terug  begin  verderprepost
[p. 211]

Hoofdstuk XII.
De Reformatorische bijbel in ballingschap.

§ 1. De Liesveldtbijbel.

Na 1544 nam tengevolge van de in hevigheid toenemende geloofsvervolging de uitwijking uit de Nederlandsche gewesten, in het bijzonder Brabant en Vlaanderen, een aanvang. De inquisitie had het het meest gemunt op de leiders van de nieuwe leer. Dezen waren wel gedwongen zich in het zooveel gastvrijer buitenland in veiligheid te stellen. Niet gebrek aan moed dreef hen daartoe, maar de vrees dat anders de kudde geheel van haar herders beroofd zou worden. Met hun aanhangers, die het meest gevaar liepen om voor de geloofsrechtbanken gebracht te worden, zochten en vonden zij een toevluchtsoord in Londen, waar onder de regeering van den jongen Eduard VI (1547-1553) het Protestantisme niet slechts geduld, maar zelfs begunstigd werd; naar Emden, in Oost-Friesland, waar onder het regentschap van gravin Anna van Oldenburg het Lutheranisme naar den achtergrond werd gedrongen door het Zwinglianisme en Calvinisme; naar het herbergzame Rijngebied.

Wat de ballingen in het moederland ook moesten achterlaten, één ding namen zij in de verstrooiing met zich mede: hun bijbel. Het is niet twijfelachtig, welke uitgave onder hen het meest geliefd was. De Liesveldtbijbel is het geweest, waaruit zij in deze jaren troost en verkwikking geput hebben. Zij moesten daarvoor teren op ouden voorraad, want doordat de drukpers van Antwerpen aan banden was gelegd, is van 1545 tot 1554 geen enkele Protestantsche bijbel-uitgave verschenen, afgezien van een Nieuw Testament uit 1550, waarvan niets naders bekend is. Er was dus een stilstand gekomen in de verspreiding van den Hervormden bijbel, die beëindigd zou worden, toen de bannelingen eenigszins op adem waren gekomen en de medegevluchte Hervormde boekdrukkers hun persen weer hadden geïnstalleerd. In deze jaren heeft de Liesveldtbijbel dienst gedaan bij de uitgewekenen van de godsdienstige richtingen, die zich allengs

[p. 212]

gingen onderscheiden, zoowel dus bij Doopsgezinden en Gereformeerden als bij het groepje Lutherschen. Ondanks alle verschillen in religieuze denkwijze hebben de Nederlandsche Protestanten den Liesveldtbijbel, die immers met zooveel bloed en tranen gedrenkt was, in eere gehouden. Wel kwamen later andere vertalingen in gebruik, maar herhaaldelijk kwamen toch ook nog herdrukken ‘na de copye van Jacob van Liesveldt’ van de pers, na den terugkeer in het vaderland vooral te Amsterdam, waar nog in 1629 een Liesveldtbijbel gedrukt werd. Boekverkoopers en logementhouders aldaar kozen soms als afbeelding op hun uithangteeken den Liesveldtbijbel. Het naderhand gesloopte Bible-hotel in de Warmoesstraat heeft met zijn eigenaardigen naam de herinnering daaraan nog lang, tot ver in de negentiende eeuw, bewaard.

§ 2. De bijbel der Doopsgezinden.

De Profeten van den uitgever Mattheus Jacobszoon (1554).

Viel het moeilijk een vertaling uit de eerste tientallen jaren der Hervorming met zekerheid toe te kennen aan een bepaalde groep, thans ontstond in de ballingschap een rijk geschakeerde reeks bijbeluitgaven, welke bestemd waren voor Doopsgezinden en Lutherschen eenerzijds, Gereformeerden anderzijds. Al droeg men den Liesveldtbijbel groote vereering toe, men sloot toch niet de oogen voor de gebreken, die hem aankleefden. Nu het eenmaal noodig was om de bijbelverspreiding weer van meet af te beginnen, achtte men het beter om den Liesveldttekst òf te herzien òf te vervangen door een geheel nieuwen.

Den eersten weg hebben de Doopsgezinden ingeslagen. Vanouds vlijtige bijbellezers en doorkneed in Schriftkennis - volgens sommigen hadden zij als het ware den bijbel opgegeten -, verlangden zij het eerst eigen uitgaven te bezitten. Een zeer bescheiden begin was de uitgave ‘Die Prophetien der Propheten’ in 1554. De uitgever van dit boekje in zeer klein formaat was de uitgeweken Doopsgezinde drukker Mattheus Jacobszoon, die zijn drukpers van Amsterdam had overgebracht naar Keulen, wijkplaats van velen zijner geloofsgenooten. De boeken der Profeten zijn onder Doopsgezinden altijd een geliefkoosde lectuur geweest. In Duitschland hadden de Wederdoopers Denck en Hätzer in 1527 te Worms, rechtstreeks uit het Hebreeuwsch een uitstekende zelfstandige ver-

[p. 213]

taling gemaakt, waarvan Luther, toen hij eenige jaren later aan dit gedeelte van den bijbel toe was, een enkele maal gebruik heeft gemaakt. De tekst van Mattheus Jacobszoon behelst echter geen eigen overzetting uit het Hebreeuwsch of een vertolking naar Denck en Hätzer, maar is behoudens eenige onbeduidende wijzigingen een herdruk naar Van Liesveldt.

Het Nieuwe Testament van Mattheus Jacobszoon, later van Nicolaes Biestkens.

In hetzelfde jaar verscheen echter bij Mattheus Jacobszoon te Keulen een Nieuw Testament, even bescheiden van omvang als de Prophetieën, maar dat de aandacht trekt door zijn titel en tekstvorm. Het opschrift luidt als volgt: ‘Dat nieuwe Testament ons liefs Heeren Jesu Christi, dwelck hy ut den hoogen Hemel hier beneden ghebracht heeft, ende heeft dat beleeft, geleert, ende met sinen dierbaren bloede beseghelt, daer en boven soo heeft hy zijne Apostelen bevolen, dat te predicken allen volcke.’ De Duitsche theoloog Keller en Ds. van Druten hebben gewezen op den Erasmiaanschen geest, dien deze lange titel ademt. De practische vroomheid en theologische denkwijze van den bijbelschen humanist hadden weerklank gevonden in den kring der Doopsgezinden. Van Druten heeft voorts een reeks overeenkomsten tusschen den tekst van dit Nieuwe Testament en de uitgave van Govert van der Haghen van 1525 meenen op te merken. De drukker heeft namelijk niet willen volstaan met een nieuwe editie van de Liesveldtvertaling ter perse te leggen, maar deze eenigszins doen omwerken. Toch laat het grootste gedeelte der talrijke tekstwijzigingen zich niet verklaren uit het gebruik van oudere vertalingen, zooals Van Druten wil. De onbekende Doopsgezinde bewerker moet het Grieksche Nieuwe Testament van Erasmus bij de hand gehad hebben, en daarnaar, of naar de Latijnsche vertaling hiervan, heeft hij den Liesveldttekst herzien en van specifieke Lutherlezingen ontdaan. Zoo is tevens het parallelisme met bovengenoemde uitgave van 1525 opgehelderd, welke immers (zie blz. 175) voor een deel Erasmuslezingen bevat. Het volgende fragment bewijst overtuigend, dat dit Doopsgezinde Testament niet een nieuwe vertaling mag heeten.

[p. 214]


illustratie
Afb. 23. - Titelblad van het Doopsgezinde Nieuwe Testament, in 1554 verschenen bij Mattheus Jacobszoon, waarschijnlijk te Keulen.



illustratie
Afb. 24. - Titelblad van het Doopsgezinde Nieuwe Testament, in 1563 verschenen bij Lenaert der Kinderen te Emden.

[p. 215]

Philipp. 2, 5-8.

Liesveldt 1532. Matth. Jacobsz. 1554.
Een yegelic si ghesint, so Christus Iesus ooc was, Een yegelijc si gesint als Iesus Christus was.
die welcke hoewel hy in Godlijcke ghedaente was, heeft hijs niet een roef geacht, Gode gelijc te sine De welcke, hoewel hy in goddelijcke gedaente was, so en heeft hijt geenen roof geacht, God gelijc te zijn.
mer heeft hem selven vernieut, ende dye ghedaente eens knechts aenghenomen, ende is gheworden gelijc een ander mensche, ende in ghelate als een mensche ghevonden, Maer hy heeft hemselven vercleynt, ende de gedaente eens knechts aengenomen, ende is gewerden gelijc een ander mensche, ende aent gelaet gelijc een mensche gevonden.
ende heeft hem selven vernedert, ende is ghehoorsaem gheworden totter doot, ia totter doot des cruyces. Hy heeft hemselven vernedert, ende is gehoorsaem geworden totter doot, ia totter doot des cruys.

Vier jaar later, in 1558, bezorgde een onbekende uitgever, zonder opgave van adres, een nadruk. Bij den titel staat: ‘Ghedruct ende verbetert na de copye van Mattheus Jacobszoon’. Voor het eerst werd hier in een Doopsgezinde uitgave de versindeeling (zie blz. 226) toegepast.

Daarna volgden de drukken elkaar met groote snelheid op. Een vierde verscheen bij Lenaert der Kinderen te Emden, wiens drukkersmerk een lelie onder de doornen was, zinnebeeld van de gemeente onder het kruis. Het nieuwe hierin is, dat de onechte Brief aan de Laodicensen, naar het voorbeeld van den Wormser bijbel van 1529, hier een plaats heeft gevonden. Een der uitgevers zegt in zijn voorrede, dat deze Testamenten ‘seer wel begeert en verkocht’ werden. Vooral de persen van Nicolaes Biestkens van Diest, afkomstig uit Brabant en lid der Doopsgezinde gemeente te Emden, voorzagen in de groote behoefte tot zooveel voldoening van de gebruikers, dat weldra de benaming ‘na de copye van Mattheus Jacobszoon’ in nadrukken plaats maakte voor de aanbeveling: ‘na de copye van Nicolaës Biestkens’ en de uitgaafjes voorgoed den naam van Biest-kenstestamentjes kregen. De Emder uitgever Willem Geylliaert, die ook Gereformeerde bijbels bezorgd heeft, gaf in 1563 een druk uit in zéér kleine letter. In zijn woord ‘Totten Leser’ spreekt hij er zijn blijdschap over uit, dat de ‘victoriose waerheyt des heyligen Evangeliums’ nu overal wordt gezocht en bemind, dat vele vromen liever een Nieuw Testament bij zich dragen dan ‘ydele ende luegenachtige Historien’. Deze populariteit heeft zich onverzwakt gehand-haafd. Tientallen uitgaven zagen, ook na den terugkeer der vervolg-

[p. 216]

den in het moederland, in de 16de en 17de eeuw het licht, totdat de Statenbijbel gaandeweg, ook de Doopsgezinden voor zich had weten te winnen. Het laatste Biestkenstestament verscheen in 1723.

De bijbel van den uitgever Biestkens.

De belangstelling voor den bijbel beperkte zich bij de Doopsgezinden niet tot de Profeten en het Nieuwe Testament. Zij verlangden hiernaast een volledigen bijbel te bezitten. Aan dezen wensch kwamen in 1558 de Emder uitgevers Steven Mierdman en Jan Gheylliaert tegemoet met hun ‘Biblia, Dat is de gheheele Heylige Schrift, in gemeyn Nederlandtsch duytsch’. In het voorbericht zeggen de onbekende bewerkers, dat zij dezen bijbel ten gerieve van hen, die het Hoogduitsch of ‘Oostersch’ niet kennen, hebben vertaald uit den Nedersaksischen Lutherbijbel, welke in 1554 te Maagdenburg bezorgd was door Michael Lotter. Deze tekst munt volgens hen uit door bijzondere nauwkeurigheid. Om hem zooveel mogelijk intact te laten, hadden zij sommige woorden wegens ‘haer sonderlinge eygenscap ende kracht’ niet durven vernederlandschen, maar op den rand toch verklaard. Voorts hebben zij inhoudsopgaven boven de hoofdstukken geplaatst en een register opgenomen.

De bewerkers hebben zonder eenigen twijfel den Liesveldtbijbel als grondslag genomen en dezen nog nauwer bij den Luthertekst naar het Maagdenburgsche exemplaar aangesloten. Een voorbeeld ten bewijze:

Titus 2, 1-2.

Liesveldt 1532. Emden 1558. Luther 1534.
Segghet ghi wat der saligher leer aengaet.
Den ouderen, dat si sober sijn, redelic, manierlic, sterc int gheloove, in die liefde, in lijdtsaemheyt.
Maer spreeckt ghy, ghelijck alst betaemt, na der heylsamer leere.
Den Ouden, dat sy nuchteren zijn, eerlijck, suchtich, gesont int gheloove, inder liefde, inder lijdsaemheyt.
Du aber rede, wie sichs zimet nach der heilsamen lere.
Den alten, das sie nuechtern seien, ehr-bar, zuechtig, gesund im glauben, inn der liebe, inn der gedult.

Een woord als ‘suchtich’ was een germanisme, zooals er in dezen bijbel meer voorkomen. De bewerkers hadden er trouwens al voor gewaarschuwd.

Het mag wellicht de verbazing opwekken, dat Doopsgezinden zoo trouw Luther volgden. In de ballingschap ontbrak hun de gele-

[p. 217]



illustratie
Afb. 25. - Titelblad van den Doopsgezinden bijbel, in 1563 verschenen bij Lenaert der Kinderen te Emden.



illustratie
Afb. 26. - Tekstbladzijde van den Doopsgezinden bijbel in 1563 verschenen bij Lenaert der Kinderen te Emden.

[p. 218]

genheid om den grondtekst te bestudeeren en een zelfstandige vertaling daarvan te maken. De bijbels van Luther en Van Liesveldt stonden bij hen in hooge eer, zoodat ze niet beter konden doen dan den bijbel, dien ze altijd gebruikt hadden, in zoo correct mogelijken vorm uit te geven. Het Doopsgezind karakter van dezen ‘Nederlandschen Bijbel Lutheri’, zooals hij later terecht genoemd werd, komt daardoor niet zoozeer uit in den tekst als wel in het bijgevoegde register. Het artikel ‘eedtsweeren’ bijvoorbeeld haalt allerlei bijbelteksten betreffende deze zaak aan en trekt daaruit de gevolgtrekking: ‘sweeren en sal men in gheender manieren, noch bij den hemel, noch by der aerden, noch by geenen anderen eedt.’

De lotgevallen van dezen bijbel loopen evenwijdig met die van het Doopsgezinde Testament. Hij heeft zijn bekendheid en verspreiding niet te danken aan de eerste uitgevers, maar aan Nicolaes Biestkens. In 1560 liet hij te Emden een kwarto-uitgave verschijnen, in welke, voor de eerste maal in een completen Nederlandschen bijbel, de versindeeling was toegepast ‘tot vorderinghe van den leser om terstont te vinden het gene, dat hij soect’. Lenaert der Kinderen bezorgde in 1563 te Emden een nieuwe editie, veel geringer van omvang, in klein octavo-formaat, gedrukt met een ‘extra cierlyck kleyn Cursyff Lettertjen’ naar de beschrijving van Le Long. Een oude overlevering verhaalt, dat dit boekje tijdens de vervolging met een zilveren letter in een schip op de Noordzee gedrukt zou zijn. De nuchtere waarheid is, dat Lenaert der Kinderen zijn boekwinkel had in een huis, waarvan de gevelsteen de woorden ‘in 't Schip op de Noord-See’ behelsde.

Intusschen werd nog voortdurend gewerkt aan de verbetering van den tekst, een bewijs dat wetenschappelijke Schriftstudie onder Doopsgezinden niet geheel en al verwaarloosd werd. Zoo verscheen er in 1568 bij een onbekenden uitgever een herdruk, ‘overgesien ende verbetert’ naar een menigte uitgaven van den Hebreeuwschen en Griekschen grondtekst, Latijnsche vertalingen daarvan, benevens Fransche, Duitsche en Nederlandsche bijbels. Bij elkaar noemt hij niet minder dan 27 teksten! In 1569 werd op soortgelijke wijze het bovengenoemde Biestkenstestament aan een revisie onderworpen.

Nicolaes Biestkens zelf liet eveneens voortdurend nieuwe uitgaven verschijnen, ook toen hij Emden had verlaten en zich in Noord-Holland, eerst, in Hoorn, daarna in Amsterdam, had gevestigd. Nadat hij in 1585 was gestorven, hebben zijn zoons het uitgeversbedrijf in den geest van hun vader voortgezet.

[p. 219]

Afzonderlijke vermelding verdient nog een uitgave met een titel, die eigenlijk onjuist is: ‘Den Bijbel, Dat is, De Boecken der heyligher Schriftuer, uytten oorspronckelycken Hebreeuwschen en Griecschen getrouwelyk verduytschet. Men vindtse te coop by Kryn Vermeulen de jonge, Cramer, woonende opte lege zijde van Schotlandt by Danswijck 1598.’ Het zonderling lijkende adres van den boekverkooper duidt de voorstad Schotlandt van de havenplaats Danzig aan, volksetymologisch vervormd tot Danswijck. Hier had zich een vluchtelingengemeente van Nederlandsche Doopsgezinden gevormd, die bij hun eigen boekhandelaar Biestkensbijbels konden koopen. Kenners van oude uitgaven verzekeren ons, dat de druk afkomstig is van Gillis Rooman te Haarlem. Deze zou, uit vrees voor Calvinisten, die de Doopsgezinden met vervolging bedreigden, naam en adres hebben verzwegen. Het is mogelijk, want in een uitvoerige voorrede laat de schrijver zich misprijzend uit over den Gereformeerden Emder bijbel van 1562 (zie blz. 238-245). Na er eerst zijn verheugenis over uitgesproken te hebben, dat na een tijd van gebrekkige bijbelvertalingen en vervolging van Gods Woord verscheidene goede overzettingen door Gods goedheid aan den dag gekomen zijn, roemt hij den bijbel van Luther en de Nederlandsche bewerking daarvan in de Biestkensredactie. Deze acht hij beter dan den Gereformeerden bijbel. De samenstellers hiervan hadden volgens hem beter gedaan ook van het Oude Testament een vertaling naar den grondtekst te maken dan den Luthertekst zoo te verminken. We zullen nog zien, dat dit verwijt volkomen ongegrond was.

In 1633 heeft Paulus Aertsz van Ravensteyn, bekend als drukker van den Statenbijbel, behalve een Biestkenstestament een Biestkens-bijbel in klein formaat bezorgd.

Na de verschijning van de Statenvertaling is de Biestkensbijbel nog wel vele malen ter perse gelegd, maar eindelijk heeft hij toch het lot gedeeld van het Testament der Doopsgezinden.

§ 3. Gereformeerde bijbelvertaling.

Ontwakende behoefte aan een Gereformeerden bijbeltekst.

Al eenigen tijd voor de geloofsverkondiging der Hugenootsche predikers in de Zuidelijke Nederlanden, had het Calvinisme dank zij de verspreiding van Calvijn's geschriften en het persoonlijk contact van vele Nederlanders met den Geneefschen hervormer onder de ballingen en de vrienden in het moederland grooten aanhang

[p. 220]

verworven. Hoewel aanvankelijk gering in aantal, namen de Gereformeerden aanstonds een plaats op het voorplan in. Hun welomschreven leer en hecht kerkverband deden hen sterk staan in den richtingenstrijd op godsdienstig terrein. De gemeenten der ‘uitheemschen’ in Engeland, Oost-Friesland en het Rijngebied gingen zich namelijk naar Geneefsch voorbeeld organiseeren. Deze kerkenordening geschiedde onder leiding van den Poolschen hervormer Johannes à Lasco, geboortig uit een adellijk geslacht. Door Erasmus tot de kennis van het Evangelie gebracht was hij via het Zwinglianisme onder invloed van Calvijn gekomen. Als koninklijk superintendent over de vluchtelingen organiseerde hij, bijgestaan door zijn trouwen medewerker en vriend, den aanzienlijken Vlaming Johannes Utenhove, van 1550 tot 1553 te Londen de Nederduitsche Gereformeerden onder een consistorie met ouderlingen en predikanten. In onvoorwaardelijke onderwerping aan Gods Woord rekenden zij het zich een onafwijsbaren plicht de Schrift nauwkeurig te kennen en uit te leggen. De gemeenteleden ontvingen dan ook in de zoogenaamde ‘profetie’, bijeenkomsten onder leiding van den geleerden predikant Walther van Delen, onderwijs in de exegese van het Oude Testament. Toen bij de troonsbestijging van Maria de Bloeddorstige den Gereformeerden het verblijf in Engeland ontzegd werd, gingen eenige honderden leden met à Lasco en Utenhove scheep. Na velerlei lotswisseling vonden zij een nieuwe woonplaats in het herbergzame Emden. Het in Londen begonnen werk konden à Lasco en zijn medewerkers rustig voortzetten. Hier werden de predikanten voorbereid voor hun taak om op gevaarvolle visitatiereizen de kerken onder het kruis in het vaderland het Woord te brengen en op dezelfde wijze te organiseeren. Hier ook hadden, althans in de jaren toen à Lasco nog te Emden vertoefde, onder zijn leiding bijeenkomsten van predikanten plaats, naar het Zürichsch voorbeeld ‘profetieën’ genoemd (zie beneden blz. 221).

Een essentieel bestanddeel van zulk een kerkelijke organisatie is het gebruik van een eigen, uniform kerkboek, een Psalmberijming en liturgische formulieren, een eigen catechismus, een eigen geloofsbelijdenis, maar bovenal van een eigen bijbel. De zorgen van Johannes à Lasco en Utenhove hebben zich ook over deze aangelegenheid uitgestrekt. Het is geen wonder dat zulke Gereformeerde theologen behoefte gingen voelen aan een nieuwe bijbelvertaling. Zich bukkend onder het Schriftgezag konden zij geen vrede hebben met den Liesveldtbijbel, die immers een nabootsing gaf van den Luthertekst met

[p. 221]

zijn onafhankelijke houding tegenover den grondtekst. Van de zijde der eenvoudige gemeenteleden werd om een nieuwe vertaling niet gevraagd. Die waren gehecht geraakt aan den ouden bijbel, trouwen steun in zooveel gevaren, en zouden dus niet spoedig te bewegen zijn, den geliefden tekst prijs te geven.

De bijbel van de uitgevers Steven Mierdman en Jan Gheylliaert (1556).

De eerste Gereformeerde bijbel is echter niet van officieel kerkelijke zijde verschenen, maar als een particuliere onderneming van de Emder uitgevers Steven Mierdman en Jan Gheylliaert. Dezen sloegen in 1556 een geheel nieuwen weg in. De titel: ‘Den Bibel in duyts, dat is, alle boecken des Ouden ende Nieuwen Testaments, na de oorsprongelycke Spraken opt alder getrouwelycste verduytst’ is echter eenigszins misleidend. Want al bracht deze uitgave niet een herziening van den tiesveldtbijbel zooals de Doopsgezinden die hadden gemaakt, evenmin werd hier een vertaling rechtstreeks uit de grondtalen aangeboden. In den proloog onthult de vertaler Jan Gheylliaert, die tegelijkertijd een der uitgevers was, de afkomst. Het blijkt dat deze Nederlandsche redactie bewerkt is naar den Duitschen bijbel van Zürich. Hij prijst dezen als de klaarste, ‘uytdrukkelyckste’ en duidelijkste overzetting, direct uit den grondtekst, welke ooit het licht had gezien. Daarom had hij juist die getrouwe vertolking boven alle andere uitverkoren voor een bewerking in de Nederlandsche taal. Voor het stuk van het Oude Testament tot en met Baruch had hij den Liesveldttekst nog zooveel mogelijk ontzien en dezen slechts gewijzigd naar het Zürichsche exemplaar, maar de rest (Profeten, Apocryphen en Nieuw Testament) had hij regelrecht uit de taal van Zürich in het ‘Nederlants Duyts’ trouw vertaald, daarbij gebruik makend van de laatste en beste uitgaven.

Zooals Jan Gheylliaert het in dit voorwoord zegt, was de Zwitsersche vertaling het werk van de ‘gheleerde ende getrouwe dienaers des goddelijcken woorts’ te Zürich. Onder leiding van Zwingli en van den predikant Leo Judä kwamen de geestelijken van de stad Zürich en omgeving regelmatig in de ‘Prophezei’ bijeen om gemeenschappelijk de profetische boeken van het Oude Testament uit te leggen en te vertalen. De andere deelen van den bijbel werden op gelijke wijze doorgewerkt. Wat van Luther's vertaling reeds verschenen was werd zoodanig gewijzigd, dat van den oorspronkelijken

[p. 222]

Luthertekst, behalve in de historische boeken van het Oude Testament, weinig meer is overgebleven. Na de uitgaven van eenige afzonderlijke gedeelten verscheen in 1531 de complete Zwinglibijbel, plant van

illustratie
Afb. 27. - Titelblad van den Gereformeerden bijbel, in 1556 verschenen bij Steven Mierdman en Jan Gheylliaert te Emden.

Zwitsersch-reformatorischen bodem. Een lange reeks teksther-zieningen gaf blijk van de nimmer verflauwende belangstelling der Zwitsersche theologen voor de zaak der bijbelvertaling.

Dat de vertaling van Jan Gheylliaert door haar getrouwheid aan den Zwinglibijbel een geheel afwijkenden tekst bracht, leert het volgende fragment, vergeleken met den Liesveldttekst.

[p. 223]

Maleachi 3, 1 en 5.

Zürich 1531. Emden 1556. Liesveldt 1535.
Nemend war ich werd meinen botten schicken der wirt die straasz vor mir banen vnd der herrscher den ir begerend wirt schnell zů seinem tempel kommen vn der bott desz bundts nach dem euch verlanget. Nemet waer, ick sal mijnen bode voor my seynden, die sal de strate voor my banen, ende den heerschapper die ghy begeert, sal snel tot zijnen Tempel comen, ende den bode des verbonts, na welcken u verlangt. Siet ic sal minen Engel seinden, die voor mi den wech bereyden sal. Ende die Here dien ghy soect, sal haest tot sinen Tempel comen. Ende die Engel des verbonts daer u na verlangt.
Ich wil mit euch zerecht stehn vnd selbst eyn schneller zeug sein wider die zauberer wider die eebrecher vnd wider die die falsch schweren vnd auch wider die dem tagloener seinen lon gwaltiglich innhalten die gewalt vnd frefel brauchen mit wittwen vnd weysen die den frembdling abweisen vnd mich nit foerchten spricht der herr der heerscharen. Ick wil met u te recht staen, ende selve een snel ghetuyghe zijn teghen de tooveraers, teghen de overspeelders, ende tegen de ghenen die valschelijc sweeren ende oock tegen die den dach huerlinc zijnen loon [met] gewelt onthouden, [die gewelt ende vermetenheyt ghebruycken] met weduwen ende weesen, die den vreemdelinck afwijsen, ende my niet en vreesen, spreect de Heere der heyrscharen. Ende ic wil tot u comen, ende u straffen, ende ic wil selfs een snel getuyge zijn tegen die tovenaers, overspeelders ende meyneedige, ende ooc tegen die gene die ghewelt ende onrecht doen, den dach huerlingen, weduwen ende wesen ende die vreemdelinghen ende buytenlansce verdrucken, ende mi niet en vreesen, seyt die Here der heyrscaren.

Het groote verschil tusschen den tekst van Jan Gheylliaert en de Liesveldtversie springt onmiddellijk in het oog. Hier een vrije vertaling, die het gehoor aangenaam aandoet, daar een getrouwe overzetting, die zich iets minder gemakkelijk laat lezen en met pijnlijke nauwgezetheid rekenschap geeft van alles wat aan den heiligen grondtekst wordt toegevoegd. Duidelijker kan het verschil in vertaal-principe tusschen Luther en de Zürichsche theologen - die intusschen in de Profeten den Wormser bijbel van 1529 gebruikt hebben - niet gedemonstreerd worden. De Zwitsersche predikant Dr. Gasser zegt in zijn boekje over den Zwinglibijbel hieromtrent het volgende: ‘Bij Luther heeft het den schijn, alsof voor hem de Heilige Schrift het groote, heilige instrument van zijn Hervormingswerk is. Bij Zwingli daarentegen heeft men den tegengestelden indruk, alsof

[p. 224]

voor hem het Hervormingswerk het instrument is van den in de Schrift geopenbaarden wil van God. Zoo staat bij den bijbelvertaler Luther de persoonlijke, subjectieve opvatting ten aanzien van de heilige stof, waarmee hij zich bezighoudt, meer op den voorgrond dan bij de Zürichsche vertalers. Van de beide groote beginselen der Reformatie is ook in de bijbelvertaling het subjectieve principe, dat van de rechtvaardigmaking door het persoonlijk geloof, het meest bij Luther belichaamd, terwijl het objectieve beginsel, dat van het Schriftgezag in zijn souvereine majesteit het sterkst bij Zwingli tot uitdrukking komt.’

Hoe dicht de uitgave van Gheylliaert, ondanks het feit dat hier een vertaling uit de tweede hand geboden werd, ook bij den grondtekst mocht staan, zij kon geen genade vinden in de oogen van de Emder predikanten. Van Wingen, de medewerker van Utenhove, maakte bezwaren tegen den onjuisten titel. Naijver zal aan zijn oordeel wel niet vreemd geweest zijn, omdat hij zich toen juist wilde zetten tot een nieuwe vertaling van het Oud Testament uit het Hebreeuwsch. De sterke afwijking van den gangbaren Liesveldt-bijbel is echter wel de voornaamste oorzaak geweest, dat van dezen eersten Gereformeerden bijbel nimmer een herdruk bezorgd is.

Het Nieuwe Testament van Jan Utenhove (1556).

Wanneer men de geschiedenis van de Statenvertaling laat opklimmen tot de eerste pogingen, van Gereformeerde zijde ondernomen, om het geheele Nederlandsche volk, zonder onderscheid van gewestelijke woonplaats, een nationalen bijbel in handen te geven welke rechtstreeks uit de grondtalen was vertaald, dan behoort het Nieuwe Testament van Jan Utenhove, de eerste zelfstandige vertaling uit het Grieksch, voorop te staan. Het verscheen in 1556 te Emden bij Gillis van der Erven, onder den titel: ‘Het Nieuwe Testament dat is Het nieuwe Verbond onzes Heeren Jesu Christi, Na der Grieckschen waerheyt in Nederlandsche sprake grondtlick end trauwlick overgezett.’

Jan Utenhove stamde af uit een aanzienlijke Vlaamsche familie te Gent, die al vroeg zich geschaard had aan de zijde der Hervorming. In zijn geboorteplaats is waarschijnlijk Cassander, de geleerde, ‘irenische’, verzoeningsgezinde theoloog zijn leermeester geweest. We mogen aannemen dat hij zijn studiën te Leuven heeft voltooid. Hier, of later in Straatsburg, leerde hij mannen kennen als Johan à

[p. 225]

Lasco, Albertus Hardenberg (zie blz. 196) en Francisco d'Enzinas of Dryander, den geleerden Hervormingsgezinden Spanjaard van hooge afkomst, die onder toezicht van Melanchthon het Nieuwe Testament uit het Grieksch in zijn moedertaal had overgezet. Utenhove behoorde tot de Gentenaren, die het in 1544 veiliger vonden om de wijk te nemen naar het buitenland. Een zwervend leven brak toen voor hem aan. Als man van fijne geestesbeschaving en breede ontwikkeling verkeerde hij te Straatsburg met de edelste geesten van zijn tijd. Intusschen verdiepte hij stelselmatig zijn kennis van Grieksch en Hebreeuwsch. In Zwitserland kwam Utenhove in aanraking met Bullinger, den opvolger van Zwingli, later ook met Calvijn, wiens invloed hij in sterke mate onderging. Eindelijk werd hij in 1550 met zijn boezemvriend Johan à Lasco en vele andere geleerden naar Engeland geroepen om daar de zaak van de Hervorming wetenschappelijken bijstand te verleenen. Als ouderling der vluchtelingengemeente hielp hij à Lasco bij de kerkenordening. Voor dat doel vertaalde hij een door dezen in het Latijn opgestelde geloofsbelijdenis en Catechismus en maakte eert begin met een Psalmenberijming, waarvan een gedeelte te Londen in 1551 het licht zag.

In Emden heeft Utenhove dezen stillen arbeid in het belang der Gereformeerde gemeenten vervolgd. De ruim twee jaren, welke hij daar doorbracht (Dec. 1553-1556), heeft hij besteed voor een vertaling van het Nieuwe Testament. In het voorwoord zegt hij, wat hem bewogen heeft tot dezen arbeid. Sinds lang had hij al verlangd om het Nieuwe Testament opnieuw te vertolken, omdat de kenners der Schrift algemeen klaagden over de gangbare teksten. Utenhove zelf vertelt het ons niet, maar het voorbeeld van zijn vrienden Francisco d'Enzinas en Johannes à Lasco, die het Nieuwe Testament rechtstreeks uit het Grieksch in het Spaansch en Poolsch hadden vertaald, moet hem hebben geprikkeld hetzelfde te ondernemen voor zijn Nederlandsche geloofsgenooten.

De bescheiden en consciëntieuze man achtte zich onbekwaam om zulk een verantwoordelijken arbeid geheel alleen te volbrengen. Hoe gemakkelijk immers kon een lichtvaardige vertaling de eeuwige zaligheid zoo van lezers als van vertalers in gevaar brengen. Zulke overwegingen deden hem naar deskundige hulp uitzien. De kerkeraad gaf daarom den predikant Godfried van Wingen verlof zijn intrek te nemen bij Utenhove ten einde hem de gevraagde hulp te verkenen. Deze predikant, eveneens uit de Zuidelijke Nederlanden, en wel uit het Luiksche, afkomstig, en met de Londensche gemeente

[p. 226]

mede gevlucht uit Engeland, ontving van den gefortuneerden Utenhove een jaargeld van zestig gulden. Toch achtte Utenhove het wenschelijk om zijn arbeid, wanneer hij voltooid was, bovendien nog ter beoordeeling en herziening voor te leggen aan de dienaren der gemeenten, welke hem later zouden gebruiken, en aan andere kenners der Schrift.

Zoo zette Utenhove zich, geholpen door zijn vriend, aan den arbeid. De voorlooper der Statenvertalers werkte op geheel moderne wijze, met de beste hulpmiddelen, die de wetenschap van zijn tijd te bieden had: te rade gaand met goede Latijnsche en verder Nederduitsche, Hoogduitsche, Zwitsersche, Fransche en Brabantsche vertalingen baseerde hij zijn werk op den grondtekst in de uitgave van Robertus Stephanus. Deze geleerde, reformatorische boekdrukker had in 1550 den Erasmustekst opnieuw bezorgd in een fraaien druk, die als ‘editio regia’ bekend staat, maar nu voorzien van varianten, ontleend aan 15 handschriften en de Complutensische Polyglot. De grondtekst lag ook in andere edities op Utenhove's werktafel. Hij was de eerste Nederlander, die een Nieuw Testament in de landstaal van versindeeling voorzag. Hij moet deze overgenomen hebben uit de Geneefsche uitgave van den Griekschen tekst van 1551, eveneens door Stephanus ter perse gelegd. Utenhove vertelt zelf, waarvoor hij dat deed; het was voor het gemak der lezers, opdat zij des te beter den bouw van ingewikkelde zinnen konden overzien, en verder opdat zij zich beter thuis zouden gevoelen in den bijbel en den tekst gemakkelijker in het geheugen zouden opnemen. Tot nog toe was het namelijk de gewoonte geweest om elk hoofdstuk in vijf gelijke stukken met letteraanduiding te verdeelen.

Het theologisch standpunt van Utenhove was richtinggevend voor zijn vertaalmethode. De Heilige Schrift, zegt hij, is door God ingegeven, de taal van de Schrift is dus ook de taal van den Heiligen Geest. Op den overzetter rust derhalve de plicht om het oorspronkelijke zooveel mogelijk ongerept te laten. Zooals de religie langs schriftuurlijken weg moet terugkeeren tot haar zuiversten staat, zoo dient ook een vertaling zich zoo nauw bij den zuiveren grondtekst aan te sluiten, als met de middelen, waarover de moderne taal beschikt, mogelijk en bereikbaar is. ‘Wij hebben,’ zegt hij even verder, ‘in onze vertaling het zuivere Schriftwoord bijna woord voor woord, voor zoover de Nederlandsche taal dat toeliet, gevolgd, ook in de samenstellingen, waarin een bijzondere uitdrukkingskracht besloten ligt.’ De overzetting moet zelfs zoo letterlijk zijn, dat wie Grieksch

[p. 227]



illustratie
Afb. 28. - Titelblad van het Gereformeerde Nieuwe Testament van Johan Utenhove, in 1556 verschenen bij Gillis van der Erven te Emden.



illustratie
Afb. 29. - Tekstbladzijde van het Nieuwe Testament van Johan Utenhove, in 1556 verschenen bij Gillis van der Erven te Emden.

[p. 228]

kent, den overgezetten tekst terstond moet kunnen terugvertalen. Toevoegingen, ontleend aan andere handschriften of Evangeliën, zijn tusschen vierkante haakjes geplaatst. Is meer dan één opvatting mogelijk, dan heeft de schrijver, om niemand aan één lezing te binden, op den rand de andere vertaling, voorafgegaan door het woordje ‘of’, geplaatst. Varianten uit andere handschriften worden op den kant aangeduid met ‘anders’.

Na het voorafgaande zal het duidelijk zijn dat Utenhove's werk volkomen onafhankelijk is van alle voorafgaande vertalingen. Daarom volstaan we met de bloote aanbieding van twee fragmenten, zonder de Liesveldtredactie ter vergelijking aan te halen.

Matth. 2, 1-12.
1 Doe aver Jesus gheboren was te Bethleem des Joedschen lands, ten daghen des koenings Herodis: zie, dar quamen Wijzen vam Oosten tot Hierusalem,
2 Ende zeyden: Waer is die dar gheboren1) is een koeningk der Joeden? want wy hebben zijn sterr ghezien in d'Oosten, end zijn kommen hem an te bidden.
3 De koeningk Herodes aver dat ghehoort hebbende, ward beroert, end mit hem het gansch Hierusalem.
4 End verzamelt hebbende alle de Overpriesters end de Schriftgheleerden des volcks, vraeghde van hen waer Christus2) zolde gheboren werden.
5 End zy seiden tot hem: Te Bethleem des Joedschen lands: want alzo is gheschreven door den Propheet:
6 End du Bethleem een aerde Juda, bist gheenszins de kleynste onder den Vorsten Juda. Want wt dy zal [my] voordkommen een Leydsheer, die mijn volck Israel weyden3) zal.
7 Herodes alsdan de Wijzen heymelick gheropen hebbende, onderzocht naerstlick van hen de tijd wanneer de sterr verschenen ware.
8 End hy zand ze na Bethleem, end zeyde: Gaet hén end onderzoucket naerstlick na den kindeken: wanneer ghy het aver zullet vonden hebben, zoo zegghet't my weder, op dat ick oock komme, end het anbidde.
9 Als zy aver den koeningk ghehoort hadden, reyszden zy hén: end zie, de sterr die zy in d'Oosten ghezien hadden, gingk hen voor, tot dat zy quam, end stond boven [de plaetsz] daer 't kindeken was.
10 Doe zy aver de sterr zaghen, vervroeghden zy zick zeer mit grooter vroeghden.
11 End ghinghen hénin in't huysz, end vonden het kindeken mit Maria zyner moeder: end nederghe- vallen, baden hem an. End openden hoere schatten, end offerden hem gheschencken, gold, end wieroock, end myrrhe.
[p. 229]
12 End door een Godlicke ansprake im droom vermaent, dat zy niet zolden weder tot Herodes keeren, toghen zy hén door eenen anderen wegh in hoer land.
Rom. 6, 16-23.
16 Wetet ghy niet, wem ghy u zelven beghevet tot dienstknechten ter ghehoorzaemheyt, dat ghy desz dienstknechten zijt dem ghy ghehoorzaem zijt, het zy der zonde ten dood, of der ghehoorzaemheyt ter gherechtigheyt?
17 Gode zy aver danck, dat ghy dienstknechten der zonde gheweeszt zijt, aver nu ghehoorzaem gheworden van herten dem voorbeelde der leering, welckem ghy overghegheven zijt.
18 Nu dan zo ghy bevrijdt zijt van der zonde, zo zijt ghy dienstknechten gheworden der gherechtigheyt.
19 Ick spreeck menschelick om der zwackheyt willen uwes vleesches. Want ghelijckerwijs ghy uwe lidmaten tot dienstknechten begheven hebbet der onreynigheyt end der Wetbrekery tot Wetbrekery: alzo beghevet oock nu uwe lidmaten tot dienstknechten der gherechtigheyt ter heylighmakinghe.
20 Want doe ghy der zonde dienstknechten waret, doe waret ghy vrij van der gherechtigheyt.
21 Wat haddet ghy dan doe ter tijd voer een vrucht wt den dinghen welcker ghy u nu schamet? Want het ende der zelven is de dood.
22 Nu aver zo ghy van der zonde bevrijdt zijt, Gode aver tot dienstknechten gheworden, hebbet ghy uwe vrucht ter heylighmakinghe: het ende aver, het eewigh leven.
23 Want de dood is der zonde besolding: aver de beghenading Godes het eewigh leven in Christo Iesu onzem Heere.

De volgorde der woorden is die van den Griekschen grondtekst. De deelwoordconstructies, waarvan vooral het eerste fragment voorbeelden bevat zijn zuiver graecistisch, evenals elders voorkomende samenstellingen als: ‘der onderiockigher [ezelinne]’ (Matth. 21, 5), ‘de palen des Tiensteden lands’ (Marc. 7, 31), ‘de spraeckloozen spreken’ (Marc. 7, 37), ‘grootdadigheyden’ (Hand. 2, 11), ‘de hertkenner God’ (Hand. 15, 8), ‘onanklaeghlick’ (2 Petr. 3, 14), ‘achterredinghe’ (1 Petr. 2, 1), ‘opperhoucksteen (1 Petr. 2, 6), ‘wtkondighen’ (1 Petr. 2, 9), ‘goeddader’ (1 Petr. 2, 14).

Het is duidelijk, dat Utenhove radicaal breekt met de vertaalmanier van Luther. Was dezen het er in de eerste plaats om te doen den bijbel toegankelijk te maken voor een volk, dat Gods Woord niet kende, Utenhove achtte nu den tijd gekomen om het tegenovergestelde te doen, de menschen tot den bijbel te brengen. Het

[p. 230]

objectieve beginsel van de Kerkhervorming had in den Vlaamschen edelman een overtuigd aanhanger gevonden.

Een bijzondere merkwaardigheid is de taal, waarin Utenhove zijn werk geredigeerd heeft. Zijn fundamenteele opvatting omtrent het Schriftgezag heeft hij niet alleen in de woordvolgorde en samenstellingen, maar ook ten aanzien van de zins- en woordvormen tot in de uiterste consequenties willen toepassen. Luther had, naar hij het zelf uitdrukte, den bijbel Duitsch laten spreken; Utenhove daarentegen wilde zijn moedertaal dwingen de taal van den Heiligen Geest te spreken. De vertaling moest, dat was het ideaal dat hij voor oogen had, in rijkdom van vormen volkomen, althans zooveel mogelijk, beantwoorden aan het Grieksch van het Nieuwe Testament. Alleen dan zou men er in slagen de bedoeling van den Heiligen Geest onaangetast te laten. Utenhove was zich zeer goed bewust, dat het Nederlandsch van zijn tijd aan dien eisch niet beantwoordde. Evenals de wetenschappelijke beoefenaars van de toen nog in haar kinderschoenen staande Nederlandsche taalkunde verkeerde Utenhove in de onjuiste meening, dat onze taal, tengevolge van vreemde invloeden, verbasterd was. Het was zaak om de verscheidenheid van zins- en woordvormen, die het geschreven Latijn en Grieksch nog vertoonden en die het Nederlandsch eenmaal bezeten moest hebben, aan onze taal weer te geven. Evenals de religie moest men ook de taal terugbrengen ‘in haeren rechten zwangh’ en tot haar oorspronkelijke ‘reynigheyt’. Zoo ziet men in den persoon van den bijbelvertaler Utenhove den Gereformeerden theoloog en renaissancistischen taalhervormer broederlijk samengaan.

De taal van Utenhove kan men het best kenmerken als een toegepaste renaissance-spraakkunst. Door het Nederlandsch te persen in het enge keurslijf van de Latijnsche grammatica, trachtte hij langs kunstmatigen weg die bonte schakeering in geslachten, getallen en naamvallen der naamwoorden, in tijden en wijzen der werkwoorden tot stand te brengen, welke hij noodig had voor een letterlijk weergeven van den Griekschen grondtekst, of om, zooals hij het zelf zegt, ‘den zin des heylighen Gheestes te krachtlicker wt te drucken’. Daar het Nederlandsch zulk een voorraad vormen niet bieden kon, was hij genoodzaakt een beroep te doen op het Neder- en Hoogduitsch. Hiermee volgde hij het voetspoor van den auteur van het ‘Bazelsche’ Nieuwe Testament, die in 1525 om soortgelijke redenen Duitsche woorden had opgenomen (zie blz. 155). Beiden wilden hun moedertaal verrijken met een aantal nieuwe woorden, vorm-

[p. 231]

onderscheidingen en subtieler beteekenisnuanceeringen dan het Nederlandsch ter beschikking had. Het Duitsch was bovendien volgens Utenhove nog niet in die mate bedorven als het Nederlandsch. De taalkundigen van dien tijd hadden meer oog voor den verwanten oorsprong dan voor het onderscheid van beide, zoodat zij ontleening volkomen geoorloofd achtten. Een karakteristiek voorbeeld is het gebruik van de derde-naamvals-m, vgl.: welckem, wem, dem, vam slape, in allem’ enz.

De parallel tusschen Utenhove en den bewerker van het ‘Bazelsche’ Testament kan echter nog doorgetrokken worden. Ook Utenhove ondernam een welbewuste poging om uit de verschillende dialecten kunstmatig een eenheidstaal samen te smeden. Zijn vertaling was namelijk bestemd, naar hij zelf getuigt, om gelezen te worden in al de Nederlandsche gewesten, waaruit de leden der ‘verstroeyde Ghemeynte’ in Emden afkomstig waren. Dit conglomeraat van vluchtelingen sprak, als in 1525 de uitgewekenen te Deventer, een mengelmoes van streektalen. Hoe licht kon bij een radicaal taalhervormer als Utenhove de wensch opkomen om door het scheppen van een algemeene taal het saamhoorigheidsgevoel te versterken. In zijn Londenschen tijd had hij in zijn bewerkingen van de geloofsbelijdenis en catechismus reeds een poging in die richting gewaagd. De slagboom van het provincialisme zou wegvallen. Een algemeen verstane taal zou tegelijk een machtig wapen zijn in dienst der Hervorming en de verbreiding van een uniformen bijbeltekst ten goede komen. Zoo stelde hij een kunsttaal samen uit bestanddeelen, aan de verschillende gewestelijke talen ontleend. Het Oostvlaamsch taaleigen, dat hem uiteraard het meest vertrouwd was, heeft hij, zooveel in zijn vermogen lag, getemperd. De omstandigheid, dat Utenhove nog verder ging dan zijn voorganger en met volle handen putte uit het ‘Oostersch’, het Nederduitsch, dat in Emden veelvuldig gesproken werd, kenmerkt weer het aanzien, dat deze taal in Oost-Nederland genoot. Kenners van toenmalige taaltoestanden zagen dus de Nederlandsche dialecten zich ontwikkelen in de richting van een taaleenheid, waarin het ‘Overlandsch’ een belangrijke rol zou spelen.

Aan dit Oostersch heeft hij niet alleen klanken als ‘holden, wolde, zolde, olderlinghen’, voor ‘houden’ enz. ontleend, maar ook tal van woorden welke hij in de plaats wilde stellen van Fransche bastaardwoorden. Hij is dus ook taalzuiveraar, vandaar woorden als ‘voorbeeld’ in plaats van ‘exempel’, ‘zegening’ i.p.v. ‘benedictie’, ‘vervloecksel’ i.p.v. ‘maledictie’.

[p. 232]

Het aantal ongewone woorden, dat in zijn werk voorkomt, was zoo groot, dat hij het noodig, oordeelde in een afzonderlijke woordenlijst een verklaring te geven. Hierin staan verschillende Duitsche woorden, maar ook een, dat in dezen vorm in geen enkele taal voorkwam, namelijk ‘aver’ dat beantwoordde aan het Hoogduitsche ‘aber’ en het Nederduitsche ‘averst’. Utenhove bezigt dit woordje in zijn vertaling in onderscheiding van ‘mer’, dat een ander Grieksch partikel weergeeft.

Utenhove erkent dat hij bij deze pogingen tot taalhervorming de hulp van andere geleerden heeft ondervonden. Waarschijnlijk waren onder hen mannen als zijn vroegere leermeester Cassander, die nu in Keulen woonde, en ‘doctor Lambertus’. De eerste had bijvoorbeeld zijn zegel gehecht aan het verschil tusschen de aanspreekvormen ‘du’ en ‘ghy’, dat Utenhove eveneens in zijn Psalmenberijming in acht nam. ‘Doctor Lambertus’ was vermoedelijk zijn vroegere stadgenoot en vriend Joos Lambrechts. Deze Gentsche ‘lettersnider’, zooals hij zichzelf bescheidenlijk placht te betitelen, was bovendien schoolmeester, graveur van ongewone artistieke begaafdheid, auteur, woordenboekschrijver, uitgever o.a. van de reformatorische rederijkersspelen, die anno 1539 tijdens het landjuweel te Gent vertoond zijn. In 1550 had hij naar Fransche voorbeelden een spellinghervorming ontworpen in zijn boekje ‘Nederlandsche Spellynghe’. De hier uiteengezette theorie werd nu door Utenhove eenigszins in practijk gebracht. Ten grondslag lag het beginsel, dat verschil in uitspraak gedekt moest worden door verschil in schrijfwijze. Hij was wel gedwongen om voor zulk een phonetisch spellingsysteem gebruik te maken van ongewone spellingteekens als de e met cédille in woorden als ‘gheȩszins, gheleȩrden, wanneȩr, zeȩr, gheweȩn, vreȩzen’, van klankaanduidingen als ae in ‘hovaerdigh, aerde, verdaerven, beaerven, aergheren’ en oe in ‘Joeden, Koeningh’.

Na de voltooiing hebben Utenhove en Van Wingen met de predikanten Marten Micron en Petrus Delen het werk grondig herzien; daarna nogmaals met Walther Delen, den vader van laatstgenoemde en voor 1553 predikant te Londen.

Terwijl de uitgave ter perse was bij Gillis van der Erven (Gellius Ctematius), een Gereformeerden Gentenaar, die eveneens via Londen in Emden een veilig heenkomen had gezocht, begaf Utenhove zich naar Frankfort, waar zijn aanwezigheid dringend noodig was. De zakelijke regeling van de onderneming had hij, tijdens den duur van zijn afwezigheid, toevertrouwd aan Herman van den Ende en den

[p. 233]

boekverkooper Bartholomeus Huysman. In October 1556 schreef Utenhove te Frankfort de voorrede; met de reeds gedrukte vellen reisde hij naar Polen, waar Johannes à Lasco verblijf hield. Utenhove had toen nog de beste verwachtingen van de ontvangst, welke zijn arbeid ten deel zou vallen, en allerlei plannen voor de toekomst. Zoo dacht hij spoedig een uitgave in folio-formaat te bezorgen en nam daarom alvast den tekst nog eens door met à Lasco, die juist bezig was het Nieuw Testament in het Poolsch te vertalen. Bovendien zond hij exemplaren van den intusschen gereed gekomen druk naar geleerde vrienden met het verzoek, hem hun oordeel te laten weten. Onder hen waren de predikant Johannes Dyrkinus (zie blz. 236-237), de Groninger rector Reyner Praedinius, de Wezelsche predikant Peter Doverdaghe uit Gent, Wouter en Peter Delen, Heinrich Bullinger, en voor de taal Cassander en Joos Lambrechts. Hij rekende zoo stellig op een gunstig onthaal, dat hij Godfried van Wingen reeds voorbereidingen liet maken voor een gezamenlijke vertaling van het Oude Testament.

Met groote spanning wachtte hij in den vreemde op een bericht, dat nadere bijzonderheden zou brengen. Eindelijk ontving hij van zijn medewerker in 1557 een brief, die helaas zijn hoop den bodem insloeg. Bittere ontgoocheling was hij ten prooi, toen hij las, dat de onderneming op een mislukking was uitgeloopen. Om te beginnen had Van Wingen groote moeilijkheden ondervonden bij de correctie, doordat door het verkeerd leggen van een blad de geheele oplage van 2500 exemplaren bedorven was. Toen het werk eenmaal verschenen was, nam het door zijn titel, waarin ‘testament’ als ‘verbond’ vertaald was, onmiddellijk de Anabaptisten tegen zich in. Maar dat was nog niet het ergste. Zoowel in Emden als in Vlaanderen, waarheen een groot aantal exemplaren gezonden was, werden klachten aangeheven over de ‘gezochte’ taal. ‘Hier is,’ zeide men (aldus vertaalt Prof. Pijper Van Wingen's brief) ‘niet het belang der Kerk gediend, maar de bijzondere smaak van enkelen, daar men eene taal gesmeed heeft, die niemand gebruiken kan. Het zijn lorren. Het Testament is een mengsel van allerlei talen.’ Anderen riepen: het is knoeiwerk; weer anderen: het is schandelijk, want er wordt gesproken van het zaad van Sara; nog anderen: geen mensch kan het begrijpen, tenzij men elke lezing van andere Testamenten opgeve, ooren en oogen sluite, hierop alleen zich met de borst toelegge en zich met niets anders bemoeie. Het hevigst ging men te keer tegen het woordje ‘aver’. Waarom niet ‘mer’, vroegen Utenhove's zaak-

[p. 234]

waarnemers. In een heftige woordenwisseling over de zaak had Van den Ende Van Wingen woedend toegesnauwd: ‘Het Duitsche woord is “aber”, het onze “mer”, dat houd ik vol, wat gij met uw Cassanders en nieuwe vondsten, waarvan gij zelf vroeger nooit gedroomd hebt, mij ook op de mouw wilt spelden. Wie zich in woord of geschrift tot het volk richt, moet het volk in zijn eigen taal toespreken.’ Zelfs Micron had bezwaren geopperd en durven voorstellen het werk ‘naar de Vlaamsche drukwijze’ te verbeteren.

Wanneer de verstandige raad van Micron was opgevolgd, dan had Utenhove's werk zonder eenigen twijfel zich ingeburgerd. Godfried van Wingen was echter niet te bewegen ook maar één concessie aan het gangbaar taalgebruik te doen, laat staan het werk in een geheel nieuw spellingkleed te steken. Daarmee heeft hij gehandeld in den geest van zijn meester, die later zijn handelwijze goedkeurde. De geleerde taalutopist Utenhove had zijn doel voorbijgestreefd. De eenvoudigen, die hij zoo gaarne had willen bereiken, heeft hij door zijn taalbehandeling afgeschrikt. Wat de oorzaak geweest is van zijn halsstarrig weigeren om eenige verandering aan te brengen? Men heeft de keuze tusschen twee antwoorden: het was de koppigheid van den kamergeleerde die, buiten contact met het maatschappelijk leven, iets onbereikbaars bleef najagen, of: voor Utenhove stond of viel zijn werk met zijn innigste theologische overtuiging. Het laatste antwoord bevredigt het meest. Zijn arbeid is belangwekkend als voorbereiding tot de latere Gereformeerde bijbelvertaling, als proefneming op het gebied van de spraakkunst, als aanloop tot de wordende taaleenheid, maar vergeten wij niet, dat al deze kenmerken berusten op de hechte geloofsbasis, welke zijn arbeid het meest van al eerbied doet afdwingen.

Ontstaan van het Oude Testament van Godfried van Wingen.

De Emder uitgever Van der Erven heeft na het fiasco van Utenhove's Testament nog een laatste poging gewaagd een Gereformeerden bijbel uit te geven. Als meelevend lid der gemeente sympathiseerde hij met de plannen van Utenhove en de zijnen. Diens taalstelsel was hij in het geheel niet slecht gezind. Uit naam van sommige broeders kwam hij tot Godfried van Wingen met het voorstel, dat deze zijn vrijen tijd zou gebruiken voor een door hem uit te geven herziening van den Liesveldtbijbel met behulp van de vertaling van Zürich en die van Luther. Het verdient opmerking, dat de broeders hem niet

[p. 235]

om een nieuwe overzetting uit het Hebreeuwsch vroegen. Zij wisten dat het gebrek aan geschoolde kenners van deze taal te Emden, het gemis van de vereischte wetenschappelijke hulpmiddelen en niet het minst de weinige gelegenheid, die de drukke werkkring der predikanten bood voor ernstige studie, oorzaak waren, dat zulk een vertaling voorloopig toch niet tot stand kon komen. Maar daar kwam waarschijnlijk nog iets anders bij. In de stem dezer broeders klonk het verlangen door naar een handhaving van den geliefden Liesveldt-tekst. De gebreken, welke deze had, moesten dan maar in een herziening verwijderd worden. Het is het bewijs, dat van onder op het initiatief tot een volslagen nieuwe vertaling uit den grondtekst niet licht komen zou.

Het voorstel lokte Van Wingen wel aan, al wist hij niet goed wat er met het Nieuwe Testament gebeuren moest. Hij wilde gaarne het ideaal waarvan hij met Utenhove gedroomd had, voor zoover nog mogelijk, verwezenlijken. Daarom zette hij zich in Jan. 1557 alvast aan het werk. Anderhalf jaar later, in Juni 1558 kon hij Utenhove de voltooiing van het Oude Testament melden. Het zou echter nog tot 1561-1562 duren, eer Van der Erven Van Wingen's herziening van het Oude Testament, gezamenlijk met een Nieuw Testament, door een anderen auteur bewerkt naar Utenhove's tekst, aan de drukpers toevertrouwde. Wellicht heeft hij willen afwachten, of Van Wingen er nog toe komen zou het Nieuwe Testament te bewerken. Daar was weinig hoop op sinds deze, kort na het gereedkomen van de revisie, Emden had verlaten voor een bezoek aan de kruisgemeenten in de Nederlanden. In 1560 vertoefde hij als predikant in Vlaanderen, in 1560-1562 bevond hij zich te Frankfort om de vluchtelingengemeente aldaar tegenover de overheid in bescherming te nemen in haar strijd met de Luthersche stadspredikanten. Te Londen bezorgde hij nog de volledige Psalmenberijming van Utenhove, waartoe hij tegenover Dathenus het onderscheid tusschen ‘du’ en ‘ghy’ verdedigde. Daar is hij ook in 1590 als dienaar der Nederduitsche gemeente gestorven.

Het Nieuwe Testament van Johannes Dyrkinus (1559).

Aangezien Van Wingen, hetzij wegens zijn ambtsbezigheden, hetzij uit verknochtheid aan den tekst van Utenhove, in gebreke bleef het Nieuwe Testament te herzien, heeft een andere predikant zich met deze taak belast. Of deze op eigen gelegenheid dan wel op

[p. 236]

verzoek van den uitgever gehandeld heeft, blijve in het midden. In 1559 verscheen bij Gellius Ctematius ‘Het Nieuwe Testament, Dat is, Het nieuwe verbondt onses Heeren Iesu Christi, In Nederduytsch

illustratie
Afb. 30. - Titelblad van het Gereformeerde Nieuwe Testament van J(ohannes) D(yrkinus), in 1559 verschenen bij Gillis van der Erven te Emden.

na der Grieckscher waerheyt overgheset’. De vertaler zegt in een woord vooraf tot den ‘eenvoudighen Leser’, dat hij de Grieksche waarheid - daarmee bedoelt hij den grondtekst - als de duidelijkste en eenvoudigste beschouwt, maar dat hij daarnaast verschillende moderne vertalingen geraadpleegd heeft, in het bijzonder de Fransche Nieuwe Testamenten, welke uit het Grieksch waren vertaald en door Johan Calvin herzien, naar de Geneefsche uitgaven van 1555 en 1556. Hieraan zijn ook de versindeeling en de korte inhoudsopgaven ontleend. De Latijnsche vertaling, die Theodorus Beza in 1556-1557 van het Nieuwe Testament had gemaakt, is eveneens gebruikt.

De vertaler verschuilt zich achter de beginletters J.D. Het lijdt geen twijfel, of deze initialen duiden Johannes Dyrkinus aan, dien we reeds hebben leeren kennen als een der mannen, op wier oordeel Utenhove grooten prijs stelde. In vroeger jaren waarschijnlijk advocaat te Gent, diende hij thans de kruiskerken als rondreizend predikant. Tusschen 1556 en 1561 verbleef hij, met korte onderbrekingen voor visitatiereizen, te Emden, waar hij zich vooral bezig hield met vertaalarbeid. Het bekende ‘Huysboeck’ van Bullinger en verschillende werken van Calvijn zijn toen door hem voor Nederlanders toegankelijk gemaakt. Zoo iemand, dan was hij de geschikte man om het werk van Utenhove over te doen.

[p. 237]

Het onderzoek van Prof. Grosheide heeft uitgemaakt, dat Dyrkinus zijn arbeid gebaseerd heeft op de ‘editio regia’ van Robertus Stephanus. Het valt echter niet te loochenen, dat Dyrkinus' vertaaltechniek den invloed van Utenhove heeft ondergaan, zelfs in die mate dat men niet behoeft te aarzelen het Nieuwe Testament van 1559 te kenmerken als een grondige herziening van Utenhove's vertaling. De overeenkomstige woordkeuze in tallooze gevallen en het op den voet volgen van het Grieksch, de participiumconstructies hiervan inbegrepen, toonen onmiskenbaar den samenhang. Het is alsof Dyrkinus het ‘buitenissige’ karakter aan Utenhove's Nieuw Testament heeft willen ontnemen door de taal aan den gebruikelijken norm aan te passen en verder diens redactie nader heeft getoetst aan den grondtekst. Het verschil tusschen de aanspreekvormen ‘du’ voor het enkelvoud, en ‘ghy’ voor het meervoud, heeft hij echter bewaard.

Een tweede bron waaruit Dyrkinus, evenals Utenhove, geput heeft, was de bijbel van Calvijn. Aldus noemt men de revisie van den Franschen bijbel, vooral van het Nieuwe Testament, die in Genève door ‘la Vénérable Compagnie’, een college van predikanten onder leiding van Calvijn, tot stand gebracht is. Deze laatste tekst ging terug op de vertaling naar de Vulgata door Jacques Le Fèvre, maar was herhaaldelijk verbeterd naar het Grieksch. De lezer oordeele nu of in het volgende fragment, dat wij als proeve aanhalen, het ‘aspect’ van den geheelen tekst in de redacties van Calvijn, Utenhove en Dyrkinus niet zooveel overeenkomstigs biedt, dat toeval buitengesloten geacht moet worden.

Philipp. 3, 17-21.

Calvijn. Utenhove. Dyrkinus.
Soyez ensemble mes imitateurs, freres, et consyderez ceux qui cheminent ainsi, comme vous nous avez pour exemple. Zijt te ghelijck myne navolghers, end bemaercket die, die alzo wandelen, ghelijckerwijsz ghy ons hebbet tot eenem voorbeelde. Weest mijne navolghers, Broeders: ende siet op de ghene die also wandelen, ghelijck ghylieden ons voor een exempel hebbet.
Car plusieurs cheminent, pensans aux choses terriennes, desquelz souvent vous ay dit, et le dy encore en plourant, qu'ilz sont ennemis de la croix de Christ, Want vele wandelen, van welcken ick u menighmael ghezegt heb, nu aver zeg ick oock mit weenen, dat zy vianden zijn des cruyces Christi. Want daer wandelen vele, daer ick u lieden dickmael van gheseyt hebbe, ende segge het nu met weenen, [dat sy zijn] vyanden des cruyces Christi.

[p. 238]

desquelz la fin est perdition, le Dieu desquelz est le ventre, et leur gloire est en leur confusion. Welcker ende is verdaerfnisz, welcker God de buyck is, end de eere in hoerer scandlickheyt, die op aerdische dinghen ghezint zijn. Wiens eynde [is] de verdoemenisse, wiens Godt de buyck is, ende de eere in haer schande, de welcke aertsch ghesint zijn.
Or nostre conversation est es cieux, dont aussi nous attendons le Sauveur, le Seigneur Iesus Christ Onze burgherscap aver is in den hemelen, van waer wy oock verwachten des Zalighmakers Iesu Christi des Heeren. Maer onse Burgherschap is in de Hemelen: van waer wy den Salichmaker verwachten, den Heere Christum Jesum.
qui transfigurera nostre corps vil, afin qu'il soit fait conforme à son corps glorieux, selon la vertu par laquelle il peut assuiettir toutes choses à soy. Die onze verachtlick lijff verstellen zal, dat het ghelijckformigh werde zynem eerlicken lijve, na der dadigher werckinghe, mit welcker hy zick zelven oock alle dinghen kan onderwaerpen. De welcke onse vernederde lichaem veranderen sal, dat het gelijckformich worde zijnen eerlicken lichame, na de krachtige werckinghe, daer mede hy alle dinghen hemselven onderworpen kan.

De bijbel van Deux-aes en zijn karakter.

De goede vertolking van Dyrkinus heeft een onberekenbaren invloed uitgeoefend, doordat zij in een nieuwe oplage, maar naar den tekst onveranderd, met een druk van Godfried van Wingen's Oud Testament werd samengevoegd tot den volledigen bijbel, welken Gillis van der Erven in 1561-1562 bezorgd heeft onder den titel: ‘Biblia: Dat is, De Gantsche Heylighe Schrift, grondelick en trouwelick verduytschet, Met verklaringhe duysterer woorden, redenen ende spreuken, ende verscheyden Lectien, die in andere loflicke Oversettinghen ghevonden, ende hier aen de kant toe ghesettet syn. Met noch rycke aenwysingen der ghelyck oft onghelyck-stemmenden plaatsen, op het allerghewiste met scheydtletteren ende versen-ghetale (daer een yegelick Cap. na Hebreischer wyse mede onderdeylt is) verteeckent’, vermaard geworden onder den straks te verklaren naam van Deux-aes-bijbel. Deze uitgave schijnt tot stand gekomen te zijn, zonder dat van Wingen, die immers ver weg was, er zijn oogen over heeft laten gaan. Vermoedelijk heeft Van der Erven op eigen gezag beide bijbelgedeelten vereenigd. Het voorwoord, dat trouwens alleen door den uitgever onderteekend is, behelst eenige mededeelingen betreffende het Oude Testament, die volkomen

[p. 239]



illustratie
Afb. 31. - Titelblad van den Gereformeerden bijbel van Deux-aes, in 1562 verschenen bij Gillis van der Erven te Emden.



illustratie
Afb. 32. - Tekstbladzijde van den bijbel van Deux-aes, Emden 1562, met de bekende kantteekening bij Neh. 3, 5.

[p. 240]

kloppen met wat Godfried van Wingen in zijn brieven aan Utenhove over zijn manier van werken vertelt. Het begint met een verdediging van het bestaansrecht der vele vertalingen. Vele menschen roepen, ‘dat de Schriftuere door de menigherley Oversettinghe vervalscht ende twijffelachtich ghemaeckt wordt. Nochtans ware dat een onverdraghelicke hooveerdicheydt, dat eenich Oversetter ofte Utleggher der H. Schriftuere soude meynen, dat die alle dwalen ofte de Schriftuere vervalschen, diese van letter tot letter, niet even also en verstaen, oversetten ende uytlegghen, ghelijck hyse verstaen, overgheset ende utgeleydt heeft. Ook kan men wel een dinck met verscheyden woorden, ende een sake met verscheyden wijsen van spreken, verklaren.’ Aldus bepleit Van der Erven het goed recht van zijn uitgave.

De drukker vindt het eigenlijk niet noodig meer woorden aan deze zaak te verspillen, aangezien het Oude Testament geen nieuwe vertaling geeft, maar ‘van woordt te woordt de seer gepresene Oversettinge Martini Lutheri’, welke de auteur, zegt de drukker even verder, ‘Nederlandsch gemaakt heeft’. Hierbij heeft hij op den rand de varianten van andere teksten aangeteekend. Bijvoorbeeld uit de letterlijke Latijnsche vertaling van den geleerden Italiaanschen Dominicaan Santes Pagnino, verschenen in 1527 te Lyon (en om haar getrouwheid geprezen niet alleen door Katholieken, maar ook door Protestanten en Joden) en uit die van den Bazelschen hoogleeraar Sebastian Munster, gedrukt in 1534-'35 en uit de Latijnsche Annotationes op het Oude Testament van den Franschen hoogleeraar Vatable, na zijn dood in 1545 te Parijs en in 1547 te Genève uitgegeven, terwijl ook de Duitsche vertaling van Zürich is geraadpleegd. De Fransche van Genève is gevolgd in de versindeeling en de groepeering der Apocryphe boeken. Een ‘waerschouwinge’ vestigt de aandacht van den lezer op het feit, dat ze niet canoniek zijn.

Het bewijs, dat er reeds verzet was gerezen tegen het kunstmatig onderscheid tusschen ‘du’ en ‘ghy’, wordt daardoor geleverd, dat de drukker het wenschelijk acht het speciaal in bescherming te nemen. In Psalm 110, 4 bijvoorbeeld is niet vertaald ‘Gij zijt Priester’, maar ‘Du bist Priester’, opdat de lezer wete dat het alleen slaat op Christus en niet op meer priesters.

Ten slotte deelt de drukker mede, dat tot recht verstand van den tekst ‘vele verklaringen’ op den kant zijn geplaatst. Hiertoe behooren ook de synoniemen van allerlei ‘overlandsche’ woorden, welke de schrijver in den tekst heeft laten staan.

[p. 241]

Het is vrijwel zeker, dat Godfried van Wingen denzelfden Nederduitschen bijbel van Maagdenburg heeft gebruikt als de Doopsgezinde vertaler van 1558. Om te laten zien, hoe letterlijk hij den Luthertekst weergeeft, drukken wij een fragment af in beide versies, te vergelijken met de Liesveldtredactie op blz. 223. (Andere voorbeelden van den Deux-aes-bijbeltekst vindt de lezer beneden op blz. 260, 295-296 en 301-303).

Maleachi 3, 1 en 5.

Luther (Nederduitsch). Deux-aes-bijbel.
Sie ick wil mynen engel senden de vor my heer den ween bereiden schal vnde balde wert kamen tho synem tempell de here den gy soeken vnde de engell des vorbundes des gy begeren sue he kumpt spreekt de here Zebaoth. Siet, ick wil mijnen Enghel senden, die voor my henen den wech bereyden sal, ende in corten sal comen tot zijnen tempell de Heere dien ghy soecket, ende de Engel des verbondts, des ghy begheert: Siet, hy coemt, spreeckt de Heere Zebaoth.
vnde ick wil tho juw kamen vnde juw straffen vnde wil ein schnell tuege syn wedder de toeverers eebrekers vnde menedigen vnde wedder de de gewalt vnde vnrecht dohn den dachloeners wedewen vnde weysen vnde de froemdelingen vnderdruecken vnde my nicht fruechten spreekt die here Zebaoth. Ende ick wil tot u comen, ende u straffen, ende wil een snelle getuyge zijn teghen de toovenaers, overspeelders1), ende meyneedighen, ende teghen die, die gewelt ende onrecht doen den dachlooners, weduwen ende weesen, ende de vreemdelinghen onderdrucken, ende my niet vreesen, spreeckt de Heere Zebaoth.

Behalve den tekst heeft Van Wingen uit den Maagdenburgschen bijbel de inhoudsopgaven boven de hoofdstukken en de verklarende kantteekeningen overgenomen. Een dezer heeft in later tijd aan den bijbel van 1562 en alle na- en herdrukken zijn eigenaardigen naam gegeven. De woorden van Nehemia 3, 5b: ‘doch hare geweldigen en brachten haren hals niet ten dienste harer heeren’ worden toegelicht door deze glosse: ‘De armen moeten het cruyce draghen, de rijcke en geven niets, deux aes en heeft niet, six cincque en geeft niet, quater dry die helpen vry.’ De tijdgenooten hebben de beteekenis van deze verklaring terstond begrepen. In de Nederlanden kende men sinds de late Middeleeuwen het figuurlijk gebruik van ‘deux aes’ in de zegswijze: ‘volcxkin van dues aes’, waarmee arme, berooide lieden werden bedoeld. De vreemde woorden zijn namelijk termen, welke aan het dobbelspel ontleend zijn. ‘Deux aes’ [= twee en een] was de laagste, ‘six cincque’ [= zes en vijf] de hoogste

[p. 242]

worp, zoodat het tweede gedeelte van bovenstaande verklaring ongeveer beteekent: ‘de armen hebben niets, de rijken geven niets, maar de middenstand, die betaalt wel.’ De verklaring komt reeds voor, dat worde hier met nadruck gezegd, in de eerste uitgave van Luther's volledigen bijbel (anno 1534). Later is men zulk een kantteekening ‘aanstootelijk’ of ‘onbehoorlijk’ gaan vinden. Men meende dat zij in den bijbel niet paste. Er dient echter de aandacht op gevestigd te worden, dat Luther ook in den uitleg de taal van het volk wilde spreken. Door pakkende voorbeelden en spreekwoorden, die gemeengoed waren, wilde hij het lezen vergemakkelijken. De bijbel moest immers nog een volksboek worden. Toen Luther's doel bereikt was, hadden zulke toelichtingen achterwege kunnen blijven. In sommige uitgaven gebeurde dat ook, maar Van Wingen heeft in slaafsche trouw aan den Luthertekst ook de kantteekeningen vertaald.

Luther heeft in deze aanteekeningen een schat van volkswijsheid bijeengebracht, en Bugenhagen, de hervormer van Noord-Duitschland en bezorger van den Maagdenburgschen bijbel, heeft die spreekwoordenverzameling nog uitgebreid. Voorts ontmoet men tal van uitdrukkingen, waar men terstond Luther's volkseigen wijze van uitdrukken proeft. Eenige voorbeelden: bij 1 Sam. 3, 1: ‘dat is, daer en waren niet predikers noch parochiheeren genoech, de bybel heeft doe onder de banc gelegen, niemandt heeft gestudeert, doch Samuel is ghecomen, ende heeft dat woordt weder voort-ghebracht’; 1 Kon. 20, 11: ‘dat is, hy en segge niet: huy eer hy over den berch koemt’; Psalm 75, 9: ‘dat is, Hy deylt eenen yeghelicken sijn mate toe dat hy lijde, doch het grontsop blijft den godtloosen’; Spreuken 6, 26: ‘dat is, wie hem met hoeren generet, ende met karren veret [= rijdt], dien is ongeluck bescheret: want overspel is een dootschult’; Spreuken 31, 10: ‘dat is, niet lievers en is op aerden, als vrouwenliefde, wien die can te deele worden’; Hosea 7, 1: ‘dat is, hoe men meer recht leert, hoe de werelt erger wordt’; Jezus Sirach 6, 7: ‘Vrienden inder noot, Dier gaen 25 op een loot. Salt nu een hart stant zijn [= verkeert men in benarde omstandigheden], so gaet haer vijftich op een Quentijn [= naam van een gewichtje, 1/4 lood]’; Sirach 19, 3: ‘Fransoysen [= bepaalde ziekte], luysen, ende andere kranckheyt der bedelaren’; Sirach 23, 24: ‘Hy neemt het waer hijt crijget dickwils eenen garstighen balch, voor zijn schoon wijf’; Sirach 32, 21: ‘Ick en sie niet dat het genen qualic gaet, die doch oock Gods woort niet en acht etc. Ja hoe looser

[p. 243]

schalck, hoe beter geluck’; Sirach 39, 1: ‘Een Pastoor of Prediker sal studeren ende in allerley consten hem oeffenen, so geeft hem Godt ooc verstant: maer den loosen [= valsche] papen ende buyc-dienaren en geeft hy niets.’

Deze uitgave staat ook bekend onder den naam Uilenspiegelbijbel. De tekst Jezus Sirach 19, 52: ‘Wie hem verblijdt, dat hy schalckheydt bedrijven kan, die wort verachtet’ heeft naast zich: ‘als Ulenspiegel, Vincentius [= een gezel van het slag van Tijl Uilenspiegel], de Pape van Kalenberghe, etc.’. Het is overigens niets ongewoons dat men een bijbel naar een of meer toevallige kenmerken noemt. In de geschiedenis der Duitsche en Engelsche vertalingen komen vele bijbels met ‘Spitznamen’ of ‘nick-names’ voor.

Het lijkt eenigszins vreemd, dat de Gereformeerde Van Wingen door deze nauwe aansluiting bij Luther niets anders deed dan een nieuwe loot enten op den ouden Liesveldtstam. Had hij, nu een vertaling naar den grondtekst toch onuitvoerbaar was, dan niet beter den Geneefschen of den Zürichschen bijbel in het Nederlandsch kunnen overbrengen? Die beantwoordden althans beter aan de eischen, welke de Gereformeerde wetenschap aan de vertalers stelde. Wellicht schrikte in het eene geval het taalverschil hem af, in het andere de omstandigheid, dat Jan Gheylliaert reeds een vertaling had geleverd, die hem niet aanstond. Herziening van den Liesveldtbijbel door hernieuwde raadpleging van den Duitschen tekst had bovendien het voordeel, dat Van Wingen, als taalgebruiker Utenhove's alter ego, zich beter kon laten gaan. De uitgever waarschuwt de lezers er al voor, dat in deze uitgave, die de ‘seer gepresene Oversettinge’ van Luther volgt, tal van ‘Overlantsche’ woorden voorkomen. Gezien de practijk van den auteur heeft hij zijn taal niet zoozeer trachten te verrijken door aan het ‘Oostersch’, de taal voor schriftelijk gebruik, die in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw in het oostelijk gedeelte van de noordelijke Nederlanden gebezigd werd, bestanddeelen te ontleenen, als wel door allerlei woorden, welke in den Nedersaksischen Lutherbijbel stonden, te gaan schrijven met Nederlandsche letters. Zijn werk krioelt dan ook van germanismen en ‘nedersaksismen’ als ‘allenthalven, allentheenen, dannoch, even ghelijcke, gantsch ende gaer, ghelijckwel, hader, haderen, henenwech, huldesalighe, met tsamen, onghestalt, tappen [= schroeven], tzaerlick, wtduydinge, wterweelden [= uitverkoren], veronglimpen, versmetteren, verwalter’. Kieskeurig waren de Hollandsche en Brabantsche lezers op zulke woorden al evenmin als op de eigen-

[p. 244]

aardige kantteekeningen. De taal bleef de eerste tientallen jaren in de talrijke herdrukken vrijwel ongewijzigd. Zoo is de groote invloed te verklaren, welke de bijbeltaal van Luther op de Nederlandsche heeft uitgeoefend. Wat oorspronkelijk een germanisme was, is via den Liesveldttekst - daar begon het proces reeds - en in nog grootere mate via den Deux-aes-bijbel terechtgekomen in de Statenvertaling en heeft zoo burgerrecht verkregen in de Nederlandsche taal. Wie voelt nog de Duitsche afkomst van ‘gewone’ woorden als: ‘afvallig, beroemd, burgerrecht, dankzegging, dierbaar, diensthuis, eersteling, godzalig, hooglied, klaaglied, krijgsknecht, krijgsman, krijgsvolk, lijfeigen, lusthof, nieuweling, richtsnoer, schriftgeleerde, slachtoffer, tollenaar, vreemdeling, vrijstad, zilverling, zuigeling’ uit den Liesveldtbijbel; van ‘afgodisch, bondgenoot, bestendig, bezoedelen, boetvaardigheid, bouwvallig, daglooner, dankoffer, diefstal, echtbreker, evenbeeld, gelukzalig, halsstarrig, handelaar, heftig, Heiland, huichelen, ijver, kleingeloovig, loofhut, nederig, onderrichten, oponthoud, overheid, overreden, overweldigen, profetisch, schandvlek, toevallig, trots, tuchtigen, voorhuid, vuurwerk, wonderbaarlijk’ uit den bijbel van Deux-aes? Al deze woorden stonden oorspronkelijk met bovengenoemde germanismen op één lijn.

Het behoeft geen betoog dat de Deux-aes-bijbel als het werk van twee auteurs een disharmonisch geheel vormde. Zoowel in vertaalmanier als in taalbehandeling liepen beide deelen zoo zeer uiteen, dat al spoedig de critiek loskwam dergenen, wier verlangen naar een nationalen bijbel door zulk een noodhulpvertaling niet bevredigd werd. Maar aangezien dezen niet bij machte waren daar een zelfstandige en betere vertaling tegenover te plaatsen, werd de uitgave van Gillis van der Erven telkens maar weer ter perse gelegd. In 1564-1565 werd zijn bijbel nagedrukt door een onbekende, die daaruit ‘de vreemde Hoogduytsche of Oostersche termen en manieren van spreken, als du bist, du salst, du en sulst’, zooals hij in de voorrede zegt, had verwijderd. Gillis van der Erven toonde zich over zulk een eigenmachtige verandering allesbehalve gesticht. Hij zag zich echter genoodzaakt, om het debiet van zijn eigen bijbel niet te schaden, in 1565 het verschil tusschen ‘du’ en ‘ghy’ te laten vervallen en te vervangen door ‘ghy’ en ‘ghylieden’.

Afgezien van een Nieuw Testament, dat in 1566 te Vianen verscheen (zie blz. 246), is de Deux-aes-bijbel de eerste geweest, die na de ballingschap in het vaderland ter perse werd gelegd. In 1571-1572 heeft een uitgever te Dordrecht, wellicht Jan Canin, een nieuwen

[p. 245]

druk bezorgd. Weldra verwierf de ‘copie’ [= tekst] van Gillis van der Erven zich groot gezag, ook bij de overheid. De Staten van Holland verleenden in 1579 aan Aelbert Hendricxz voor een tijd van twee jaren octrooi voor de uitgave; in hetzelfde jaar verkreeg ook Jan Canin te Dordrecht van de Staten van Holland en Zeeland bij privilege het alleenrecht van uitgave voor drie jaren. Deze privileges zijn de eerste bewijzen van de belangstelling der overheid voor de zaak der bijbelvertaling, die 58 jaar later tot zulk een schoon resultaat leiden zou. De particuliere Synode van Zuid-Holland, in 1592 te Leiden gehouden, sanctionneerde eveneens met haar gezag ‘d'oprechte copye’ van ‘Gielis van der Erven’, door de kerken aan te bevelen dezen tekst te gebruiken tot er een nieuwe vertaling verschenen zou zijn. In talrijke drukken over het land verspreid is de bijbel van Deux-aes tot de invoering van de Statenvertaling de gezaghebbende kerk- en huisbijbel gebleven.

§ 4. Vervolging van den bijbel in het vaderland.

Terwijl de ballingen ook door behartiging van de zaak der bijbelvertaling de toekomstige inrichting hunner gemeenten in het vaderland, dat ze vroeg of laat hoopten weer te zien, voorbereidden, kwam bij de achtergeblevenen de lang opgekropte haat tegen bloedplakkaten en inquisitie tot uitbarsting. Levendig besefte men de nauwe verbondenheid van de zoo vurig verlangde gewetensvrijheid en het recht tot zelfstandig Schriftonderzoek. Het fiere woord van Juliana van Stolberg: ‘Liever het uiterste gewaagd dan den schat van Gods Woord te verliezen,’ was onzen vaderen uit het hart gegrepen. De bijbel was inzet van den hoog oplaaienden geloofsstrijd. Hierin lag het rotsvast geloof verankerd, dat de strijders sterkte in hun taai verzet tegen de onderdrukkers.

Het viel in deze benarde jaren niet zoo gemakkelijk een Protestantschen bijbel machtig te worden als in de beginjaren der Hervorming. Toen werden uit het drukkerscentrum Antwerpen de kettersche uitgaven op ruime schaal over het land verspreid, nu moest men ze uit Emden laten komen, dat Antwerpen's plaats als hoofdzetel van den Protestantschen bijbeldruk had ingenomen. Het toezicht op de verzending en verkoop was strenger dan voorheen. Over zee werden de bijbels en Testamenten aangevoerd en in de Nederlanden verder gedistribueerd door bijbelschippers als Cornelis Simonsz., den Gereformeerden ‘hoofdauteur en consistoriaal van de gere-

[p. 246]

probeerde religie’, die in 1567 en 1568 te Leiden werd ingedaagd. Boekverkoopers, die aanwezig waren op hagepreeken en dan allerlei kettersche boekjes en liederen verspreidden, zullen onder de toehoorders ook wel kleine bijbeluitgaven verkocht hebben.

Er was één stad in de Noordelijke Nederlanden, waar de verkoop van Emder bijbels ongestoord kon plaats hebben. In Vianen, vanouds een vrije heerlijkheid der Brederodes, welke niet ondergeschikt was aan de juridisctie der Hoven van Utrecht en Holland, hebben de hervormde boekdrukkers en -verkoopers rustig alle soorten verboden lectuur verspreid. De heer van deze vrijstad, Hendrik van Brederode, een der leidende figuren bij de aanbieding van het Smeekschrift der edelen, verleende de Hervorming in dit gebied zijn bescherming. De procureur-generaal van het Utrechtsche Hof heeft nu in Jan. 1566 op last van de landvoogdes een agent provocateur naar de stad gezonden om een onderzoek in te stellen naar kettersche boeken en verkoopers of drukkers daarvan buiten het rechtsgebied van de heerlijkheid te lokken. De boekdrukker Albert Christiaenssens toonde den Utrechtschen spion, die zich uitgaf voor een burger van het naburige IJselstein, onder andere: ‘een Eemdersche bibel, in borden gebonden met sloetwerck, welcke bibel de voorn, printer in tegenwoerdicheyt van zijn huysfrau hem loeffde [= te koop aanbood voor] twee philippus guldens’, zooals het verklikkersrapport zegt, en verstrekte hem voorts een lijstje van verboden boeken, welke hij in voorraad had, waaronder ‘Eemdersche bibels groete, noch [= verder] bibels van Niclaes Biestkens’, dus zoowel Gereformeerde als Doopsgezinde uitgaven.

In Vianen werd de hervormde bijbel niet alleen verkocht, maar ook ter perse gelegd. In hetzelfde jaar 1566 bezorgde Goris Hendriksz ‘met gratie en privilege’ van Brederode een uitgave van Van Liesveldt's Nieuw Testament, den eenigen Protestantschen bijbeldruk, welke in deze jaren, voor zoover met zekerheid bekend is, in de Nederlanden verscheen.

Elders leverde het lezen van de Schrift in reformatorische vertaling des te grooter gevaar op. De geschiedenis der martelaren brengt het bewijs, dat het vrije bijbelgebruik iemand op den brandstapel kon brengen. De gewezen Brugsche Carmelieter monnik Christoffel Fabritius, die tot de Gereformeerde religie was overgegaan, verklaarde in 1564 te Antwerpen voor een vrouwelijke agent provocateur, de mutsenverkoopster Lange Margriet, uit ‘sekeren Bybel tot Empden gedruct’, aldus het proces-verbaal, het gedeelte, dat be-

[p. 247]

trekking heeft op het Avondmaal. Gevankelijk naar het Steen gebracht en voor den rechter gesleept, werd hij tot den vuurdood veroordeeld.

Aangrijpend was het verzoek dat eenigen der geloofsgetuigen, met den dood voor oogen, tot hun huisvrouw richtten, namelijk om den kinderen ‘tot een eeuwige memorie’ een Testament of bijbel te schenken.

Strijdbare evangelischen verzetten zich ook in geschrifte tegen de bijbelvervolging. In 1566 verscheen een merkwaardig boekje, waarvan de volledige titel als volgt luide: ‘Meer dan twee hondert ketteryen, blasphemien ende nieuwe leringen, welck wt de Misse zijn ghecomen. Eerst van Petro Bloccio School-meester te Leyden in Latyn ghemaeckt, daer nae in Duytsch voor slechte [= eenvoudige] menschen overghesett, op datse moghen weten dat de Paussche-kerck een fonteyn is van allen ketteryen onder decksel van heylicheyt. Daerom dwaelt ghy, om dat ghy de Schrift niet weet. Marci 12. M.D.LXVI’. De naam van den drukker en de plaats van uitgave worden niet genoemd. Wellicht is Peter Warnersen te Kampen de uitgever. Evenmin weten we met zekerheid, of Petrus Bloccius zelf zijn werkje uit het Latijn in de landstaal heeft overgebracht, al doet het persoonlijk karakter van den stijl dat wel vermoeden. Petrus Bloccius, een Brabander van afkomst, vroeger schoolmeester te Leiden, was tijdens de verschijning van zijn geschrift predikant in het Kleefsche. Met vlijmend sarcasme achtervolgt deze voorlooper van Marnix de Roomsche Kerk, die volgens hem wegens haar onvoldoende kennis der Schrift en de ‘miskramerij’ oorsprong is van alle ketterij. De Schrift is voor hem het ware ‘Reformatie-boeck’, de eenige grondslag van geloof en leven. Stuk voor stuk somt hij ruim tweehonderd ketterijen van de Roomsche Kerk op, waardoor hij de polemische stootkracht van zijn boekje verhoogt. In het bijzonder striemt zijn onbarmhartige hoon de ‘ketters’ (dat zijn dus voor hem de Roomsch-Katholieken), die tegen het Evangelie van Jezus Christus leeren en Gods Woord, dat is God zelf, aan de massa onthouden. Het belang van dit scherpste requisitoir tegen de vijanden van den leekenbijbel, dat ooit in de Nederlanden geleverd is, rechtvaardigt eenige uitvoerige aanhalingen.

De H. Schrift moet in vertalingen gemeengoed worden, betoogt hij. ‘Hier mach ick niet verswijgen,’ gaat hij voort, ‘dat de Papisten roepen, dat wt verscheyden translatien zyn de ketteryen ghecomen; ende sy sien niet dat de Apostels somtyds in Griecx anders schryven dan in de Hebreusche text staet .... maer dit seggen sy daerom,

[p. 248]

want sy moghen niet wel lyden ghelyck Joacim de coninck, Hierem. 26 dat het volck leest een Bybel. Wt de Misse ende afgoderye is alle quaet ghecomen ende verscheyden ketteryen, maer niet dat alle volck in alle spraken leest een Bybel wel overgeset. Ende dat dat geschieden soude, daer toe behooren Borgemeesters, Heeren ende Princen te helpen in alle plaetsen ende die de macht niet hadden om de schriften Mosis, Propheten ende Apostels te coopen, daer behooren sy ghelt toe te gheven .... Elc huys-ghesin behoort te minsten een Bybel oft twee te hebben .... in plaetse van dertich oft veertich kannen oft schuttels.’ ‘De CXLV ketterye is, dat de ketters den ambachtslieden, huys-vaders, schoolmeesters etc. verbieden Gods woordt te lesen, ende vermoorden die een Bybel hebben ende beleven; ende sy weten niet dat Christus niet alleen vermaent de Schrift te lesen, maer oock te door-gronden, alsmen dat oock leest Act. 17 .... maer de ambachts-lieden worden vermoort, om datse Gods woordt lesen, dat is, sy moghen niet lesen wat groote weldaden dat Godt hen bewesen heeft aen lyf en siel. Sy moghen niet weten, datmen Godt alleen sal aenroepen, alleen sal bidden. Sy moeten niet weten, dat in niemant dan in Christo Iesu is salicheit, dat wy geen verdiensten hebben dan de helle. Lieve Joden ende Turcken, ghy hebt meer voordeels dan die onder de tyrannie des Paus zijn: want ghy moecht Moses ende der Propheten boecken lesen, maer in dat Pausdom verbeurt hy goet ende bloet, nae sPaus Placaet te Roomen ende op ander plaetsen, die een Bybel leest. Dantsen, dobbelen, hoereren, Sodomie bedrijven, bancketeren dagelicx, ende alderley vleeschelicke wercken moecht ghy wel doen. Ende de Mis-kreemers, om datse voor-dansers zyn, straffen dat niet, maer een Bybel moecht ghy niet hebben. Pelssers, wevers etc. roepen sy, sullen sick met huer werck becommeren: wat hebben sy met den Bybel, dat is, met Godt ende sijn woordt te doen? Ende om dat sy den duvel dienen, so nemen sy Gods woordt wech, als Luc. 8 ghescreven staet. Also maecken dese Antichristen sick selfs bespot, om datse Godt ende sijn woordt verdrayen ende verbieden. Welck waert saecke [= indien] datse geestelick waren, sy souden van huys tot huys een Bybel beschicken. Sy souden de Godt-vreesende druckers helpen ende vermanen goede Authoren te drucken ende beloonen. Maer sy sorghen [= vreezen] dat Godt hen verlaeten soude, dat sijn woordt van de Huys-vaders wierde gelesen ende beleeft. Sy weten niet dat eerlick [= loffelijk] is de wercken Gods te ontdecken, als Tobias leert. Sy weten niet dat Godt gebiet in huys ende op allen plaetsen de Schrift te lesen

[p. 249]

ende te verhalen, want van alle leeghe woordt moet rekeninge gegeven worden. De Keemerlinck las den Propheet Esaiam op den waghen, maer Philippus strafte hem niet. Hy seyde niet: Ja ja, beghint ghy oock te bybelen? Zyt ghy oock van dese niewe Doctoors, van dese nieuwe secte, nieuw geloove, gelijc de Misdantsers nu seggen?’ ‘De CXLVII ketterye is, dat de ketters verbranden Bybels ende boecxkens die Godts eer verbreyden, maer sy verbranden niet heuren blasphemische Missael, Brevier ende diergelycke tooversche boecken, welcke by der Apostels tyt zyn verbrandt. Sy souden verbranden heur blasphemische aflaets-brieven, welck sy vergevinge der sonden toe-scryven. Sy souden verbranden heur fabulose Decret, welck sy dat quintum Evangelium noemen, om dat sy dat meer aen-bidden dan Godt, in wiens leer die niet blyft, die heeft geen God.’

1)Gr. Ghebaerd.
2)Of, de Ghezalfde.
3)Of, regieren.

1)Oft/ eebrekers.

prepostterug  begin  verder