De CL. Davids psalmen


auteur: Johan de Brune (de Oude)


bron: Johan de Brune (de Oude), De CL. Davids psalmen. Zacharias en Michiel Roman, Middelburg 1644


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Den xij. Psalm.

Een Psalm Davids, voor den Opper-zangh-meester, op de Scheminith.

§1

 
BEhout, Heer, want de goedertieren ontbreeckt:
 
Want de ghetrouw' zijn weynich geworden
 
Onder de menschen: sy spreken valschelijck+
 
Elck met zijn naesten, (met) een vley-lippe:

§2

 
Zy spreken met herte, ende met herte.
 
De Heere snydt af alle vley-lippen;+
 
De groot-sprekende tonghe: die daer zeggen,+
 
Wy hebben d'overhand met ons' tonge:

§3

 
(Die zegghen) onze lippen die zijn onze:
 
Wie is Heer over ons? Ick sal op-staen,
 
Zeyt d'Heer, om 'tverwoesten der ellendighen,+
 
Om het ghekerme der noodt-durftighen.

§4

 
Ick zal, dien hy aen-blaest, in behoudt zetten.
 
Des Heeren woorden zijn reyne woorden;+
 
Zilver gheloutert in een aerden smelt-kroes,
 
Zeven mael ghesmolten end' ghezuyvert.
[fol B3r, p. 21]

§5

 
Ghy Heere sult hen hoeden, en bewaren+
 
Voor dit gheslacht, altoos. de goddeloos'+
 
Draven rond-omme; wanneer dat de snoodste
 
Van 's Menschen kinderen werden verhooght.