De Erasmiaansche inslag in de Nederlandsche reformatie van dien tijd vindt zijn parallel in de bijbelgeschiedenis. Er verscheen in 1524 te Delft een vertaling van Erasmus' Grieksch-Latijnsch Novum Testamentum, in den derden druk, waarvan de tekst later heeft ingewerkt op de reeds bestaande vertaling naar Luther, maar anderzijds ook op uitgaven, die zich als rechtzinnig Roomsch-Katholiek aandienden. De veelsoortigheid der aldus ontstane tekstvormen moge den onderzoeker plaatsen voor een moeilijk te ontwarren complex van uitgaven, zij is karakteristiek voor de intensiteit van de herleefde bijbelstudie, die nog de bekoring van het nieuwe had en allerlei proefnemingen uitlokte. Nu de studie van den grondtekst de Heilige Schrift had ontdaan van een onzuivere korst, welke in den loop der eeuwen zich daarop had vastgezet, ontdekte men haar in al haar reinheid.
Het Delftsche Nieuwe Testament verscheen 9 Nov. 1524 bij Cornelis Henricz. Lettersnijder onder den titel: ‘Dat nieuwe Testament, welc is dat levende woert Goods wtghesproken doer onsen salichmaker Iesus Christus, dye welcke was God ende mensch, bescreven doer ingeven des heyligen geests, vanden heyligen Apostelen ende Evangelisten, ende is dye wet der gracien, der liefden ende des barmherticheyts, met groter naersticheyt overgeset ende gheprent in goede platten duytsche.’
De keurige typographische uitvoering van dit in sierlijke letter gedrukte Testament wedijvert met de verzorging van den inwendigen tekstvorm. De uitgave begint met ‘Een corte vermaninge verweckende eenen yegelijcken om naerstelick te overlesen ende te beleven dat heylich Evangelie Iesu Christi’, een verdietscht uittreksel van Erasmus' Exhortatio. Dan volgt een toelichting van de wijze, waarop men dit Nieuwe Testament lezen moet. De aanhef dezer ‘Verclaringe’

Afb. 18. - Titelblad van het Nieuwe Testament naar Erasmus, in 1524 verschenen bij Cornelis Heynrick.z. Lettersnyder te Delft.

Afb. 19. - Tekstbladzijde van het Nieuwe Testament, in 1524 verschenen bij Cornelis Heynrick.z. Lettersnyder te Delft.
spreekt in nauw bedwongen jubel over het aan den dag brengen van de Heilige Schrift ‘versch, puerlic ende ongemengt, ende oec ongecorrumpeert’, door Erasmus, en de vertaling daarvan in het Latijn, welke door veel geleerde mannen om strijd geprezen wordt, vooral door Paus Leo X. Daarom hebben de auteurs - het ‘wy’ in de Verclaringe vestigt den indruk dat het werk ontstaan is uit de samenwerking van twee of meer personen - deze uitstekende vertaling ‘in goeden platten Duytsche’ willen overzetten met behulp van het Grieksch. Maar omdat het soms niet mogelijk is het Grieksch of Latijn te vertalen, zonder dat men zijn toevlucht neemt tot een of meer verklarende woordjes, zijn er toevoegingen van eigen hand tusschen haakjes geplaatst. Voorts is nauwkeurig elk verschil tusschen den Griekschen Erasmustekst en den Latijnschen van Hieronymus, dien zij niet geheel overboord willen werpen, aangeduid door teekentjes. Wat het Grieksch meer heeft dan Erasmus, staat in deze vertaling tusschen twee pijltjes. Heeft daarentegen de oude tekst meer, dan maakt ‘grover Geschrift’, dat is spatieering, den lezer daarop opmerkzaam. Varianten van de Vulgata zijn steeds op den rand - in vertaling - vermeld (voor een proeve zie blz. 174).
Een dergelijke werkwijze was in de Nederlandsche bijbelvertaling geheel nieuw. Hier zien we mannen van wetenschap aan het werk, kenners zoowel van den grondtekst in het Latijn als van het ‘Duytsch’, die nauwkeurig in hun vertolking den voor hen liggenden tekst willen reproduceeren en angstvallig elke afwijking aangeven. Welk een verschil met de vertaalmethode van Johan Pelt, die in zijn religieuze opvattingen een man van den nieuwen tijd was, maar als vertaler nog een Middeleeuwer. Er ligt tusschen zijn Mattheus-evangelie en het Delftsche Nieuwe Testament in tijdelijk opzicht slechts een verloop van twee jaren, ten aanzien van de vertaaltechniek is er het verschil van een menschenleeftijd. Het eerste vertegenwoordigt nog de Middeleeuwen, het tweede de op nieuwe leest geschoeide Schriftstudie. Welk een verschil ook met de souvereine tekstbehandeling van Luther! Toegerust met een groote piëteit voor den bijbeltekst in zijn oudste gedaante en geleid door hun critischen zin en philologische acribie, hebben de Delftsche vertalers een werk van wetenschappelijke waarde tot stand gebracht. Het procédé om de verklarende tusschenvoegsels van eigen hand te merken door het plaatsen van haakjes, zou later door de Statenvertalers eveneens gevolgd worden.
Het wetenschappelijk cachet verloochent zich evenmin in de vertaling zelf. Hun vertaling munt uit door frischheid en oorspronkelijk-
heid in de vormgeving. Het is mogelijk, dat zij de vertalingen van Schutken en Pelt gekend en gebruikt hebben, maar zij zijn zelfstandig gebleven. Zij wilden verder ‘goed plat’ [= eenvoudig] Dietsch schrijven, een opzet waarin zij volkomen geslaagd zijn. Hun taal is Zuidhollandsch, zonder Brabantsche bijmengselen en met weinig bastaardwoorden. In één opzicht hebben zij den aard van de volkstaal miskend, doordat zij al te veel participiumconstructies hebben gebruikt, gelijk Utenhove, Dyrkinus en de Statenvertalers later ook zouden doen. Zulk een eigenaardigheid stempelt deze vertaling aanstonds tot een arbeid van geleerden.
De vertalers van het Delftsche Nieuwe Testament zijn niet bekend. De verleiding is groot, te denken aan den vroegeren Delftschen rector Fredericus Canirivus en den gewezen advocaat bij het Hof van Holland, Mr. Cornelis Hoen, die in Delft geboren was. Beide geleerden bevonden zich wegens hun reformatorische gevoelens juist in 1524 te Delft in ‘ruime’ hechtenis, welke hun voldoende vrijheid van beweging gelaten kan hebben om zich verdienstelijk te maken voor de zaak van de bijbelverspreiding. Hoen komt trouwens ook voor in bovengenoemd bericht van Van der Linde (zie blz. 156-157).
De auteurs zijn er niet in geslaagd om hun werk in den vorm, waarin zij het gekleed hadden, ingang te doen vinden. In het ‘Spul van sinnen van de Siecke Stadt’, een rederijkersspel dat in Utrecht speelt, leest een kettersche ambachtsgezel ‘tnieuwe testament van Erasmus getranslateert’. De ‘keurige’ Delftsche tekst scheen echter meer berekend op een geestelijke elite dan op de breede volksmassa. Bovendien, de Luthervertaling had zich, dank zij haar innerlijke waarde, gloed van overtuiging en licht aansprekende, volkseigen taal, reeds een plaats in de harten veroverd. Het Delftsche Nieuwe Testament verscheen een jaar te laat. Zoo kwam het, dat te Delft waarschijnlijk nooit een herdruk verschenen is. Jan van Ghelen bezorgde in 1525 te Antwerpen een nadruk, ‘derdewerf’ gecorrigeerd, hetgeen het bestaan van een onbekende tweede editie doet onderstellen. Wel heeft het nog tal van jaren voortgeleefd in een reeks van gewijzigde tekstvormen. Het minst ver ging de Antwerpsche drukker Michiel Hillen van Hoochstraten, die in 1527 een Nieuw Testament ‘nae der ouder en gemeynder translacien’ uitgaf, in 1530 voor de tweede maal, ‘doersien ende ghebetert by gheleerde Heeren ende mannen’; in 1531 voor de derde maal. Het was hem er om te doen, een kerkelijk toegelaten en toch modernen tekst te leveren. De consciëntieuze nauwgezetheid, waarmee de Delftsche vertalers elke afwijking van de Vulgata hadden ver-
antwoord, stelde hen in staat om door een eenvoudigen ‘kunstgreep’, zooals De Hoop Scheffer het noemde, een tekst aan te bieden, welke niet in strijd was met Hieronymus en toch beantwoordde aan de eischen van de nieuwe Schriftstudie. De goedkoope oplossing kwam in het kort hierop neer, dat de ‘gheleerde Heeren ende mannen’ alle woorden en zinsneden, die tusschen pijltjes stonden, verwijderden, het verschil tusschen den gewonen druk en de gespatiëerde woorden lieten vervallen en de Vulgaatvarianten, welke eerst op den rand stonden, in de plaats lieten komen van den Erasmustekst. Ter toelichting van dit procédé volge:
| Delft 1524. | Antwerpen 1527. |
|---|---|
| Voort als ghi sien sult die grouwelicheit der verlatenis staende daer si niet en soude ↑ van welc in dye propheet Daniel of geseit is ↑ diet lesen sal, die verstaet. Die dan in Judeen wesen sullen, dye vlien totten berghen. | Voort als ghy sien sult dye gruwelicheyt der verlatenis staende daer si nyet en soude, diet leest, die verstaet. Die dan in Judeen wesen sullen, die vlyen totten berghen. |
| Siet, ic segge u verborghentheyt: wi en sullen niet alle slapen, nochtans sullen wi alle verwandelt [= veranderd] worden1) in een puntken des tijts, in eenen oghenblic doer die laetste blasune, want si sal blasen ende die doden sullen opstaen onverganclic, endi wi sullen verandert werden, want dit verderffelic (lichaem) moet aentrecken onverderfelickheyt, ende dit sterffelike (lichaem) moet aendoen onsterffelicheyt. | Siet, ic segge u verborgentheyt: wi sullen alle verrisen, mer niet alle verwandelt werden in een puntken des tijts, in enen oogenblic, doer die laetste blasune, want si sal blasen ende die dooden sullen opstaen onverganclic, ende wi sullen verandert worden, want dit verderfelic (lichaem) moet aentrecken onverderfelicheyt, ende dit sterfelike (lichaem) moet aendoen onsterfelicheyt. |
| Mer als dit ↑ verganckelic onvergancklicheit heeft angedaen ende dit ↑ sterflike heeft angetogen onsterflicheyt, dan sal vervult worden dat woert datter ghescreven is: Die doot is verslonden in victorien. O doot waer is uwen prickel? O helle2) waer is u victorie? | Maer als dit sterfelike heeft aengetogen onsterfelicheyt dan sal vervult worden dat woert datter gescreven is: Die doot is verslonden in victorien. O doot waer is uwe victorie? O doot waer is u prickel? |
Er zijn in deze jaren verschillende uitgaven van het Nieuwe Testament verschenen, waarvan men den tekst nooit goed heeft kunnen thuisbrengen. Naast groote overeenkomst met Luther vertoonen ze afwijkingen van onbekende herkomst. Nader onderzoek leert echter, dat de Luthertekst dan wordt afgewisseld door kortere of langere fragmenten naar de Delftsche Erasmusvertaling. Uitgaven, waarin dat gebeurt, worden in den regel ingeleid door Erasmus' ‘Vermaninge .... aen allen Christen menschen om met grooter neersticheyt dat Evangelium te lesen.’ De Antwerpsche boekverkooper Govaert van der Haghen ‘in onser liever vrouwen pant’ was de eerste, die een dergelijk Nieuw Testament (1525) bezorgde. De titel zegt, dat het is ‘ghecorrigeert wten Latijnschen ende griecsschen’. Deze ‘correctie’ komt blijkens het volgende fragment neer op het doorweven van den Luthertekst met Erasmiaansche elementen. Het gecursiveerde is ontleend aan Erasmus.
| Luther. | Mengeditie G.v.d.H. | Erasmus. |
|---|---|---|
| Wat voer deel hebben dan nu die Joden, oft wat profijt is hem die besnijdenis? voer waer seer vele. Ten eersten is hem betrout dat god gesproken heeft. Wat leyt daer aen al ist dat die sommighe daer aen niet en gheloven? Sal haer ongelovicheit tgelove gods ydel maken? Dat si verre. Mer het blijft altijt alsoe dat god warachtich is ende alle menschen logenachtich zijn. Gelijc dat gescreven is: Op dat ghi rechtvaerdich zijt in uwen woerden, ende dat ghi verwint wanneer ghi geoerdelt wort. | Wat heeft dan een Jode daer hi inne te boven gaet? of wat profijt is hem die besnijdenisse? seer vele in alle manieren. Want ten eersten dat, dat haer bevoelen sijn die antwoorden gods. Wat leyt daer aen al ist dat die sommighe daer aen niet en gheloven? Sal haer ongelovicheyt tghelove gods te nyete doen? Dat si verre. Immer god is warachtich, ende alle mensche loghenachtich. Ghelijck dat ghescreven is: Op dat ghi rechtvaerdich sijt in uwen woorden, ende dat ghi verwint wanneer ghi geordelt wort. | Wat heeft dan een iode, daer hij die (heydens) in te boven gaet, of wat profijt is dye besnydenisse? Veel in alle manieren. Want ten eersten (is) dat hoer bevoelen zijn die antwoerden gods. Mer wat ist dan ofter sommige onghelovich gebleven zijn, sal dan hoer ongeloef tgeloef goods te niet maken? Dat moet verde of zijn. Immer god moet warachtich wesen, mer alle menscen logenachtich. Alsser ghescreven staet: op dat ghi rechtvaerdich (gevonden) wort in uwe woerden, ende verwinnet als ghi gheordelt wert. |
Al heeft de bewerker door den tekst en ook den titel aan te passen aan de Erasmusvertaling zijn uitgave eenigszins onschuldiger willen maken, de geest is blijkens een vertaling als ‘Hebt berou’ in Matth. 4, 17, zuiver evangelisch. De korte inhoudsopgaven boven de hoofdstukken bevatten gedurfde uitspraken als: ‘Na de liefde en is geen groter gave dan dye gave der prophetien, dat is die utlegginge der heyligher scrift, welcke ons allen gheoorlooft is, utgescheeden dan die vrouwen’ (boven 1 Cor. 14) en ‘Onder die christenen en is gheen overheyt, maer een ieghelijck wil des anders dienaer wesen ut liefden’ (boven Rom. 13). De eerste verklaart het vrije Schriftonder-zoek door leeken voor geoorloofd, de tweede verwerpt het overheidsgezag. Nicolaes van Winghe, de vertaler van den Roomschen bijbel van Leuven (zie blz. 204-207) had deze aanteekening op het oog, toen hij in den proloog sprak over de ‘dolinghe der herdoopers’ in kettersche Nieuwe Testamenten. Maar om nu met Van Druten het Nieuwe Testament van 1525 alleen om deze reden Doopsgezind te noemen, lijkt ons te veel gewaagd. Dezelfde ‘summariën’ komen bijvoorbeeld voor in de uitgaven van Jan van Ghelen, Antwerpen 1526, en Doen Pietersoen, Amsterdam 1526, welke beide een nadruk zijn van het ‘Bazelsche’ Nieuwe Testament met zijn zuiveren Luthertekst. En ze ontbreken juist daar waar men ze verwachten zou: in de Doopsgezinde drukken uit de tweede helft van de zestiende eeuw, die niet berusten op een mengeditie, maar op den Liesveldt-bijbel. Een indeeling naar godsdienstige groepen is in dezen gistenden Hervormingstijd een onmogelijkheid.
Het voorbeeld van Van der Haghen is gevolgd door zijn stadgenoot Christoffel van Ruremund. Deze gaf in 1526 en 1528 niet dezelfde, maar eem soortgelijke mengeditie uit, echter ‘sonder glosen ende prologhen’ zooals de titel zegt. Blijkbaar wilde hij deze maal voorzichtig zijn en niet meer, gelijk in 1525, de inquisitie ergeren. Nog andere menguitgaven verschenen, waarvan wij de veelszins verspreide tekstoverlevering hier niet mogen uiteenwarren, maar die elk op hun beurt een nieuw bewijs zijn van de heilbegeerigheid van het lezerspubliek en de groote toewijding der drukkers voor de verspreiding van den volksbijbel.
Een van de grootste uitgevers ‘in die vermaerde coopstadt van Antwerpen’ was Willem Vorsterman ‘in de Cammerstrate inden ghulden Eenhoren’. Op het gebied van den bijbeldruk had hij reeds
voor 1522 zijn sporen verdiend door enkele malen de Epistelen en Evangeliën te bezorgen, benevens een Passie, waarvoor hij gebruik had gemaakt van het Middeleeuwsche Leven van Jezus. Geloovige Roomsch-Katholieken, vooral vrouwelijke kloosterlingen, bleven ook na 1522 zijn pericopenbundels koopen, zoodat hij in 1523 en 1538 nog een nieuwe editie van de oude vertaling van Schutken oplegde, terwijl zijn confrater Symon Cock in 1533 hetzelfde deed.
Toch moest een zakenman als hij met zijn tijd meegaan. In de Roomsch-Katholieke Kerk waren velen, bij wie het verlangen naar het bezit van een eigen bijbel was wakker gemaakt. Er waren anderen, die in het geheim de Hervorming waren toegedaan. Reikhalzend zagen deze menschen uit naar een tekst, dien zij, zonder gevaar te loopen met de inquisitie in aanraking te komen of zelfs maar een kerkelijke berisping te ontvangen, konden lezen. Vorsterman begreep, dat hier voor een uitgever een groot debiet zou zijn. In edelen wedijver met Van Liesveldt kwam hij in 1528 met een folio-bijbel voor den dag, kloeker van formaat en schooner van verluchting dan diens uitgave van 1526. Vorsterman zocht zijn koopers in anderen kring dan Van Liesveldt. Hij stond met de overheid op goeden voet en wilde daarom mogelijke bezwaren ondervangen door op het uiterlijk van zijn werk een stempel van rechtzinnigheid te drukken. De aanhef van den titel: ‘Den Bibel. Tgeheele Oude ende Nieuwe Testament met grooter naersticheyt naden Latijnschen text gecorrigeert’ illustreert duidelijk deze bedoeling: de uitgever wil een naar de Vulgaat herziene vertaling aanbieden.
De uitgave begint met den afdruk van een ‘vonnis’ der Antwerpsche wethouders, waarbij aan Willem Vorsterman voor een tijd van drie jaren octrooi wordt verleend. Niemand in Antwerpen mocht gedurende die periode dezen bijbel nadrukken of zelfs maar ‘eenighe duytsche Biblen, in nederlantsche talen gestelt zijnde’ het licht doen zien. Het heet verder, dat ‘gheleerde ende ghetrouwe oversetters ende interpretatuers, inder Hebreuscher, Griecscher ende Latijnscher talen gheleert ende expert zijnde’ den tekst hebben vergeleken met onverdachte uitgaven. Consent tot de uitgave is verleend door den doctor in de godgeleerdheid Niclaes Coppijn, deken van de Sint Peters-kerk te Leuven en kanselier van de universiteit aldaar.
De ‘Correctuers’ zeggen in hun uitvoerigen proloog, dat het misbruik van de Heilige Schrift hen bewogen heeft den tekst te verbeteren naar den Latijnschen bijbel, welken de heilige Kerk sinds onheuglijke tijden had gebruikt. Daarbij waren zij op de volgende manier te werk gegaan. Wanneer de Schrift niet handelde over belangrijke onder-

Afb. 20. - Titelblad van den bijbel, in 1528 verschenen bij Willem Vorsterman te Antwerpen.
werpen, als het geloof of de Kerk, hadden zij den ‘zin’ somtijds meer dan de woorden gevolgd, dus aan een vrije vertaling de voorkeur gegeven. Zij ver klaren voorts met hun arbeid de menschen niet uit de kerk te willen houden; evenmin was het hun bedoeling aan vitters een middel in handen te geven om hun predikers te berispen. Integendeel, zij verwachten dat de lezers hierdoor des te ijveriger zullen luisteren naar de prediking van het Woord Gods uit den mond der priesters. In plaats van zich in te laten met achterklap, onnutten praat, brasserij, dobbelen en spelen kunnen de menschen nu door lezing van Gods Woord zich oefenen in een deugdzaam leven en in het vlieden van de zonde. Want niet voor lezers en hoorders, maar voor ‘doenders des woorts’ hebben zij, naar het woord van den Apostel Jacobus, hun arbeid verricht.
Het verschil tusschen den kerkelijken tekst en de ‘hebreusche waerheyt’ hebben zij overal verantwoord door de varianten of ‘alteracien’, zooals zij ze noemen, op den kant aan te duiden. Zij zeggen het niet, maar dit wetenschappelijk procédé schijnen zij ontleend te hebben aan het Delftsche Nieuwe Testament. Hun bedoeling is geenszins de Vulgata te berispen en ‘nieuwe opinien te genereren’, maar juist de oude translatie op te helderen en de dwaling, die ‘nu God betert zeer heeft gheregneert’ uit de harten te bannen. Bovendien, elke taal, maar in het bijzonder wel het Hebreeuwsch, heeft nu eenmaal zijn eigenschappen, zoodat zij wel eens genoodzaakt zijn geweest hun toevlucht te nemen tot een vrije overzetting en de letterlijke, naar den Hebreeuwschen grondtekst, op den kant te plaatsen. Hiervoor hebben zij de Complutensische polyglot van Franciscus Ximenez (zie blz. 107) gebruikt, welke door den Paus goedgekeurd was.
Bijzondere zorg was besteed aan de taal. De ‘duytsche tale’, zoo zeggen zij, is dialectisch geschakeerd in Brabantsch, Vlaamsch, Guliksch, Kleefsch, Geldersch enz. Nu hebben zij er naar gestreefd om uit het exemplaar, dat zij moesten verbeteren, alle woorden te verwijderen, welke niet ‘gemeyn’ waren in ‘onse Brabantsche tale’. Zij beschouwen dus het Brabantsch als standaardtaal.
Voorin hebben zij een lijst van concordeerende Evangeliegedeelten geplaatst, niet om de uitlegging der heilige doctoren, die ons uit den geest van Christus geleerd hebben, of de onderwijzing der predikers uit te schakelen, ofschoon wij geen anderen meester dan Christus noodig hebben, neen, hun bedoeling was: uitsluiting van ‘die sinnelijcke voorredenen ende valsche glosen, vol van verachten des gheestelijcken staets ende der geboden der heyliger kercken.’
Het Oude Testament, alzoo verdedigen zij hun uitgave, mag niet minder geacht worden dan het Nieuwe. Het laatste brengt de vervulling der beloften en profetieën van het eerste. Het oude Testament is de kribbe, waarin de herders Jezus vonden, gewonden in doeken; het is de wet, het Nieuwe is het boek der genade, het Evangelie, en leert hoe de wet vervuld moet worden. De ‘hooft-leeringe’ van het laatste is genade en vrede door de vergeving der zonden in Christus, die van het eerste: de wet te leeren, de zonden te toonen en deugd te eischen.
In een kleineren proloog voor het Nieuwe Testament, opgenomen in de uitgave van 1531, waarschuwen zij de ‘gemeyne menschen’ nog, niet te willen doordringen in de ondoorgrondelijke verborgenheden der Heilige Schrift, zooals de Drieëenheid enz., omdat het gevaar van daardoor in dwaling en ketterij te vervallen geenszins denkbeeldig is. Wie de Schrift wil lezen doe dat alleen met het doel om beter te worden dan hij is. Tegenwoordig maakt men schandelijk misbruik van de Heilige Schrift door haar te voorzien van ‘valsche glosen’ en ‘schadelike ende feninige prologen’. Het Woord van den almachtigen God wordt vermengd met de ijdele en opgeblazen woorden van menschen, die nu eens naar deze, dan weer naar die vertaling overzetten; die niet acht geven op de waarheid, maar alleen op ijdele woordenpraal. Uit afschuw voor zulk een vervalsching van de Schrift hebben zij het Nieuwe Testament naarstig verbeterd naar de Latijnsche vertaling van Hieronymus. Koopt en leest, zoo wekken zij in het slot den Christen-lezer op, want nu hebt gij het levende Woord Gods even zuiver in het ‘duytsch’ als de heilige Kerk het in het Latijn bezit.
De tendenz van beide prologen is kennelijk, de uitgave als onverdacht rechtzinnig bij het publiek in te leiden. Daartoe dienen de vele verontschuldigingen, het angstvallig uit den weg ruimen van eventueelen argwaan, de uitvallen tegen kettersche uitgaven, het nadrukkelijk betoogen dat een kerkelijk goedgekeurde tekst als grondslag is gebruikt. Ook de bestemming, die zij aan hun werk geven, kon geen reden tot critiek opleveren. De leeken moeten het namelijk lezen met een practisch doel: vermeerdering van godsvrucht.
De titels zijn zoodanig opgesteld, dat de koopers geen achterdocht konden koesteren. Onder op de eerste titelbladzijde had Vorsterman behalve den eenhoren, zijn drukkersmerk, en het Antwerpsche stadswapen, een afbeelding geplaatst van het wapen en den kardinaalshoed van Ximenez.
De rijke verluchting diende niet minder om koopers te lokken.
Dank zij de hulp van bekwame teekenaars als Jan Swart en Lucas van Leyden is deze bijbel de fraaiste van den Hervormingstijd geworden. De voorstellingen munten uit door natuurlijkheid en beweeglijkheid. De meesters hebben

Afb. 21. - Houtsnede, voorstellend Noach in de ark, uit den bijbel, in 1528 verschenen bij Willem Vorsterman te Antwerpen.
de verstarde bijbelsche hout-sneekunst nieuw leven ingeblazen, al zijn de gebruikte motieven grootendeels niet oorspronkelijk. De meeste komen, zij het in anderen vorm, voor in den Liesveldt-bijbel van 1526 of in den Bibel int Corte (zie blz. 80-82), waarvan de verluchting is geïnspireerd door die in den Keulschen bijbel van 1478. De plaatjes in de Evangeliën, afkomstig van Lucas van Leyden, treft men aan in door hem al eerder geïllustreerde Latijnsche misboeken.
Even bont van samenstelling als de verluchting is de bijbeltekst. De ‘Correctuers’ hadden last gekregen om de bestaande, veel gebruikte, maar gebrekkige vertalingen van den bijbel te herzien. Als tekst ter omwerking hebben zij voor het Oude Testament blijkbaar - zelf laten zij zich daarover niet uit - de Liesveldtuitgave van 1526 gekozen. Met behulp van de Vulgata en het Hebreeuwsch trachtten zij een ‘gezuiverden’ tekst te leveren. Wie waren de geleerden, die Vorsterman de behulpzame hand boden? Behoorden zij tot den wetenschappelijken staf van zijn uitgeverszaak? Vijzelt hij met echte uitgeversgrootspraak hun geleerdheid op? Men zou het wel zeggen. Een bijbelherziening als deze vorderde, zooals zij was opgezet, jaren van rustigen
arbeid. Het was onmogelijk om het werk binnen den korten termijn, dien de uitgever aan de blijkbaar van hem afhankelijke correctoren gesteld had, tot een behoorlijk einde te brengen. De bijbel van 1528 draagt in verschillend opzicht de sporen van de overhaasting, waarmee te werk is gegaan. Wegens tijdsgebrek, de ‘correctuers’ zeggen het zelf, en wegens een verzuim der zetters konden alle verbeteringen niet in den bijbeltekst verwerkt worden. Dat maakt het moeilijk de bekwaamheid der bewerkers te beoordeelen, maar geeft toch een eigenaardig beeld van hun werkwijze. Als voorbeeld diene een fragment, waarnaast de Liesveldttekst en die van den Delftschen bijbel ter vergelijking worden afgedrukt. De ‘alteracien’ of ‘veranderinghe’ van den Hebreeuwschen tekst zijn mede opgenomen.
| Vorsterman. | Liesveldt. | Delftsche bijbel. |
|---|---|---|
| Wie sal een starcke vrouwe vinden? Haeren prijs is verre ende vanden laetsten palen [= grenzen]’1). | Wie wil een redelick wijf vinden? Si is edelder dan peerlen. | Wie sal vinden een sterc wijf? Haer loon is van verren ende vanden lesten vander aerden. |
| Haers mans herte verlaet hem op haer ende hi sal geen rooven behoeven2). | Haers mans herte derre hem op haer verlaten, ende neeringe en sal hem niet gebreken. | Haer mans herte betrouwet in haer: ende sij en sal niet behoeven van roven. |
| Si doet hem goet ende gheen quaet zijn leven lanck. | Si doet hem goet ende gheen quaet zijn leven lanc. | Si sal hem gheven guet ende gheen quaet. |
Men ziet dat zij bij het vertalen van den Vulgaattekst den Delftschen bijbel hebben gebruikt en bij het geven van een letterlijke vertaling naar het Hebreeuwsch den Lutherschen Liesveldttekst copieeren. Met andere woorden: de uitgestooten zinsneden komen soms ongewijzigd te voorschijn in den vorm van een kantteekening!
In het Nieuwe Testament leggen zij eenzelfde voorkeur voor Van Liesveldt aan den dag. De ‘toegelaten’ vertaling, waarvan zij blijkens het voorwoord uitgaan, is het Delftsche Nieuwe Testament van 1524 of een nadruk hiervan. Bij de correctie van dezen Erasmustekst hebben zij ijverig de Luthervertolking geplunderd. De Hoop Scheffer heeft dit reeds in de volgende proeve laten zien. Wat Vorsterman aan Van Liesveldt ontleent, staat gecursiveerd.
| Vorsterman. | Delft. | Liesveldt. |
|---|---|---|
| Daeromme, en wilt ghi niet vreesen die overheyt? soo doet dat goet, ende soo sult ghy van haer gepresen worden. Want het is Gods dienare, u tot goede. Maer doet ghi quaet soo vreest, want si en draeght dat swaert niet te vergheefs. | Wilt ghi den macht niet vresen, so doetet geen dat goet is, ende ghi sult lof van hoer ontfangen, want hi is een dienaer Gods, u tot goede. Mer ist dat dat quaet is, so vreest, want hi niet te vergeefs tswaert en draecht. | Daerom wildy nyet vreesen voer die macht, soe doet goet, ende ghi sult lof van denselven hebben, maer doedi quaet so vreest. Want si en draecht dat sweert niet te vergheefs. |
Het zou weinig moeite kosten aan te toonen, dat ook Schutken's vertaling van het Nieuwe Testament en de Psalmen bestanddeelen heeft geleverd voor deze lappendeken van her en der bijeengeraapte teksten. Een gaaf geheel kon deze bijbel door de overhaaste correctie en veelhoofdige redactie niet worden. Een teruggang tot een verouderde vertaalmanier is het gebruik van vele absolute participiumconstructies als: ‘Ende hem dit denckende, soet, so heeft hem gheopenbaert die Engel des Heeren in sinen slaep’ (Matth. 1, 20); ‘Hoorende Herodes die coninc is verstoort geweest’ (Matth. 2, 3); ‘In hem selven gekeert wesende, seyde: Hoe veel huerlinghen’ (Luc. 15, 17); ‘Ende wijn gebrekende, seyt de moeder Iesu tot hem’ (Joh. 2, 3).
Intusschen stond deze gebrekkige tekstvorm de verbreiding niet in den weg. De Vorstermanbijbel, acht-maal compleet en zes-maal bij gedeelten uitgegeven, werd een der geliefdste boeken van den Hervormingstijd. Het feit dat hij ‘cum gratia et privilegio’ was gedrukt en oogenschijnlijk een kerkelijken tekst bracht, zal wel niet vreemd geweest zijn aan deze groeiende populariteit.
Men heeft deze uitgave op een lijn willen stellen met het Duitsche Nieuwe Testament van Hieronymus Emser. Zooals men weet, had deze Dominicaan in 1527 de Luthervertaling den wind uit de zeilen willen vangen door haar op 3000 plaatsen te herzien, maar overigens vrijwel onveranderd na te drukken. Het staat te bezien, of hier een soortgelijke opzet aanwezig is geweest. Als zakenman was Vorsterman uit op een zoo groot mogelijk debiet en kon hij dus geen bijbel pro of contra de Hervorming bezorgen. Hij wilde blijkbaar de kool en de geit sparen. Hervormingsgezinden hoorden in zijn bijbel bekende klanken, rechtzinnige Roomsch-Katholieken konden onmogelijk aanstoot nemen aan een kerkelijk schijnbaar zoo betrouwbare uit-
gave, waaraan nog wel de inquisiteur Niclaes Coppijn zijn zegel had gehecht. Maar vooral zal de Vorstermanbijbel wel bestemd geweest zijn voor de kleurlooze middenstof onder de lezers, die zich aangetrokken gevoelde tot het nieuwe op godsdienstig gebied, gaarne kennis wilde nemen van den volledigen bijbelinhoud, doch liever niet onder verdenking van ketterij wilde komen. Groot was de schare van stille vrienden der Hervorming, van weifelenden en zoekenden, die voorloopig nog den moed der overtuiging misten en de verschijning van dezen druk met blijdschap begroetten.
De Vorstermanbijbel is dus evengoed door Protestanten als door Katholieken gelezen. De kerkelijke overheid heeft hem nimmer officieel erkend. In 1546 zijn zelfs alle bijbeluitgaven van Willem Vorsterman op de lijst der verboden boeken gekomen. En toen in 1548 Nicolaus van Winghe zijn Roomschen bijbel met een proloog inleidde, zei hij hierin, dat door onachtzaamheid van een ‘dienaer ende setter des werks’ op veel plaatsen in den Vorstermanbijbel de ‘valsche’ tekst was blijven staan. Vorsterman heeft trouwens behoord tot de drukkers, die in het geheim de zaak der Hervorming hebben gediend. Zoo vervaardigde hij in 1529-1531 op bestelling kettersche Deensche Nieuwe Testamenten en voerde die uit naar Denemarken.
Achteraf bleek dus, dat Niclaes Coppijn met het geven van zijn consent wat onvoorzichtig was geweest. Hoonend kan een speler in een reformatorisch rederijkersspel zeggen: ‘Nicolaus Koppijn de Montibus, wat hebt ghy ghedaen. Dat ghy dees duytsche Bybels oyt hebt geconsenteert.’ In 1553 speelde deze bijbel ook een rol in het proces van den Doopsgezinden martelaar Jooskint te Kortrijk. Jooskint beriep zich daarop voor zijn opvatting in zake het eedverbod en zeide dat deze bijbel nog wel was ‘gevisiteert’ door ‘yemant van die gheleerde te Loven’. Maar de bekende inquisiteur Ronse (= Pieter Titelman, deken van Ronsse) antwoordde hem: ‘Tis waer, sy zijn ghevisiteert, ende waren goet, maer den Prenter hadde een knechtken, ende prentese valsch, binnen dat zijn meester van de stede [= niet aanwezig] was.’