Uilenspiegel had plechtig gezworen zich te beteren, en hij hield woord.
- Wie mij geen kwaad doet, zei hij, zal ik geen leed meer berokkenen. Ik wil werken voor mijn dagelijksch brood. Mijn nieuw bedrijf, het pelsen reinigen, zal mij echter niet veel opbrengen. Wie werken wil, vindt arbeid, en onkruid gaat niet verloren. Ik zal op mijnen weg wel mijn kost bekomen.
Tegen den avond kwam hij op eene hoeve en vroeg om er den nacht te mogen doorbrengen. Zulks werd hem gereedelijk toegestaan, en men ruimde hem zelfs eene plaats in bij den haard. Hij praatte met de lieden en vernam dat te St.-Joris-Weert, waar hij nog geen kwart uurs van verwijderd was, bij den schout een knecht noodig was, die lezen en schrijven kon.
- Ik kan lezen, zei Tijl, en schrijven zal ik wel leeren.
Hij sliep op het hooi in de schuur, gelijk een koning op een donzen bed het niet geruster zou kunnen, en 's morgens vroeg was hij op de baan van Weert. Hij meldde zich bij den schout aan, die hem dadelijk in dienst nam. De man moest een knecht bij zich hebben, die lezen en schrijven kon, want met veel moeite slaagde hij er in zijn naam te zetten, en lezen had hij nooit geleerd. Hij had zichzelf, evenals zijn vader, in de nijverheid omhoog gewerkt, en ter wille van de lieve duiten de plaats van eersten magistraat bekomen.
Uilenspiegel besloot daar geruimen tijd in dienst te blijven, want hij had er geen zwaar werk te verrichten en ontving een mooi loon. Hij was eerder de bijzondere secretaris van den schout dan zijn knecht en leerde, op 's meesters kosten, bij den gemeentesecretaris de edele schrijfkunst.
Tijl was een trouw bezoeker van den ‘Heiligen Joris’ te Weert, eene herberg die door de bijzonderste inwoners van het dorp bezocht werd, en waar onze held, dank zijn helderen geest en zijne welbespraaktheid, het hooge woord voerde.
De waard uit den ‘Heiligen Joris’ was een hartstochte-
lijk jager, die op zijne Nimrodsavonturen pochte - zooals ieder jager die voor zichzelf eerbied koestert - en die de verschrikkelijkste geschiedenissen wist op te disschen, waarin hij natuurlijk eene hoofdrol vervulde.
Uilenspiegel had den man reeds dikwerf doen blozen, door hem zoo slim te ondervragen dat hij den draad zijne geschiedenis verloor, en zoo voor heel het gezelschap belachelijk te maken. Dat was echter geene les voor den waard, want een paar dagen later ging hij weer aan 't verhalen van jachten op wolven, beren en ander wild gedierte. Vroeger sprak hij wel eens van een leeuwenjacht, doch sinds Tijl zijne herberg bezocht, had hij dit groot wild maar onverlet gelaten.
Eenen avond vertelde de gemeentesecretaris, dat hij in een bosch van Luxemburg eens door eenen wolf, die waarschijnlijk bijna dood van honger was, werd aangevallen; hoe hij zich met zijnen stok wanhopig had verdedigd, heil in de vlucht had gezocht en halfdood van angst op eene hoeve was aangekomen.
De waard uit den ‘Heiligen Joris’ luisterde glimlachend naar het verhaal en als het geeindigd was, zei hij met een medelijdenden blik voor den secretaris:
- En dat al voor een wolf. Met een stok gewapend, wil ik door een bosch gaan, dat zwart ziet van de wolven.
- Die dood liggen, sprak Tijl.
- Neen, levende wolven. Ik zou mij weten te verdedigen.
- En opgevreten worden, dat er zelfs geen beentje zou overschieten.
- Een paar jaren geleden...
- Laat maar, zei Uilenspiegel. We kennen die geschiedenis. Gelukkig voor u, komen er te Weert geene wolven.
- Daar zijt ge mis in, zei de secretaris; tijdens de strenge winters, zooals wij er thans eenen beleven, komen de wolven tot hier.
- Zoo, zei Tijl. Dat is goed om weten. Als ik er een ontmoet, zal ik hem verzoeken een oogenblik te wachten en ik kom den baas hier roepen.
Toen ze 's avonds huiswaarts gingen, sprak Tijl, die een eind weegs nadenkend had voortgestapt:
- We moeten den baas uit den ‘Heiligen Joris’ dat snoeven toch eens afleeren.
- Dat zou eene goede daad zijn, zei de gemeentesecretaris.

- Ik heb een plan, wedervoer Uilenspiegel. Hoe denkt gijlie er over?
Nadat Uilenspiegel kort en bondig had verklaard wat hij doen wilde, om den moedigen waard eens goed de les te spellen, waren allen het met zijn voorstel eens en besloten des anderendaags reeds tot de uitvoering over te gaan.
Als Tijl thuis kwam, ging hij regelrecht naar den zolder, waar hij wist dat eene wolvenhuid bewaard werd. Het beest werd door den vader van den burgemeester geschoten, had geruimen tijd als familie-gedenkstuk gediend en was op het laatste in een koffer terecht gekomen en onder de pannen geplaatst. Dat gebeurt wel meer met familie-gedenkstukken.
Onze held nam den wolvenpels mede naar zijne kamer, naaide met een pekdraad en eene els de huid zoo goed mogelijk samen en vulde ze op, zoodat hij op 't laatst min of meer de gedaante van een wolf verkreeg.
Voldaan over zijnen arbeid, sliep hij glimlachend in.
Den volgenden avond kwam Tijl niet naar de vergadering.
De andere gewone bezoekers, die wisten wat er ging gebeuren, praatten en lachten luid en waren meer uitgelaten dan andere dagen, terwijl ze den waard aan den klap hielden.
Uilenspiegel drong middelerwijl langs de achterdeur in de keuken, plaatste den wolf tegen den haard en stak hem een schoentje van het kind van den baas, in den muil. Daarna kwam hij langs de voordeur in de herberg en berichtte den waard, dat er in den omtrek van het dorp een wolf was gezien geweest.
Er werd dien avond meer dan naar gewoonte gedronken en niet van naar huis gaan gesproken.
Ieder wachtte naar het oogenblik dat de waard in de
keuken zou gaan, maar hij bleef rustig zitten. Herhaalde malen drong hij er op aan, dat zijne klanten zouden naar huis trekken, doch geen scheen daartoe lust te gevoelen.
- Ge kunt hier blijven, sprak de baas eindelijk; ik moet morgen vroeg uit het bed, om naar de markt te gaan, en haak naar rust. Goeden nacht, vrienden, ik zal Jan den knecht wekken, en dan kunt ge drinken tot morgen vroeg.
- Mislukt, zei de gemeentesecretaris, als de baas de herberg verlaten had.
- Geenszins, sprak Uilenspiegel. Laat mij maar doen.
Toen de knecht verscheen, met domme blikken, nog half ingeslapen, zegde Tijl:
- Jan, haal de hesp eens uit den haard.
De knecht gehoorzaamde, ging in de keuken, sloeg vuur, bemerkte den wolf, slaakte een kreet en ijlde langs de achterdeur naar buiten.
- Het spel gaat beginnen, juichte Tijl.
Zij wachtten eenige oogenblikken, doch de knecht keerde niet terug.
- De baas moet beneden komen, zei Uilenspiegel.
Hij begaf zich naar de trap en riep:
- Voor den duivel, krijgen we nu drinken, ja of neen?
- De knecht is beneden, antwoordde de waard.
- Dat is niet waar.
- De kerel zal terug in zijn bed gekropen zijn, dacht de herbergier.
En hij riep Tijl toe:
- Ik zal Lies, de meid, zenden.
- Dat is goed!
Het meisje kwam, zoo slaperig als Jan, naar beneden, en toen zij op verzoek van de drinkebroers licht in de keuken maakte, om de hesp uit den haard te nemen, zag ook zij den wolf, liet de kaars vallen en vluchtte gillend den kelder in.
De waard hoorde om hulp roepen. Hij kwam in de herberg geloopen en kreet woedend:
- Gaat dat nu ophouden?
- 't Is wel de moeite waard, zei Tijl. Omdat ik Liesken een kneep wil geven, huilt ze als een varken dat gekeeld wordt, en vlucht ze den kelder in.
- Ik verzoek u vriendelijk naar huis te gaan.
- Dat willen we doen, sprak Uilenspiegel, als we nog een pot bruinen en een snede hesp krijgen.

...en vluchtte gillend den kelder in. (Blz. 80)
- Niets meer.
- Dan blijven we hier tot morgen ochtend.
- Ik zal den burgemeester eens op de hoogte stellen van het leven dat zijn knecht leidt.
- Doe wel en zie niet om, baasken. Ge kunt dan uwen ‘Heiligen Joris’ sluiten, want niemand van ons zet nog eenen voet in uw huis.
Die bedreiging maakte indruk op den waard, des te meer dat de anderen Tijl's gezegde met een goedkeurenden hoofdknik beaamden.
- 's Avonds groote knechten, 's morgens 't hoofd niet kunnen rechten, morde de baas. Ge zult uwen pot en uwe hesp krijgen, maar trekt er dan van door.
- Dat beloven we, zei Tijl.
De baas ging in de keuken, sloeg vuur en kwam zoo bleek als een doek in de gelagkamer geloopen.
- Een wolf! Een wolf!
- Waar? vroeg Uilenspiegel.
- In de keuken! stotterde de bevende man.
- Hier is een stok. Sla er op.
- Neen!... Neen!...
- Al zag uwe keuken zwart van wolven, ge zoudt er
nog op losgaan, lachte de gemeentesecretaris.
- Aanschouw den moedigen man, den jager die nooit bevreesd is, sprak Uilenspiegel. Het klamme zweet breekt hem uit. En dat al voor een dooden wolf!
- Een doode wolf? vroeg de baas, die zijn moed voelde terugkomen.
Tijl bracht het opgevulde dier in de herberg.
De waard stond als van de hand Gods geslagen.
Dat er gelachen werd, hoeft niet gezegd, en het was slechts nadat de herbergier beloofd had 's Zondags daaropvolgend eene ton bruinen te zullen ten beste geven en nooit meer op zijnen moed te pochen, dat de Weertenaars beloofden geen woord van het voorgevallene te zullen vertellen en huiswaarts gingen.
Wie het aan 't klokzeel hing, weet niemand, maar een paar weken later zongen de kinderen van het dorp het volgende deuntje, tot groote ergernis van den waard:
De gemeentesecretaris heeft altijd gedacht dat Uilenspiegel het liedje vervaardigd had.