Lamme stelde Uilenspiegel voor naar Kortrijk te reizen, waar er misschien middel was om hunne beurs wat op te knappen, die in allerellendigsten toestand verkeerde.
Zij namen hunnen intrek ‘In het Wapen van Kortrijk’, de bijzonderste herberg van de stad, waar men te voet en te paard logeerde. De twee vrienden deden zich een lekker
maal opdisschen, en 't was met een zwaar hoofd van de talrijke bekers dubbelen, dat ze 's morgens ontwaakten.
- Waar zijn we nu eigenlijk? vroeg Tijl aan Lamme, die reeds geheel gekleed voor hem stond, als Uilenspiegel het waagde een oog te openen.
- Gelukkige tap! zei Lamme. Ge wordt wakker met den lach op de lippen en ge weet niet eens waar ge zijt. ‘In 't Wapen van Kortrijk’, zijt ge.
- Ha ja! Ze hebben hier lekker bier, man!
- Dat geloof ik, en wij hebben er vele potten te betalen.
- 't Getal zal vermeerderen.
- Wij bezitten geen halve kluit meer.
- Eene reden om hier potten te pakken: op een ander zullen we er geene krijgen.
- Ja, maar hoe zal dat afloopen?
- Lamme, mijn vriend, dat is eene vraag, die ik geen antwoord waardig acht. Hoe is het zooal afgeloopen, sinds we samen op reis zijn? Zonder schade of schande, niet waar? Wat hebt ge hier dan te vreezen?
- We zullen wel eens vast geraken.
- Een benijdenswaardige toestand, Lamme. Eten, drinken en slapen gratis.
- Zonder dubbelen bruine.
- Ja, dat ontbreekt er in de herbergen van den vorst. Als ik aan 't Hof ben, zal ik dat doen veranderen.
- Wat gaan we nu doen?
- Weer eene domme vraag! Ontbijten.
- En dan?
- Potten bier drinken.
- Goed. Maar daarna?
- Noenmalen.
- Tijl, jongen, we moeten dan toch naar iets uitzien.
- Ja, na 't avondmaal. Lamme, beste vriend, laat mij betijen, en eet en drink uw buiksken vol.
Aan de ontbijttafel maakte Uilenspiegel kennis met een dikken burger, die zegde dokter in de geneeskunde te wezen en naar Kortrijk te zijn gekomen, om de ongeneesbare zieken uit het gasthuis eens te onderzoeken en in behandeling te nemen.
- Zijt gij er al geweest, meester? vroeg Uilenspiegel.
- Dezen namiddag ga ik er heen, na in de stad eenige zieken bezocht te hebben, die mij ook uit Brussel ontboden hebben.
Als ze ontbeten hadden, zei Tijl tot zijn makker:
- We gaan onmiddellijk naar 't gasthuis.
- Wat zouden we daar gaan uitrichten?
- De zieken genezen.
- Gaat gij dat doen?
- En veel beter dan die dikke menschendooder het ooit zal kunnen. Gij zijt mijn helper; doe wat ik u zal zeggen en 't buiksken onzer beurs zal zwellen.
Bij de zuster-overste van het gasthuis deed Tijl zich aanmelden als dokter Leemansius, van Brussel, en hij werd dan ook met veel plichtplegingen ontvangen.
Na een lekker glas wijn gedronken te hebben, begaven zij zich bij de zieken die, ten getale van vijftien, sinds langen tijd in het gasthuis verbleven, en er, naar zuster-overste verklaarde, niet uit wilden.
- Ik zal ze er wel uit krijgen, zei Uilenspiegel. Laat ons met de zieken alleen, zuster, opdat ik hen in volle vrijheid kunne ondervragen.
Eén voor één vroeg hij aan de kranken wat hun scheelde, en, na vernomen te hebben van welken aard hunne ziekte was, fluisterde hij hen toe:
- Ge moogt aan niemand een woord laten hooren van hetgeen ik u ga zeggen. Eer er twee uren verloopen zijn, verlaat gij allen volkomen genezen het gasthuis, maar daartoe is de opoffering van een uwer noodig. Ik ben eer een toovenaar dan een dokter en het is bij middel der zwarte kunst, dat ik u wil op goeden voet brengen. Een uwer moet ik levend verbranden, uit zijn asch een poeder bereiden, en dat moeten de anderen drinken om te genezen. Ik zal natuurlijk den ziekste van u allen nemen, die toch geen hoop op herstel meer geeft.
Dezen middag zal zuster-overste hier komen en roepen: ‘Wie niet meer ziek is, komt er uit.’ Zorg dus dat ge spoedig wegkomt, want die hier 't laatste in de zaal blijft, schiet er het hachje bij in. Wel begrepen?
Toen hij allen bezocht had, keerde hij bij de zuster-overste weder en zeide met den grootsten ernst:
- Dezen middag klokslag twaalf uur, zijn alle uwe zieken in staat terug naar huis te keeren.
Zuster-overste keek hem ongeloovig aan.
- Het is waarheid, zuster. Ik blijf hier, om er bij te wezen, als allen heengaan, want ik zou niet willen dat er een mocht achterblijven. Ge moet me niet betalen, vooraleer allen het gasthuis verlaten hebben.
De dokter en zijn helper ledigden nog een paar flesschen ouden wijn en zoo werd het middag. Lamme was zoo nieuwsgierig als de zuster-overste, om het gevolg der kunst van Uilenspiegel te zien. Hij had echter volle vertrouwen in den uitslag, als hij Tijl daar zoo rustig zag zitten.
Te twaalf uur ging zuster-overste naar de ziekenzaal en sprak, op verzoek van Uilenspiegel, de volgende woorden:
- Wie niet meer ziek is, komt er uit.

Wie nooit een schouwburgbrand heeft bijgewoond, kan zich geen gedacht vormen over de wijze, waarop al de kranken het gasthuis verlieten. Ieder liep om het vlugste en zieken, die op krukken sprongen, waren nog eerder de poort uit dan de andere. Ze rolden letterlijk over malkaar om buiten te geraken; op een omzien was de ziekenzaal ledig.
Uilenspiegel ontving het hooge loon, dat door den beroemden Brusselschen dokter van te voren bedongen was, en ging met Lamme naar het ‘Wapen van Kortrijk’, waar ze in gezelschap van den dikken geneesheer 't middagmaal namen.
Zij drukten den dokter de hand en wenschten hem veel geluk bij zijne zieken in 't gasthuis, betaalden den waard en waren reeds buiten de stad, als Leemansius ontvangen werd door zuster-overste, en tot zijne niet geringe verbazing vernam dat hij daar reeds geweest was en al de kranken genezen huiswaarts gekeerd waren.
- Ge moogt nooit uitstellen tot 's namiddags, wat ge 's morgens doen kunt, zei Uilenspiegel tot Lamme. Dokter Leemansius zal ook van dat gedacht zijn.
En hij vertelde aan zijnen makker welk zonderling geneesmiddel hij de kranken had toegediend.