terug  begin  verderprepost
[p. 199]

Hoofdstuk XI.
Katholieke bijbelvertaling.

§ 1. De invloed van het concilie van Trente.

Het zou een al te eenzijdige voorstelling van de houding der Roomsch-Katholieke Kerk en der overheid opleveren, wanneer we uitsluitend het licht lieten vallen op de gestrenge uitvoering der plakkaten. Bezonnen Katholieken wisten dat men de Hervorming geen grooter dienst kon bewijzen dan door het volk nu nog den bijbel te onthouden. Er bleef maar één middel over om de reformatorische bijbelvertaling op zij te schuiven en daarmee haar invloed ongedaan te maken: zelf een kerkelijk goedgekeurden tekst naar de Vulgata te maken en dien, voorzien van de noodige waarschuwingen, het volk in handen te geven. In de Nederlanden is dit plan in 1548 ten uitvoer gelegd, in onmiddellijken samenhang met de besluiten van het Trentsche concilie en de opkomende Contra-Reformatie.

De Hervorming heeft de Roomsch-Katholieke Kerk genoodzaakt tot zelfbezinning en nadere omschrijving van lang gehuldigde opvattingen. Men moest het eerst eens zijn over de beginselen der Kerkleer, voordat men den strijd kon aanbinden. Het concilie van Trente heeft in 1544 eindelijk de historisch gegroeide fundamenteele leerstukken scherper belijnd en nauwkeuriger geformuleerd. Hier werden tevens de maatregelen getroffen om dat wat eenmaal was vastgesteld, duurzaam te beveiligen tegen nieuwe aanvallen.

De Kerkvergadering heeft dus niet iets nieuws gebracht, maar een aantal leerstukken, welke de heele Middeleeuwen door gegolden of zich ontwikkeld hadden, officieel bekrachtigd. Een der belangrijkste besluiten was de gelijkstelling der traditie met de Heilige Schrift, het aannemen van het leergezag der Kerk, aan wie alleen het recht toekomt de Schrift te verklaren. Het logisch gevolg van dit besluit was een ander: de definitieve authentiekverklaring van den Vulgaattekst en een nauwkeurige vaststelling van de canonieke boeken.

[p. 200]

Eenheid in den bijbeltekst was een krachtig wapen in den strijd tegen Humanisme en Reformatie, die in de oogen der Katholieken alles op losse schroeven hadden gezet. Zoo zag men het merkwaardige schouwspel, dat een tekst, die duizend jaar eerder slechts schoorvoetend door de Kerk was aanvaard, thans met inbegrip van wat de Protestant Apocryphe boeken van het Oude Testament noemt, authentiek en canoniek werd verklaard. De authentiekverklaring heeft deze beteekenis, dat in zaken van geloof en zedeleer de Vulgata, en niet de grondtekst beslist. Slechts de Vulgata mag gebezigd worden in de openbare lessen, disputaties, prediking en bijbelverklaring. Niemand heeft het recht de Heilige Schrift naar eigen goeddunken uit te leggen of zich te verzetten tegen de verklaring der Kerk en het eenstemmig gevoelen der Kerkvaders. Niet goedgekeurde uitgaven, waarin aanteekeningen of glossen staan zonder naam van den auteur, mogen niet gedrukt worden.

Het spreekt vanzelf dat als noodzakelijk uitvloeisel van het laatste besluit een nauwkeurige regeling van den Vulgaattekst moest volgen. Nadat verschillende Pausen pogingen hadden gedaan tot een definitieven tekst te geraken, is eerst in 1590, onder Sixtus V, den bekwaamsten en krachtigsten Paus van de zestiende eeuw, de standaardtekst tot stand gekomen.

Het concilie heeft uiteraard ook beraadslaagd over den bijbel in de volkstaal. Het bleek dat de meeningen sterk uiteenliepen. De tegenstanders zagen in den volksbijbel de bron van alle ketterij, de voorstanders waren van meening, dat het concilie door een verbod den toestand slechts zou verergeren. Aangezien men niet tot eenstemmigheid kon komen, nam men geen bindend besluit, maar liet de regeling van de zaak over aan de commissie, die tot taak had een index van verboden boeken op te stellen en te zijner tijd ook in deze aangelegenheid aan den Paus voorstellen kon doen. In 1559 verbood Paulus IV in den index van dat jaar het drukken en bezitten van alle bijbels in de volkstaal, zonder dat vooraf verlof was verleend door de inquisitie te Rome. Zijn opvolger, Pius IV, heeft evenwel in 1564 op voorstel van bovengenoemde commissie deze strenge bepaling aanmerkelijk verzacht door de toestemming tot het lezen van een kerkelijk goedgekeurde vertaling te laten afhangen van een schriftelijke vergunning van den bisschop of den inquisiteur, op advies van pastoor of biechtvader. In 1757 is de laatste beperkende bepaling weggevallen. Sinds dat jaar is alleen nog kerkelijke goedkeuring van de uitgave noodig.

[p. 201]

§ 2. Het ontstaan van den Leuvenschen bijbel.

De besluiten van Trente waren geheel en al in den geest van de theologische faculteit te Leuven, welke van den aanvang der Hervorming op de bres had gestaan bij de verdediging van het oude geloof. De Contra-Reformatie was in de Zuidelijke Nederlanden vroegtijdig begonnen. In het bijzonder in zake de verspreiding van bijbelvertalingen namen de hoogleeraren te Leuven een afwijzende houding aan. Alleen zulk een bijbel had in hun oogen recht van bestaan, welke de gezaghebbende Vulgata reproduceerde. Vandaar dat zij niet schroomden in 1533 een afkeurend oordeel uit te spreken over de later toch vele malen herdrukte Psalmenvertaling van een hunner medehoogleeraren, den hebraïcus Johannes Campensis. Elke afwijking van de Vulgata beschouwde men als een gevaar voor de Kerk. Den innerlijken tegenzin tegen bijbelverspreiding onder leeken en aanmoediging daarvan heeft men te Leuven toch nooit goed kunnen overwinnen. Op den index van 1558 verscheen zelfs het Latijnsche geschrift ‘Over de wenschelijkheid om de heilige boeken in de volkstaal over te zetten’ van Fridericus Furius, een geleerden Spanjaard en trouw zoon der Kerk. Deze had het gewaagd met een vloed van argumenten het pleit voor den leekenbijbel op te nemen en de conservatieve meening van den Leuvenschen hoogleeraar Jo. de Bononia, een Siciliaan van afkomst, te ontzenuwen.

Was derhalve van de hoogleeraren zelf nooit een initiatief te verwachten tot vertolking van den bijbel in de landstaal, met des te meer ijver wijdden zij zich aan de vaststelling van den zuiveren Vulgaattekst. Onmiddellijk na het bekend worden van het Trentsche besluit gaf de faculteit aan professor Joannes Henten opdracht een critische uitgave van de Vulgata te bezorgen. Hiervoor maakte hij gebruik van alle waardevolle handschriften, welke in Zuidnederlandsche kloosters te vinden waren. Bovendien raadpleegde hij den Latijnschen tekst, welke door den Protestantschen uitgever Robertus Stephanus te Parijs bezorgd was. Reeds in 1547 zag deze Vulgataherziening het licht bij Bartholomeus van Grave, den drukker van de universiteit.

Deze uitgever vatte het plan op om van den gezuiverden Latijnschen bijbel zoo spoedig mogelijk een Nederlandsche en een Fransche vertaling te laten maken en verschijnen. Van den keizer had hij namelijk een privilege ontvangen om naast dien Vulgaatdruk een Franschen en Nederlandschen bijbel te bezorgen, mits deze eerst waren onderzocht en goedgekeurd door twee namens den keizer daartoe aangewezen censoren, te weten Ruwaert Tapper van Enkhuizen, doctor

[p. 202]

in de godgeleerdheid en deken van de Collegiale kerk van St. Pieter te Leuven en Meester Peter de Corte, doctor in de theologie en pastoor van genoemde kerk.

Bijgestaan door deze keizerlijke commissarissen slaagde Van Grave er in, den regulier van het Augustijnenklooster Nicolaas van Winghe te bewegen den geweldigen arbeid van een nieuwe, volledige bijbelvertolking naar den Latijnschen tekst op zich te nemen. In den persoon van Nicolaas van Winghe had de uitgever een bekwamen bijbelvertaler gevonden. Geboortig uit een aristocratisch Leuvensch geslacht, was ‘Claes van Winghe’ toegetreden tot de reguliere kanunniken van St. Martensdaal, een Augustijnenklooster in zijn vaderstad, dat aangesloten was bij de beroemde kloostervereeniging van Windesheim. Hier onderscheidde hij zich weldra door zijn studielust en groote geleerdheid. Dat zal wel de reden geweest zijn, waarom men hem tot bibliothecaris van het convent benoemde.

Midden onder de voorbereiding werden schrijver en drukker echter onaangenaam verrast door de verschijning van een concurreerende uitgave. Het was hun wel bekend geworden, dat men elders eveneens de uitgave van een Nederlandschen bijbel in Roomsch-Katholieken geest op touw had gezet. Daarom hadden zij al den grootsten spoed betracht, en nu bleek de rivaliseerende uitgave toch nog eerder gereed te zijn.

§ 3. De Keulsche bijbel van Alexander Blanckart.

Bij Jaspar van Gennep te Keulen zag in 1547-1548 een bijbel in folio-formaat het licht, getiteld: ‘De Bibel, wederom met grooter nersticheit oversien ende gecorrigeert, meer dan in sesz hondert plaetzen, ende collacioneert met den ouden Latinschen, ongefalszten Biblien. Duer B. Alexander Blanckart, Carmelit’.

Volgens de opdracht aan George van Egmond, bisschop van Utrecht - Alexander Blanckart, de bewerker, in 1548 kapelaan te Keulen, was geboortig uit Utrecht - hadden eenige vrome menschen, wien het smartte, dat de Nederlandsche bijbels zoo ‘falsch ende incorrect’ waren, hem verzocht die te verbeteren naar den ‘oprechten’ onvervalschten, Latijnschen bijbel. De schrijver had er pas toe over durven gaan, toen de theologische faculteit te Keulen hem daartoe de opdracht had gegeven. Op meer dan 600 plaatsen was de oude tekst gewijzigd. Blanckart voorzag evenwel, aldus de opdracht, nijd en laster van menschen, die hun oordeel al klaar hadden, voor ze van zijn werk kennis hadden kunnen nemen.

[p. 203]

Dan volgt een ‘admissie’ der theologische hoogleeraren van de Keulsche hoogeschool. Hierin wordt gezegd, dat Alexander Blanckart met zijn helper, Johannes Spryngell van Mechelen, de Leuvensche Vulgaatuitgave van 1547 als grondslag had gekozen. Zij hadden bovendien de beschikking gehad over een lijst, opgemaakt door de theologische hoogleeraren van Leuven, waarin alle tekstplaatsen waren opgesomd, welke dezen in den ouden Nederlandschen bijbel hadden afgekeurd. Hoewel de Keulsche theologen, naar zij in deze ‘admissie’ zeggen, zich bewust zijn, dat de uitgave nog wel gebreken zullen aankleven, hebben zij toch hun toestemming niet willen weigeren.

Inderdaad, het was haastwerk, ‘in der eyl und etwas mit unstatten undernommen’, zooals het volledig afgedrukte keizerlijk privilege het uitdrukt. Blanckart heeft onmogelijk in den korten tijd, die hem ter beschikking stond, anders kunnen handelen dan hij gehandeld heeft: een gewijzigden herdruk van den Vorstermanbijbel bezorgen, met behulp van de Leuvensche lijst op 600 plaatsen verbeterd naar de Vulgata, met weglating van kantteekeningen, summariën enz. Legt men beide teksten naast elkaar, dan zal men zien, dat Blanckart den hier en daar wat stroeven vertaalstijl van zijn voorgangers eenigszins vloeiender heeft willen maken. Het kenmerkt den invloed van den Luthertekst, dat de Keulsche Carmeliet dezen blijkbaar soms geraadpleegd heeft. Men vergelijke:

Joh. 2, 1-4.

Vorsterman 1528. Keulen 1548. Liesveldt 1532.
Ende des derden daechs is bruyloft ghehouden te Cana in Galileen, ende Iesus moeder was daer. Ende Jesus ende zijn discipulen is ooc geroepen tot die bruyloft. Ende wijn gebrekende, seyt die moeder Iesu tot hem: Si en hebben gheen wijn. Iesus seyt haer: Vrou, wat is mi met u? Mijn ure en is noch niet gecomen. Ende op den derden dach werdt een bruyloft in Cana Galileen gehouden, ende Iesus moeder was daer. Ende Iesus wert daer gheroopen mit zijn discipelen ter bruiloft. Ende als daer wijn gebrack, soo seyde Iesus moeder tot hem: Sy en hebben geenen wijn. Iesus seide tot haer: Vrouwe, wat roertet my oft u? mijn ure en is noch niet ghecomen. Ende op den derden dach wert een bruloft tot Chana in Galilea gehouden ende die moeder Iesu was daer. Iesus ende zijn discipulen worden oock totter weerscappen genoot. Ende doent haer aenden wijn gebrac, so seide die moeder Iesu tot hem: Si en hebben gheenen wijn. Iesus seyde tot haer: Vrouw, wat leyt mi aen u? Mijn ure en is noch niet gecomen.

[p. 204]

Hoewel Alexander Blanckart door zijn opdracht, evengoed als door den afdruk van de ‘admissie’ en de gebruikmaking van de Leuvensche correcties zijn arbeid als met een ‘scherm en schild’ - het zijn zijn eigen woorden - had willen wapenen tegen onwelwillende critiek, hebben al die voorzorgsmaatregelen en aanbevelingen geen effect gehad. Het is den Keulschen uitgever Jaspar van Gennep niet gelukt zijn uitgave ingang te doen vinden. De Roomsch-Katholieken gaven terecht de voorkeur aan een goede nieuwe vertaling boven een omgewerkten Vorstermantekst.

§ 4. Karakter van den Leuvenschen bijbel.

Van Winghe's ongemeene werkkracht heeft het mogelijk gemaakt, dat hij het omvangrijke werk eener complete bijbelvertaling binnen een jaar tot een goed einde bracht. Daardoor kon hij zijn arbeid stellen tegenover de uitgave van Alexander Blanckart, die volgens hem bij ‘onderkruiping’ gemaakt was. De titel van dezen flinken folio-bijbel luidt: ‘Den gheheelen Bybel, inhoudende het Oude ende Nieuwe Testament. Met grooter naersticheyt ende arbeyt nu corts in Duytsche van nyens overghestelt, wt den Latynschen Ouden Text, die over duysent Jaren in die Heylighe Roomsche Kersten-Kercke ghehouden is gheweest, onlancs te Loeven by sekeren Gheleerde, wt bevel der Keyserlycker Majesteyt ghecorrigeert, ende aldaer ghedruct.’

In een proloog zet de schrijver zijn motieven en werkwijze uiteen. In het boekenverbod van 1546, zegt hij, heeft de keizer alle bijbels en Nieuwe Testamenten, hier te lande sinds 20 jaar gedrukt, afgekeurd. Toen Bartholomeus van Grave hem aanzocht om door het maken van een nieuwe vertaling in de leemte te voorzien, had de taak eerst weinig aanlokkelijks voor hem. In de eerste plaats, omdat de bewerking, wegens de plannen van den Keulschen concurrent, in den kortst mogelijken tijd moest geschieden, maar ook omdat over het vertalen van de Heilige Schrift zoo verschillend geoordeeld wordt. Het is eigenlijk een arbeid, die te zwaar is voor één mensch. Allerlei termen en zegswijzen uit het Oude en Nieuwe Testament laten zich moeilijk in verstaanbaar Nederlandsch vertolken. Verder moet men in aanmerking nemen, dat het den vertaler een zware verantwoordelijkheid oplegt, de heilige woorden Gods, door den Heiligen Geest ingegeven, van de eene taal in de andere over te brengen. Daarvoor is wel bijzondere genade van den Geest noodig.

[p. 205]

Behalve het verzoek van den uitgever is er nog iets anders, wat hem bewogen heeft de hand aan den ploeg te slaan. Al zien ‘veel

illustratie
Afb. 22. - Titelblad van den Roomsch-Katholieken Leuvenschen bijbel van Nicolaas van Winghe, in 1548 verschenen bij Bartholomeus van Grave.

Geleerde en experte’ lieden ongaarne, dat men den bijbel aan de menschen in handen geeft, omdat deze er toch maar misbruik van maken, Van Winghe is een andere opvatting toegedaan. Hij meent juist door

[p. 206]

het uitgeven van een goeden, onvervalschten, Nederlandschen bijbel de andere, wijd verbreide, maar ‘incorrecte’ en vervalschte bijbels des te beter uit de handen der eenvoudige lieden te krijgen. Dezen kunnen, den wensch van Johannes Chrysostomus nalevend, thuis, voor ze naar de kerk gaan, eerst den bijbel lezen; dan zouden ze als toehoorders van het sermoen des te meer zegen ondervinden.

Bij zijn arbeid heeft hij, zoo gaat Van Winghe voort, dikwijls den Delftschen bijbel van 1477 en de Hoogduitsche bijbelvertalingen van Eck en Dietenberger geraadpleegd. Bovendien werd hem bijstand verleend door twee Leuvensche doctoren in de godgeleerdheid, Mr. Peter de Corte, pastoor van St. Pieter en rector van de universiteit en Mr. Godevaert Stryrode, regent van het studenten-convent der Dominicanen, beiden mannen die langen tijd voor ‘den gemeynen volke’ in hun prediking de Schrift hadden verklaard en dus ervaring hadden van het vertolken van bijbelgedeelten.

Als taal had hij gekozen ‘de gemeyne Brabantsche taale, als men die useert te Loven’, dus de omgangstaal van zijn geboorte- en woonplaats. Blijkbaar heeft hij, als andere vertalers uit dien tijd, eenheid en orde in zijn taalgebruik willen brengen door zich te richten naar één dialect, dat dan als standaardtaal dienst doet.

Omtrent zijn vertaalmanier merkt hij op, dat hij ‘seer scherpelyk’ de Vulgata had gevolgd. Hij had namelijk den stijl van de Heilige Schrift zooveel mogelijk willen eerbiedigen en het Latijn zelfs in de volgorde der woorden nagebootst, voor zoover de Nederlandsche taal dat toeliet. De keizerlijke commissarissen hadden hem dat uitdrukkelijk gelast; zij hadden liever een getrouwe overzetting, al was die ook niet kunstig van taal, dan een kunstwerk dat al te ver van de Vulgata stond.

Op deze voorrede volgt een uitvoerig vertoog, dat later ook afzonderlijk gedrukt werd: ‘Een goet onderwijs van die weerdicheyt, nutticheyt ende diepheyt der heyligher Scriftueren, hoe men die behoort te lesen ende te verstaen ende te ghebruyeken om salich te worden.’ Deze goed geschreven handleiding voor onervaren Schriftlezers, waarvoor de schrijver gebruik heeft gemaakt van de ‘boeken der leeraars’, dus der Kerkvaders en -leeraars, is een model van strengen betoogtrant. In 13 kapittels geeft Van Winghe een uiteenzetting van het principieele standpunt der Kerk tegenover den bijbel in het algemeen en vertalingen in het bijzonder. De bedoeling van het Goet Onderwijs is echter niet alleen een juiste lezing van de Schrift te bevorderen, maar ook om te waarschuwen voor het ‘perikel van

[p. 207]

dolingen’, dat het gevolg kan zijn van eigenmachtige verklaring.

Het tweede hoofdstuk stelt de vraag aan de orde, hoe het te verklaren is, dat er nu zooveel menschen afgedwaald zijn van het rechte geloof, terwijl toch de Heilige Schrift, dat ‘groot en puer licht’, op grooter schaal dan ooit te voren het geval was, door de drukpers is verspreid. Vroeger moest men voor een geschreven bijbel het hooge bedrag van 40 à 50 gulden betalen, tegenwoordig kost een gedrukte uitgave slechts even zooveel stuivers. En toch is door de ketterij het licht van de Schrift verduisterd, ‘want zijnt mans oft vrouwen, gheleert oft ongheleert, leeken oft clercken, het is nu al met der heyligher scriftueren becommert.’

Het dertiende kapittel zet uiteen ‘Hoe dat hem een iegelyk wachten moet voor die Duytsche en Walsche Bybelen ende ander valsche boeken, onlangs verboden by der Keyserlyke Majesteit; en waerom sommige van dien verboden zyn’. Het behelst dus een toelichting bij den index van 1546. De Liesveldtbijbel, zegt Van Winghe, is verboden, omdat hij niet uit het Latijn van Hieronymus is vertaald, maar berust op een Hoogduitschen bijbel, welke het werk is van Maarten Luther en zijn medeplichtigen, ‘vermaarde ende verdoemde ketters in onsen tyden’. Dezen hadden den bijbel overgezet ‘uyt verscheyden niewe translatien’, wat wel een eigenaardig denkbeeld geeft van zijn kijk op den grondtekst! Aan de hand van verschillende voorbeelden tracht hij dan het onjuiste van sommige vertalingen in deze uitgave aan te toonen. Zoo maakt hij aanmerking op de invoeging van het woordje ‘alleen’ in Rom. 3, 28, op de vertaling ‘oudsten’ in plaats van ‘priester’ in Jac. 5, 14 en op Luther's vertaling van Gal. 5, 6, waar hij door zijn vertaling laat uitkomen, dat volgens hem het geloof meer dan de liefde is. Behalve Van Liesveldt hebben ook andere drukkers den bijbeltekst op ergerlijke wijze verminkt en het ontstaan van dwalingen bevorderd door het opnemen van valsche inhoudsopgaven boven de hoofdstukken en kantteekeningen. Als een van de ernstigste vervalschingen noemt hij de inhoudsopgave boven Romeinen 13 in sommige Nieuwe Testamenten, met de woorden: ‘Onder die christenen en is gheen overheyt, maer een ieghelijck wil des anders dienaer wesen ut liefden.’ Volgens hem is deze aanteekening ‘een van den quaetsten articulen van die dolinghe der herdoopers die segghen, dat die christenen gheen overhooft en hebben dan Christum, ende dat sulc ooc gheen eyghen goet en behooren te hebben, maer dat onder die kerstenen alle goet moet ghemeyn wesen’. De Vorstermanbijbel deugt al evenmin als die van Van

[p. 208]

Liesveldt. Ondanks het keizerlijk privilege is die uitgave onbetrouwbaar. De correcties zijn namelijk niet alle aangebracht, doordat een ontrouwe letterzetter verscheidene had verdonkeremaand.

Slaat men Van Winghe's bijbelvertaling zelve op, dan blijkt deze een geheel zelfstandig werk te zijn. Wel zijn er verscheidene reminiscenties aan oudere overzettingen, die hij volgens zijn eigen zeggen gebruikt heeft, vooral aan den Delftschen bijbel van 1477 en aan de Hoogduitsche vertaling van Dietenberger. Deze Dominicaan had in 1534 hetzelfde gedaan met Luther's Oud Testament als Emser in 1527 met het Nieuw Testament: den Luthertekst aangepast aan de Vulgata. Zulke geringe overeenkomsten verminderen geenszins de waarde van den Leuvenschen bijbel als vertaling, die evenzeer uitmunt door vloeienden stijl als door rijkdom van woordkeuze. De woordelijke getrouwheid aan het Latijn doet niet de minste afbreuk aan de verstaanbaarheid. Nergens hindert een passage door stroefheid van uitdrukkingswijze. Een voorbeeld:

Habakuk 3, 2-5.
Heere ic heb u ghehoor ghehoort, ende ick heb ghevreest. Heere u werck is int midden der iaren, maect dat levende, int midden der iaren suldijt bekent maken, als ghij sult gram wesen, soo suldi der bermherticheyt ghedencken.
Godt sal van den suyden comen ende die heylighe van den berch Pharan. Altijt. Sijn glorie heeft die hemelen bedect, ende die eerde is vol van sijnen loff.
Sijn scijnsel sal als een licht sijn, hoornen sijn in sijn handen, daer is sijn stercheyt verborghen.
Voer sijn aensicht sal die doot gaen, ende die duyvel sal voer sijn voeten utgaen.

Nicolaas van Winghe heeft zich niet, als zijn rivaal Alexander Blanckart, van zijn taak afgemaakt door den Vorstermanbijbel te herzien. Ondanks den korten tijd, die hem was toegemeten, heeft hij een geheel oorspronkelijke vertaling tot stand gebracht. Hij knoopte door dezen vertaalarbeid direct aan bij de traditie, die in zijn kloostervereeniging nog voortleefde. Evenals zijn voorganger Johan Schutken wilde hij het ‘gemeene volk’ het Woord van God zelf brengen. Men bedenke evenwel, dat de spoorslag van de Hervorming noodig was om Van Winghe aan het werk te zetten. Zijn doel was immers de kettersche bijbeluitgaven uit de handen van het volk te krijgen.

De verwantschap van den Leuvenschen vertaler met zijn geestelijke voorgangers blijkt ook uit zijn vertaling van Thomas a Kempis'

[p. 209]

Imitatio. Deze ‘Navolghinge Christi’, nog in het jaar 1548 bij Bartholomeus van Grave verschenen, heeft grooten opgang gemaakt. Voorts heeft Van Winghe naam gemaakt als vertaler van Flavius Josephus' ‘Joodsche oorloghe ende joodsche oudheden’ (Antwerpen 1553). Te Brussel berust een bundel ongedrukte Sermoenen van zijn hand. De werkzame man was, toen hij zich aan zijn bijbelwerk zette, waarschijnlijk reeds vrij bejaard, want vier jaar later, in 1552, is hij als biechtvader der nonnen te Mishagen bij Antwerpen gestorven.

De Leuvensche bijbel heeft in den Hervormingstijd en jaren daarna een verdienden opgang gemaakt. Groot is het aantal uitgaven, maar toch altijd nog bescheiden in vergelijking met den stroom van Protestantsche bijbeldrukken, die na 1548 verschenen is. De aantrekkingskracht van Antwerpen liet zich ook nu weer gevoelen. De meeste drukken van den Roomschen tekst verschenen namelijk te Antwerpen, enkele te Leuven, Keulen en Leiden. Met hun houtsnedenverluchting en Epistel- en Evangelie-aanwijzingen, welke geleidelijk uit de Hervormde bijbels verdwenen, bleven zij nog lang een eenigszins ouderwetsch karakter dragen. Bijzonder fraai verzorgd zijn de uitgaven van Christoffel Plantijn te Antwerpen 1564-1565, met versindeeling en den druk van de firma Birckmann te Keulen in 1565.

In Antwerpen werden trouwens sinds 1545 geen reformatorische bijbeluitgaven meer gedrukt. De gestrenge tenuitvoerlegging der verboden had tengevolge, dat zij, die tot nog toe de Hervorming hadden gesteund, òf uitweken naar den vreemde òf het roer omgooiden. Bijbeldrukkers als de firma's Willem Vorsterman, Maria Ancxt, weduwe van Jacob van Liesveldt, haar zoon Hans en Henric Peetersen deden het laatste; zij verloochenden hun verleden en werkten voortaan mede aan de verbreiding van den Roomsch-Katholieken bijbel.

Den grootsten naam als uitgever hiervan heeft echter de beroemde Christoffel Plantijn († 1589) gemaakt, de Architypographicus Regius. Als eerste boekdrukker van den koning drukte hij in 1570 en 1572 de nieuwe aangevulde bewerkingen van den Index, en verder een geheele reeks van staatsstukken, hetgeen zijn goede verhouding tot de overheid teekent. Behalve een druk van den Leuvenschen bijbel, bezorgde hij ook een grooten polyglotbijbel. Merkwaardig is intusschen, dat de naam van dezen koninklijken aartsdrukker voorkomt op een lijst van Calvinistische verdachten van 1566-'67. Een Calvinist is hij echter niet geweest. In later tijd was hij in het geheim

[p. 210]

aangesloten bij de Anabaptistische secte van het Huis der Liefde, voor welker leider Hendrik Niclaes hij zelfs clandestien gedrukt heeft. Nog later treffen we hem aan bij de verwante groep van Hendrik Jansen, ook wel Hiël of Barrefelt geheeten. Het is intusschen niet uitgesloten, dat Plantijn in gemoede gemeend heeft zulke sympathieën met zijn Roomsch-Katholicisme te kunnen vereenigen.

Bij zijn schoonzoon en opvolger Jan Moerentorf verscheen in 1599 een herziene uitgave. Eenige Leuvensche theologen hadden den tekst gecorrigeerd naar de nieuwe Vulgaatuitgave van Sixtus V en Clemens VIII; de oorspronkelijke redactie van den Leuvenschen bijbel hielden zij zooveel mogelijk intact. Deze verbeterde uitgave is tot in de negentiende eeuw in een lange reeks van uitgaven voor Roomsch-Katholieken de standaardtekst gebleven, zoodat Nicolaas van Winghe's arbeid van duurzame waarde geweest is.

prepostterug  begin  verder