacie’ enz. Dubbelvertalingen als ‘dede ontbieden ende bi hem comen, wan oft wayere, fame ende rumoer, ridderen ende knechten’ komen niet zelden voor. Een fragment als proeve:

Lucas 16, 1-3.

Luther. Adr. v. Berghen 1523.
Er sprach aber auch zu seinen Juͤngern: Es ware in reicher man, der hatte einen haushalter, der ward fur im beruechtiget, als hette er im seine gueter umbbracht. Und er foddert in, und sprach zu im: Wie hoere ich das von dir? thu rechnung von deinem haushalten, denn du kanst hinfurt nicht haushalter sein. Der haushalter sprach bey sich selbs: Was sol ich thun? mein Herr nimpt das ampt von mir, graben mag ich nicht, so scheme ich mich zu betteln. Mer hi sprac tot sinen iongeren. Het was een rijck man, die hadde eenen meyer, die wort voor hem gediffameert, dat hi hem zijn goet te quiste bracht, ende hi riep hem ende seyde tot hem, wat hoor ic van u, doet rekenscap van u meyerije, want ghi en sult hier na gheen meyer zijn. Die meyer dachte by hem selven. Wat sal ick doen, mijn heere neemt die officie van mi. Graven mach ick niet, ick scame mi te bidden [= bedelen].

Voorts is opmerkelijk, dat de oude Nederlandsche Vulgaatvertaling van Schutken ook in den hervormden bijbel doorwerkt, vooral in de liturgische Schriftlessen. Het feit is te merkwaardig om er achteloos aan voorbij te gaan. De Schriftgedeelten in de vele malen herdrukte Epistelen en Evangeliën (zie blz. 79) hadden zich blijkbaar zoo vastgezet in het geheugen van de lezers, ook van onzen vertaler, dat zij zich zelfs in de vertaling naar Luther handhaven. Men overtuige zich:

[p. 144]

1 Cor. 5, 6-8.

Luther. A.v. Berghen 1523. Schutken.
Ewer rhum ist nicht fein. Wisset ir nicht, das ein wenig saurteig den gantzen teig versauret? Uwe verblijdinge en is niet goet. En weet ghi niet dat een luttel suerdeesems dat geheel deech versuert? Iuwe verblidinghe en is niet goet. En weet gi niet dat een luttel deesems dat gheheel deech doet heffen?
Darumb feget den alten saurteig aus, auff das ir ein newer teig seid, gleich wie ir ungeseuert seid. Denn wir haben auch ein Osterlamb, das ist Christus, fur uns geopffert. Darumb lasset uns Ostern halten, nicht im alten saurteig, auch nicht im saurteig der bosheit und schalckheit, sondern inn dem suesteig der lauterkeit und der warheit. Daer om purgeert wt den ouden heve, op dat ghi zijt een nyeuwe deech dat versch bespreyt es, want voer onsen paeschlam is Christus gheoffert.
Ende also laet ons werscappen [= feestvieren], niet inden ouden heve, noch inden heve der quaetheit ende der boesheit, mer in puerheit ende saetheit [= rust] der waerheit.
Purgiert wt die oude heffe, op dat gi sijt een nye knedinghe, also gi puer sijt. Want toe onsen paeschen is christus gheoffert.
Ende also laet ons werscappen, niet in die oude heffe, noch in die heffe der quaetheden, ende der boesheden, mar in puerheit der luuterheit ende der waerheit.

In de derde plaats verdient het bijzondere opmerkzaamheid, dat de auteur het Mattheusevangelie gekend en gebruikt heeft. Niet alleen de titel, maar ook de ‘corte bedudenisse’ boven elk hoofdstuk is uit Pelt's werk overgenomen. Maar wat nog belangrijker is, geheele passages in Mattheus vertoonen somtijds meer overeenkomst hiermede, dan met den Luthertekst. Een vers ten bewijze:

Mattheus 21, 31.

Luther. A.v. Berghen 1523. Pelt.
Wilcher untter den zween hat des vaters willen than? sie sprachen zu yhm, der erste. Ihesus sprach zu yhm: warlich ich sage euch, die tzolner unnd hurnn werden ehe yns hymelreych komen denn yhr. Welcken van desen twee sonen heeft des vaders wille gedaen? Si hebben geseyt: die eerste. Ende Jesus sprac tot haer: Voerwaer segge ick u, dat die openbaer sondaren ende lichte vrouwen sullen u voer gaen int rijck der hemelen. Die welcke van dese twee sonen heeft den wille des vaders ghedaen? Ende si hebben gheseyt: Die eerste. Ihesus heeft tot haer geproken: Voorwaer ic segge u luyden, dat die publicanen, openbaer sondaren ende lichte vrouwen voor u luyden gaen sullen int rijcke gods.

[p. 145]

De vraag rijst, wie de vertaler is geweest van het eerste reformatorische Nieuwe Testament in de Nederlandsche taal. Heeft een ‘slechte onnozele’ of ‘onwerdige’ priester uit het Augustijnen-klooster te Antwerpen de taak verricht? De veronderstelling ligt voor de hand, maar het antwoord moet toch ontkennend luiden. De inquisitie had reeds in 1522 het convent, dat zij als broeinest van ketterij beschouwde, ontvolkt. Jacobus Praepositus en Hendrik van Zutphen hadden zich in dat jaar aan de vervolging onttrokken door de wijk te nemen naar Duitschland.

Wie dan wel de vertaler geweest is? Er zijn gegevens, die op niemand anders dan Pelt zelf duiden. Zijn voornemen, om behalve Mattheus ook de andere Evangeliën op dezelfde wijze voor ‘simpele lieden’ toegankelijk te maken, heeft hij niet ten uitvoer gelegd. Kan het nu niet zijn, dat hij, achterhaald door de bijbelvertaling van Luther, zijn oorspronkelijk plan heeft laten varen, omdat hij zijn taak beter verricht zag dan hij het zelf had kunnen doen? De Luthervertaling beantwoordde immers geheel aan wat de door en door ‘evangelische’ Pelt verlangde. Evengoed als de andere geschriften van Luther zal ook diens Nieuwe Testament wel spoedig in Amsterdam bekend geweest zijn. De Amsterdamsche burger Claes van der Elst had te Wittenberg in eigen persoon ‘die lessen van Luyter selven gehoort’ en diens leeringen in zijn vaderstad gepredikt. Er bestond dus ook directe aanraking met Wittenberg.

Men kan tegenwerpen, dat Pelt toch niet een Antwerpschen uitgever in den arm genomen zou hebben, wanneer hij een Doen Pietersoen in de nabijheid had. Nu moet men weten, dat deze uitgever nog in het jaar 1523 dezelfde vertaling heeft bezorgd als Adriaen van Berghen. De Evangeliën verschenen bij hem op 5 Dec., de Handelingen en Openbaring zijn gedateerd: 1523. Waarschijnlijk kwamen nog in hetzelfde jaar de Epistelen uit. Het eigenaardige is, dat deze laatste, in tegenstelling tot de twee andere deelen, de prologen en kantteekeningen van Luther vertoonen. De opneming hiervan was een moedige daad van den drukker. Afzonderlijk werd ook een vertaling van Luther's voorrede voor het geheele Nieuwe Testament ter perse gelegd. Naast elkaar moeten dus in Amsterdam twee Testamenten het licht gezien hebben, een met voorredenen en glossen van Luther en een zonder deze, maar begeleid door korte inhoudsopgaven boven de hoofdstukken. Dat alles kan toch niet in 1523 gebeurd zijn in de korte spanne tijds, die restte na de voltooiing van de Antwerpsche uitgave. Gevoegd bij de talrijke inwendige overeenkomsten tusschen Pelt's Mattheus-

[p. 146]

vertaling en het Antwerpsche Nieuwe Testament, geven deze constateeringen het recht in Pelt den mogelijken auteur te zien.

Hoe het zij, de tekst zooals die door Adriaen van Berghen en Doen Pietersoen in 1523 werd geleverd, is de standaardredactie geworden

illustratie
Afb. 12. - Titelblad van de Evangeliën naar Luther, in 1523 verschenen bij Doen Pietersoen te Amsterdam.

voor deze periode. Na eerst nog in 1524 door Jan van Ghelen te Antwerpen letterlijk nagedrukt te zijn, werden in latere drukken de bewoordingen meer in overeenstemming gebracht met de Lutherversie. Mengvertalingen deden eveneens eenigen invloed gelden, maar over het geheel genomen stond de tekstvorm van het Nieuwe Testament sinds 1523 vast.

[p. 147]

Hoewel de uitgave van Adriaen van Berghen vele herinneringen bevatte aan de oude Vulgaatvertaling, was de afwijking van den ouden tekst sommigen te groot. Ten behoeve van dezen bezorgde Adriaen van Berghen in den zomer van 1524 een tweede uitgave, nu met korter titel: ‘Dat nyeuwe Testament. Anderwerf met grooter neersticheyt gecorrigeert.’ In een proloog spreekt de ‘printer’ er zijn blijdschap over uit, dat de Schrift weer tot zijn oude ‘zuiverheid’ is teruggebracht door de overzetting uit het Grieksch. Daarom biedt hij zijn lezers een Nieuw Testament, dat niet, zooals het oude, ‘scandelic qualic overgeset’ is, maar ijverig gecorrigeerd naar de uitgaven van geleerde mannen. Omdat echter sommigen geen andere vertaling willen lezen dan de oude, heeft hij de varianten hieruit op den kant geplaatst. Hij hoopt dat de ‘simpele menschen’, door hierin te lezen, zullen opwassen in de liefde voor God en den naaste, waarin de geheele wet en de Profeten begrepen zijn.

De tekst van dezen herdruk verschilt weinig met dien van het vorig jaar. Het handhaven bijvoorbeeld van ‘allene doer 't gelove’ in Rom. 3, 28 zegt genoeg omtrent het hervormde karakter van dezen druk. De toenadering tot den ouden tekst blijft alleen beperkt tot de kantteekeningen, die varianten bevatten welke òf ontleend zijn aan een onbekende vertaling òf speciaal voor deze uitgave bewerkt zijn. Meermalen staat er ‘Eras.’ bij als aanduiding van een Erasmuslezing. Dat Erasmus in de oogen van den bewerker dezer uitgave een autoriteit was, wordt bewezen door ‘Een corte Epistole verweckende eenen yegelijcken om neerstelic te overlesen ende te beleven dat heylich Evangelie Iesu Christi’. Deze ‘Vermaninge’, die een kort uittreksel bevat uit Erasmus' proloog voor het Nieuwe Testament, is in tal van Nederlandsche Nieuwe Testamenten van die jaren opgenomen.

Het Keulsche Nieuwe Testament van 1525.

De strijd om den leekenbijbel kwam langzamerhand in een acuut stadium. Elke nieuwe bijbeluitgave in de landstaal veroorzaakte een bres in den muur van het kerkelijk vooroordeel. Het vraagstuk van het ‘bijbelverbod’ stond meer dan ooit in het middelpunt der belangstelling, nu de overheid in overleg met de Leuvensche hoogleeraren de verbreiding van ‘kettersche’ uitgaven krachtdadig wilde tegengaan. Geen wonder, dat aan sommige uitgaven van het Nieuwe Testament een krachtig pleidooi voor het geoorloofde van de editie wordt toegevoegd. Een dubbelen proloog van dien aard treft men aan in ‘Dat niwe testament ons heeren Iesu Christi met alder neersticheyt

[p. 148]

oversien ende verduijtst’, in 1525 bezorgd door Hiero Fuchs te Keulen. De eerste, getiteld ‘Een vermaninghe offt onderwijsinghe om allen Christen menschen met grooter neersticheyt dat Evangelium te lesen’ staat voor de Evangeliën, de andere, een niet minder uitvoerige ‘vermaenbrief’ voor de Brieven van Paulus. De inhoud komt, voor zoover hij betrekking heeft op de onderhavige kwestie, in het kort neer op het volgende.

Omdat Jezus Christus, die immers alleen ‘die salicheyt, waerachticheyt ende dat leven’ is, wil dat men zijn Evangelie onvermengd aan de geheele wereld zal prediken, zijn de Evangeliën wederom zeer nauwkeurig gedrukt, ‘opdat die simpel lieden Iesu Christi seker moegen sijn van die Evangelische waerheyt’. Deze bijbelverspreiding geschiedt thans in verschillende Europeesche landen en talen. Zoowel volwassenen als jonge menschen behooren het heilig Evangelie te lezen en te kennen, opdat zij alle menschelijke inzettingen, die toch niet zalig kunnen maken, overboord zullen werpen en alleen zich zullen houden aan het Woord van God. Leeringen van menschen zijn namelijk waardeloos, tenzij ze geworteld zijn in de Schrift.

Er is misschien iemand, zegt de schrijver verder, die den eenvoudigen lieden den zoeten smaak van het Evangelie wil onthouden en het beter oordeelt de Evangeliën te laten lezen, zooals ze vroeger vertaald waren, met allerlei weglatingen en toevoegselen in den tekst en met verschillende exegetische glossen. Deze uitleggingen zijn echter niet ingegeven door den Heiligen Geest. Bovendien is er groot gevaar, dat men dan de uitlegging van menschen zou gaan vermengen met het Woord Gods. Daarom is het roekeloos en onverantwoordelijk, het Woord Gods te vertalen met onnoodigen omhaal van woorden en vooral er iets aan toe of af te doen.

Een ander bezwaar, dat men tegen het bekend maken van de Evangeliën onder ‘simpel lieden’ heeft, is, dat er vele ‘zware en duistere’ dingen in staan, welke moeilijk door eenvoudigen te bevatten zijn. Velen roepen tegenwoordig van den kansel dat de Evangeliën een oorzaak van dwaling zullen worden. Maar zijn er dan niet verschillende teksten in de Schrift, waar ook de geleerden niet bij kunnen? Trouwens, de geschiedenis leert dat geleerden altijd veel eer in dwaling vervallen dan ‘die simpel gemeinte’. De geheimenissen van het Evangelie zullen eer aan eenvoudigen en kleine kinderen dan aan wijzen en verstandigen geopenbaard worden.

Elke geestelijke orde kent een voorschrift, dat degenen, die geen Latijn kennen, hun kloosterregel in de moedertaal steeds bij zich moeten

[p. 149]

hebben en dien uit het hoofd moeten kennen. In de kapittelvergaderingen behoort men hem van tijd tot tijd uit te leggen. Is het dan niet een veel gebiedender eisch, dat de eenvoudige Christenen den eenigen regel dien zij noodig hebben om zalig te worden, namelijk het Woord Gods, bezitten en kennen? De Heilige Schrift is het testament, dat is de laatste wil van Christus. Wie zou nu den kinderen mogen verbieden den laatsten wil van hun aardschen vader te bezitten, te zien of te lezen? Dagelijks moet men in de kapittelvergaderingen van Jezus Christus - en daaronder verstaat de schrijver bijeenkomsten, waarin zoowel ongeletterden als geleerden samenkomen - het ‘hoochweerdich’ Woord Gods hooren en eer bewijzen. Onze genadige keizer, de goedertieren vorst, goedertieren niet alleen van hart, maar ook metterdaad, de vorst aan wien God zooveel kostelijke en voortreffelijke landen heeft toevertrouwd, wil dat het Woord Gods in al zijn landen zuiver en onvermengd gepredikt worde. Mocht dit door de geheele wereld geschieden. Daarom behooren ook alle bisschoppen, pastoors, vicarissen, doctoren en predikers het gewone volk te vermanen om het heilig Evangelie te lezen en in het hart te overdenken.

De grondtoon van deze goed geschreven apologie is reformatorisch maar met Erasmiaansche bijgeluiden. De beklemtoning van het geloof dat door de liefde werkt, het opkomen voor de geestelijke belangen van de ‘simpel lieden’, het universalistische en kosmopolitische van het bijbelsch Christendom, dat hier gepredikt wordt, brengt de verdediging van Erasmus te binnen. Een reformatorische, maar tevens bijbelsch-humanistische geest blijkt ook uit de centrale plaats, die de schrijver aan de bediening van het ‘hoochweerdich’ Woord Gods, blijkbaar een zinspeling op het hoogwaardig altaarsacrament, in de vergadering der geloovigen toegekend wil zien.

De bijbeltekst loopt hiermede geheel parallel. De reeds bestaande vertaling van Luther's Nieuwe Testament is gewoon herdrukt, hier en daar met verwijdering van oude Vulgaatlezingen. Het aantal glossen is beperkt tot een minimum. Teekenend is, dat het grootendeels vertaalde varianten uit Erasmus' Novum Testamentum zijn. De bewerker schijnt ze bij voorkeur dan op te nemen, wanneer Luther naar zijn smaak te vrij had vertaald. Bij voorbeeld, naast Luther's vrije weergave van Matth. 13, 57: ‘Een propheet en is nergent weyniger gheacht dan in sijn lant’ staat letterlijker: ‘Gheenen propheet en is sonder eere dan in sijn lant.’ Soms laat hij de variant voorafgaan door ‘Eras.’, bijv. 1 Cor. 4, 10: ‘ghi edel, ende wi onedel’ en op den rand: ‘Eras. ghy syt heerlick, maer wi veracht.’

[p. 150]

Dit Keulsche Nieuwe Testament is het eerste, dat achterin de Oudtestamentische kerkelijke ‘Epistelen’ opnam, en wel in de tekst redactie van de gedrukte Middeleeuwsche Epistelen en Evangeliën. Ze worden op het titelblad als volgt aangekondigd: ‘Noch salmen hierachter in desen boeck finden sommighe epistolen, genomen wt den ouden testamente, die menn in der missen leest, nu nieuwelick dar by gheset.’ Dit voorbeeld zou in tal van andere Nieuwe-Testament-uitgaven gevolgd worden, die daardoor tegelijk een complete pericopenbundel vormen.

Het is niet bekend, wie dit Nieuwe Testament bezorgd en van prologen voorzien heeft. Blijkens het dialect moet het een Brabander of Vlaming geweest zijn. Was hij een dergenen, die reeds met de Kerk hadden gebroken en één veilige wijkplaats hadden gevonden in de Rijnstreek? Naar onze meening niet. Zijn beroep op den keizer is wel echt gemeend en niet op een lijn te stellen met de bekende fictie in het Wilhelmus. Zijn stilzwijgende erkenning van het bestaan der kloosterorden en het feit, dat hij lezers onderstelt die de mis bijwonen, wekt het vermoeden, dat hij behoorde tot de vele Nederlanders die doordrenkt waren met reformatorische en Erasmiaansche ideeën, hoewel ze uiterlijk nog Roomsch-Katholiek waren.

Uitgaven met prologen en glossen van Luther.

In 1523 had Doen Pietersoen te Amsterdam al het voorbeeld gegeven van een uitgave met alle prologen en kantteekeningen van Luther, met weglating van enkele kleine gedeelten die de ergernis van ketterjagers konden opwekken. In 1525 is dit voorbeeld gevolgd door drie Antwerpsche drukkers, wier durf toenam, naarmate de vraag naar bijbellectuur grooter werd. Dat drietal bestond uit Adriaen van Berghen, Christoffel van Ruremunde en zijn broeder Hans van Ruremunde, die het laatste hoofdstuk van zijn uitgave tooide met een copie van de mooie houtsneden, welke Holbein had vervaardigd voor een Bazelschen druk van 1523. De vrijwel eensluidende titel, overgenomen van de Nederlandsche vertaling van Erasmus' Nieuwe Testament (zie blz. 170), klinkt erg onschuldig: ‘Dat nieuwe Testament: dat heylich Evangelium, dat levende woort gods wtghesproken doer onsen salichmaker Iesum Christum, bescreven doer ingeven des heyligen geests vanden heyligen Apostelen ende Evangelisten ende voort die gheschiedenissen ende openbaringen des gehelen nyeuwen Testaments.’ Slaat men echter zoo'n Nieuw Testament op, dan ontmoet men kantteekeningen als bij Matth. 5, 13 (het zout dat smakeloos

[p. 151]

wordt): ‘als die leeraers ophouden gods woort te leeren’, bij Matth. 7, 6 (Geeft het heilige den honden niet): ‘Dat heylichdom is gods woort, waer doer alle dinck gheheylickt wort’, de honden ‘sijn die dat woort gods vervolghen’.

Het zijn zonder twijfel de edities met zulke kantteekeningen geweest, waarmee de stoutmoedige drukkers zich groote moeilijkheden op den hals gehaald hebben. In 1526 vaardigde Karel V te Mechelen een plakkaat uit tegen kettersche boeken en vermeldde hierin speciaal: ‘alle Evangelien, Epistelen, Prophetien ende andere boucken vanden H. Schriftueren in Duytsch, Vlaemsch of Walsch, gheappostilleirt, ghegloseirt of hebbende prefacien of prologue, inhoudende dolinghen of doctrinen vanden voors. Luther ende zijne adherenten.’ In 1529 werden de bepalingen van dit plakkaat in scherper vorm herhaald en aangevuld. Met name werden nu de Nieuwe Testamenten van Adriaen van Berghen, Christoffel van Remunde en Johannes Zell (verschrijving van Jan van Ghelen) genoemd.

Adriaen van Berghen had reeds in 1522 op de kaak moeten staan ‘van synen mesdaden ende Luteryen’. Dat benam hem niet den lust om de nieuwe leer krachtig te steunen door een reeks uitgaven van het Nieuwe Testament in 1523, 1524, 1525 en 1531. Nadat hij in 1535 gevangen genomen was wegens den verkoop van verboden boeken, werd hij het volgend jaar uit de stad verbannen. Hij vluchtte naar Holland, waar hij in verscheidene steden als boekverkooper in zijn onderhoud voorzag, terwijl intusschen zijn drukkerij te Antwerpen werkzaam bleef in dienst der Hervorming, o.a. door een vijfden druk van het Nieuwe Testament in 1541. In 1542 werd hij door het Hof van Holland wegens den verkoop van kettersche boeken ter dood veroordeeld en in Den Haag onthalsd.

De levensloop van Christoffel van Ruremunde is niet minder bewogen geweest. Behalve de Nederlandsche overzetting drukte hij ook de kettersche Engelsche vertaling van het Nieuwe Testament door William Tyndale. In eigen persoon stak hij naar Engeland over om ze in Londen te verkoopen, maar werd om die reden te Westminster in de gevangenis geworpen, waar hij ook gestorven is.

Hans van Ruremunde werd in 1526 onder beschuldiging van het drukken van verboden bijbeluitgaven veroordeeld tot een pelgrimstocht ‘ten heyligen Bloede te Wilsenaken’ in Pruisen. Evenals zijn broeder geraakte hij in 1528 te Londen in gevangenschap ter zake van den verkoop van Tyndale's Nieuwe Testament, dat Christoffel in 1526 bezorgd had, maar werd naderhand weer op vrije voeten gesteld.

[p. 152]

Het Deventer Nieuwe Testament van 1525.

Te midden van den stroom vertalingen uit de beginperiode der Hervorming wordt een eenigszins geïsoleerde positie ingenomen door het merkwaardige ‘Bazelsche’ Nieuwe Testament van 1525, waarvan de uitwendige geschiedenis niet minder belangwekkend is dan de inwendige. Beide staan trouwens met elkaar in het nauwste verband. De volledige titel ziet er als volgt uit: ‘Dat Gants Nyewe Testament, recht grondelick verduytschet. Met seer geleerden ende richtigen voerreden ende der swaerster plaetsen korte mer goede verklaring. Met een Kalengier ende Register-Esaie. XL. Dat woert Gods blijft in ewicheyt. M.D.XXV.’ Het colophon behelst deze woorden: ‘Hier eyndet dat gantse nyeuwe Testament. Geprent na die beste ende correcste Boecken, welcke ghemaeckt sijn tot Basel. Volbrocht den XXVI. dach Octobris. Int iaer M.D.XXV.’

Gelijk men ziet, ontbreekt naam en adres van den drukker. Hoe is men er dan toe gekomen dit Nieuwe Testament in Bazel te localiseeren? Het boekje is gedrukt in een ‘Oostersche of Hoogduytsche letter’. Daardoor heeft Le Long zich laten verleiden tot de onderstelling, dat het wel afkomstig zou zijn van den uitgever Adam Petri van Langendorff, dien hij ten onrechte identificeerde met Adam Anonymus (zie blz. 141). Waarschijnlijk hebben de woorden in het colophon ‘Geprent na die beste ende correcste Boecken, welcke ghemaeckt sijn tot Basel’ Le Long in dat vermoeden gesterkt. Wat voor hem nog slechts een gissing was, werd in de oogen van de Hoop Scheffer zekerheid. Volgens hem zou een uitgeweken Noord-Nederlander, den druk te Bazel bewerkt hebben. De bibliografische speurzin van den heer W. Nijhoff en mej. M.E. Kronenberg heeft echter zonneklaar aan het licht gebracht dat niet een Bazelsche, maar een Deventer drukker, en wel Albert Pafraet, de bekende uitgever van Latijnsche schoollectuur, den moed heeft gehad dit bandje te verspreiden. Deze ontdekking heeft den bijbelonderzoeker een schrede nader gebracht tot de oplossing van enkele vraagstukken, welke deze uitgave aan de orde stelt.

De bewerker leidt de vertaling in met een korte voorrede, die wegens haar belangrijkheid hier een plaats moge vinden.

Tot den Christelicken leser.

Doer begheerte, raet ende hulp sommiger Christen menschen, die hier in niet hoer eygen prijs ofte profijt, mer alleen gods eer ende aller menschen salicheyt hertelick soeken ende begheren, is dit nyewe Testament met groten arbeyt ende
[p. 153]


illustratie
Afb. 13, - Titelblad van het (‘Bazelsche’) Nieuwe Testament naar Luther, in 1525 verschenen bij Albert Pafraet te Deventer.



illustratie
Afb. 14. - Bladzijde van het Deventer Nieuwe Testament van 1525, met een gedeelte van Luther's proloog op de Brieven van Jacobus en Judas.

[p. 154]
nersticheyt overgeset in nederlands duytsch, wt die beste, volmaecste ende leste exemplaren, die in overlant [= Duitschland] so menichvoldelick geprent syn. Ende want [= omdat] die overlantsche spraeck rechter, rycksinniger ende fyner is in woerden, so hebben wy haer in sommige lichte woertkens ende sproecken een weynich na ghevolgt ende ons met haer vergelijckt, so veel een yegelick wel mach verstaen. Want onze meyning niet was, heel Hollants ofte Brabants, mer tusschen beyden, opt kortste ende reynste, na onsen vermogen een gemeyn spraeck te volgen, die men all nederlant doer lichtelick solde mogen lesen ende verstaen. Ende hier in hebben wy gebruickt raet ende hulp veel wyser geleerder mannen, die dese oversettinge gelesen, ondersocht ende gepresen hebben. Ende ghy sult al hier in vynden wat in testamenten gesocht of begeert mach werden. Aldus hoep ick, sullen alle goede herten niet verachten onsen arbeyt, in welcken wy nerstelick Gods eer, ende aller christen menschen verbeteringe ende salicheyt trouwelick gesocht hebben. Ende die hier mede niet te vreden wil wesen, die sal weten, datmen een werck alle man niet te pas kan maecken, ende dattet veel lichter is ander lude arbeyt ende werck te ordelen of te verachten dan na te volgen of te verbeteren. Die geest ons heeren Iesu Christi wil ons allen verlichten tot rechte kennisse syner genaden ende syner godlycken woerden. Amen.
Anno M.D.XXV. den .XXVI. dach Octobris.

De aanhef vestigt den indruk, dat de schrijver niet heeft willen volstaan met een nadruk van de reeds bestaande Nederlandsche vertaling van het Septembertestament, maar dat hij een geheel nieuwe bewerking tot stand heeft gebracht. Dat dit inderdaad het geval is, bewijst het volgende fragment, waarvan men de eerste vertaling terugvindt op blz. 144.

1 Cor. 5, 7-8.

Daer om veecht den olden suerdeech wt, op dat ghy een nyewe deech sijt, gelijck als ghy ongesuert syt. Want wij hebben oeck een paeschlam dat is Christus voer ons geoffert. Daer om, laet ons Paeschen holden niet in den olden suerdeech, oeck niet in den suerdeech der boesheyt ende argheyt, mer in den sueten deech der puerheyt ende der waerheyt.

De vertaler blijkt den Luthertekst op den voet te volgen zonder in slaafsch copieeren te vervallen. Daarvoor behoedt hem zijn fijne smaak. Voorts neemt hij trouw alle kantteekeningen en concordeerende Schriftplaatsen over, die Luther op den rand had geplaatst, benevens al diens prologen met inbegrip van de ‘gevaarlijke’ passages, welke Doen Pietersoen in 1523 en de Antwerpsche uitgevers in 1525 veiligheidshalve hadden weggelaten. Zoo staat hier in extenso Luther's vrij oordeel over het vraagpunt dat hij zelf aan de orde stelt: ‘Welcke die Rechte ende Edelste Boeken des Nyewen Testaments syn’ en het slot van zijn inleiding tot den Brief aan de Romeinen dat aldus

[p. 155]

vertaald wordt: ‘Dat leste capitel is een Capitel der gruetinghe, mer daer onder mengt hy een seer edel waerschuwinge voer menschenleeringe, die neven der Evangelischer leeren invallen ende argernisse oprichten, recht al had hy sekerlick gesien, dat wt Romen ende doer die Romeynen komen solden die verleyende argerlicke Canones ende Decretales, ende dat gans geswerm, ende gewormt menschelycker insettinge ende geboden, die nu all die werelt verdrencken, ende dese Epistel, ende alle heylighe scriften, met den geest ende gheloeve verdorven hebben, dat daer niet meer bleven is, dan die Afgod, die Buyck, welks dienars hoer hier Sant Pauwel schelt: God verlos ons van hoer Amen’.

Naast de gedurfde handhaving van den geheelen Luther-tekst zet in het bijzonder de gebezigde taal aan deze uitgave groot belang bij. De mededeelingen hieromtrent in het woord tot den Christelijken lezer hebben betrekking op een aangelegenheid, die niet pas door den Statenbijbel aan de orde gesteld is. De schrijver beseft den nauwen samenhang tusschen bijbelverspreiding en taaleenheid. De nationale beteekenis van de reformatorische bijbelvertaling is voor een groot deel gelegen in een min of meer bewust streven naar eenheid van taal en volk. De propagandistische Hervormers en de boekdrukkunst hadden een gemeenschappelijk belang: beide moesten zoo veel mogelijk menschen bereiken. Daarvoor hadden zij een algemeene taal noodig, een koinè die in alle gewesten kon worden verstaan. Aangezien zulk een inter-gewestelijke voertaal ten onzent in het begin van de zestiende eeuw nog niet bestond, zag men zich genoodzaakt gebruik te maken van die streektalen, welke het meest algemeen werden verstaan. In het westelijk en zuidelijk gedeelte der Nederlanden was dat het Hollandsch-Brabantsch, dat voorbestemd was om de hoofdbestand-deelen van de latere taaleenheid te leveren. Alleen, men kon dat toen nog niet weten, omdat in het oostelijk deel der Nederlanden toen een taal voor schriftelijk gebruik gebezigd werd, die zich daar een niet minder algemeen gezag verwierf. Dit ‘Oostersch’ of ‘Overlandtsch’ was de taal van oorkonden, kronieken, brieven en scheen weggelegd om binnen afzienbaren tijd een algemeene taal te worden. In deze taal nu, staand tusschen het Hollandsch en Nederduitsch, was nog geen bijbeluitgave verschenen.

Een dergelijke gezaghebbende taal wordt gevoed vanuit een cultureele kern. Welnu, die uitstralingshaard van ‘Overland’ en van het ‘Overlandsch’ was Deventer, zooals Antwerpen een tijdlang ‘Nederland’ en het ‘Nederlandsch’ heeft beheerscht. Deventer stond, als

[p. 156]

knooppunt van handelsverkeer, in nauw contact met Westfalen en de Rijnstreek eenerzijds en Holland en Brabant anderzijds. Middelpunt van geestelijk leven was het reeds voordien, getuige de beroemde fraterschool, die leerlingen uit alle Nederlanden en West-Duitschland tot zich trok. De dagen van rector Alexander Hegius († 1497), toen de school, op het toppunt van haar bloei, 2200 leerlingen telde, lagen nog niet zoo ver terug. Evenals te Antwerpen vond ook in dit centrum van handel en cultuur de Hervorming een vruchtbaren voedingsbodem. Deventer lag open voor godsdienstige stroomingen uit het Oosten. Luther vond hier al vroeg menigen aanhanger. Johannes Oostendorp, de kanunnik van het Lebuini-kapittel, vereenigde sinds 1520 een kring van hervormingsgezinde vrienden en geestverwanten om zich. Daartoe behoorden vele rondzwervende predikers en mannen, die om den geloove hun haardsteden hadden moeten verlaten. Vanuit Deventer is door Ieman Ortzen het noordelijk deel van het Rijnland, vooral Wezel met omgeving, bekend geworden met de nieuwe leer. Er was zelfs een levendig verkeer tusschen Deventer en Wittenberg. Meermalen gebeurde het, dat bekende Nederlanders op hun doorreis naar Luther Deventer aandeden, bijvoorbeeld in 1525 de reformatorische humanist Gerardus Geldenhauer. De Hervorming vond aanhang niet alleen, zooals vanzelf sprak, onder de kleine groep vluchtelingen, samengesteld uit Neder- en Overlanders van allerlei slag, maar ook onder de leeraren en leerlingen van de Lebuinus-school.

Is het nu te verwonderen, dat juist in deze omgeving de bewerker van dit Nieuwe Testament op het denkbeeld kon komen om zijn werk te schrijven in een ‘gemeyn spraeck’, die men zoowel in heel Nederland als in heel Overland kon verstaan? De vertaling van het jaar 1523 kon in het IJselgebied, Westfalen en Rijnland moeilijk dienst doen. Alleen door kunstmatig een eenheidstaal te scheppen, deels uit Hollandsche en Brabantsche, deels uit Overlandsche bestanddeelen, meende de auteur het beoogde doel: de verbreiding van den bijbel op zoo groot mogelijke schaal, te benaderen.

Er moet dus in Deventer in 1525 iemand geweest zijn, die door zijn vertaling van het Nieuwe Testament, wilde aansturen op taaleenheid. Welke man uit den kring van Johannes Oostendorp, want daar zal hij wel te zoeken zijn, komt daarvoor in aanmerking? Nu heeft men veel gegist naar den bewerker van de Luther vertaling uit 1523. Als uitgangspunt diende steeds een overlevering, welke in gedrukten vorm terugreikt tot 1611, toen Henricus Antonides Nerdenus (of Van der Linde) in zijn boek ‘Systema theologicum’ als eerste Hervormers

[p. 157]

noemde den Haagschen advocaat Hoen, den Haagschen rector Gnapheus en den Utrechtschen rector Rode. Daarop volgt een opsomming van reformatorische geschriften, waaronder ook een vertaling van het Nieuwe en Oude Testament. Van één boekje weet hij met zekerheid Gnapheus als den auteur aan te wijzen.

Knoopen we bij deze oude overlevering aan en bedenken we daarbij, dat Van der Linde als zoon van een hervormingsgezinden Naardenschen rector uitstekend ingelicht moet zijn, dan wordt onze aandacht getrokken door een treffende overeenkomst tusschen zijn mededeelingen en wat we weten van Hinne Rode. Evenals zoovele schoolrectoren was deze leider van de Utrechtsche Hieronymus-school overtuigd ‘evangelisch’ geworden. Met groote geestdrift had hij de nieuwe leer verbreid onder zijn leerlingen, onder wie Jan de Bakker, die later als pastoor te Woerden de eerste martelaar van de Noordelijke Nederlanden zou worden. In 1522 ‘propter Lutherum’ dat is wegens kettersche gevoelens, afgezet, heeft Rode nadien met anderen op visitatiereizen aan heel Holland en Friesland de zuivere kennis van het Evangelie gebracht. Een overtuigd leerstellig partijganger van Luther is Rode, ondanks zijn aanvankelijke waardeering voor diens persoon, nooit geworden. In zake de belangrijke kwestie van het Avondmaal deelde hij namelijk de meening van zijn vriend Cornelis Hoen, die in een brief over het Avondmaal zich had uitgesproken voor een geestelijke opvatting van het sacrament. Rode heeft zelfs eenige reizen naar Duitschhland ondernomen om Luther tot de Hollandsche zienswijze over te halen. Vergeefs echter. Meer succes had Rode bij de Zwitsersche Hervormers, mannen als Zwingli en Bullinger, zoo zeer zelfs dat men de Zwitsersche opvatting van de Avondmaalsleer van Hollandschen oorsprong mag heeten. Na een tijdlang in Bazel vertoefd te hebben, reisde Rode in den winter van 1524 op 1525 via Straatsburg naar Deventer, waar hij opgenomen werd in bovengenoemden kring van vrienden der Hervorming. Wanneer we ons nu herinneren, dat het Deventer Testament bewerkt is ‘nae die beste ende correcste Boecken welcke ghemaeckt sijn tot Basel’, dan dringt zich als vanzelf de onderstelling op, dat Rode de auteur is, dien wij zoeken. Man van wetenschap als Rode was, zal hij wel niet verzuimd hebben zich tijdens zijn verblijf te Bazel de nauwkeurigste en beste uitgaven van Luther's Nieuwe Testament aan te schaffen. Als rondzwervend geloofsprediker, als propagandist van de ‘evangelische’ leer in verschillende Nederlandsche gewesten en nu weer als lid van den bonten vriendenkring te Deventer, moet hij, meer dan wie ook, de behoefte gevoeld hebben aan een ‘gemeyn

[p. 158]

spraeck’. Daar hij zelf de ‘Overlantsche spraeck’ niet beheerschte, gebruikte hij ook hierin ‘raet ende hulp veel wijser geleerder mannen’, met wie hij waarschijnlijk zijn Deventer geestverwanten op het oog heeft. Het geheele voorwoord is trouwens, naar den stijl te oordeelen, geschreven door een ontwikkeld, doelbewust man. Van fijn taalgevoel getuigt zijn opmerking dat het Overlandsch, waaronder hij ook het Hoogduitsch verstaat, ‘rijker’ en ‘fijnzinniger’ is dan het Nederlandsch. Hij wist namelijk zeer goed, dat die taal over een rijker fonds van uitdrukkingsmogelijkheden en beteekenisnuanceeringen beschikte dan zijn eigen ‘spraeck’ en meende daarom gerechtigd te zijn er het een en ander aan te ontleenen.

Maar is het wel erg waarschijnlijk, zoo kan men zich afvragen, dat Hinne Rode, terwijl hij in zijn Avondmaalsopvatting van Luther afweek, diens Nieuw Testament zoo trouw zou weergeven? Het bezwaar is, dunkt ons, niet gegrond. Al heeft het conflict met Luther later een scherper vorm aangenomen, zoo was in 1525 de kloof nog niet zoo breed, dat Rode Luther's vertaling den rug zou toegewend hebben. Trouwens, dat hebben in de zestiende eeuw zelfs de Gereformeerden niet gedaan, blijkens den Emder Deux-aes-bijbel van 1562, welke in het Oude Testament zich nòg nauwer bij Luther aansloot dan Liesveldt had gedaan. Men is, ondanks alle meeningsverschil Luther altijd blijven waardeerem als den man, die het volk den bijbel had teruggegeven. En bovendien, wanneer een ‘evangelisch’-gezinde in korten tijd opnieuw een bijbelbewerking tot stand wilde brengen, was hij wel aangewezen op den Luther-tekst.

Het Deventer Nieuwe Testament heeft aanvankelijk eenigen opgang gemaakt. Nog in den herfst van 1525 nam de Raad van Kampen een besluit tegen de bezitters en drukkers van kettersche boeken, in het bijzonder van ‘Die Duytsche theologie’ en ‘het Nye Testament, nyes [= onlangs] gedruckt mitter gloesen’, met welk laatste boek ongetwijfeld het onderhavige werk bedoeld is. Behalve in het IJselgebied vond het gereeden aftrek in de Rijnstreek. De eerste martelaar hier, Adolf Clarenbach, oud con-rector te Wezel, gaf in 1528 tijdens zijn verhoor in Keulen toe, dat hij menigmaal het Nieuwe Testament, te Deventer en Holland gedrukt, aan geestverwanten had toegezonden. De omgangstaal van Wezel stond in dien tijd meer onder westelijken invloed. Kenmerkend is, dat Clarenbach weigerde zich op Luther te beroepen, maar alleen het gezag van de Schrift wilde aanvaarden.

Heeft de bewerker succes gehad met zijn poging om langs kunst-

[p. 159]

matigen weg een algemeene taal te maken? Hij had er voor gezorgd, zijn beginselen niet al te ver door te drijven. De grondslag van de taal zooals hij die gaarne in gebruik zag nemen, is de Hollandsch-Brabantsche taal voor schriftelijk gebruik, vermengd met eenige Overijselsche, resp. Overlandsche bestanddeelen. Het afdoend antwoord op de gestelde vraag wordt gegeven door de taalvormen van de nadrukken, welke in 1526 verschenen bij Jan van Ghelen te Antwerpen en bij Doen Pietersoen te Amsterdam en in 1532 bij Alijt, weduwe van Dirk van Borne te Deventer. In deze edities zijn niet alleen de gevaarlijke prologen en glossen weggelaten, maar is ook de taal aangepast aan de gangbare schrijftaalnorm, voor zoover daarvan sprake was. Het specifieke ‘meng’-karakter is er aan ontnomen. De tijden waren nog niet rijp voor een eenheidstaal ten behoeve van alle Nederlanders, ook van de oostelijke gewesten. Een kunstmatig gevormde eenheidstaal bezit nu eenmaal geen levensvatbaarheid, omdat een groeiende taaleenheid geworteld moet zijn in den bodem van een taalwerkelijkheid. Het streven van Hinne Rode, ingegeven door vurigen reformatorischen ijver, blijft er niet minder belangwekkend om. Het was de uiting van een sterker wordend besef, dat de bijbel nationaal eigendom behoort te zijn. Het leert tevens in welke richting een ontwikkeld man in dien tijd de taal zag bewegen. Eenigszins ongeduldig geworden door den tragen gang van het ontwikkelingsproces wilde hij, in reformatorische voortvarendheid, eenige fasen daarvan overslaan envooruitloopen op een toekomst, die eerst ruim een eeuw later in den Statenbijbel zou brengen, wat hij zoo vurig verlangde.

Het is aan de inquisitie verborgen gebleven, dat Albert Pafraet de drukker van het ‘Bazelsche’ Nieuwe Testament is geweest. Verdenking zal zij tegen hem niet gekoesterd hebben, want kort daarvoor, eind 1523 of begin 1524, had hij een fel anti-Luthersch geschrift bezorgd, ‘Van de verveerlicke aenstaende tijt Ende christes [= van den Antichrist] ende van Ende christes voirlopers’. Een Franciscaan had dit boekje vervaardigd op bevel van den fanatiek-Roomsch-Katholieken hertog van Gelderland, Karel van Egmond, ter bestrijding van Luther en zijn volgelingen. Maar toen Pafraet in 1539 en 1542 weer verboden boeken had gedrukt, namelijk enkele geschriften van den Wederdooper David Jorisz, is hij den dans niet ontsprongen. Hoewel uit de stad gevlucht, werd hij later, in 1544, toch opgepikt. Tijdens zijn verhoor voor het Hof van Gelderland beweerde hij ‘noyt voer off nae onbekende boecxkens’ gedrukt te hebben, een uitvlucht die men meer aantreft in de gedeeltelijke bekentenissen van drukkers

[p. 160]

van kettersche lectuur. Hij kwam er nog genadig af, want voor straf moest hij in Arnhem blootshoofds, in een linnen kleed en met een brandende waskaars in zijn handen voor de processie uitgaan, daarna in de kerk voor het Heilig Sacrament knielen, de kaars daarvoor plaatsen en dan teruggaan naar de gevangenis, welke hij eerst na betaling van de verblijfkosten zou mogen verlaten.

Luther's Oud Testament in 1525 vertaald.

De vele uitgaven van het Nieuwe Testament maakten velen verlangend naar de verschijning van de overige boeken des bijbels in nieuwe gedaante. De Delftsche ‘bijbel’ van 1477 en de verschillende gedrukte Souters bevredigden de lezers niet meer, waren wellicht niet meer verkrijgbaar. Het was echter onmogelijk om het Oude Testament evenals het Nieuwe uit de Duitsche vertaling van Luther over te zetten, omdat deze, zooals we reeds weten, langen tijd noodig heeft gehad voor de voltooiing van zijn werk. Men kon evenwel in de Nederlanden niet wachten tot hij gereed gekomen was. Zoo komt het dat in 1525 te Antwerpen een volledig Oud Testament van de pers is gekomen, hetwelk deels den Luther-bijbel volgt, naarmate deze gevorderd was, en deels berust op den Delftschen bijbel van 1477. De uitgever van dezen ‘Bibel int duitsche’ was Hans van Ruremunde [= Roermond], of zooals hij zich hier aan de koopers voorstelt: ‘Hans van Roemundt, int huys van Wachtendonck op die Lombaerde veste’, ons reeds bekend als drukker van een Nieuw Testament (zie blz. 150). In opdracht van zijn stadgenoot, den boekverkooper Peter Kaetz, drukte hij dien ‘Bibel’ in vier zeer kleine sedecimodeeltjes. Hij begon met het laatste gedeelte van het Oude Testament, de Profeten (4 Febr. 1525), daarop liet hij 1 Chron. tot en met Ecclesiasticus volgen (31 Maart 1525), daarna het tweede stuk, Jozua tot en met Psalmen (z.j. of datum) en ten slotte het eerste, den Pentateuch (18 Mei 1525). Alleen de twee laatstgenoemde deeltjes, inhoudend Genesis tot en met Psalmen, zijn uit het Duitsch overgezet. De eigenaardige volgorde laat zich hieruit verklaren, dat de bewerker; zich de kans niet wilde benemen om een inmiddels verschijnend volgdeel van de Luther-vertaling alsnog eveneens uit het Duitsch in het Nederlandsch over te brengen.

De uitgave wordt ingeleid door een ‘Saluyt aen allen kerstenmenschen, die daer sorchfuldich sijn om te ontfangen dat broot der zielen, dat is dat verstant der heyligher scrifturen’. Het opschrift van

[p. 161]

den proloog bewijst, dat deze uitgave is ondernomen ten behoeve van alle Christenen, of volgens het colophon van het eerste deel voor ‘allen simpelen menschen’, wien het zeer noodig is den bijbel ‘te weten ende te overlesen’. De schrijver streeft min of meer naar een verzoening van het oude en nieuwe standpunt. Even Erasmiaansch als dat ‘simpele menschen’ klinkt de aanhef van de voorrede, waar hij ongeveer zegt: ‘de Heilige Geest, die tot alle menschen gesproken heeft, wil door alle goedwillende menschen verstaan worden.’ Maar, zoo vervolgt hij, eenvoudige menschen moeten maar liever niet ‘dubiteren oft ondersoeken’, wat hun bevatting te boven gaat. De uitlegkundige geschriften van de heilige leeraren der Christelijke Kerk komen de ‘simpele menschen’ te hulp. De schrijver geeft dan een uiteenzetting van de leer der viervoudige Schriftbeteekenis. Mits deze juist aangewend wordt, kan zij de verborgenheden der Heilige Schrift ontsluieren.

Behalve door deze verdediging van de duisterheid der Schrift heeft de auteur ook door het opnemen van een ‘Epistel’ van Hieronymus en een inleiding van Erasmus hierbij aan zijn uitgave een kerkelijke tint willen geven. In den titel van het eerste bandje staat zelfs ten onrechte te lezen, dat de inhoud ‘wt den latijn in goeden duytsche’ is overgezet. De Psalmen zijn vertaald ‘na die griecse ende hebreesche warachticheyt’, wat den onjuisten indruk wekt dat de ‘hebraica veritas’ van Hieronymus als voorbeeld heeft gediend.

Hoe voorzichtig de vertaler ook de afkomst van de eerste twee stukken heeft willen bedekken, het geheel draagt toch door opzet en bedoeling een reformatorisch karakter. Wanneer Van Liesveldt in het volgend jaar een volledigen bijbel ter perse legt, dan neemt hij ook deze Luther-vertaling vrijwel ongewijzigd over.

De bijbel van den uitgever Jacob van Liesveldt.

De Hervorming heeft den Nederlanders voor de eerste maal een volledigen bijbel in de volkstaal geschonken. De uitgever, wiens naam aan deze daad voorgoed verbonden zal blijven, is Jacob van Liesveldt. Tot nog toe kende men wel drukken van Epistelen en Evangeliën, Souters en sinds de intrede der Hervorming een aantal Nieuwe Testamenten in het kleine zakbijbelformaat; een complete bijbeluitgave had echter nog op zich laten wachten. Van Liesveldt had eenige jaren geleden al een aanloop als reformatorisch bijbeldrukker gemaakt door de Evangeliën en Epistelen in hun geheel te bezorgen (zie blz. 135-138).

[p. 162]

Maar zijn bijbel van 6 September 1526 heeft alle voorgaande drukken èn in uiterlijke verzorging èn in omvang overvleugeld en met één slag de eereplaats onder de bijbeluitgaven der Hervorming veroverd. Het was een royale folio-druk, waarbij de ondernemende zakenman

illustratie
Afb. 15. - Titelblad van den bijbel naar Luther, in 1526 verschenen bij Jacob van Liesveldt te Antwerpen.

wel het voorbeeld van den Keulschen bijbel voor oogen gehad zal hebben.

Reeds het titelblad behelst een pleidooi voor den volksbijbel in den vorm van een aantal bij elkaar geplaatste bijbelteksten. De eenvoudige aankondiging ‘Dat oude ende dat nieuwe testament’ wordt vergezeld

[p. 163]

door een aantal bijbeluitspraken, waarvan de inhoud in 1526 hoogst actueel was. In het midden staat bijvoorbeeld: ‘Ghi en sult daer niet toe doen tot dyen dat ick u gebiede ende ghi en sult daer ooc niet af doen, op dat ghi houden muecht die geboden des Heeren dijns Gods’ (Deuter. 4, 2) en ‘Ende dese woorden die ick u ghebiede suldy ter herten nemen, ende ghi sultse uwen kinderen vertellen, ende daer af spreken als ghi in u huys sidt ofte opte weghe gaet’ (Deuter. 6, 6-7).

Slaat men dezen bijbel op, dan bemerkt men dat hij in twee deelen verdeeld is, waarvan het eerste loopt tot en met Hooglied. De tekst is afgedrukt in twee kolommen en vertoont nog niet onze versindeeling, welke pas in het midden der zestiende eeuw in algemeen gebruik kwam. Elk hoofdstuk is verdeeld in vijf gelijke stukken, aangeduid door de letters A tot en met G. Een afzonderlijk register helpt den lezer bij het zoeken van de kerkelijke Epistel- en Evangelielessen.

De tekst zelf berust geheel op dien van Luther, voor zoover die in 1526 voltooid was. Het geheele Nieuwe Testament behelst, behoudens eenige wijzigingen, de reeds gangbaar geworden vertaling van 1523, het Oude Testament tot en met de Psalmen is overgenomen uit het exemplaar van Hans van Ruremunde van het vorige jaar, het verdere stuk tot en met Hooglied is voor deze uitgave uit het Duitsch vertaald, de rest staat nog in den tekstvorm van de Vulgata. Evenwel is hier noch de Delftsche bijbel noch de Keulsche bijbel, zooals sommigen willen, op den voet gevolgd. Het lijkt wel, of de samensteller de Profeten zelfstandig heeft bewerkt.

Het begin van Genesis 1 en Psalm 130 mogen als proeven strekken van deze overzetting naar Luther.

Genesis 1, 1-8.
Inden beghinne schiep God hemel ende aerde, ende die aerde was woest ende leech, ende het was doncker opten afgront. Ende Gods gheest dreef op den watere.
Ende Godt sprack: Het worde licht, ende het wert licht, ende God sach dat licht voor goet aen, ende God scheyde tlicht vanden duysterheden, ende noemde dlicht den dach ende die duysterheden den nacht. Ende het is gheworden wt den avont ende morgen den eersten dach.
Ende God sprack: Het worde een firmament tusschen de wateren ende scheyde die wateren van den wateren, ende God maecte dat firmament, ende hy schiet die wateren die onder dat firmament waren, ende het geschiede alsoo, ende God noemde dat firmament den hemel, ende het is gheworden wt avont ende morghen den tweeden dach.
Psalm 130.
Wt der diepten roepe ic Here tot u. Here hoort mijn stemme, laet uwe ooren mercken op dye stemme mijns smeeckens. Ist dat ghi acht wilt hebben op
[p. 164]
misdaet, Here wie sal staende bliven? Want bi u is vergevinge, op datmen u vreese. Ic verwachte den Here. Mine siele verwachtet ende ic wachte op zijn woort.
Mine siele wachtet op den Heer, vander eender morgenwake totter andere. Israel wachte op den Heer, want goetheyt is bi den Here ende vele verlossinghe bi hem. Ende hi sal Israel verlossen wt alle zijnder misdaet.

Men leze deze bijbelwoorden hardop. In volheid en gedragenheid van klank, in eenvoud en directheid van zegging steken zij dank zij Luther, ver uit boven de meeste vertalingen uit vroeger eeuwen. Het tijdperk der aan de Vulgata gebonden overzettingen is voorgoed afgesloten. Een nieuwe bijbel breekt zich baan en plant zich in de harten van alle evangelisch-gezinden.

Van Liesveldt heeft getracht de aantrekkelijkheid van zijn uitgave te verhoogen door in dat stuk van het Oude Testament, dat op den Duitschen Luther-tekst berustte, een aantal illustraties op te nemen. Waarschijnlijk heeft de teekenaar Jan Swart de houtsneden van den Wittenberger druk van 1523 voor dat doel verkleind en opnieuw in hout uitgesneden, zoodat in de Liesveldt-uitgave tegenzijdige copieën van de Duitsche afbeeldingen te vinden zijn, soms de breedte van een kolom innemend, soms iets meer. De bijbelverluchting was namelijk een aangelegenheid, waarover de practische Luther een wakend oog had laten gaan. Alles wat strekken kon om zijn werk bij het volk beter ingang te doen vinden, nam hij gaarne uit oudere bijbels over. In de voorreformatorische bijbels waren de veelszins naïeve illustraties als het ware uit den tekst gegroeid. Inwendig, maar ook uitwendig, in typografisch opzicht, vormden beide een organische eenheid. Hun karakter was dat van aanschouwelijke voorstelling van het bijbelverhaal en in wezen pasten zij geheel in het kader van de in de Middeleeuwen algemeen verbreide opvatting, dat schilderingen de boeken der leeken zijn. Maar Luther had ook eenige platen van moderner aard laten maken, gedetailleerde teekeningen die den tempelbouw en offerceremoniën verduidelijkten. In de tweede helft van de zestiende eeuw verdwenen de houtsnedenfiguren uit den Protestantschen bijbel. Hoe beter de menschen de Heilige Schrift leerden lezen, des te meer werden zulke afbeeldingen overbodig.

De bijbel van Jacob van Liesveldt heeft zich bij de evangelischen in de eerste tientallen jaren der Hervorming een bevoorrechte positie weten te verschaffen. ‘Die Bijbel is het,’ schreef later Dr. Abr. Kuyper, ‘over wiens bladen onze vaderen hunne tranen geweend, hunne bange zuchten geslaakt hebben; hij was de schuw verholen vriend hunner eenzame uren, het gouden kleinood, waarvoor goed en bloed

[p. 165]

werd veil geboden, en dat die wondere kracht wist in te storten, die het sterven van den martelaarsdood met fieren moed braveren deed.’ Aangemoedigd door de gretige ontvangst, gaf Van Liesveldt verscheidene drukken in het licht. Uitgaven van den completen bijbel verschenen tijdens zijn leven in 1532, 1534, 1535 en 1542, van het Nieuwe Testament in 1535, 1540, 1541, 1542, 1543 en 1544, terwijl zijn vrouw in 1538, toen hij moeilijkheden met de justitie had, een druk bezorgde. Met bijzondere zorg waakte hij voor het op peil houden van zijn werk. Het aantal illustraties werd geleidelijk grooter; sinds 1532 kwamen voor het gemak van de nauwgezette lezers in het Oude Testament op den kant aanteekeningen voor van tijdrekenkundigen aard; in den bijbeltekst, vooral van het Nieuwe Testament, werden voortdurend wijzigingen aangebracht, terwijl die van het Oude Testament geleidelijk werd aangepast aan den Luther-bijbel, een proces dat in 1535 zijn beslag kreeg. In dat jaar werd ook een uittreksel uit Luther's proloog voor het Oude Testament afgedrukt. Luther waarschuwt hier zijn lezers voor achterstelling van dit bijbeldeel bij het Nieuwe Testament. Sommigen denken, zegt hij, dat het niets dan geschiedenissen bevat, maar zij vergeten, dat Christus er in bewezen en beloofd wordt. ‘Dat oude Testament is ons als die Wendel-doecken, daer Christus in ghewonden leyt.’ Het Nieuwe Testament brengt de bevestiging van het Oude. Het kan zonder dit niet recht verstaan worden. Het is een prediking en verkondiging van de waarheid dat de beloftegiften des Allerhoogsten ons geschonken zijn. Het Oude Testament is een wetboek, dat voorschrijft wat men te doen en te laten heeft; het Nieuwe een Evangelie en genadeboek.

Zoo namen de uitgaven van Van Liesveldt hoe langer hoe meer een reformatorisch karakter aan. Het is in dit verband merkwaardig, dat al de boven opgesomde edities, behalve die van 1526, ‘cum gratia et privilegio’ zijn bezorgd. Hoe dit te verklaren? Wellicht heeft het stadsbestuur in een periode, toen bepaalde overheidspersonen een iets lankmoediger houding tegenover drukkers van kettersche boeken aannamen, zijn goedkeuring niet willen onthouden. En toen de uitgever het privilege eenmaal verkregen had, plaatste hij het onder den titel van alle uitgaven na 1532. De inquisiteurs hebben echter de geldigheid van dit ‘cum gratia et privilegio’ nooit willen aanvaarden. De verdachten hebben voor de geloofsrechtbanken zich herhaaldelijk, maar tevergeefs, beroepen op dezen niet officieel erkenden waarborg van ongevaarlijkheid.

De druk van het jaar 1542 overtrof echter alle vorige in onbewim-

[p. 166]

peld uitspreken van reformatorische gedachten. De volledige titel is: ‘Den Bybel, met groter neersticheyt ghecorrigeert, ende op die canten geset den ouderdom der werelt, ende hoe lange die gheschiedenissen ende historien der Bybelen, elck int sine voor Christus gheboorte geweest sijn, ende daer bi vergadert wt Fasciculus temporum, ende wt die Cronike van alder werelt, die principael historien der machtiger Heydenscher Conincrijcken, daer die heylige schrift ooc dicwils af vermaent, Nu ooc laetstwerf met groter neersticheyt ghecorrigeert, wt die alder oudtste ende geapprobeertste Copien, die welcke gedruckt sijn. Cum Gratia et Privilegio. Ende dat inhout boven elck capittel des selven Capittels, soo wel des ouden als des nieuwen Testaments. Met noch sommighe schoone verclaringen op dye canten, dye op dander noyt geweest en sijn.’

De slotwoorden kondigen nieuwe kantteekeningen aan. Deze zijn het vooral, die den Liesveldt-bijbel in de oogen der kettermeesters verdacht hebben gemaakt. Geen wonder trouwens. Bij Matth. 3, 2 wordt ‘penitencie doen’ verklaard als ‘berou hebben’. Matth. 6, 16: ‘Vasten hierdoer blijket dat het warachtich vasten is abstineren van alle valscelijcheidt der sonden.’ In hoofdstuk 7, 6 staat de glosse van Luther: ‘Bij den honden en verekens versteet men die vianden des Woorts Gods.’ Bij kapittel 9, 37: ‘Den oogst dat sijn die herten der menschen bereydt om dwoort Gods te hooren.’ Joh. 5, 25: ‘Die stemme des Soons Gods hooren, dat is sijn woordt int herte ontfanghen ende dat ghelooven ende daerdoor levendich worden in den gheest.’ Coloss. 1, 2: ‘Genade dats vergevinge der sonden door Cristum, vrede dats dat in ons is te weten dat wi seker ghelooven door Cristum salich te zijn.’ Naast 1 Petr. 2, 5 staat: ‘Opten steen ghetimmert sijn is al onse hope setten op Christum alleen.’

Zulke uitspraken, die men stuk voor stuk kan terugvinden in de verklaringen van Luther, komen eveneens voor in het register of de ‘tafel’, welke vóór in dezen bijbel staat. In alfabetische rangschikking worden hier de belangrijkste onderwerpen, waarover de Heilige Schrift handelt, kortelijk aangeduid. De censuur moet zich zonder eenigen twijfel geërgerd hebben aan mededeelingen als: ‘Evangeliums leere beleeft [= doorleefd] maect salich’. ‘Evangelische predicanten moeten fabulen schouwen’. ‘Sonde wert alleen van Gode vergeven door Christum.’

Wie verbaast zich nog, dat zulk een stoutmoedige uitgever ten slotte het slachtoffer is geworden van zijn durf? In 1536 reeds ontving de scherprechter van Antwerpen een vergoeding van 22 schellingen en

[p. 167]



illustratie
Afb. 16. - Titelblad van den bijbel naar Luther, in 1542 verschenen bij Jacob van Liesveldt te Antwerpen.



illustratie
Afb. 17. - Tekstbladzijde van den bijbel, in 1542 verschenen bij Jacob van Liesveldt te Antwerpen, met de bekende houtsnede bij Matth. 4, 3.

[p. 168]

6 penningen voor het verbranden van bijbels en andere boeken, welke bij Van Liesveldt waren uitgekomen. Voor de tweede maal kwam hij in aanraking met de justitie in 1542, toen hij werd ingedaagd wegens het uitgeven van de ‘Troostinghe der godlycker scrift’. De aanklacht werd toen echter niet ontvankelijk verklaard, aangezien de uitgever kon bewijzen, dat dit uit het Duitsch vertaalde boekje slechts een aantal uittreksels van andere, nooit verboden boeken bevatte. In 1545, juist in den tijd, dat de kettervervolging met ongekende hevigheid begon te woeden, stelde de schout een nieuwe rechtsvervolging tegen hem in wegens het feit, dat in de kantteekeningen van zijn laatsten bijbel werd gezegd ‘dat de salicheyt der menschen alleen compt door Jesum Christum.’ Tijdens het verhoor beriep Van Liesveldt er zich op, dat zijn bijbels verschenen waren met de officieele vergunning ‘cum gratia et privilegio’, dat hij nooit den rechten godsdienst had willen schaden. Hoewel hij twee advocaten in den arm had genomen, liet de stedelijke rechtbank zich nu niet meer van zijn onschuld overtuigen. Op den 27sten November 1545 werd ‘daenleggere [= de officieele aanklager] inden yersten lede van synder conclusien ontfangbaer’ verklaard, hetgeen gelijkstond met het uitspreken van het doodvonnis. Den volgenden dag werd Jacob van Liesveldt op ongeveer 56-jarigen leeftijd onthoofd.

De ambtelijke stukken bewijzen, dat alleen de strekking der kantteekeningen en niet de afbeelding bij Matth. 4, 3 hem het hoofd gekost heeft. Deze houtsnede stelt namelijk den verzoeker voor als een gebaarden monnik met pij en kap en een rozenkrans om het middel. Bokspooten en horens zijn nog even zichtbaar onder den mantel en boven de kap. Het vaak uitgesproken vermoeden, dat juist dit plaatje Van Liesveldt noodlottig is geworden, is volkomen uit de lucht gegrepen. Behalve in-de vroegere uitgaven van zijn pers en in den reformatorischen Franschen bijbel, welke in 1535 bij Martin de Keyser te Antwerpen verscheen, komt het, zij het in eenigszins anderen vorm, ook voor in de aanvankelijk kerkelijk toegelaten bijbeluitgaven van Willem Vorsterman uit de jaren 1528 en 1532. Later nam de weduwe van Van Liesveldt in een Roomsche bijbeluitgave van 1560 hetzelfde plaatje nog eens op. De verklaring? In de eerste plaats bedenke men, dat de Roomsch-Katholieke Kerk een groote mate van critiek op de handelingen van haar ambtsdragers altijd geduld heeft, mits de kerkleer onaangetast bleef. In den Keulschen bijbel van circa 1478 is in de Apocalyps een plaat, waarop men een Paus, een kardinaal en een keizer ter helle ziet varen. De engel van Openbaring 10 zwaait het

[p. 169]

zwaard te midden der doemelingen, onder wie duidelijk dezelfde personen alsmede een bisschop te herkennen zijn. Aannemelijker is echter de verklaring, volgens welke de duivel zich in een onschuldige monnikenkleedij heeft gehuld, omdat hij zich wil voordoen als een wolf in lamskleeren.

Er is reden om de vraag te stellen of Jacob van Liesveldt terecht te beschouwen is als martelaar. Hij heeft namelijk naast verboden boeken ook overtuigd-Roomsche uitgaven bezorgd. Zoo kwamen in 1528 bij hem van de pers de felle anti-reformatorische ‘Refereynen’ van de Antwerpsche dichteres Anna Bijns. Men komt er niet mee klaar met te zeggen, dat hij nadien van gedachten veranderd is, want in 1540 drukte hij ten behoeve van den Brusselschen boekverkooper Marck Martens nog wel twee uitgaven van het nieuwe plakkaat tegen de ketterij. Vijf jaar later is Van Liesveldt, door een tragischen loop der geschiedenis, juist op grond van ditzelfde keizerlijk plakkaat ter dood veroordeeld! Trouwens, hij is niet door verbranding, maar door onthoofding terechtgesteld, meer om een burgerlijk dan om een godsdienstig vergrijp. In de martelaarsboeken, die weliswaar zeer onvolledig zijn, zal men zijn naam dan ook vergeefs zoeken.

Moeten we dan in het andere uiterste vervallen en in Van Liesveldt een zakenman zien, wien het alleen te doen was om het maken van groote geldelijke winst? Het is een vraag, die bij de bestudeering van de zestiende-eeuwsche boekdrukkersgeschiedenis telkens weer zich opdringt. Tijdens de verhooren gedroegen zij zich vaak allerminst als geloofsgetuigen, maar trachtten door uitvluchten een vonnis te voorkomen. Toch moeten zij de nieuwe leer een goed hart hebben toegedragen, anders hadden zij hun leven voor haar niet zoo roekeloos in de waagschaal gesteld. Naar onze meening kan men hen het best vergelijken met de bemanning van een reddingboot, die eerst met levensgevaar de schepelingen van een in nood verkeerend schip behouden aan wal brengt en daarna het verlaten vaartuig beklimt om de premie van de verzekeringsmaatschappij te verwerven. Een mengeling van edele en minder edele motieven beweegt hen tot zulk heldhaftig hulpbetoon. Zoo herdenken wij met eerbied den dapperen Antwerpschen uitgever, die eigen leven niet achtend, door zijn bijbels talloos velen ten zegen is geweest.

prepostterug  begin  verder