Nadat prins Maurits het verzet van Utrecht en Holland gebroken had, stond aan het houden van een nationale Synode niets meer in den weg. In het rechtzinnige Dordrecht, de oudste en eerste stad van het gewest Holland, kwamen in den herfst van 1618 de kerkelijke afgevaardigden uit binnen- en buitenland bijeen ten einde - dat was het hoofddoel der Synode - een uitspraak te doen in de leergeschillen, die in de jaren van het Bestand de Nederlanden in beroering hadden gebracht. Als plaats van samenkomst had de magistraat van de stad de groote bovenzaal van het Doelengebouw aangewezen. Nadat de samenstelling en werkwijze der vergadering vastgesteld waren, besloot men, vóór dat de ingedaagde Remonstranten ter vergadering verschenen, de loopende zaken af te handelen. Het is kenmerkend voor het gewicht, dat de voorzitter aan de zaak toekende, dat hij als eerste punt op de agenda de aangelegenheid van de bijbelvertaling, onderwerp van verscheidene provinciale gravamina, plaatste. In een reeks van niet minder dan zeven zittingen, gehouden van 19 tot en met 27 November, legde de achtbare vergadering de grondslagen voor het grootsche gebouw der Statenvertaling.
De leiding der Synode berustte in de beproefde handen van Johannes Bogerman. Na een buitengewoon en plechtig gebed leidde de voorzitter het onderwerp met een breede uiteenzetting in. Hij begon met het kerkelijk en nationaal eergevoel zijner hoorders te prikkelen door te wijzen op een scherpe tegenstelling tusschen het buiten- en binnenland; daar had men uitstekende vertalingen rechtstreeks uit de grondteksten, onder welke hij vooral den Engelschen bijbel, den Italiaanschen van Deodati en den Duitschen van Piscator prees; hier was slechts een gebrekkige overzetting uit de tweede hand. Onvoorziene omstandigheden hadden de totstandkoming van een ‘perfec-
tere’ vertaling, waardoor men God in de Nederlandsche taal kon hooren spreken, verhinderd. Met toenemend verlangen zag men uit naar een nieuwen, uniformen bijbeltekst, waarop men zich in den strijd met Anabaptisten en Roomschen kon beroepen en eenvoudige dienaren des Woords, die onbekend waren met de oude talen, zich konden verlaten. Drie vragen legde de praeses daarom in het midden der vergadering: 1o Is een nieuwe bijbelvertaling inderdaad noodig? 2o Hoe kan deze zoo goed en zoo snel mogelijk haar beslag krijgen? 3o Aan hoevele en aan welke personen moet de arbeid opgedragen worden?
Het antwoord op de eerste vraag luidde bevestigend, hetgeen na de ervaring van vroeger jaren en de inleidende rede van den voorzitter te verwachten was. Vrijwel unaniem onderschreef men de uitspraak van den Deventer predikant Caspar Sibelius, dat het beter was het gebouw van een nieuwe bijbelvertaling van den grond af op te trekken dan zich bezig te houden met het herstellen en verbeteren van de wanden der oude overzetting. Onomwonden veroordeelde men den gangbaren tekst wegens de tallooze fouten, die hem ontsierden; uit de slechte Duitsche vertaling van Luther was een nog slechtere vertolking in het Nederlandsch vervaardigd. Ter vermijding van ergernis besloot men later, deze scherpe uitdrukkingen in de gedrukte ‘Handelinghen’ te verzachten. In de Latijnsche ‘Acta’ kwam dan ook te staan, dat een ‘accuratior’ vertaling hoogstnoodig was, in de Nederlandsche ‘Handelinghen’ gaf men dit zelfs weer door ‘perfectere’. Dezelfde bezorgdheid om aanstoot te geven bewoog de vergaderden om te bepalen, dat men van den gangbaren bijbel zooveel moest handhaven als zich met de waarheid van den grondtekst en het Nederlandsche taaleigen liet vereenigen. In het bijzonder gold dat van de historische boeken van het Oude en alle boeken van het Nieuwe Testament, omdat daarin niet zooveel dingen stonden, die ‘verbeteringhe weerdigh’ waren.
Overigens moest men bij de vertaling - nu kwam de tweede vraag aan de orde - uitgaan van den grondtekst en gebruik maken van de beste overzettingen, commentaren en woordenboeken, alsook, bij het tegenkomen van moeilijke plaatsen, raadplegen met ervaren geleerden. Gewapend met deze hulpmiddelen van gedegen wetenschap hadden de bewerkers zich voorts te houden aan een allerbelangrijksten regel, die beslissend zou zijn voor het karakter van hun geheelen arbeid: tenzij de duidelijkheid van den gedachtengang of het Nederlandsche taaleigen daaronder lijden zou, moesten zij den oorspronkelijken
tekst ootmoedig - ‘religiose’ staat er eigenlijk in de meeste verslagen - ontzien; hebraïsmen en graecismen mochten in den tekst opgenomen worden en, waar het karakter van de Nederlandsche taal zulks niet gedoogde, was het toch noodig de letterlijke vertaling op den rand te vermelden. Uit den voorafgaanden regel vloeide logisch voort, dat alle verklarende toevoegingen duidelijk van den eigenlijken tekst onderscheiden moesten worden door plaatsing tusschen haakjes en het gebruik van een ander of kleiner lettertype. Het Schriftbeginsel der Dordtsche vaderen, die in den Hebreeuwschen en Griekschen tekst zoowel materieel als formeel het Woord van den souvereinen God, de taal van den Heiligen Geest zelf zagen, weerspiegelt zich dus in deze practische voorschriften, die den vertalers het maken van een woordelijke, wetenschappelijk objectieve overzetting oplegden.
Boven elk hoofdstuk en bijbelboek moest een korte inhoudsopgave geplaatst worden, op den kant een opgave van de gelijkluidende plaatsen.
De duistere plaatsen dienden zij te voorzien van een korte toelichting. Het werd evenwel noch noodig noch raadzaam geacht, dat men er opmerkingen van dogmatischen aard aan zou toevoegen. De Synode wenschte derhalve in de kantteekeningen van de nieuwe vertaling geen behandeling van de dogmatische geschilpunten, maar een objectieve uiteenzetting vam het Schriftwoord.
Had de gedachtenwisseling tot nog toe een effen verloop gehad, levendiger werden de besprekingen, toen het onderwerp van de vertaling en plaatsing der Apocryphen aan de orde werd gesteld. Men was het niet eens over de plaats, die aan deze geschriften in het geheel der canonieke boeken moest worden toegekend. Gomarus was van gevoelen, dat ze als louter menschelijke geschriften buiten den heiligen canon behoorden te blijven en geheel weggelaten moesten worden. Afgoderij noemde hij het, verschrikkelijk bijgeloof, wanneer men verdichte fabelen en geschriften vol dogmatische dwalingen ging opnemen in den bijbel; de eere Gods zou er door aangetast worden. De Joodsche kerk had deze boeken trouwens vanouds gescheiden gehouden van de Goddelijke geschriften. Er was geen enkele reden om ze nu te behouden, vooral sinds de Roomsche kerk ze met de canonieke boeken op één lijn gesteld had. Indien waar is, wat een oorgetuige bericht, moet Bogerman den hartstochtelijk sprekenden Gomarus eenige malen in de rede gevallen zijn. De Geneefsche deputaat Deodati schaarde zich aan de zijde van Gomarus. Ook hij rekende die boeken, behalve Baruch, Wijsheid, Jezus Sirach en het eerste boek der
Maccabeeën, tot de Joodsche fabelen. Ze waren in strijd met de waarheid en majesteit der H. Schrift en daarom schadelijk en gevaarlijk voor den lezer. Walmende lampen noemde hij ze in vergelijking met de canonieke boeken, die zulk een helder licht verspreidden voor leven en vroomheid. Het kan niet ontkend worden, dat de voorstanders van het behoud der apocryphe boeken er niet in geslaagd zijn, de consequent-reformatorische argumenten van Gomarus en Deodati te ontzenuwen. Wat zij daartegenover plaatsten, was niets anders dan het nut van de meeste dezer boeken, het voorbeeld van alle Gereformeerde kerken en het gevaar, dat de eenvoudigen aanstoot zouden nemen aan zulk een plotselinge wijziging van den bijbelinhoud. Vooral de laatste twee overwegingen hebben den doorslag gegeven bij het synodaal besluit, dat met meerderheid van stemmen genomen werd. Het was een soort compromis tusschen het oude standpunt en dat van Gomarus en zijn medestanders. De Apocryphen zouden opnieuw uit het Grieksch in de landstaal worden overgebracht, ofschoon de vertalers daaraan niet zooveel zorg behoefden te besteden. Door een afzonderlijk titelblad, waarop de menschelijke afkomst dezer geschriften openlijk werd uitgesproken, door een voorrede, waarin de lezers werden gewaarschuwd voor de dwalingen, welke zij behelsden, door druk met kleiner letter en door aparte pagineering behoorden zij uitdrukkelijk onderscheiden te worden van de canonieke boeken. Voorts besloot men door de plaatsing het onderscheid des te duidelijker te doen uitkomen. Niet meer tusschen Oud en Nieuw Testament in, maar achter het laatste zouden ze, als een soort aanhangsel, een plaats krijgen.
Een tweede zaak, waarover een warme discussie ontbrandde, was de vraag, of men als aanspreekvorm voor God het voornaamwoord ‘du’ zou bezigen. Gelijk men weet hadden Utenhove en Marnix getracht dezen ouden vorm nieuw leven in te blazen. In de voorrede van zijn berijmde Psalmen verdedigde de laatste zijn poging met een verwijzing naar het oude Vlaamsch en Brabantsch en naar andere talen, waar men tot God bidt en spreekt in het enkelvoud, ‘om des te meer de hooge ende eenige Maiesteyt Godes .... te kennen te gheven’. Het gebruik van het meervoudige ‘ghi(lieden)’ achtte hij van Spaansche afkomst. Wilde men den zin van den Heiligen Geest ‘blootelijck ende slechtelijck’ [= duidelijk en eenvoudig] uitdrukken, dan moest men terugkeeren tot het oude ‘du’.
De Synode bleek in twee kampen verdeeld te zijn. De eene groep pleitte met Marnix' argumenten voor het behoud van het verouderde
woordje, de andere voerde aan, dat het onbeschaafd en ongewoon klonk in de ooren der Nederlanders; alleen in minachtenden zin werd het nog door het volk gebruikt. De vorm ‘ghij’ voor het enkelvoud had zich sinds lang ingeburgerd ook in het gebed tot God, zoodat noch de majesteit noch de eenheid van Zijn wezen daardoor gekwetst zouden kunnen worden. Bovendien had men rekening te houden met de lessen van het verleden; immers juist het gebruik van ‘du’ had het volk afkeerig gemaakt van Marnix' Psalmen.
Een oogenblik werd zelfs de strakke ernst, waarmee de achtbare vergaderden debatteerden, verbroken, doordat vele toehoorders, vermaakt door de wijdloopige redewisseling over iets wat in hun oogen een zaak van gering gewicht was, in den lach schoten.
De meerderheid van de vergadering sprak zich uit voor het behoud van ‘ghij’. Het gelijk was in deze ongetwijfeld aan haar kant. De gevoelswaarde van het vrijwel uitgestorven ‘du’ was van dien aard, dat het een volslagen miskenning van de taalwerkelijkheid geweest zou zijn, indien men het voorbeeld van Marnix had gevolgd, afgescheiden van het practische bezwaar, dat de nieuwe bijbel door het bezigen van zulk een leelijk woord het volk tegen zich zou innemen. De Synode heeft terecht haar gezag gebruikt om aan ‘du’ den doodsteek te geven.
Aangaande de samenstelling van het college van vertalers en de werkverdeeling besloot men, de taak op te dragen aan zes personen, van wie er drie het Oude en drie het Nieuwe Testament en de Apocryphen zouden bewerken. Zij dienden niet alleen de vereischte taalkundige en theologische bekwaamheden te bezitten, maar tevens vrome mannen te zijn van een godzaligen levenswandel. Het was noodzakelijk, dat zij tijdelijk ontheffing verkregen van hun ambten en bedieningen, opdat zij zich met den vollen inzet van hun krachten konden wijden aan de opgelegde taak. Voorts achtte men het gewenscht, dat de translateurs allen in een bekende academiestad gingen wonen, waar zij de beschikking hadden over een welvoorziene bibliotheek en tevens in moeilijke gevallen den raad der hoogleeraren konden inwinnen. Aangezien zulk een regeling groote sommen gelds zou kosten besloot men, de Staten-Generaal te verzoeken, de plaats waar de vertalers zich hadden te vestigen aan te wijzen en tevens de noodige penningen te verschaffen, opdat het werk binnen verloop van drie maanden na sluiting der Synode kon beginnen. Uit elke provinciale Synode zouden twee herzieners worden aangewezen, een voor het Oude en een voor het Nieuwe Testament. Wanneer de overzetters een boek gereed hadden, moesten zij het opzenden
naar de reviseurs, opdat dezen in overleg met deskundigen uit de classis moeilijke plaatsen thuis konden aanteekenen. Bij de voltooiing van den vertaalarbeid moest een vereenigde bijeenkomst van vertalers en overzieners plaats vinden, die over de wijze van vertaling op twijfelachtige punten zou hebben te beslissen. Ingeval van overlijden of ziekte van een der overzetters zou zijn plaats worden ingenomen door dengene, die na hen de meeste stemmen had verkregen. Ontstond er een vacature in de gelederen der reviseurs, dan behoorden de particuliere Synoden daarin te voorzien.
Zonder de vertalers aan een bepaalden termijn te willen binden, omdat de zaak geheel aan de trouw en diligentie der translateurs kon worden overgelaten, sprak de vergadering toch als haar oordeel uit, dat het werk in vier jaren tot een goed einde gebracht kon worden. Om de drie maanden zouden zij inmiddels de bewijzen van hun ijver moeten overleggen aan de Staten-Generaal en de reviseurs. Omtrent de volgorde, waarin de vertaling moest plaats vinden, nam de Synode het besluit, dat de overzetters zouden beginnen bij Genesis en Mattheus en dan verder de indeeling van den bijbel zouden volgen, zoodat zij geleidelijk hun vaardigheid konden ontwikkelen en daarvan dankbaar gebruik maken bij de bewerking van de moeilijker boeken.
Thans ging men over tot de benoeming van vertalers en overzieners. Door elke particuliere Synode en door de aanwezige hoogleeraren werden lijsten ingediend, waarop de namen stonden van afwezigen, die door gaven van verstand en hart naar hun meening in aanmerking kwamen voor de gewichtige taak. Met meerderheid van stemmen benoemde men als vertalers van het Oude Testament: Johannes Bogerman, predikant te Leeuwarden; Guilhelmus Baudartius, predikant te Zutphen; Gerson Bucerus, predikant te Veere; en als hun plaatsvervangers: Antonius Thysius, hoogleeraar in de godgeleerdheid aan de hoogeschool te Harderwijk; Jacobus Rolandus, predikant te Amsterdam en Hermannus Faukelius, predikant te Middelburg. Met de vertaling van het Nieuwe Testament en de Apocryphen werden belast: Jacobus Rolandus, Hermannus Faukelius en Petrus Cornelii, predikant te Enkhuizen; hun plaatsvervangers waren: Festus Hommius, predikant te Leiden; Antonius Walaeus, predikant te Middelburg en Jodocus Hoingius, rector van de Illustre School te Harderwijk. Op soortgelijke wijze werden uit elke provincie twee revisores gekozen, behalve uit Utrecht, waar men eerst het eindigen der geschillen tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten wilde afwachten en uit Drenthe, dat vrij-
stelling verkreeg, aangezien daar weinig predikanten de Nederlandsche taal in voldoende mate beheerschten.
Toen eenmaal het besluit betreffende de nieuwe vertaling gevallen was, richtten de boekdrukkers zich in een adres tot de hooge kerkvergadering en de afgevaardigden der Staten-Generaal. Zij wezen hierin op hun ijver voor de zaak van de bijbelverspreiding, op de groote kosten die het aanschaffen van een nieuw exemplaar voor vele eenvoudigen met zich zou meebrengen en vooral op de groote voorraden, waarmee ze zouden blijven zitten, wanneer de nieuwe overzetting spoedig tot stand kwam. Er waren nog 80.000 oude bijbels in de winkels aanwezig, waarvan 15.000 alleen in Dordrecht. Vandaar dat zij den heeren verzochten met dit alles rekening te willen houden.
Voordat de Synode uiteenging, wees zij een viertal leden als haar vertegenwoordigers in de zaak der bijbelvertaling aan, inzonderheid om bij de Staten-Generaal aan te dringen op goedkeuring en onverwijlde uitvoering der genomen besluiten. In deze commissie hadden zitting Festus Hommius, Johannes Polyander, hoogleeraar te Leiden, Henricus Arnoldi, predikant te Delft en Henricus Rosaeus, predikant te 's-Gravenhage.
De boekdrukkers en boekverkoopers hadden zich noodeloos ongerust gemaakt over de voortvarendheid, waarmee de Synode te werk was gegaan. Het scheen wel, alsof ook ditmaal het grondig voorbereide plan onuitgevoerd zou blijven. Zoolang de kerkelijke geschillen de aandacht vroegen en de inmiddels hervatte krijgsbedrijven van 's lands geldmiddelen zulke zware offers eischten, viel er aan medewerking van de zijde der Staten-Generaal, van wie in deze alles afhing, niet te denken. Het request der synodale gemachtigden werd door de Hoogmogende Heeren dan ook ter zijde gelegd. Aan de synodale vergaderingen kon het uitstel allerminst geweten worden. Geen jaar ging voorbij of de noodzakelijkheid van een spoedigen voortgang werd betoogd, terwijl men de gedeputeerden van de Dordtsche Synode tot volhouden aanspoorde. Zelfs de Staten van Holland en Gelderland wist men te bewegen hun invloed aan te wenden in het belang van de goede zaak.
Middelerwijl trachtte de Franeker hoogleeraar Sixtinus Amama in geschrifte de Staten-Generaal en den Prins te overtuigen van het wenschelijke eener onmiddellijke tekstverbetering. Als begaafd leer-
ling van Drusius was Amama bij uitstek bekwaam in het Hebreeuwsch. In een boekwerk, getiteld ‘Bybelsche Conferentie’ en in 1623 te Franeker verschenen, behandelde hij een groot aantal plaatsen uit de Nederlandsche Deux-aes-vertaling van den Lutherbijbel, waarvan hij door vergelijking met een geheele reeks Latijnsche en moderne vertalingen de onjuistheid of onnauwkeurigheid meende te kunnen aantoonen. Onder alle vertalingen van alle volken stond volgens hem geen tekst zoo ver van de Hebreeuwsche waarheid af als de onze; een ‘nette, beslepene ende nau-luysterende Oversettinghe des Bybels’ was daarom dringend noodig. De lauwheid en onverschilligheid van sommigen en de gehechtheid van de eenvoudigen aan den ouden bijbel, die volgens hen voldoende was voor hun godzaligheid, mochten geen beletsel zijn om terstond de hand aan den ploeg te slaan. Zelf gaf hij twee jaar later het voorbeeld door den bijbel van Petrus Hackius opnieuw uit te geven en op den kant de juiste Hebreeuwsche lezingen en de Italiaansche aanteekeningen van Deodati in vertaling op te nemen. Wat het Nieuwe Testament aanging, volgde hij den tekst van Hermannus Faukelius, aangezien deze ‘veel correcter is als de oude’.
De aandrang, welke zoo van verschillende zijden op de Algemeene Staten werd uitgeoefend, had ten gevolge, dat Hun Hoogmogenden bij besluit van den 11den Mei 1624 de vertalers aanmaanden voort te gaan met den begonnen arbeid en dezen tot een einde te brengen, opdat de kerken en gemeenten eindelijk in het bezit zouden komen van een geauthoriseerden bijbel. Merkwaardig staaltje van omkeering der feiten! Voorts vonden de Heeren goed, dat de overzetters elk half jaar op 's lands kosten een samenkomst zouden hebben om de voorloopige redactie in onderling overleg vast te stellen. Een jaar later, den 23sten Mei 1625, kwamen de overzetters met de afgevaardigden van de nationale Synode bijeen om te beraadslagen, hoe bij dezen stand van zaken hun gedragslijn moest zijn. Afgezien van practische bezwaren als het herhaaldelijk reizen over groote afstanden en de geringe medewerking der kerkelijke overheden in hun standplaatsen, achtten zij het gewenscht om niet af te wijken van wat in Dordrecht besloten was. Zij droegen daarom de synodale deputaten op, hun bezwaren aan de Staten-Generaal over te brengen en het daarheen te leiden, dat de Hoogmogende Heeren de vroeger gedane verzoeken zouden inwilligen.
Ten slotte keurden toen de Staten-Generaal in hun resolutie van 18 Juli 1625 goed, dat de vertalers gezamenlijk, en wel te Leiden,
zouden vergaderen, dat aan de provinciën geschreven zou worden om voor hen tijdelijke ontheffing van hun functiën te verkrijgen met behoud van de traktementen en dat uit 's lands geldmiddelen de huishuur en andere onkosten bestreden zouden worden. Is het te veel gewaagd, wanneer wij veronderstellen, dat aan Bogerman's connecties met den stadhouder deze gunstige beschikking te danken is? In ieder geval heeft ook de Prins het verzoek van Bogerman aan de stedelijke regeering van Leeuwarden, om hem vrij te laten voor het werk der vertaling, ondersteund.
Toen de vertalers van het Oude Testament dispensatie hadden gekregen van het dienstwerk in hun standplaats, hetgeen soms heel wat voeten in de aarde had, en zij zich allen naar Leiden hadden begeven, hebben zij op 3 November 1626 in een samenkomst met een drietal afgevaardigden van de Staten-Generaal de door hen reeds bewerkte bijbelboeken overgelegd en vooraf orde gesteld op de financieele regeling. Den volgenden dag besloten Hun Hoogmogenden aan elken vertaler, boven zijn gewone salaris, een traktement toe te kennen van 600 gulden; bovendien 300 gulden voor huishuur, wat degenen die in Leiden hun vaste woonplaats hadden, niet zouden ontvangen, benevens 200 gulden voor een afschrijver, terwijl de onkosten voor vuur en licht in de gemeenschappelijke vergaderingen en voor het aanschaffen van boeken vergoed zouden worden. De vertalers zouden van voren af aan moeten beginnen en het recht hebben om van de erven van Marnix en Helmichius inzage te verlangen van wat door dezen ten laste der generaliteit was tot stand gebracht.
Eindelijk kon dan het werk der vertaling een aanvang nemen. Ten huize van Bogerman aan het Pieterskerkhof te Leiden had den 13den November, juist acht jaar na de opening van de Dordtsche Synode, de eerste bijeenkomst der overzetters van het Oude Testament plaats. Men besloot, dat de gastheer als voorzitter en Baudartius als secretaris van het college zou optreden, terwijl Bucerus als verdediger der overzetting ‘in zware plaetsen’ zou fungeeren; bovendien maakte men de noodige afspraken voor de verdeeling der werkzaamheden. Dat aan Bogerman (1576-1637) de leiding der vergadering toevertrouwd werd, was niet anders te verwachten. Man van gezag en bezonnen oordeel kwam de gewezen praeses der nationale Synode meer dan iemand anders in aanmerking voor een
leidende en representatieve functie. Zijn biograaf teekent zijn uiterlijk als volgt: ‘zijn hoog en gerimpeld voorhoofd, kwijnende heldere oogen, welgevormde neus, prachtige baard, die tot zijn midden reikte en sierlijk over zijne borst golfde, waren in volkomene harmonie met den deftigen ernst, welke verspreid lag over zijn gelaat, dat de sporen droeg van een voortdurend lichamelijk lijden’. Zoo indrukwekkend zijn uiterlijk voorkomen was, zoo vast en onbuigzaam was het karakter van dezen geboren Oost-Fries. Kortom, een man van stijl, die het stempel van zijn persoonlijkheid achterliet op alles wat hij ondernam. Maakten deze eigenschappen hem geschikt voor de positie van leider, zijn groote geleerdheid bood een waarborg voor een goede vervulling van zijn taak als overzetter. In zijn jeugd had hij zich te Franeker taalkundig geschoold bij Drusius en theologisch aan buitenlandsche universiteiten. De talenten van Baudartius (1565-1640) zijn ons reeds bekend (zie blz. 265). Van Gerson Bucerus (± 1565-1631), geboortig uit Vlaanderen, sinds 1588 predikant te Veere, kunnen wij berichten dat hij geroemd wordt om zijn ongewone bekwaamheid in Hebreeuwsch en oudheidkunde.
Op de volgende bijeenkomst, gehouden den 24sten November, hebben zij met hun drieën het boek Genesis doorgewerkt voor de eenparigheid in taal en stijl. Daarna verdeelden zij, zooals Bogerman en Baudartius zelf in hun ‘Cort Verhael’ mededeelen, elk boek in drie stukken. Ieder deed thuis het hem toegewezen gedeelte af en voorzag het van kantteekeningen. Dan kwamen zij weer bijeen, lazen vers voor vers in het Hebreeuwsch op en toetsten hieraan in onderling overleg de juistheid der vertaling en tekstverklaring. Deze werkverdeeling had het voordeel, dat een spoedige voortgang verzekerd werd, wat wel noodig was, omdat op de schouders der translateurs van het Oude Testament verreweg het zwaarste en omvangrijkste onderdeel van het vertaalwerk gelegd was.
De eigenlijke vertaling heeft twee jaar langer geduurd dan de Synode zich had voorgesteld. De Pentateuch kwam in den loop van 1628 gereed, maar omdat er niet voldoende afschrijvers te vinden waren voor de vermenigvuldiging der copieën, waarvan elke revisor een exemplaar ter bestudeering moest ontvangen, was men gedwongen bij de weduwe van Jan Claesz. van Dorp te Leiden 18 afdrukken te laten maken. De overzetters bonden den herzieners op het hart de proeven niet aan onbevoegden te toonen, ‘vermits [= met het oog op] de menichte van quaetwillighe menschen, die desen H. arbeyt gaerne souden verhinderen of tot spot stellen’. Gomarus, die als over-
ziener van het Oude Testament een exemplaar naar Groningen toegezonden kreeg, had dan ook alle reden om vertoornd te zijn, toen hij bemerkte, dat de overbrenger, een Groninger predikant, die als kerkelijk deputaat ter Zuidhollandsche Synode was geweest, op de terugreis uit nieuwsgierigheid het verzegelde pakket geopend en van den inhoud kennis genomen had. Hij was het volkomen eens met Bogerman, dat buitenstaanders, wanneer ze ontijdig met het werk in kennis werden gesteld, maar ‘onrype ende ongunstighe oordeelen’ zouden vellen.
Telkens wanneer er een gedeelte af was, ontvingen de reviseurs een afdruk. Behalve Gomarus toonden ook Jacobus Revius, predikant te Deventer en Jodocus Larenus, dienaar des Woords te Vlissingen, beiden geleerden van naam, metterdaad hun belangstelling door het leveren van opbouwende critiek. Kerkelijke vergaderingen volgden met aandacht de gemaakte vorderingen, spoorden soms, geheel onnoodig overigens, de translateurs tot het betrachten van meer spoed aan, en baden hun gedurig de voorlichting van den Heiligen Geest toe.
De dood van Bucerus in Augustus 1631 veroorzaakte eenige stagnatie. Er is een oogenblik sprake van geweest, dat Antonius Thysius, die door de Synode als invaller was aangewezen en inmiddels hoogleeraar te Leiden was geworden, in zijn plaats zou komen. Het bestuur der hoogeschool had er echter bezwaar tegen hem af te staan, terwijl Thysius zelf, na zich van nabij op de hoogte gesteld te hebben van de taak die hem wachten zou, verzocht van zijn plicht vrijgesteld te worden. Bogerman en Baudartius hebben toen met verdubbelden ijver het resteerend gedeelte - Bucerus was gekomen tot de vertaling van Ezechiël, terwijl de beide anderen elk eveneens een Profeet voor hun rekening hadden genomen - bewerkt. Baudartius schreef aan Revius, dat hij in zijn leven nog nooit zoo ‘geblockt’ had als hij nu op zijn ouden dag - hij was 66 jaar - moest doen. Zijn arbeid en die van Bogerman werd door menigen herziener met spanning afgewacht. De grijze Gomarus danste bijna, tot verbazing zijner bedienden, van vreugde, zoo berichtte hij Bogerman, toen hij de zes eerste kleine Profeten ontving, die na korten tijd gevolgd werden door de overige boeken des Ouden Testaments. Den 4den September 1632 kwam de ontwerp-vertaling in handschrift gereed, aan het begin van het volgend jaar de drukproef, waarmee de eerste en tevens de belangrijkste fase zich voltrokken had.
De vertalers van het Nieuwe Testament konden hun vereenigden
arbeid pas in het begin van 1628, dus anderhalf jaar later dan hun mede-overzetters, aanvangen. Deze vertraging werd veroorzaakt door de houding van den Amsterdamschen magistraat en kerkeraad. Burgemeesteren verlangden dat Jacobus Rolandus, die als vertaler tijdelijk in Leiden moest gaan wonen, tegelijkertijd zijn ambtswerk als predikant zou blijven vervullen; de kerkeraad weigerde hem af te staan, zoolang geen vergoeding werd gegeven voor het in dienst nemen van een plaatsvervanger. De Noordhollandsche Synode wist echter na lang aanhouden Rolandus vrij te krijgen. In Leiden aangekomen, had hij al spoedig een samenkomst met zijn medewerkers Festus Hommius, predikant te Leiden en regent van het Statencollege, en Antonius Walaeus, hoogleeraar in de godgeleerdheid aan de universiteit aldaar, die de plaatsen hadden ingenomen van de overleden overzetters Petrus Cornelii († 1619) en Hermannus Faukelius († 1625).
Jacobus Rolandus (1562-1632), de oudste van alle vertalers, was een Delftenaar van afkomst. Te Genève had hij gestudeerd onder leiding van Beza, en daarna te Heidelberg zijn studiën voortgezet. Deze gewezen assessor van de Dordtsche Synode was zoowel in theologisch als in taalkundig opzicht volkomen berekend voor de taak, die hem wachtte; een figuur, die uitmuntte door beminnelijkheid van karakter, maar minder op den voorgrond trad dan de anderen. Festus Hommius (1576-1642), evenals Bogerman een geboren Fries, had zijn universitaire opleiding genoten aan de hoogescholen te Franeker, waar hij aan de voeten zat van den streng Gereformeerden dogmaticus Sibrandus Lubbertus, en te Leiden, waar hij Bonaventura Vulcanus als leermeester in het Grieksch had. Als overtuigd bestrijder van de meeningen der Arminianen en als polemicus, die onvervaard in het krijt trad voor de handhaving van de Gereformeerde leer, genoot hij, de geleerde scriba van de nationale Synode, het volle vertrouwen. Antonius Walaeus (1573-1639) stamde af van een aanzienlijk Gentsch geslacht. Ook hij heeft zijn studiën in het buitenland, te Genève, waar hij Beza nog heeft ontmoet, kunnen voltooien. Algemeen geacht en geliefd om zijn geleerdheid en innemende omgangsvormen sloot hij op waardige manier de rij der overzetters.
Al spoedig nadat Rolandus was aangekomen, hebben de vertaal-colleges van beide Testamenten in een gecombineerde vergadering afspraken gemaakt omtrent de te volgen spelling en buiging van het Nederlandsch, opdat ook in dit opzicht eenheid der deelen verkregen zou worden. Het pleit voor hun werkelijkheidszin en gezond oordeel,
dat ze zich bewust aansloten bij het heerschend taalgebruik en onnoodige spellingteekens zooveel mogelijk vermeden.
Wat de wijze van werken betrof, besloten Rolandus en de zijnen, anders dan de vertalers van het Oude Testament, ieder afzonderlijk het geheele Nieuwe Testament te vertalen en te voorzien van kantteekeningen; onderwijl zouden zij de resultaten van hun arbeid in onderlinge bijeenkomsten - die ten huize van Rolandus gehouden werden - vergelijken ten einde gezamenlijk de voorloopige slotlezing vast te stellen. Deze eenigszins omslachtige maar grondige werkwijze was mogelijk, doordat hun, wat ze zelf heel goed wisten, het lichtste onderdeel van het vertaalwerk was toegewezen. Het Nieuwe Testament was niet alleen geringer van omvang dan het Oude, maar had bovendien minder verbetering noodig, omdat hun voorganger (Johannes Dyrkinus) reeds in gelijken geest had gearbeid. Daar kwam bij, dat in ieder geval Rolandus en Hommius en waarschijnlijk ook Walaeus reeds een groot gedeelte hadden gereed liggen, voordat ze overgingen tot hun gemeenschappelijke besprekingen. Van deze voorstudiën moeten zij veel gemak gehad hebben.
Aan het eind van 1628 konden zij het Evangelie van Mattheus aan de Staten-Generaal aanbieden. Op deze wijze rustig voortwerkend, waren zij met de onderlinge tekstvergelijking genaderd tot in de Handelingen der Apostelen en met de afzonderlijke overzettingen tot de kleine Brieven, toen Rolandus in 1632 op den leeftijd van 70 jaar door den dood werd weggenomen. De twee overblijvende vertalers kwamen voor dezelfde moeilijkheid te staan als hun ambtgenooten in het vorig jaar na het overlijden van Bucerus. Op verzoek van de Staten-Generaal en de Synodes zagen zij, omdat het werk toch op een eind liep, er van af om den invaller, rector Hoingius, van Harderwijk te ontbieden. Zij brachten ter bespoediging van de zaak in de aanvankelijk vastgestelde wijze van werken deze verandering aan, dat het maken van de kantteekeningen en de vertaling van het overblijvende gedeelte van het Nieuwe Testament en de Apocryphen onder beiden verdeeld zou worden. Zoo wisten zij vertraging te voorkomen en in den loop van 1634 hun arbeid gereed te krijgen voor den druk van de revisie-exemplaren.
Terwijl Hommius en Walaeus zich beijverden om den achterstand dien zij op de bewerkers van het Oude Testament hadden, niet grooter te laten worden, wisten Bogerman en Baudartius den eenmaal

Afb. 35. - Johannes Bogerman, voorzitter van de Dordtsche Synode en Statenvertaler van het Oude Testament (zie blz. 284-285).

Afb. 36. - Jacobus Rolandus, Statenvertaler van het Nieuwe Testament (zie blz. 287).
verkregen voorsprong te behouden. Reeds vóór de voltooiing van de voorloopige redactie richtten zij tot Hun Hoogmogenden het verzoek, de overzieners zoo spoedig mogelijk bijeen te laten roepen om de laatste hand te leggen aan den tekst van het Oude Testament. Van voortvarendheid getuigde het tweede deel van hun request, waarin zij het octrooi voor de komende uitgave in druk verzochten ‘om alle verwarringe en ongerijmdheden van de drukkers voortekomen’. Hun bedoeling was, het recht van uitgave aan zich te trekken, opdat hun arbeid niet door onbevoegden aan den dag zou worden gebracht of door nadrukken zou worden bedorven. Op beide verzoeken hebben de Staten-Generaal gunstig beschikt; de reviseurs zouden tegen den 1sten Juli 1633 worden bijeengeroepen, terwijl aan Bogerman en Baudartius voor een tijd van 15 jaren privilege werd verleend voor het drukken, uitgeven en verkoopen van de overzetting des Ouden Testaments. De vertalers van het Nieuwe Testament ontvingen later een privilege van gelijke strekking. Bijzondere vermelding verdient de zorg der Hoogmogende Heeren voor de prijsbepaling. De bijbel moest tegen een ‘redelycken prijs’ verkrijgbaar worden gesteld; mocht het bedrag te hoog zijn, dan behielden de Hoogmogenden het recht aan zich om het te ‘modereeren’, want zij wenschten, dat de vertaling ‘in yeders handen soude mogen comen’.
Den 9den Juli 1633 had in een kamer die Bogerman te zijnen huize daartoe in gereedheid had gebracht, de eerste samenkomst van reviseurs en translateurs plaats. Behalve de gastheer en Baudartius waren aanwezig de herzieners Antonius Thysius, voorheen hoogleeraar te Harderwijk, thans te Leiden, voor Gelderland; Johannes Polyander, hoogleeraar te Leiden, voor Zuid-Holland; Abdias Widmar, predikant te Uitgeest, voor Noord-Holland; Arnoldus Teeckmannus, predikant te Utrecht, voor Utrecht; Jacobus Revius, predikant te Deventer, voor Overijsel en Franciscus Gomarus, hoogleeraar te Groningen, voor Groningen. Twee reviseurs ontbraken nog, namelijk Jodocus Larenus, predikant te Vlissingen, voor Zeeland en Bernardus Fullenius, predikant te Leeuwarden, voor Friesland. Het heeft veel moeite gekost den magistraat en kerkeraad van beide steden te bewegen hen voor het herzieningswerk af te staan, zoodat zij eerst eenigen tijd later zich naar Leiden konden begeven.
De vergaderden kozen als hun voorzitter Bogerman, Polyander als zijn plaatsvervanger, terwijl Revius als scriba zou optreden. Een commissie, bestaande uit Bogerman, Revius, Polyander en Gomarus, ontwierp een werkplan, dat in een der volgende zittingen werd
goedgekeurd. Bedriegen wij ons niet, dan is in deze regeling de practische zin van Bogerman te herkennen. Zijn groote ervaring in het leiden van vergaderingen deed hem de gevaren van het ‘zooveel hoofden, zooveel zinnen’ voorzien. Hij wilde aan de eindelooze discussies, die zich zoo licht kunnen ontspinnen over de juistheid van een vertaling, bij voorbaat den pas afsnijden door de bepaling, dat men in de onderlinge bijeenkomsten alléén zou handelen over de vraag, of de zin van de Heilige Schrift juist getroffen was. Wanneer een desbetreffende vraag gedaan werd, dan werd eerst den vertalers de gelegenheid gegeven om hun zienswijze te verdedigen. Daarna moest de vraagsteller ‘met corte woorden’ zijn gevoelen kenbaar maken, terwijl de andere aanwezigen slechts ‘met ia oft neen, oft andersins cortelyck’ hun advies zouden uitbrengen. Was eenmaal een vertaling met meerderheid van stemmen aangenomen, dan was het niet mogelijk die later nogmaals in discussie te brengen. Opmerkingen betreffende den Nederlandschen stijl moesten alleen aan den voorzitter kenbaar gemaakt worden, die tusschentijds met twee andere gemachtigden - als zoodanig werden Revius en Gomarus benoemd - de noodige veranderingen zou aanbrengen. Drukfouten enz. dienden ter correctie medegedeeld te worden aan den scriba.
Het is duidelijk, dat door deze werkwijze een vlotte voortgang der werkzaamheden mogelijk werd gemaakt. Toch zijn de acht maanden, binnen welke men gereed dacht te komen, aangegroeid tot een veertiental. Hoe bekwaam Bogerman de zittingen leidde, hoeveel hij ook van zijn zwak gestel vergde door de avonduren en een deel van zijn nachtrust op te offeren voor het ‘heilige en hoochwichtige’ werk, hij kon toch niet voorkomen, dat de duur der beraadslagingen telkens gerekt werd, doordat niet alle berzieners, naar hij zelf schreef, ‘dezelfde gave van duidelijkheid en kortheid hebben, welke zeer nuttig zou zijn om dit werk te bespoedigen’. Hij toonde zich daarover zeer geprikkeld. Eenerzijds was hij zich zijn verantwoordelijkheid jegens de Staten-Generaal bewust, die men niet op te hooge kosten mocht jagen, anderzijds moest hij, de weinig plooibare man, het tegen wil en dank aanzien, dat de reviseurs, die hij wel eens als officieele dwarskijkers beschouwd moet hebben, met meerderheid van stemmen veranderingen aanbrachten in wat door hem en zijn medevertalers goed was geoordeeld.
Het werk der herziening werd zoo den 1sten September 1634 ten einde gebracht. De Algemeene Staten kenden iederen overziener een honorarium toe van vier gulden daags, benevens vergoeding van de
reiskosten en een bedrag van driehonderd gulden voor hetgeen elk thuis had verricht eer de gemeenschappelijke vergaderingen een aanvang namen. Bogerman en Revius ontvingen uit hoofde van het vele extra-werk, dat zij als voorzitter en secretaris hadden gehad, elk honderdvijftig gulden, terwijl Bogerman nog een afzonderlijke gratificatie van vijfhonderd gulden kreeg wegens zijn bijzondere verdiensten. Een soortgelijke regeling werd later getroffen voor de overzieners van het Nieuwe Testament.
De herziening van het Nieuwe Testament begon den 16den November 1634. In het huis van Walaeus aan het Rapenburg te Leiden waren dien dag naast beide vertalers aanwezig als overzieners: uit Zuid-Holland, Henricus Arnoldi van der Linden, predikant te Delft, een zoon van den vroegeren bijbelvertaler; uit Noord-Holland, Guilhelmus Nieuhusius, rector van de Latijnsche school te Haarlem; uit Zeeland, Carolus Dematius, predikant te Middelburg; uit Utrecht, Ludovicus Gerardus à Renesse, predikant te Maarsen en uit Overijsel, Casparus Sibelius, predikant te Deventer. De drie overige reviseurs waren om verschillende redenen verhinderd: Sebastiaen Damman, predikant te Zutphen, afgevaardigde namens Gelderland, bevond zich in Spaansche gevangenschap, Henricus Alting, hoogleeraar te Groningen en gedeputeerde namens dit gewest, was op reis in Duitschland; Bernardus Fullenius, predikant te Leeuwarden, die Friesland vertegenwoordigde, kon ook nu aanvankelijk geen verlof krijgen naar Leiden te gaan.
Walaeus benoemde men als voorzitter, Van der Linden als vice-voorzitter, Hommius als secretaris en Sibelius als vice-secretaris. De wijze waarop het Nieuwe Testament werd nagezien, kwam geheel overeen met de revisie van de boeken des Ouden Verbonds. In deze vergadering ontbrak het evenmin aan critiek op het werk der vertalers. We zijn hierover nauwkeurig ingelicht, doordat twee herzieners al het verhandelde zorgvuldig aanteekenden. Sibelius, de vice-secretaris, bericht dat het Hommius ‘somwijlen bezwaarlijk en lastig voorkwam, als door de reviseurs veranderd werd, wat door hem uit bet Grieksch vertaald of op den kant aangeteekend was’. Hij schrijft het aan zijn hoogen leeftijd en door langdurigen arbeid gebroken kracht toe, dat hij dan ‘in gedachten verzonken, vergat te verbeteren, wat hij moest verbeteren’. Wanneer Hommius niet aanwezig was, nam Sibelius zijn plaats als secretaris in. Deze bleef dan echter doorgaan met in zijn eigen exemplaar notities te maken en de aangenomen wijzi-
gingen en verbeteringen op te teekenen, opdat Hommius ze hieruit kon overnemen en met eigen, hand opschrijven in het officieele revisie-exemplaar. Sibelius heeft hem later verweten, dat hij ook sommige van deze correcties heeft weggelaten. De andere overziener, die thuis den tekst met de grootste aandacht had nagezien en met niet minder belangstelling van heel het herzieningswerk aanteekening heeft gehouden, was Ludovicus Gerardus à Renesse, wiens opmerkingen acht folio-deelen in beslag namen!
Inmiddels begonnen Hun Hoogmogenden eenigszins ongeduldig te worden en ‘porden’ de vergaderden tot meer spoed aan. Vandaar dat het nazien van de Apocryphe boeken, waarmee in September 1635 een begin werd gemaakt, eenigszins met de ‘lichte hand’ geschiedde, hetgeen trouwens de wensch van de nationale Synode was geweest. Er was nog een andere reden die de reviseurs bewoog om den arbeid zoo snel mogelijk te voltooien: een vreeselijke pestepidemie, die in dat jaar in het bijzonder de stad Leiden teisterde. In de tweede jaar-helft van 1635 werden daar 17.193 menschen ten grave gedragen; volgens sommigen zouden in het geheel ongeveer 20.000 personen als slachtoffer gevallen zijn; getallen die, in aanmerking genomen de geringe bevolkingsdichtheid in vergelijking met die van den tegenwoordigen tijd, het begrijpelijk maken dat de reviseurs er aan gedacht hebben om den raad van den hoogleeraar Andreas Rivetus op te volgen en de stad te ontvluchten. Zij hebben daarom in een request aan de Staten-Generaal verzocht, hun standplaats te verleggen naar Utrecht. Deze zaak werd door Hun Hoogmogenden in de vergadering van 17 September 1635 behandeld; een resolutie is hierop echter niet gevallen, omdat de Hollandsche afgevaardigden eerst hun lastgevers wilden hooren, die op hun beurt niet wilden beslissen zonder er den magistraat van Leiden in te kennen. Vlugger dan het ingewikkelde raderwerk van de bestuursmachine verliep intusschen de herziening der apocryphe boeken. Terwijl de reviseurs vanuit het werkvertrek, dat dicht bij de begraafplaats gelegen was, op één dag soms honderd lijken ter aarde zagen bestellen, volbrachten zij, na zich in twee commissies gesplitst en het werk onderling verdeeld te hebben, den 10den October hun arbeid. Zij beschouwden het als een genadige bestiering des Allerhoogsten, dat Hij hen allen onder deze omstandigheden in het leven spaarde. Elf maanden had hun arbeid geduurd, maar zij konden den tekst nu ook met een gerust hart aan de pers toevertrouwen.
Zoo goed als we zijn ingelicht omtrent den uitwendigen ontwikkelingsgang van het groote werk, zoo slecht zijn we op de hoogte van zijn inwendige geschiedenis. Het materiaal voor het onderzoek ligt opgetast; er wordt slechts gewacht op iemand, die zich zal aangorden tot de aantrekkelijke taak, het innerlijk wordingsproces van onzen volksbijbel te schetsen. De eerste vraag, waarop de onderzoeker stuit, is: hoe hebben de overzetters gearbeid en van welke hulpmiddelen hebben zij zich bediend? Nicolaas Hinlopen, die in zijn ‘Historie van de Nederlandsche Overzetting des Bybels’ (1e druk 1777) een gedetailleerd relaas heeft gegeven van de uitwendige geschiedenis, schijnt een lijst van boeken onder oogen gehad te hebben, die ter beschikking der vertalers stonden. Zij kregen de verschotten voor het aanschaffen van de benoodigde boeken vergoed; daartoe plachten zij bij Hun Hoogmogenden een gespecificeerde declaratie in te dienen. Wellicht heeft Hinlopen zulk een lijst geraadpleegd. Men kan voorts vermoeden, dat zij dezelfde en soortgelijke werken gebruikt hebben als Baudartius voor de samenstelling van zijn ‘Wechbereyder’, die immers een voorproefje had gegeven van zijn lateren vertaalarbeid en als Amama bij het schrijven van zijn ‘Bybelsche Conferentie’, waarin de auteur een gedocumenteerde critiek had geleverd op het Oude Testament van den Deux-aes-bijbel.
Er is evenwel een andere en betrouwbaarder weg, die regelrecht naar de beantwoording van de gestelde vraag leidt: raadpleging van de gedeeltelijk nog bewaarde autografen van het Oude Testament, die berusten in het Oud Synodaal Archief te 's-Gravenhage. Hieronder verstaan wij niet de ‘autographa’, welke in de kist op het Leidsche stadhuis werden bewaard en welke niets anders bevatten dan de tweede en derde correctie der drukproeven, maar een groot aantal eigenhandige manuscripten van de vertalers. Het zijn verscheidene van deze handschriften geweest, ‘vol lituren [= doorhalingen] ende niet wel leesbaer’, zooals in de Haagsche particuliere Synode van 1644 werd gezegd, die de firma Jan Claesz. van Dorp gebruikt heeft voor het drukken van de revisie-exemplaren. Hier hebben we dus de origineele stukken, welke ons een blik gunnen in de werkplaats der vertalers. We zien ze aan den arbeid, op één bladzijde slechts enkele verzen bijbeltekst schrijvend en deze omgevend met een vloed van kantteekeningen. Zij brengen wijzigingen en verbeteringen aan in eigen en in elkaars werk, doorstrepen een vertaling, waarop ze later
aarzelend weer terugkomen. Zoo zien wij voor onze oogen de overzetting verschillende stadia doorloopen, totdat eindelijk na veel zorgvuldig wikken en wegen de definitieve redactie te voorschijn komt. Op de nevenbladzijde nu, soms op de tekstbladzijde, maar door een lijntje duidelijk onderscheiden van bijbelwoord en kantteekening, schrijven zij bij moeilijke plaatsen korter of langer beschouwingen, veelal in het Latijn, over de wijze van vertaling, citeeren daarbij andere vertalingen om ten slotte, met gebruikmaking van bijbelverklaringen en woordenboeken, hun standpunt te motiveeren. De onderzoeker krijgt een hoogen dunk van de nauwgezetheid hunner werkwijze. De Hebreeuwsche (Masoretische) grondtekst is het uitgangspunt. Welke uitgave zij daarvoor gebruiken, is niet zeker; waarschijnlijk is het een Venetiaansche druk, waarin tevens verklaringen van rabbijnen en de paraphrase in het Chaldeeuwsch zijn opgenomen, waarmee zij eveneens herhaaldelijk te rade gaan. De Grieksche Septuagint en de Vulgata worden regelmatig opgeslagen, benevens een lange reeks Latijnsche vertalingen en commentaren: Roomsch-Katholieke van Pagninus, Benedictus Arrias Montanus en Mercerus; Protestantsche uit den vroegen Hervormingstijd, van den Zwitser Munsterus, van den Franschman Vatablus en van den Lutherschen hebraïcus Forsthemius; voorts de Gereformeerde van Tremellius-Junius en van Piscator's oud-leerling Buxtorfius uit het bekende Bazelsche geleerden-geslacht. Evenmin versmaden zij de hulp van moderne vertalingen, zooals de Engelsche Authorized Version, den Franschen bijbel van Genève, de Duitsche vertaling van Zürich, de Italiaansche van Deodati, de Spaansche van Cyprianus de Valera en den Duitschen bijbel van Piscator. Telkens treft men citaten aan uit Nederlandsche vertalingen: den Liesveldtbijbel, de Roomsch-Katholieke editie van Leuven, de ‘Belg.’, waarmee zij den Deux-aes-bijbel bedoelen en de handschriftelijke vertaling van Faukelius. Als lexica gebruiken zij het woordenboek van Kiliaen en den ‘Nomenclator’ van Hadrianus Junius.
Het zou een langdurig onderzoek vorderen, na te gaan bij welke vertaling of commentaar de auteurs zich het meest aangesloten hebben. A priori mag ondersteld worden, dat hun voorkeur uitging naar bewerkingen, welke berustten op hetzelfde Gereformeerde Schriftbeginsel, dat zij aanhingen. De Latijnsche vertalingen van Tremellius-Junius en Buxtorfius, de Duitsche van Piscator en de Fransche van Genève moeten zij dus meer dan andere gevolgd hebben. Het verwondert dan ook niet, dat er op vele punten een onmiskenbare ver-
wantschap met Piscator waar te nemen is. Hoeveel waarde ze hechtten aan diens oordeel, blijkt hieruit het best, dat de Staten-Generaal op hun verzoek, met toestemming van Piscator's nabestaanden, zijn eigen bijbelexemplaar met bijgeschreven verbeteringen uit Herborn lieten komen. Als bewijs van zijn invloed mogen de volgende voorbeelden dienen, die we vergezeld laten gaan van de Deux-aes-redactie.
| Deux-aes-bijbel. | Statenbijbel. | Piscator. |
|---|---|---|
| Wy zijn ghelijck als te voren, doe ghij niet over ons en heerschedet, ende wy niet na uwen name ghenoemt en waren. | Wy zijn geworden [als die], over welcke ghy van outs niet en hebt geheerscht, ende die nae uwen name niet en zijn genoemt. | Wir sind worden gleich wie die über welche du von alters her nicht geherschet hast, welche nit nach deinem namen sind genennet worden. |
| Ende ick wil tot u comen, ende u straffen, ende wil een snelle getuyge zijn teghen de toovenaers, overspeelders, ende meyneedighen, ende teghen die, die gewelt ende onrecht doen den dachlooners, weduwen ende weesen, ende de vreemdelinghen onderdrucken, ende my niet vreesen, spreeckt de Heere Zebaoth. | Ende ick sal tot ulieden ten oordeele naderen, ende ick sal een snel ghetuyge zijn tegen de tooveraers, ende tegen de overspeelders, ende tegen de gene die valschelick sweeren, ende teghen de gene die den loon des dagh-looners met geweldt inhouden, die de weduwe, ende den weese, ende den vreemdelinck [het recht] verkeeren, ende my niet en vreesen, seydt de HEERE der heyrscharen. | Und ich wil zu euch nahen, euch zu straaffen, und wil ein schneller zeuge seyn wider die zauberer, und wider die ehebrecher, und wider die die da falsch schweeren, dergleichen wider die die mit gewalt innhalten den lohn des tagloehners: item die mit gewalt undertrucken die widwe und den waeisen, und die den frembdling vō seinem recht lencken, uñ mich nicht foerchten, spricht der Herr Zebaoth. |
De Statenbijbel steunt met Piscator op Tremellius in:
| Tremellius-Junius. | Statenbijbel. | Piscator. |
|---|---|---|
| Dixerat enim David die illo, quisquis pertingens ad illud emis- | Want David seyde ten selven daghe; Al wie de Jebusiten slaet, | Dann David hatte gesagt desselben tages: wer die Jebusiter |
| sarium percusserit Jebusaeum et istos caecos et clausos exosos animo Davidis, primarius et princeps futurus est: ideoque dici solet, caecus et claudus non introgressurus est in hanc domum. | ende gheraeckt aen die water-gote, ende die kreupele, ende die blinde, die van Davids ziele gehaelt zijn [die sal tot een Hooft, ende tot een Overste zijn:] daerom seytmen; Een blinde ende kreupele en sal in 't huys niet komen. | schlegt, und erlanget die dachrinne, und die lamen und die blinden, denen die seele David feind ist, der sol ein haupt und oberster seyn. Daher spricht man: Laasz kaeinen blinden noch lamen ins haus kommen. |
Zonder iets van hun zelfstandigheid te laten varen, maar toch gaarne luisterend naar hun voorgangers en met bezonnen oordeel eclectisch te werk gaand bij de raadpleging van hun wetenschappelijk apparaat wisten zij een vertaling tot stand te brengen, die geheel beantwoordde aan de wetenschappelijke eischen van hun tijd. Behalve gedrukte teksten hadden zij ook handschriftelijke bewerkingen voor zich, van Marnix het boek Genesis en de Psalmen, van Helmichius het boek Genesis, van den herziener Jodocus Larenus een particuliere overzetting van Job, Prediker en Daniël, van Faukelius de historische boeken, en ten slotte de bewerkingen van sommige Schriftgedeelten, die zij zelf op eigen gelegenheid hadden gemaakt en die voor een deel nog over zijn. Uit al deze teksten hebben zij vrijelijk overgenomen, wat in hun oogen bruikbaar was. Hoe zij bijvoorbeeld met Marnix' Psalmenvertaling hun voordeel deden, blijkt overtuigend uit de volgende verzen.
| Deux-aes-bijbel. | Statenbijbel. | Marnix. |
|---|---|---|
| 3. Want doe ick het woude verswijgen, versmachteden mijne ghebeenten, door mijn daghelicx huylen. | Doe ick sweegh, wierden mijne beenderen veroudert, in mijn brullen den gantschen dagh. | Doe ick swege werden mijne beenderen veroudert, [oock] in mijn brullen den gantschen dach. |
| 4. Want uwe handt was dach ende nacht swaer op mij: dat mijn sap verdroochde, als het inden somer dorre wert. Sela. | Want uwe handt was dagh ende nacht swaer op mij, mijn sap wert verandert in somer-drooghten, Sela! | Want dijne handt werde over mij beswaert bij dage ende bij nachte, mijn sap werde verandert in somerdroogten. Selah. |
Of zij in moeilijke gevallen, waarvoor hun boeken geen oplossing boden, Leidsche hoogleeraren in den arm genomen hebben, zooals de
wensch der Synode geweest was, is niet bekend. Wel Weten wij, dat zij onder zulke omstandigheden zich schriftelijk hebben gewend tot hebraici elders. Zoo schreven Baudartius en Bucerus herhaaldelijk aan Larenus, terwijl van Bogerman een brief aan Gomarus bewaard is over een lastige plaats in de Psalmen. Deze brief legt, evenals de bijbelhandschriften, weer getuigenis af van Bogerman's wetenschappelijke bekwaamheid. Gomarus kon aan zijn uiteenzettingen weinig nieuws toevoegen en moest bekennen, dat hij in zijn antwoordbrief slechts uilen naar Athene had gedragen. Aan den anderen kant is er geen reden om met den levensbeschrijver van Walaeus aan Bogerman het leeuwendeel van den arbeid toe te schrijven. We hebben den schrijver van het Cort Verhael op zijn woord te gelooven, wanneer hij zegt, dat - zoolang aan Bucerus nog het leven gegund was - elk een derde gedeelte van het werk op zich nam. Zij hebben allen hun tijd uitgekocht en deden voor elkaar niet onder in werkkracht. Dat Bogerman het meest op den voorgrond trad, was een gevolg van zijn positie als leider der werkzaamheden en vertegenwoordiger van de zaak der bijbelvertaling bij hooge overheid en kerkelijke vergaderingen, een positie, welke hem onbetwistbaar toekwam op grond van zijn persoonlijk overwicht op allen, die met hem samenwerkten.
Er zijn bij ons weten van het Nieuwe Testament geen handschriften bewaard, welke de in onderling overleg vastgestelde eindredactie behelzen. De verblijfplaats van een manuscript van den secretaris Hommius, dat langen tijd bij zijn nabestaanden heeft berust en wellicht den gezochten tekst bevat, is onbekend. Daardoor zijn we niet in de gelegenheid het werk der vertalers van dit gedeelte van nabij gade te slaan. Men kan er zeker van zijn, dat zij met even groote degelijkheid en nauwgezetheid hun arbeid hebben verricht als hun collega's van het Oude Testament. Op hun werktafel moet dus een geheele reeks uitgaven van het Grieksche Nieuwe Testament, commentaren, vertalingen in het Latijn en de moderne talen en woordenboeken gestaan hebben. Bij de herziening zijn de uitgave van Utenhove voor de gelijkluidende tekstplaatsen en het exemplaar van Piscator met zijn eigenhandig bijgeschreven opmerkingen gebruikt, terwijl de uitgave van het Grieksche Nieuwe Testament met de annotaties van Beza, in 1588-'89 bezorgd door Henricus Stephanus, als uitgangspunt werd gekozen, met dien verstande dat de raadpleging van andere uitgaven vrij bleef. Het onderzoek van Prof. Grosheide heeft bewezen, dat vertalers en herzieners noch in den tekst noch in de tekstcritische
kantteekeningen zich hebben gebonden aan één uitgave, maar bij verschil van lezing zelfstandig een keuze deden, met het gevolg dat men niet zelden lezingen uit de edities van Erasmus en Robertus Stephanus aantreft. Men ziet het: hun methode van werken komt geheel overeen met die van hun medevertalers.
Op dezelfde wijze zullen zij gehandeld hebben met de voor hen liggende vertalingen. Dat zij bijvoorbeeld aan Utenhove niet alleen opgaven van concordeerende teksten, maar ook bewoordingen van den bijbeltekst ontleend hebben, blijkt uitde volgende voorbeelden, waarmee de versie van Dyrkinus (in den Deux-aes-bijbel) vergeleken kan worden.
| Dyrkinus. | Statenbijbel. | Utenhove. |
| Sij en draecht haer niet oneerlick. | Sij en handelt niet ongeschicktelick. | Zij handelt niet ongheschicktlick. |
| Ist dat ghy bitteren nijt ende tweedracht hebt in u herte, wilt niet roemen, ende der waerheyt lieghen. | Maer indien ghy bitteren1) nijdt ende twistgierigheydt hebt in uw' herte, so en roemt ende en lieght niet tegen de waerheydt. | Hebbet ghy aver bitteren ijver end twist in uwen herten, zo berommet u niet, end lieghet niet teghen de waerheyt. |
Zoo zouden verder overeenkomsten met de overzetting van Piscator aan te toonen zijn, die, met de reeds genoemde, bewijzen, dat de bewerkers van het Nieuwe Testament, waar het pas gaf, gaarne een goede vertaling van anderen volgden. Aan hun onafhankelijkheid deed zulks niet den minsten afbreuk. Zooals wij weten (zie blz. 288) hadden zij afgesproken ieder op eigen gelegenheid den tekst te vertalen om dan in de gemeenschappelijke besprekingen tot overeenstemming inzake de eindredactie te geraken. Het gemis van het handschriftelijk resultaat dezer bijeenkomsten wordt nu eenigszins vergoed door de omstandigheid, dat één dezer voorstudiën, en wel die van Rolandus, bewaard gebleven is. Het handschrift, dat als dateering 11 Aug. 1629, blijkbaar het tijdstip der voltooiing, draagt, is een keurig geschreven foliant, waarvan vrijwel alle bladzijden in twee kolommen verdeeld zijn; de linker kolom bevat den Griekschen tekst in de redactie van Stephanus-Beza, de rechter de ontwerp-vertaling van Rolandus, voorzien van wijzigingen en verbeteringen, welke blijkens het schrift van
Walaeus afkomstig zijn. De lezer merkt hier, evenals in de manuscripten van het Oude Testament, de bijna angstvallige zorg op, waarmee Rolandus en Walaeus zich beijveren de Nederlandsche weergave een zoo getrouw mogelijke afspiegeling van den grondtekst te laten zijn. De eerste zet bijvoorbeeld een vertaling op papier, keurt deze later af en plaatst op den rand een andere. Walaeus doet nog een andere wijze van vertaling aan de hand, streept zijn eigen verbetering weer door en plaatst er een andere lezing onder, die dan later, in de gemeenschappelijke zitting, nogmaals aan een wijziging onderworpen zal worden. De gedaanteverwisselingen, welke een bijbelvers op deze wijze onderging, ziet men duidelijk in:
| Dyrkinus. | Rolandus. | Rolandus. |
|---|---|---|
| Dient malkanderen, een yegelick na dat hij gave ontfangen heeft, als goede wtdeylders der menigherley ghenade Godts. | Een ijegelijck gelyck hy een gave ontfangen heeft, bedient deselve aen (onder) u selven, als goede uytdeelders der verscheiden genade Gods. | Gelijck een yegelyck gave ontfangen heeft, alsoe dient daer-van onder malkanderen, als goede uytdeelders der menigerley genade Gods. |
| Walaeus. | Walaeus. | Statenbijbel. |
|---|---|---|
| Een yegelyck gelijck de gave is die hij ontfangen heeft, soo bedient deselve u selven etc. | Dient malkanderen, een yegelijck na dat hij haer ontfangen heeft als goede uytdeelders ddr menigerley genade Gods. | Een yegelijck ghelijck hy gave ontfangen heeft [alsoo] bediene hy deselve aen den anderen, als goede uytdeelders der menigerley genade Godts. |
Men ziet, met welk een pijnlijke zorgvuldigheid zij te werk zijn gegaan bij het weergeven van den grondtekst. Wanneer men weet, dat de Statenbijbeltekst van het Nieuwe Testament op tal van plaatsen zulk een ontwikkelingsgang achter den rug heeft, dan zal men begrijpen, dat het onmogelijk is, met eenige kans op zekerheid vast te stellen, welk aandeel elke vertaler in een gemeenschappelijk zoo door-wrochten arbeid gehad heeft.
De Synode van Dordrecht had, door het gewichtig besluit dat de overzetting zich, voorzoover de Nederlandsche taal het toeliet, te houden had aan den oorspronkelijken tekst, den vertalers een beperking opgelegd, die door de betrokkenen geenszins als een belemmering van hun bewegingsvrijheid werd gevoeld. Dat was trouwens te verwachten, aangezien vier van de zes vertalers als vooraanstaande leden van de nationale kerkvergadering hadden meegeholpen bij het opstellen van de instructie. De inzichten van de twee anderen, Baudartius (zie blz. 268-270) en Bucerus, strookten geheel met die hunner collega's; ook zij waren van oordeel, dat de oude tekst dringend door een getrouwere overzetting vervangen diende te worden. Evenals Marnix (zie blz. 259-260) en Amama (zie blz. 283) zagen zij voorbij, dat de vermeende slordigheid van den Lutherbijbel een meesterlijke, weloverwogen aanpassing aan het levende taalgebruik was; zij moèsten dat wel voorbijzien, niet alleen omdat zij, zoo kort na Luther levend, nog dat historisch perspectief misten, dat ons in staat stelt tot een waardeeren van beide vertaalmethodes, maar ook omdat de Gereformeerde Schriftbeschouwing hen noopte elke andere opvatting, als in strijd met de eere Gods, te verwerpen. De centrale beteekenis van het Woord Gods lag voor Luther, die in zijn theologie het zondebewustzijn van den mensch als uitgangspunt koos, in de vrijmakende, verlossende kracht van het Evangelie; vandaar zijn onafhankelijke, of wil men, subjectieve houding ten opzichte van canon en Schriftwoord. De Gereformeerde Statenvertalers daarentegen, gedreven door een vurigen ijver voor de eere Gods en de handhaving van Zijn souvereiniteit, gaven zich gevangen aan het Woord. ‘Want de reden des menschen en moet geen Richter zijn over het Evangelium, maer sich daer onder buyghen ende ghevanghen geven’, teekenden zij aan bij 2 Cor. 10, 5. Het Woord Gods hief Luther op, hen deed het met eerbiedigen schroom zich nederbukken voor de majesteit van den souvereinen God.
Het Gereformeerde inspiratiebegrip van dien tijd deed hen in den grondtekst de taal van den Heiligen Geest zelf zien. Wanneer zij bij Joël 2, 23 hun opvatting van het hier tweemaal staande Hebreeuwsche ‘Moreh’ verdedigen, zeggen zij: ‘Dit kan den Heyligen Geest also belieft hebben, om de beteeckeninge van 't eerste Moreh t'onderscheyden van het tweede.’ Waar Woord en Geest zich zoo vereenzel-
vigen, is een vrije vertaling, immers een aantasting van de hoogste majesteit Gods, onduldbaar. De taak van den overzetter is dus, zich nauwgezet rekenschap te geven van den grondtekst en dezen zoo getrouw mogelijk over te brengen in de landstaal, opdat Gods Woord ongerept blijve.
Zijn zij hierin geslaagd? Hun vertaling zou zich aandienen als: ‘Nu Eerst .... Uyt de Oorspronckelijcke talen in onse Nederlandtsche tale getrouwelijck over-geset.’ Wanneer wij de juistheid dezer aankondiging aan de hand van de overzetting zelf nagaan, dan moeten we tot de slotsom komen, dat men dien toon van blijde zekerheid, vooral opklinkend uit dat ‘nu eerst’, terecht liet hooren. Baudartius en Bogerman hadden het volste recht om in hun ‘Cort Verhael’, dat als voorrede bestemd was, maar door de Staten-Generaal niet werd geaccepteerd (zie blz. 313), te zeggen: ‘Wy zijn gebleven by de woorden, ende ordre der woorden des Hebreeuwschen Texts, so na ende naeuwe alst ons eenichsins is mogelick geweest.’ Hoe ver daardoor de tekst van het Oude Testament kwam af te staan van dien in den bijbel van Deux-aes leert de volgende pericoop.
| Deux-aes-bijbel. | Statenbijbel. |
|---|---|
| 1. Troostet, troostet, mijn volck, spreeckt uwe Godt. | Troostet, troostet mijn volck, sal u lieder Godt seggen. |
| 2. Spreeckt vrientlicken met Jerusalem, ende predict haer, Dat haer ridderschap een eynde heeft: want hare misdaet is vergheven: want sy heeft dobbel ontfanghen van der handt des Heeren, voor alle haer sonde. | Spreeckt na het herte van Jerusalem, ende roept haer toe, dat haer strijt vervult is, dat hare ongherechtigheyt versoent is, dat sy van de handt des HEEREN dobbel ontfangen heeft voor alle hare sonden. |
| 3. Daer is een stemme eens predikers in der woestijne: Bereydet den Heere den wech, maect op den velde een effene bane onsen Godt. | Een stemme des roependen inde woestijne: Bereydet den wegh des HEEREN, maeckt recht in de wildernisse eene bane voor onsen Godt. |
| 4. Alle dalen sullen verhooghet worden, ende alle berghen ende heuvelen sullen vernedert worden: ende wat onghelijck is, dat sal effen, ende wat oneffen is, dat sal geslicht worden. | Alle dalen sullen verhoocht worden, ende alle bergen ende heuvelen sullen vernedert worden: ende wat crom is, dat sal recht, ende wat hobbelachtich is, dat sal tot eene valeye gemaeckt worden. |
| 5. Want de heerlicheyt des Heeren sal gheopenbaert worden: ende alle vleesch met malkanderen sal sien, dat des Heeren mondt spreeckt. | Ende de Heerlickheydt des HEEREN sal geopenbaert worden: ende alle vleesch te ghelijck sal sien, dat [het] de mont des HEEREN gesproken heeft. |
| 6. Daer spreeckt een stemme: Predickt: ende ick sprack: Wat sal ick prediken? Alle vleesch is hoy, ende alle zijn goedertierenheyt is als een bloeme op den velde. | Een stemme seyt: Roept, ende hy seydt, Wat sal ick roepen? Alle vleesch is gras, ende alle sijne goedertierenheyt als een bloeme des velts. |
| 7. Het hoy verdorret, de bloeme verwelcket: want des Heeren Gheest blaest daer in: Ja het volck is het hoy. | Het gras verdort, de bloeme valt af, als de Geest des HEEREN daer in blaest: voorwaer het volck is gras. |
| 8. Het hoy verdorret, de bloeme verwelcket: doch het woort onses Gods blijft eewichlick. | Het gras verdort, de bloeme valt af; maer het woort onses Godts bestaet in der eewigheyt. |
Het Nieuwe Testament dat in den bijbel van Deux-aes opgenomen was, werd minder ingrijpend gewijzigd, omdat de vervaardiger daarvan, Dyrkinus, evenals zijn voorganger Utenhove, de Gereformeerde Schriftopvatting gehuldigd en op zijn vertaling toegepast had. De Statenvertalers konden hier dus volstaan met een grondige herziening. Ziehier een fragment, waarin de verwantschap duidelijk te bespeuren is.
| Dyrkinus. | Statenbijbel. |
| 31. Wat sullen wy dan hier toe seggen? So Godt voor ons is, wie is teghen ons? | Wat sullen wy dan tot dese dingen segghen? Soo Godt voor ons is, wie sal tegen ons zijn? |
| 32. Die zijnen eyghenen Sone niet ghespaert en heeft, maer heeft hem voor ons allen overghegheven: hoe soude hy niet met hem alle dinck schencken? | Die oock sijnen eyghenen Sone niet ghespaert en heeft, maer heeft hem voor ons allen overgegeven, hoe en sal hy ons oock met hem niet alle dingen schencken? |
| 33. Wie sal de wtvercorene Godts beschuldighen? Godt ist die rechtveerdich maeckt: | Wie sal beschuldinge inbrengen tegen de uytverkorene Godts? Godt is 't die rechtveerdich maeckt. |
| 34. Wie is hy die verdoemt? Christus is voor ons ghestorven, Ja veel meer die oock opgewect is, die welcke oock voor ons bidt. | Wie is 't die verdoemt? Christus is 't die gestorven is, jae dat meer is, die oock opgeweckt is: die oock voor ons bidt. |
| 35. Wie sal ons van de liefde Christi1) scheyden? verdruckinghe of benautheyt, of vervolginghe, of hongher, of naecktheyt, of vaerlickheyt, of sweert? | Wie sal ons scheyden van de liefde Christi? Verdruckinge, of benautheyt, of vervolginge, of honger, of naecktheyt, of gevaer, of sweert? |
| 36. Ghelijck ghescreven is: Om uwent wille worden wy ghedoot den gantschen dach, wy zijn geacht geweest2) als schapen die tot slachtinghe gheschickt zijn. | (Ghelijck ghescreven is, Want om uwent wille worden wy den gantschen dach gedoodt: wy zijn geacht als schapen der slachtinge.) |
| 37. Maer in allen desen dinghen overwinnen wy, door hem die ons lief ghehadt heeft. | Maer in desen allen zijn wy meer als overwinners, door hem die ons lief gehadt heeft. |
| 38. Want ick ben versekert, dat noch doodt, noch leven, noch Engelen, noch Overheden, noch Machten, noch tegenwoordige, noch toecomende [dinghen] | Want ick ben versekert, dat noch doodt, noch leven, noch Engelen, noch Overheden, noch machten, noch tegenwoordighe, noch toekomende dinghen, |
| 39. Noch hoochte, noch diepte, noch eenighe ander creatuere, ons sal connen scheyden van de liefde Godts, welcke is in Christo Iesu onsen Heere. | Noch hooghte, noch diepte, noch eenigh ander schepsel ons sal konnen scheyden van de liefde Godts, welcke is in Christo Jesu onsen Heere. |
De Synode had voorgeschreven, dat de overzetters, wanneer zij een hebraïsme of hellenisme tegenkwamen, te ‘hard’ om in den tekst te behouden, op den kant de letterlijke vertaling moesten aanbrengen. Van deze vrijheid hebben zij hefhaaldelijk gebruik gemaakt. Om een karakteristiek voorbeeld van hun stiptheid te noemen, wijzen wij op de vele gevallen in het Oude Testament van de soort ‘sijnen heyligen arm’ in Jes. 52, 9, waarbij staat aangeteekend: ‘Hebr. den arm sijner heyligheit. D [= Dat is] sijne Goddelicke almachticheyt, die hy in het verlossen sijnes volcx bewesen heeft.’ Ook in het Nieuwe Testament verzuimen zij nimmer afwijkingen van den grondtekst op den rand aan te geven.
Veel grooter, ja talloos, is het aantal kantteekeningen, dat het tegengestelde doel heeft: een vrije parafrase te geven van wat in den vertaalden tekst staat. Het zijn niet altijd exegetische opmerkingen, die door de letter D [ = dat is] in de marginalia worden voorafgegaan, al zijn wij ons bewust, dat vertalen, omschrijven en uitleggen drie begrippen zijn, die veelal niet ver uit elkaar liggen. De vraag mag
gesteld worden, of de vertalers over het geheel genomen niet te dicht bij het Hebreeuwsch en Grieksch gebleven zijn; met andere woorden: laat de veelszins hebraïseerende en helleniseerende stijl van hun werk zich vereenigen met het Nederlandsche taaleigen van dien tijd? Niet ieder immers was in de gelegenheid om zich een uitgave met al de ophelderende kantteekeningen aan te schaffen. Zelfs den tegenwoordigen bijbelvasten lezer, geschoold in de archaïstische taal van de Staten-overzetting, klinken verscheidene uitdrukkingen onwennig in de ooren. Hoe onnederlandsch moeten zulke en veel andere zegswijzen, die thans verstaanbaar of zelfs gemeengoed geworden zijn, voor den tijdgenoot geweest zijn, die gewend was aan de volkseigen taal van den Deux-aes-, dat is van den Lutherbijbel. Men vergelijke:
| Deux-aes-bijbel. | Statenbijbel. |
|---|---|
| Ende segghet oock: Siet, u knecht Jacob is achter ons: want hy dochte: Ick wil hem versoenen met den gheschencke, dat voor my henen gaet: daer na wil ic hem sien, misschien sal hy my aennemen. | Ende ghy sult oock seggen: Siet, uwe knecht Jacob is achter ons: want hy seyde, Ick sal sijn aengesichte versoenen met dit geschenck, dat voor mijn aengesichte gaet, ende daer na sal ick sijn aengesichte sien, misschien sal hy mijn aengesichte aennemen. |
De Statenvertalers hebben eenige kantteekeningen noodig om de bedoeling toe te lichten, terwijl de oude tekst uit zichzelf duidelijk genoeg is.
Als typische voorbeelden van hellenismen noemen we absolute constructies als ‘mijne conscientie my mede getuygenisse ghevende’ in Rom. 9, 1; tegenwoordige deelwoorden als: ‘Ende Jesus de hant uytstreckende heeft hem aengeraeckt, seggende’ in Matth. 8, 3; verleden deelwoorden als: ‘Ende gheroepen hebbende sijne tien dienst-knechten, gaf hij haer tien ponden’ in Luc. 19, 13; een voltooid tegenw. toek. tijd als: ‘saligh [zijn'se] die niet en sullen gesien hebben, ende [nochtans] sullen gelooft hebben’; een accusativus cum infinitivo als: ‘ende niemandt en kan seggen Iesum den Heere [te zijn]’ 1 Cor. 12, 3.
Door zulk een consequent toegepaste vertaalmethode is hun werk een der getrouwste vertalingen van dien tijd geworden, getrouwer nog dan die van Piscator, bij wien de Luthertekst nog duidelijk waarneembaar is. Het ‘oostersch’ karakter van het werk den Statenvertalers

Afb. 37. - Festus Hommius, Statenvertaler van het Nieuwe Testament (zie blz. 287).

Afb. 38. - Antonius Walaeus, Statenvertaler van het Nieuwe Testament (zie blz. 287).

Afb. 39. - Franciscus Gomarus, herziener van het Oude Testament (zie blz. 285, 286 en 289).

Afb. 40. - Jacobus Revius, herziener van het Oude Testament (zie blz. 289 en 309).
als een fout voor de voeten te werpen, is echter niet geoorloofd, omdat zij door hun Schriftopvatting gebonden waren. Ze wisten heel goed, dat en hoe het anders kon, maar wilden geen voet geven aan een neiging tot vrijheid, die in hun oogen bandeloosheid was.
Een gevolg van deze bijna angstvallige trouw aan het oorspronkelijke is geweest, dat de vertalers, men mag wel zeggen onbewust, in verschillende gedeelten den gloed van het oorspronkelijke hebben behouden. Het schoone coloriet van menig boek van het Oude Testament is voor een deel overgegaan op hun overzetting. Men verwisselt geenszins religieuze en aesthetische waarden, wanneer men de schoonheid van het Hebreeuwsch gehandhaafd acht in Jes. 40, 12 en volgende verzen: ‘Wie heeft de wateren met sijnen vuyst gemeten? ende van de hemelen met de spanne de mate genomen? ende heeft met een dryelinck het stof der aerde begrepen? ende de bergen gewogen in een waghe, ende de heuvelen in een weech-schale?’ Potgieter noemde de kloeke taal van den Statenbijbel het mannelijkste Nederlandsch dat ooit geschreven was.
Waar men in den Hebreeuwschen en Griekschen bijbeltekst de taal van den Heiligen Geest zelf zag, was het als het ware een heilige plicht de kennis van de grondtalen aan te kweeken. Alleen een juist inzicht in den zin van het oorspronkelijke kon de bedoeling des Geestes ontsluieren en den noodigen waarborg bieden voor een waarlijk getrouwe overzetting. De beoefening van de taalkunde was opgebloeid; dank zij de bemoeiingen van Sixtinus Amama en anderen was de studie der Oostersche talen en het Grieksch voor aankomende predikanten verplicht gesteld. Het is niet te verwonderen dat de Statenvertalers, zelf uitstekend geschoold en arbeidend in een sfeer van liefde voor de wetenschap, een werk hebben geleverd van wetenschappelijk hoog gehalte. Bevoegde beoordeelaars hebben na grondig onderzoek vastgesteld, dat de Statenvertaling als werk van gedegen wetenschap door geen enkele overzetting uit den tijd van haar ontstaan wordt geëvenaard, laat staan overtroffen. De zorgvuldige werkwijze der overzetters is ten goede gekomen aan haar taalkundige betrouwbaarheid. Of er dan geen fouten gemaakt zijn? Zeker, wie de loupe hanteert, ontdekt onjuiste vertalingen, maar de lezer gelieve te bedenken, dat dezelfde feilen meestal terug te vinden zijn in de Gereformeerde bijbels en commentaren in het Latijn, Fransch of Duitsch, die de overzetters gebruikten. Hetzelfde kan gezegd worden van de vele inlasschingen (zie een voorbeeld op blz. 296), die volgens den wensch van de Dordtsche Synode in een ander lettertype en tusschen haakjes
gedrukt werden. Het gebruik van het haakjessysteem, ten onzent op groote schaal reeds toegepast door Utenhove, Dyrkinus, Marnix en Faukelius, was in die dagen internationaal-Gereformeerd. De Statenvertalers zouden geen kinderen huns tijds geweest zijn, wanneer ze in dit opzicht waren afgeweken van de wetenschappelijke usances.
Een wezenlijk bestanddeel van den Statenbijbel vormden aanvankelijk de talrijke kantteekeningen. Zoolang de eenvoudige lezer, die tot nog toe den vrij vertaalden Deux-aes-tekst gebruikt had, zich nog vertrouwd moest maken met de vele oostersch klinkende zegswijzen van de nieuwe overzetting, was zulk een handleiding onmisbaar. Van grooter beteekenis was de omstandigheid, dat in de Gereformeerde kerken de leekentheologie van den aanvang af een belangrijke plaats heeft ingenomen. Schriftstudie werd niet alleen beoefend door de geestelijke leiders, maar evenzeer door de eenvoudige geloovigen. Het geloofsbeginsel eischte, dat men zoowel het schijnbaar bijkomstige als den ingewikkeldsten gedachtengang in het passend verband leerde verstaan. De mannen van wetenschap, ook de Statenvertalers, achtten zich geroepen, den ernstigen Schriftgebruiker een leidraad te verschaffen in den vorm van algemeen bevattelijke kantteekeningen, waarin zij het beste van hun rijke kennis hadden neergelegd. Bewondering vervult ons voor hun werkkracht en gave van popularisatie, wanneer wij de lange reeksen historische, chronologische, geografische, exegetische en dogmatische annotatiën overzien, gesteld in duidelijke en eenvoudige bewoordingen. Er moest veel werk verzet zijn voor het maken van zulk een commentaar, en al is het waar, dat deze voor een deel uit de vertaling gegroeid is, zoo moet men toch erkennen, dat de vertalers gedurende de zes jaren, welke hun arbeid geduurd heeft, hun tijd wel hebben besteed.
De meeste kantteekeningen van exegetischen en dogmatischen aard zijn door de bewerkers, naar hun Gereformeerde inzichten natuurlijk, logisch ontwikkeld uit den bijbelinhoud. Zij verklaren de Schrift met behulp van de Schrift; slechts een enkele maal halen zij ter bevestiging van het bijbelwoord een plaats uit wereldlijke schrijvers als Flavius Josephus en Suetonius aan. De Synode had bevolen, dat zij in de tekstverklaring de dogmatische geschilpunten onbesproken moesten laten. Hiermede waren uiteraard de leergeschillen met de Remonstranten bedoeld, niet de dogma's van de Roomsch-Katho-
lieke kerk. Men leze slechts de aanteekeningen bij verschillende hoofdstukken van het boek der Openbaring om te zien, dat anti-Roomsche uitleg hier als vanzelfsprekend werd beschouwd. Protestantsch is bijvoorbeeld de vertaling ‘Ouderlinghen der Gemeynte’, niet ‘priesters der kerk’ in Jac. 5, 4. Naar aanleiding van wat in dit vers volgt, noemt de kantteekenaar de zalving met olie een ‘uyterlick teeken’, ‘noch huyden-daegs als een Sacrament ghebruyckt, ende noch meer wordt het superstitieuselick misbruyckt, als men meynt dat sulcke salvinghe kracht heeft om de sonden wech te nemen, ende dat het tot saligheyt der zielen dienstigh is.’
Overigens ademen de kantteekeningen over het algemeen een geest van onbevangenheid, merkwaardig genoeg, omdat ze voor een groot deel afkomstig zijn van mannen, die in de godgeleerde meeningsverschillen van hun dagen vooraan hadden gestaan in den strijd voor de handhaving van de zuivere leer. Wat wonder, dat zij somtijds, het Synodebesluit vergetend, een Remonstrantsche stelling bestreden. Ook hebben zij, gewend als ze waren in heftiger bewoordingen hun tegenstanders te bekampen, het polemisch karakter van een aanteekening als bij 1 Tim. 2, 4 staat, niet eens gevoeld. Hier worden de woorden: ‘Welcke wil dat alle menschen saligh worden, ende tot kennisse der waerheyt komen’ als volgt toegelicht: ‘Dit woort alle wort hier oock genomen voor allerley, ghelijck blijckt uyt het voorgaende 2 vers, waer van dit vers een reden geeft: als oock uyt het woordt wil, want soo Godt wil dat alle menschen saligh worden, soo sullen'se oock alle saligh worden, dewijle Godt doet al wat hij wil. Psal. 115, 3. Rom. 9, 19. Ephes. 1, 11. Ende het selve wort oock bewesen uyt het gene den Apostel daer by voeght, dat Godt wil dat sy alle tot de kennisse der waerheydt komen, alsoo de Schrift ghetuyght dat dit is een privilegie van Godts volck. Siet Psal. 147. 19/20. Matth. 11. 25/26. Joan. 6. 45. Eph. 2. 12/etc. Dat yemant soude willen seggen, dat Godt sulcks wil, indien de menschen oock willen, dat is de saligheydt ten deele aen Godes wille, ten deele aen des menschen wille hanghen, het welck strijdt met het gene den Apostel leert, Rom. 9. 16/23. ende cap. 11. verss. 35/36. ende doorgaens elders.’ Walaeus, want hij is het, die hier aan het woord is, gaat echter niet zoover als Piscator, die in zijn bijbelvertaling zelf het Grieksche πάντας met ‘allerley’ weergeeft.
Afgezien van zulke leerstellige uiteenzettingen blijven er vele annotaties over, die verschillende opvattingen van een tekst vermelden, waaruit de lezer desnoods een keuze kan doen. Op den rand staan soms twee, drie, vier andere vertalingen van een bepaald woord.
Bewijzen te over, dat de vertalers voldoende wetenschappelijke soepelheid bezaten, om hun vertaling niet als de eenig juiste op te dringen.
Het pleit voor het gezonde inzicht van de vertalers en hun lastgevers, dat men, wat de taal betreft, zich aansloot bij het heerschend gebruik. Wel bestond er nog niet een algemeene, gezaghebbende taal voor mondeling en schriftelijk verkeer, zooals wij die kennen, maar toch vormde zich in dezen tijd geleidelijk een ‘schrijftaal’, welke als norm dienen kon. De kern daarvan was van Hollandschen oorsprong, terwijl de bolster was samengesteld uit Zuidnederlandsche en ‘Oostersche’ bestanddeelen. De vertalers wilden derhalve gewestelijke eigenaardigheden zooveel mogelijk mijden. Het streven naar algemeenheid werd bevorderd door het feit, dat de commissies der vertalers en overzieners bestonden uit leden, die geboortig waren uit verschillende gewesten. Zoo was er bij de vertalers één Hollander: Rolandus, twee Friezen: Bogerman en Hommius, één Zeeuw: Bucerus en twee Vlamingen: Baudartius en Walaeus. Zooals we reeds weten (zie blz. 287), hebben de vertalers in 1627 zich met elkaar verstaan over de taal. Hun voorloopige afspraken zijn naderhand, na eenige wijzigingen op ondergeschikte punten, door de reviseurs goedgekeurd. De bedoeling was geweest om practische redenen wat ordening te brengen in de onstelselmatige spelling en buiging van het toenmalige Nederlandsch, en tevens om in het gebruik van bepaalde woorden eenzelfde gedragslijn te volgen.
De Statenoverzetters hebben het Nederlandsch niet geschapen, zooals Potgieter in zijn bekende allegorie vader Jan laat zeggen, maar eenvoudig voortgebouwd op de traditioneele bijbeltaal, die uit den Liesveldtbijbel en den Deux-aes-tekst was ontstaan en in haar ontwikkeling goeddeels evenwijdig liep aan het bovengenoemde, zich geleidelijk vormende, algemeene Nederlandsch. In die bijbeltaal was het Zuidnederlandsche element voortdurend sterk vertegenwoordigd geweest, doordat de onbekende auteur van de Liesveldtuitgave en de twee vertalers van den Deux-aes-bijbel, Dyrkinus en Van Wingen, resp. een Brabander, Vlaming en Luikenaar waren. Dat de Statenbijbel ook een reeks Zuidnederlandsche taaleigenaardigheden vertoonde was dus geen wonder. Klanken als ie in plaats van ui en uu in ‘vyer, dier, kiecken’ enz., een-verkleiningsuitgang als -ke(n) in ‘dochterken, bundelken’ doen nog onhollandsch, maar toch plechtig
aan. Evenmin zal men verbaasd zijn te vernemen, dat veel van het vernederlandschte bijbel-Duitsch van Luther via den Liesveldt- en Deux-aes-tekst is overgegaan in den Statenbijbel. Enkele germanismen, waaraan de laatste zoo rijk was, zijn eveneens overgenomen, andere zijn rechtstreeks uit het Duitsch of het Oostnederlandsch binnengekomen. Een karakteristiek voorbeeld was het wederkeerige voornaamwoord ‘zich’, dat in bepaalde verbindingen de plaats innam van ‘hem’. Marnix gebruikte nog ‘sick’, een vorm dien de Statenvertalers verwierpen.
Leert vergelijking met de oude bijbeltaal, dat de overzetters geen radicale wijzigingen wilden aanbrengen, zoo hebben zij niet geaarzeld haar op verschillende punten te moderniseeren. Afgezien van enkele verouderde woorden, die gehandhaafd werden, wellicht wegens hun gevoelswaarde, was de taal van den Statenbijbel geheel in overeenstemming met de gangbare schrijfgewoonten en, voorzoover mogelijk, met het gesproken Nederlandsch. Hoewel ten gevolge van de toegepaste vertaalmethode hun taal, met name in het Nieuwe Testament, in bedenkelijke mate het karakter van ‘geleerden-Nederlandsch’ ging dragen, hebben zij toch nooit uit het oog verloren, dat hun werk een volksbijbel moest worden. Vandaar de stelselmatige vermijding van bastaardwoorden, waarmee zij minder de germanismen bedoelden, die zij nog niet als onnederlandsch, althans niet als vreemd aan de volkstaal voelden, dan wel de Fransche termen, waarvan vele geschriften in die dagen wemelden. Wanneer zulke ‘geleende uytlantsche woorden’ even algemeen waren geworden als de ‘inlantsche’, hadden zij er geen bezwaar tegen ze te behouden. Zoo ontmoet men in hun werk woorden als ‘conscientie, tente, tabernakel, rebelleren, instrumenten, fondamenten, genereren, formeren, formeersel, bannissement’, ofschoon de vertalers hiermede zeer zuinig zijn geweest. In de kantteekeningen, waar ze zich meer konden laten gaan, zijn bastaardwoorden schering en inslag.
Wat spelling en buiging aangaat, hebben zij zich, zoo goed en zoo kwaad als het ging, gehouden aan de afspraken. Toch is er bij nauwlettend toezien een groot aantal inconsequenties op te merken, hetgeen, gezien den omvang van het werk en het groote aantal der vervaardigers niet te verwonderen valt. De bonte taal liet zich nog niet vangen in starre eenvormigheid.
Of Revius, de begaafde predikant-dichter, die als secretaris der herzieningscommissie van het Oude Testament een belangrijken post heeft ingenomen, inderdaad veel heeft bijgedragen tot de taalkundige
zuiverheid en letterkundige schoonheid van het werk, is niet met zekerheid te zeggen. Hij zat daar in de eerste plaats als theoloog, niet als litterator. Daarom lijkt het niet waarschijnlijk, dat hij in dit opzicht het stempel van zijn persoonlijkheid heeft kunnen zetten op het werk der vertaling, al zal zijn ervaring als stilist in de moedertaal menigmaal aan de taalkundige verzorging ten goede gekomen zijn.
Er is één ding, dat nog verklaring behoeft. Hoe komt het, kan men zich afvragen, dat een werk, dat zooveel makers heeft gehad en als alle menschenarbeid geenszins vlekkeloos is, trots dat alles op den toeschouwer den indruk maakt van een gesloten eenheid, een stijlvol geheel van stoere, schier strakke monumentaliteit? Is het louter een gevolg hiervan, dat allen zich nauwgezet hebben gehouden aan een vooraf opgesteld werkplan? De oplossing van de schijnbare tegenstrijdigheid is deze, dat hun arbeid een geloofswerk was, evenals die andere volksbijbel, die ook in de Nederlanden de harten stormenderhand gewonnen had: de vertaling van Luther. De massa, die zich hier geen steenen voor brood laat geven, moet als bij ingeving den Statenbijbel als een geloofswerk aanvaard hebben. Gestaald door eenzelfde sterk geloof, dat zijn kracht zocht in een absolute erkenning van de souvereiniteit Gods, een geloof waarvan de besliste toon in menige kantteekening getuigenis aflegt, hebben de vertalers de handen ineengeslagen voor het volbrengen van het ‘heilig’ werk, zooals zij het zelf plachten te noemen. Rustig hebben zij voortgearbeid. Anders dan de onstuimige Luther, die met het openbaar maken van zijn werk niet kon wachten tot het voltooid was, maar in reformatorischen ijver telkens een gedeelte de wereld inzond, hebben zij, door één geest gedreven, eenzelfde doelwit voor oogen, na jarenlang bezadigd overleg hun arbeid tot stand gebracht en als een gaaf geheel afgeleverd. Zoo vormt de Statenbijbel, die op klassieke wijze aan den bijbel-inhoud een Nederlandschen taalvorm geschonken had, de waardige afsluiting van de lange reeks zijner voorgangers.
Terwijl de herziening van het Nieuwe Testament nog in vollen gang was, werden de noodige voorbereidingen getroffen voor het drukken en uitgeven van het Oude. Bogerman en Baudartius waren in onderhandeling getreden met enkele drukkers, maar voordat een definitieve regeling gemaakt was, hebben burgemeesteren van Leiden
gedaan weten te krijgen, dat de uitgave van het werk, dat binnen de muren van de stad tot stand gekomen was, te Leiden zou geschieden. Zij rekenden het zich een groote eer, wanneer de nieuwe bijbel in hun stad het licht zou zien. Daar kwam bij, dat zij de kans, het handelsbelang van hun stad te behartigen, niet ongebruikt wilden laten voorbijgaan, want de uitgave moest, dank zij het octrooi, in commercieel opzicht groote baten afwerpen. In overleg met de Staten-Generaal sloten zij contracten met overzetters, uitgever en drukker, waarvan de hoofdinhoud op het volgende neerkwam. De vertalers stonden hun privilege af aan burgemeesteren en zouden ieder daarvoor 1500 gulden ontvangen, op voorwaarde dat ze de correctie der drukproeven verzorgden. Burgemeesteren verkochten op hun beurt het octrooi weer aan de Haagsche uitgeefster Machtelt Aelbrechtsdochter, weduwe van Hillebrant Jacobsoon van Wouw, die als ‘druckster van Haer Ho: Mo:’ een semi-officieele positie innam en zorg zou dragen voor de uitgifte en den verkoop. De bijbel zou te Leiden gedrukt worden door Paulus Aertsz van Ravensteyn, die zich verplichtte daarvoor met zijn gezin en geheele bedrijf uit Amsterdam over te komen. Hij moest met zijn gezellen onder eede beloven geen blad van de nieuwe vertaling in vreemde handen te laten komen. De vertalers zouden, zoodra de druk voltooid was, recht hebben op een bepaald aantal exemplaren om die aan te bieden aan verschillende overheidscolleges. Een soortgelijke verbintenis gingen in 1636 Hommius en Walaeus aan, die ieder hun octrooi overdeden voor een bedrag van 1250 gulden. Burgemeesteren bedongen ten slotte dat de oorspronkelijke stukken der vertaling, die voor de uitgave gebruikt zouden worden, gedeponeerd werden in een kist met twee sloten, welke op het raadhuis een plaats zou vinden. De eene sleutel zou berusten in handen van burgemeesteren, de andere bij een der vertalers.
De strenge winter van 1634 op 1635 was oorzaak, dat Paulus Aertsz van Ravensteyn zijn komst eenigen tijd moest uitstellen. Maar al was het een open winter geweest, dan had hij zijn werkzaamheden te Leiden toch nog niet kunnen beginnen, omdat hij, volgens Bogerman door de schuld van afgunstige vakgenooten, niet over het vereischte soort papier en de noodige lettertypen beschikte. Pas in het voorjaar van 1635 heeft hij zich in zijn nieuwe woonplaats geïnstalleerd en een begin gemaakt met de uitvoering van de opdracht, die sindsdien een vlot verloop had.
De vertalers hadden zich contractueel verplicht, de tweede en derde correctie op zich te nemen. Voor Bogerman en Baudartius beteekende
dat een nieuwe verlenging van hun verblijf in de sleutelstad. De eerste werd voortdurend namens de curatoren van de hoogeschool te Franeker, waar hij intusschen op bijzonder eervolle en gunstige voorwaarden professor was geworden, aangemaand zich naar het Noorden te begeven ten einde zijn ambt te aanvaarden. Bogerman's antwoordbrieven geven blijk van zijn verlangen om tot het laatst het werk, waaraan hij zooveel jaren zijn beste krachten had gegeven, te blijven dienen. Aan een nauwkeurige correctie van dezen arbeid die ‘voor altijd en eeuwig’ zou zijn, was ‘de gansche Nederlandsche kerk, mitsgaders de eer en reputatie dezer vereenigde landen’ zeer veel gelegen. Zijn groot verantwoordelijkheidsbesef verbood hem om maar ‘één voet te wijken’ van de correctie, die ‘als het ware de kroon van dit voortreffelijk werk’ zou zijn. Was zijn taak te Leiden afgeloopen, dan zou hij geen dag wachten met naar Franeker te komen.
Met bekwamen spoed op drie persen tegelijk voortarbeidend, wist Van Ravensteyn in den zomer van 1637 den druk te voltooien. Er moest nog een beslissing worden genomen in de kwestie op wiens naam de nieuwe bijbel zou verschijnen. De vraag was in het vorig jaar reeds door Bogerman en Baudartius aan de orde gesteld. Toen de definitieve afdruk van het Oude Testament bijna gereed was, stelden zij den Staten-Generaal voor, de uitgave te laten voorafgaan door twee voorredenen, de eene gericht tot de Staten-Generaal, de andere tot de Gereformeerde Nederlandsche kerken. In een begeleidende ‘memorie’ verzochten zij Hun Hoogmogenden advies in deze zaak. Bezwaren die de heeren Staten daartegen zouden kunnen hebben, trachtten zij bij voorbaat uit den weg te ruimen door te wijzen op het voorbeeld van andere Gereformeerde landen en koninkrijken. De Geneefsche, Italiaansche, Spaansche en Poolsche vertalingen, alle waren ze door de vertalers zelve van voorredenen voorzien. De koning van Engeland, Jacobus, had gedurende dertien jaren veertig godgeleerden op zijn kosten den bijbel laten verbeteren, en toch hadden de vertalers de voorrede mogen samenstellen. Zoo was het ook met den bijbel van Piscator gegaan. Daarom boden Bogerman en Baudartius aan om zelf de prefaties op te maken; zij zouden daarbij zorgvuldig het woord ‘dedicatie’ vermijden en alleen spreken van ‘overleveren’ en ‘presenteren’, ‘gevende hare Ho.Mo. de eer ende lof, die deselve met recht toekomt’.
In de vergadering der Staten-Generaal van 30 Mei 1636 werden ‘verscheyden deductien, pampieren ende versoecken van de translateurs van 't oude testament’ overgelegd. Daartoe behoorde een

Afb. 41. - Gedeeltelijke bladzijde uit de voorvertaling van het Nieuwe Testament van Jacobus Rolandus, in de linker kolom de Grieksche, in de rechter de Nederlandsche tekst (zie blz. 298).
Handschrift van de familie Rolandus te Bussum.

Afb. 42. - Titelblad van den eersten druk van den Statenbijbel, in 1637 verschenen bij Paulus Aertsz van Ravensteyn te Leiden (zie blz. 314).
‘Cort Verhael van sulcx als sich heeft toegedragen belangende het werck der Translatie onses Nederlandschen Bijbels uyt de Hebreeuwsche ende Griecksche talen’, dat bedoeld was als prefatie, gericht tot de Algemeene Staten, en voorts een opgave van de redenen, waarom een nieuwe vertaling noodig was geoordeeld, gericht tot de kerken. De Heeren keurden de eerste goed, terwijl de tweede bekort diende te worden. Deze ‘geabregeerde prefatie’ werd in de zitting van 4 Juni 1637 voorgelezen en door de Heeren van Holland overgenomen.
Het schijnen vooral de Staten van Holland geweest te zijn, op wier instigatie in de resolutie van 30 Mei 1636 verandering is aangebracht. Bogerman, die zich reeds te Franeker bevond, moest er tegen zijn zin in berusten; hij schreef die wijziging toe aan het winstbejag van bepaalde personen, die vereeringen van Hunne Hoogmogenden hoopten te verkrijgen. In ieder geval werd den 2den Mei 1637 ‘op een bericht van den extraordinaris Gedeputeerde van Holland’ besloten ‘dat van dit gantsche werck aen Haer Hooch Moog. vergaderinge alleen sal worden gelaten d'eere ende den danck’. Er zat inderdaad niets onbillijks in dat de Staten-Generaal de eer van de uitgave aan zich trokken. Zonder hun onbekrompen steun, die, naar men uitgerekend heeft, een bedrag van ruim 75.000 gulden beloopen had, zou een vertaling als de Statenbijbel niet tot stand gekomen zijn.
Bogerman trachtte in een schrijven den Raad van State, die advies moest uitbrengen, te bewegen zich zooveel mogelijk te houden aan het vroegere besluit van de Staten-Generaal, en legde daartoe nieuwe ontwerpen van een ‘politycke’ en ‘ecclesiastycke’ prefatie over. De Raad van State stelde ze voor nader onderzoek in handen van het raadslid François van Aerssen, heer van Sommelsdyck. Deze heeft naast de concepten van Bogerman en Baudartius zelfstandig een prefatie van geringer omvang ontworpen, welke mede naar de Staten-Generaal werd gezonden, die daaruit een keuze hebben gedaan. Na rijp beraad hebben de Hoogmogende Heeren in hun vergadering van 29 Juli 1637 het ‘nader concept van d'authorisatie’, dat dus van François van Aerssen afkomstig was, goedgekeurd.
Het kan wel niet anders, of de kerk moet door deze beslissing teleurgesteld geweest zijn. Iemand als Revius had vroeger reeds verklaard, dat de herzieners en alle gemeenten al onrecht leden, wanneer de vertalers buiten hen om een voorrede voor het geheele werk dachten te plaatsen. Een gevoel van ontgoocheling moet zich van hem meester gemaakt hebben, toen hij bemerkte, dat zoowel herzieners als vertalers in de afwikkeling van deze aangelegenheid gepasseerd
waren. De kerk beschouwde het werk in de eerste plaats als een vrucht van de samenwerking aller gemeenten in het belang van alle gemeenten. Zij wilde aan den anderen kant niet ontveinzen, dat de medewerking van den staat in dezen onmisbaar was geweest en kwam daarom op de zaak niet terug. De acte van authorisatie bevatte overigens niets, waaraan de kerk aanstoot kon nemen; zij liet integendeel aan de kerkelijke bemoeiingen alle recht wedervaren. (Over den naam Statenbijbel zie blz. 326).
De volledige uitgave van den nieuwen bijbel - voor bescheidener beurzen waren ook minder omvangrijke edities met verkorte annotaties of zonder kantteekeningen ter perse gelegd - verscheen in kloek folio-formaat, gedrukt op zwaar papier en gezet in den bekenden Gothischen letter. De titel, in een renaissancistische omlijsting gevat, behelst de woorden: ‘Biblia, Dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de Canonijcke Boecken des Ouden ende des Nieuwen Testaments, Nu Eerst, Door last der Hoogh-Mog.: Heeren Staten Generaal vande Vereenighde Nederlanden, en volgens het Besluyt van de Synode Nationael, gehouden tot Dordrecht, inde Iaeren 1618 ende 1619. Uyt de Oorspronckelijcke talen in onse Nederlandtsche tale getrouwelijck over-geset. Met nieuwe bij-gevoegde Verklaringen op de duystere plaetsen, aenteeckeningen vande ghelijck-luydende Texten, ende nieuwe Registers over beyde Testamenten. Tot Leyden, Gedruckt by Paulus Aertsz van Ravensteyn, Voor de Weduwe ende Erfgenamen van wijlen Hillebrant Jacobsz. van Wouw, Ordinaris Druckers vande Hoogh-Mog: Heeren Staten Generaal. Met Privilege voor 15 Jaren’. Boven den titel is een opengeslagen bijbel met toepasselijke teksten afgebeeld, benevens een symbolische voorstelling van de Drieëenheid - welke afbeelding eenige jaren later volgens den wensch van sommige particuliere Synodes verwijderd werd -; aan den voet van de bladzijde herinnert een panorama van Leiden den lezer aan de plaats, waar de vertaling tot stand gekomen en gedrukt is.
Bogerman heeft de laatste handeling der vertalers, de aanbieding van het eerste exemplaar aan de Staten-Generaal, niet mogen beleven. Op het ziekbed, dat den 11den September 1637 zijn stervenssponde zou worden, heeft hij met onverzwakten geest alles gevolgd, wat met de zaak der vertaling in verband stond. Hij verzocht den Haagschen predikant Andreas Rivetus uit zijn naam bij de plechtigheid aanwezig te zijn. Baudartius liet zich vertegenwoordigen door Walaeus en Hommius. Vergissen wij ons niet, dan moet het gezelschap van drie
personen, dat zich in den middag van den 17den September 1637 naar 's lands vergaderzaal begaf, met een gevoel van voldoening in het hart zich van zijn taak gekweten hebben. Na in de vergadering toegelaten te zijn, boden zij den Heeren den eersten afdruk, in rood fluweel ‘cierlyck’ gebonden en verguld op sneê, aan onder het uitspreken van dankwoorden voor Hun ‘Christelyken iever en vaderlyke zorge, in het uitvoeren van dit voor de kerken van Nederland noodig werk betoond’. De plechtigheid, hoe kort ook van duur en hoe sober in haar verloop, moet voor de aanwezigen een beteekenis gehad hebben, die verre uitging boven die van een vormelijke beleefdheidshandeling. Deze mondelinge overdracht door en namens de auteurs was meer dan een uiterlijke plichtpleging; zij was in symbolischen zin de oplevering en onthulling van een gedenkteeken, dat jarenlange noeste arbeid van eenige voortreffelijke geleerden tot stand had gebracht. Zij droegen dit pand thans over aan de vertegenwoordigers van de Nederlandsche volksgemeenschap, in het volle vertrouwen de opgelegde taak met Gods hulp naar de mate hunner krachten te hebben volbracht.