De CL. Davids psalmen


auteur: Johan de Brune (de Oude)


bron: Johan de Brune (de Oude), De CL. Davids psalmen. Zacharias en Michiel Roman, Middelburg 1644


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[fol A1r, p. 1]

I. DE BRUNES PSALMEN DAVIDS,

Uyt de Hebreeusche, in de Nederland-sche tale over-ghezet; met de nieuwe Overzettinghe over-een-komende: alles gestelt, op de oude maten, ende wijzen, in de ghere-formeerde kercken gebruyckelijck: doch, om scherp end' puntighlijck, de voet vande grond-text nae te vol-ghen, zonder Rhijm.

Den eersten Psalm.

§1

 
WEl-gheluckzaligh is de man! die niet
 
En wandelt inden raed der god'loozen:
 
Noch en staet op den wegh van de zondaren:
 
Noch en zit in't ghestoelte der spotteren:
 
Maer zijnen lust is in des Heeren Wet:
 
End' overdenckt, dach ende nacht, zijn Wet.
[fol A1v, p. 2]

§2

 
Want hy zal zijn, ghelijck een boom gheplant+
 
Aen de water-beken, die in zijn tijd,
 
Zijn vruchten gheeft, end' wiens bladt niet af en valt:
 
Ende al wat hy doet zal wel ghelucken.
 
Alsoo en zijn de goddelooze niet:+
 
Maer als kaf, dat de wind daer henen drijft.

§3

 
Daerom en zullen de goddelooze
 
In het gherichte niet (konnen) bestaen:
 
Nocht de zondaers in de vergaderinghe
 
Van de rechtveerdighe. want de Heere kent+
 
Den wegh der rechtveerdighen: maer de wegh
 
Van de goddelooze die zal vergaen.