|
|
|
| | | | | | Een Psalm Davids, voor den Opper-zangh-meester, op de Scheminith.
| |
§1
BEhout, Heer, want de goedertieren ontbreeckt:
Want de ghetrouw' zijn weynich geworden
Onder de menschen: sy spreken valschelijck +
Elck met zijn naesten, (met) een vley-lippe:
| |
§2
Zy spreken met herte, ende met herte.
De Heere snydt af alle vley-lippen; +
De groot-sprekende tonghe: die daer zeggen, +
Wy hebben d'overhand met ons' tonge:
| |
§3
(Die zegghen) onze lippen die zijn onze:
Wie is Heer over ons? Ick sal op-staen,
Zeyt d'Heer, om 'tverwoesten der ellendighen, +
Om het ghekerme der noodt-durftighen.
| |
§4
Ick zal, dien hy aen-blaest, in behoudt zetten.
Des Heeren woorden zijn reyne woorden; +
Zilver gheloutert in een aerden smelt-kroes,
Zeven mael ghesmolten end' ghezuyvert.
| |
| | | |
§5
Ghy Heere sult hen hoeden, en bewaren +
Voor dit gheslacht, altoos. de goddeloos' +
Draven rond-omme; wanneer dat de snoodste
Van 's Menschen kinderen werden verhooght.
|
|
|