terug  begin  verderprepost
[p. 4]

Inleiding

Wolff en Deken - die namencombinatie lijkt zo vanzelfsprekend, dat men zich pas achteraf realiseert, dat beide schrijfsters eerst betrekkelijk laat (Betje was toen 38, Aagje drie jaar jonger) met elkaar in kontakt zijn gekomen. Sociaal en mentaal vrijwel elkaars tegenpolen, waren zij ook als dichteres al gevormde persoonlijkheden, toen in 1777 na het overlijden van ds. Wolff hun samen wonen-en-werken begon. En hoewel ieders aandeel in hun gemeenschappelijk uitgegeven romans, dichtbundels en essays zelfs door de scherpste waarnemer onmogelijk meer te ontdekken valt, zij bleven toch tot het einde toe geheel verschillende karakters, elk met zijn eigen geschiedenis. Vandaar dat dit Schrijvers Prentenboek als een drieluik is opgebouwd: aan het dubbelportret gaan twee afzonderlijke portretten vooraf.

Nu wil het ongeluk, dat er juist van Betje Wolff en Aagje Deken maar heel weinig beeldmateriaal bewaard is gebleven. Voor de hoofdmomenten van hun zo gevarieerd leven missen wij elke visuele ondersteuning. Geen portretten van de wederzijdse familie, van Betje's jeugdliefde Gargon, van ds. Wolff, van Herman Noordkerk, Maria Bosch, Cornelis Loosjes en ga zo maar door. Hun bijna tienjarig verblijf in het Franse Trévoux vormt ook in dit beeldverhaal zoveel als een blinde vlek.

Onder oude portretgravures staat dikwijls in een bijschrift te lezen, dat wie de afgebeelde echt wil leren kennen zich beter rechtstreeks tot diens werk kan wenden. Daarin immers zou zijn wezenlijke gestalte te vinden zijn. In ons geval een schrale troost! Want ik althans zou desnoods een klein gedeelte van Wolff en Deken's omvangrijke oeuvre willen inruilen voor een documentaire over het leven in de Beemster pastorie of in het rieten kluisje op Lommerlust. Triviale nieuwsgierigheid naar Betje en Aagje-Privé? Dat hangt van de waarnemer af. Wat zou Samuel Johnson ons minder levendig voor de geest staan zonder het registrerend oog van een Boswell, zonder ook de talrijke portretten en karikatuur-tekeningen van de grote man. En hoeveel dankt onze kennis van Goethe's leven en werk niet aan het observatievermogen van zijn schaduwloper Eckermann?

Wat Wolff en Deken aangaat kan men trouwens moeilijk volhouden, dat het uitsluitend gaat om wat zij geschreven, niet om hoe zij geleefd hebben. Tenslotte konden zij in hun Haagse armoedjaren als broodschrijvers nauwelijks meer bepalen wat hun pen afleverde. Wie hen alleen uit hun werk zou willen leren kennen, moet dus wel weten wáár hij te rade gaat.

 

Hun oudste publikaties op eigen naam hebben hoofdzakelijk nog literair-historisch belang. Betje Wolff heeft zichzelf lange tijd bij voorkeur gezien als dichteres. Haar ambitie was een tweede Lucretia van Merken te worden. Daartoe vervaardigde zij op haar beurt zwaarwichtige bespiegelingen op rijm, waar ze later zelf van schrok. Veel beter lag haar de beschrijvende poëzie (Walcheren, Beemster-Whiter-Buitenleven) en vooral de satirische versvertelling (De Menuet en de Dominees Pruik). Hoewel de domineesvrouw in de Beemster pastorie eigenlijk als in een glazen huisje woonde, verhinderde dit haar niet om uiterst vinnige hekelschriften te richten aan het adres van hen die zij aanzag voor reactionairen: het kuddeke van de streng-orthodoxe predikant Petrus Hofstede, de verachtelijke ‘fijnen’. Als die aan mevrouw Buskruit lik op stuk gaven, heette de tolerantie in gevaar! Intussen berustte de eigentijdse bekendheid van Elisabeth Wolff-Bekker vóór 1777 toch in de eerste plaats op dergelijke polemische poëzie, lichtvoetig van vorm maar met een agressieve ondertoon.

Deze beschrijvende en satirische verskunst verdient zeker een poëtische herwaardering. In onze tijd is het begrip poëzie zozeer versmald tot lyriek, dat daarin voor verhaal of betoog geen plaats meer is overgelaten. Maar in de eeuw van de Verlichting golden andere literaire maatstaven en mocht Betje Wolff zich waarlijk dichteres noemen. Aagje Deken van haar kant, debuterend met enkele gelegenheidsgedichten voor Amsterdamse collegianten, verwierf in die intieme kring, eer zij Betje Wolff leerde kennen, waardering om haar door doperse vroomheid bezielde poëzie. Men vindt deze stichtelijke verzen verzameld in een bundel uit 1775, waar ook soortgelijke dichtproeven van Maria Bosch - een kort tevoren gestorven vriendin van Aagje - staan afgedrukt. Minder controversieel dan ‘de bemoeial uit de Beemster’, kon Agatha Deken als dichteres van godsdienstige poëzie een poëtische vergelijking met Betje Wolff best doorstaan.

[p. 5]

Toch, als beide vrouwen het hierbij gelaten hadden, zou er nauwelijks reden zijn om aan hun werk aanzienlijk meer aandacht te schenken dan aan dat van toenmalige coryfeeën als Juliana Cornelia de Lannoy en de reeds genoemde Lucretia van Merken. Maar Wolff en Deken hebben samen iets gepresteerd wat zij tevoren alleen nooit gewaagd hadden, gesteld al dat zij het van plan waren geweest. Met hun zedenkundige briefromans hebben zij de Nederlandse literatuur een beslissende impuls gegeven op de weg van het burgerlijk realisme. Dat hun meesterwerk Sara Burgerhart haast onvertaalbaar is (en daarom op europees niveau nauwelijks meetelt) mag men hen niet verwijten. Zij wisten het trouwens zelf maar al te goed.

Het proza als literaire uitingsvorm evenwaardig aan, ja effektiever dan poëzie - het is voor Wolff en Deken een hele ontdekking geweest. Als vanzelf wordt hun werk nu objektiverender en meer sociaal georiënteerd. Behalve in hun romans hebben zij deze, voor hen nieuwe presentatievorm ook gehanteerd in hun opvoedkundige essays en in hun Brieven over verscheiden onderwerpen, zonder overigens de poëzie helemaal ontrouw te worden.

Het hoogtepunt van hun schrijfkunst ligt voor mij echter in hun correspondentie, die helaas slechts in de sterk verouderde en onvolledige editie-Dyserinck voorhanden is. Al Betje's brieven onderscheiden zich door een losse conversatietoon, waarbij de onmiskenbare ernst zorgvuldig blijft afgeschermd door een binnen ons taalgebied zeldzame esprit. Maar ook Aagje - in haar gewone levensstijl eer statig - bezat naar het oordeel van haar vriendin ‘een gaaf om brieven te schryven die men niet zoude verwagten’. Voor Wolff en Deken geldt op dit punt hetzelfde als voor Voltaire: in hun van vitaliteit overvloeiende brieven zijn zij het meest leesbaar gebleven. Ze leveren ons inderdaad een kostelijk zelfportret, terwijl men er bovendien een hele scala van hun vriendschappen (en bêtes noires) in weerspiegeld ziet. Die brieven zijn zo verweven met hun, veelal immers ook in briefvorm gestelde publikaties, dat we ze als een integraal deel van hun literaire werk mogen beschouwen.

 

De vraag dient gesteld wat nu bij die enorme verscheidenheid aan geschriften in proza en op rijm, vertaald of oorspronkelijk, gedrukt en slechts in handschrift bewaard, de verbindende lijn vormt. Waarom wekken juist deze twee 18e-eeuwse schrijfsters nog onze belangstelling? In welk opzicht zijn zij meer dan op zichzelf respektabele maar dode heldinnen uit het letterkundig museum? Zeker is wel, dat men het antwoord op die vragen niet hoeft te zoeken in de uitzonderlijke eruditie van beide vrouwen. Ze waren behoorlijk belezen (Betje veel meer dan Aagje) maar geenszins geleerd. Met name ontbrak het hen aan een gedegen klassieke scholing en dat betekende naar de waardeschaal van die dagen ook voor de kunstenaar een geweldige handicap. Merkwaardig genoeg doet dit tekort zich tegenwoordig haast voor als een deugd. In elk geval verschuilen Wolff en Deken zich nooit achter antieke zegslieden. Bij hen geen geleerde allusies, geen vertoon van kennis.

Verder leerden zij, die nooit een latijnse school of universiteit bezochten, ook nimmer de regels van de retorica. Betje heeft zelfs de spelling nooit goed onder de knie gekregen. En opnieuw wil de ironie van de geschiedenis, dat deze schrijfsters daardoor dichter bij onze informele communicatie-trant zijn komen te staan dan bijv. een François Hemsterhuis. Wolff en Deken uiten zich spontaner dan wij van de meeste van hun ontwikkelde tijdgenoten gewend zijn.

De onderwerpen die hen bezighouden hebben allicht veel van hun aktualiteit verloren. Hun strijd tegen de heerszucht van rechtzinnige predikanten, hun pleidooi voor een betere opvoeding en hun bekommernis om het economisch verval van het vaderland vormen niet meer ons probleem, ook al liggen er punten van overeenkomst.

Tenslotte verschilt de wereld waarin Wolff en Deken leefden grondig van de onze. Hun tijdskritiek hoeft niet de onze te zijn.

Ik geloof dat de wezenlijke grootheid van Wolff en Deken schuilt in hun menselijke interesse en hun geestelijke onafhankelijkheid. Men zou die twee zaken, naar goed 18e-eeuws spraakgebruik, samenvattend kunnen aanduiden als hun verlichte filosofie. Betje en Aagje waren, bij alle onderscheid in temperament, beiden helemaal gericht op de studie (Betje gebruikt zelf deze term) van de mens. Niet als kille observators maar vanuit een typisch verlicht engagement in de optimistische verwachting aldus meer redelijkheid, meer tolerantie, meer humaniteit te zien ontstaan. Nu ik dit zo neerschrijf, besef ik hoe voor de hand liggend en hoe naïef het thans klinkt. Maar de verlichtingsfilosofen hebben er zo niet hun leven dan toch hun bestaanszekerheid voor overgehad. Dat deze humaniteitsgedachte ook haar beperktheden kende (haar burgerlijkheid met name) en uiteindelijk tot een karikatuur van zichzelf werd, doet niets af aan haar initiële grootheid.

Voor Wolff en Deken was die verlichtingsfilosofie geen met de mond beleden frase. Dat hebben zij meermalen door hun handelwijze bewezen. Beroofd van hun fortuin kon Betje in die bittere Haagse periode toch nog aan de slecht betalende uitgeefster Dóll schrijven: ik zie liever een fraaie tekening dan ‘een lompe zak met geld.’

En een andere brief, waarin zij zich ‘milionaire in teleurstellingen & ondervindingen’ noemt, eindigt niettemin met de woorden: ‘Wie zou om enkelde schurken misanthrope worden?’ Sterker: Wolff en Deken dankten per saldo de hemel voor hun vermogensverlies, omdat zij nu gelegenheid kregen ware vriendschap te testen.

Stellig zijn er buiten Wolff en Deken heel wat Nederlanders geweest, die dezelfde Verlichtingsidealen aanhingen. Welke progressief denkende burger uit de tweede helft van de 18e eeuw liet zich niet op gezette momenten in deze geest uit? Het bijzondere van Betje en Aagje is echter, dat zij die-abstrakte ideeën in hun romans en andere geschriften tot kleurrijke werkelijkheid wisten om te vormen. Sara Burgerhart, Willem Leevend en Cornelia Wildschut - om ons hiertoe te bepalen - getuigen nog van het indringend observatievermogen, de ‘human interest’ en het uitzonderlijk mimisch talent van Wolff en Deken. Toegegeven, het tragische en het demonische lagen buiten hun horizon. In zoverre behoren zij waarschijnlijk niet tot de auteurs van de allereerste kategorie. Maar als liefdevolle en kritische verbeelders van de Hollandse huiskamerwereld staan zij op unieke hoogte.

 

P.J. Buijnsters

prepostterug  begin  verder