9 oktober: aankomst in Vlissingen van Ds. Adrianus Wolff (geb. 1707), sinds 25 juni 1730 predikant van de Nederduitsch Gereformeerde Gemeente in de Beemster en sinds januari 1757 weduwnaar van Maria Wilhelmina Keijser. Hij verlooft zich dezelfde dag nog met Betje Bekker.
18 oktober: broer Laurens beroddelt ‘soo een vuyl ding’ in een brief aan de op dat moment in Parijs verblijvende chirurgijn David-Henry Gallandat (1732-1782), een huisvriend van de familie Bekker.
18 november: huwelijk in de Beemster van de 21-jarige Betje met de 52-jarige Ds. Wolff. Terzelfdertijd gaat Wolff's enig nog in leven zijnde kind uit zijn vorig huwelijk, Wijnanda, in ondertrouw. Betje en haar man gaan wonen in de pastorie aan de Middelweg te Midden-Beemster, tegenwoordig het museum Huize Betje Wolff.

- Nu wel aen gy kend in Vlissinge wel Eene Juff. Elizabet Bekker, Ja zegt gij, en vraegt mij wat is daer van? Nu die Juff. gaet Trouwen, gy vraegt met wien, ik antwoord, met een Predikant; gy vraegt hoe oud van Jaeren? Ja nu dunk my zie ik UW Ed. Laggen, Ja Lachhen dat heel Parys beeft, met een man Een weduwnaer soo van vijftig of twe en vijftig Jaeren, die er wel uytsiet na zijn Jaeren, maer gy vraegt mij waerheen gaet zij? mijn vrind na de Beemster, zoo ik hoor het aengenaemste van gantsch Noord-Holland, en werd afgeb: als een aerds Paradys te zijn.
Betje's broer Laurens aan Dr. D.H. Gallandat, 18-X-1759
Myn fortuin is echter sober uitgevallen, zult gy zeggen: een ouwe boeren-dominé! Gy hebt gelyk, dog wagt, tot dat ik mes mémoires eens in 't licht geef, om te oordeelen of ik wel een zot stukje begon, toen ik 20 jaar oud, myne familie tot één toe en ma très chère Patrie adieu zeide om in het styve Noordholland met een oud statig man te hokken.
Betje aan Dr. Maarten Houttuyn, 19-X-1770.
Onze Republicq heeft geen schooner Oort dan de Beemster geduurende eenen korten zomer. Alles is hier schooner & grooter dan in de oude landen; & het Byvoeglyk woord ‘Beemster’ - is eene recomandatie voor de producten.
Beemster Peulen - Erten - Koeyen enz. zegt de allerbeste. De heele meer is 7 uuren in zyn omtrek, & wy woonen aan een Laan die 3 uuren lang is, beplant met hooge boomen; ieder ½ uur gaans kruissen de wegen elkander, & op elk vak staat een schoone hooge boom.
Niets haalt by de effenheid der vierkante weiden. De wegen zyn gesoomt met de welvaarendste Boerderyen, en met fraaye Plaatzen. Van ons huis tot aan de stad Purmerend, legt een zeer goed schilppad; doch buiten dat is geen kans, de Beemster klei des winters te passeeren, ten zy met schuitjes, of per ys, mids het sterk genoeg is.
Betje aan Dr. D.H. Gallandat, 16-X-1774







Betje's dichterlijk debuut, Bespiegelingen over het genoegen, verschijnt bij Tjallingius te Hoorn, die voor lange tijd haar vaste uitgever zal blijven. De bundel, door Betje zelf later als rijmelarij scherp veroordeeld, is opgedragen aan Mr. Adriaan van der Mieden (overleden 13 november 1764). De Van der Miedens bewonen 's zomers het buitentje Kerkzicht, gelegen in Midden-Beemster tegenover de kerk en pastorie van Ds. Wolff. Bij alle standsverschil ontwikkelt zich ook een hartelijke betrekking met Gualtherus George Gidion van der Mieden, zoon van Adriaan, en diens knappe jonge vrouw Maria Cardinaal (1742-1789), die in hetzelfde jaar als Betje (12 februari 1759) getrouwd waren.
Sentimentele vriendschap met Anna van der Horst (1735-1785) uit Enkhuizen, ondanks tegenwerking van Anna's familie. In wederzijdse bewondering schrijven zij lofdichten op elkaars werk.
Anna publiceert haar bijbels epos De gevallen van Ruth, in zes zangen (Enkhuizen 1764); door de kritiek slecht ontvangen.
zomer: Anna van der Horst verbreekt plotseling alle relaties met Betje, aan wie zij nog een flinke som geld schuldig blijft. 17 november: huwelijk van Anna van der Horst en de ruim tien jaar jongere Pieter Roelfzema uit Groningen.
december: Ds. Wolff weigert voor de rechten van zijn vrouw op het geleende geld tussenbeide te komen; ernstige crisis in hun mariage de raison. Betje wendt zich voor juridisch advies tot de befaamde Amsterdamse advocaat Mr. Herman Noordkerk (1702-1771), die als een vaderlijke vriend haar volledig vertrouwen wint. Noordkerk voorziet het domineesvrouwtje voortaan ook van lectuur uit zijn bibliotheek. Zij noemt hem in haar gedichten Eelhart of Aristus.
30 mei: inhuldiging van stadhouder Willem V als erf-heer van Vlissingen. Betje Wolff dicht voor de gelegenheid Een nieuw scheepslied, vrije navolging van Huygens' Scheepspraet.
september: ernstige zenuwziekte.
Ik heb hem ook zo lief, als een vive vrouw een man kan hebben, aan wien zy erkend, het geluk & de glorie van haar leven schuldig te zyn; en die my volstrekt in alles toont, dat myn genoegen zyn vermaak is. Wat Philosofisch paar is dat, niet waar! en te meer, als gy weet dat die goeye man & ik malkander niet familiarer zyn dan goeye vrienden; want juist om hem lang - zeer lang voor my te conserveeren, hou ik myn aparte kamer, & wat zeid de man? al zo als myn liefje maar verkiest-.
Betje aan Dr. D.H. Gallandat, 19-VIII-1774
Wolff en ik zyn zyne aanbidders, en zo hy jong was, wy gingen naar Rousseau in Bedevaart; ik zou (ben ik geen vrouw?) allerlei stratagêmes gebruiken tot dat hij ons toeliet, hem de handen te kussen.
Betje aan Dr. D.H. Gallandat, 5-VI-1774
Beemster-winter-buitenleven, 1778, p. 58 (W)





mei-juni: brengt zomervakantie van vijf weken in Zeeland door.
juli: de publikatie van Walcheren, in vier gezangen brengt haar de eerste dichterroem, speciaal onder haar Zeeuwse landgenoten. Zelfs voorname regenten als Mr. Cornelis de Perponcher de Sedlnitsky (zwager van Belle van Zuylen) en Mr. Daniël Radermacher, bewindhebber der Vereenigde Oost-Indische Compagnie te Middelburg, geven blijk van hun waardering. Eerstgenoemde bezoekt haar in de Beemster pastorie eind juli, samen met de Amsterdamse predikant Ds.
D. Serrurier. Radermacher komt in oktober 1770.
24 augustus-22 september: de geruchtmakende Corsicaanse vrijheidsheld Pascal Paoli (1726-1807) bezoekt ons land; wordt 5 september ontvangen op de ridderhofstede Santhorst (bij Wassenaar) door Prof. Pieter Burman Secundus en zijn vrienden - allen voorstanders van ‘de ware vrijheid’ in het voetspoor van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot.
Betje Wolff bejubelt op haar beurt Paoli als symbool van de vrijheid in twee gelegenheidsgedichten (1769 en 1770).
najaar: schriftelijke discussie met Radermacher over Voltaire.
In de voorrede tot haar naar het Engels van William Craig vertaalde Leeven van Jezus Christus geeft Betje een uiteenzetting van haar verlicht, redelijk christendom. Zij verwerpt het deïsme van Voltaire. Stelt zo ook verlichte supporters als Radermacher en Dr. Maarten Houttuin teleur, waar ze eerder reeds duidelijk afstand had genomen van de conservatieve vleugel. Erasmus haar idool.
6 november: dood van Herman Noordkerk. Betje draagt haar Lykzang op aan de Amsterdamse schepen Mr. Isaac Sweers, in wie ze een nieuwe beschermer hoopt te vinden.

Terwyl ik deezen schryf vloeit myne ziele over van tedere liefde voor U; liefde zo zuiver dat zy den staat der Hemelingen niet onteert. Liefde, die zeer naby komt aan het geene ik voor mynen ouden & altoos braaven altoos lieven Vader gevoele. Dog die echter nog van eene gemeenzaamer aart is. Stoor u niet aan dit woord; 't behelst niets oneerbiedigs, maar vriendschap, is, in zich zelf, van meegaanden aart. Ik weet niet of ik my wel uitdrukke, - dit weet ik, dat Gy my al die sentimenten inspireert, die myn hart veredelen, & verheffen boven het frivole eener nietige waereld. - Ik bidde de dierbaere continuatie uwer gunst; ik bidde, laat de omstandigheid dat toe, vereer my met de blijken daar van geduurend uw leeven, & wees verzekert dat ik geen grooter lof ken dan te kunnen roemen, als gij er niet meer zyt: die groote man heeft zich verwaardigt my lief te hebben. Gy moet myn gevoelig hart, & myn leevendig Temperament hebben om te weeten hoe zeer ik my gelukkig agt in die gunst. Kan ik niets doen om my die waardig te maaken?
De toegezonden Boeken zal ik met attentie leezen, & trachten te voldoen aan uwe ordre nopens het zeggen van myne gedagten..
Betje aan Mr. H. Noordkerk, 19-II-1771



Een zyner liefhebberyen was eene vrouw over niets ter waereld te hooren redeneeren, & dat kan ik volmaakt.
Betje over Noordkerk aan Mr. Izaäk Sweers, 9-VI-1772


11 mei: schouwburgbrand te Amsterdam, door de ‘fijnen’ beschouwd als een teken van Gods wrekende hand. Betje Wolff protesteert tegen deze visie in haar Zedenzang aan de menschenliefde.

De verstandigste man die wy thans hebben, is zeker de Sociniaansche Menist do Cornelis Loosjes (die zelfde, die, tot groote ergenis van alle Orthodoxen, over eenige jaaren, myn Vriend en Buurman van der Os doopte), de Vredemond myner Poësi, aan wiens Onderwys ik myn heel Geleerd-weezen ('t zy dan klein of groot) schuldig ben.
Betje aan Dr. D.H. Gallandat, 14-II-1774


Ik laat altoos myne grondschets, zo als zy uit het crayon viel. Ik zag ze reeds in zyn geheel, voor zy op 't papier stond. Dan leg ik haar, zonder myn hoofd daar meê te breeken, weg. Onderwyl komt het te heftig aangedaan zenuwgestel in rust; de gloeiende, de spreekende verbeeldings-kragt bedaart; onze ziel verkoelt, en ons oordeel, zonder welke het tintelende vernuft, en de vlugste geest, op zyn best, aartige koordedansers worden, herkrygt zyne eenpaarige helderheid: by dat zagt, doch zuiver licht, zien wy, met onzen meester, (gy weet op wiens onderwys ik mag roemen,) onze schets over. Ik maak ze op; maar nimmer behoef ik te fratzen in de eerste omtrekken; zy zyn dan delicaat of sterk. De lieve natuur leert ons, vervolgens, waar wy smelten, sterken, hoogen en diepen moeten. Ons hart dicteert. De samenleeving is onze Academie. Daar vinden wij onze origineelen.
Lier- veld- en mengelzangen, 1772, p. 167 (W)
Doch schoon hy [Willem V] een goeijen sobbes is, daar ik wonderwel mee te regt kan, zo heeft hy zo veel aanhang die my rebuteerd, & zyn Hof is myn Logement niet, zo lang ik een vry mensch (de vrouwen zyn immers ook menschen?) ben.
Betje aan J.E. Grave, 15-VIII [lees: IX]-1776
Zedenzang, aan de menschenliefde, by het verbranden des Amsteldamschen Schouwburgs, 1772, p. 4 (W)




Mengel-poëzy, 1785, I, p. 140 (W)
juni: brengt grote opschudding teweeg door twee anoniem uitgegeven hekeldichten in pamfletvorm: De onveranderlyke Santhorstsche geloofsbelydenis en De menuet en de dominees pruik, het eerste een verdediging van het door Pieter Burman op Santhorst beleden vrijheidsideaal, het ander een uiterst agressieve aanval op kerkelijke dictatuur naar aanleiding van een Groningse censuurkwestie.
Is nu voorgoed de vijand van de rechtzinnige gereformeerden onder aanvoering van Paulus Dortsma, Petrus Hofstede en J. Habbema. De kritiek van deze zijde concentreert zich in het tijdschrift Nederlandsche Bibliotheek.
12 juli: Ds. Adrianus Wolff kiest in een irenische Brief over de Santhorstsche geloofs-belydenis niettemin duidelijk partij voor zijn in opspraak geraakte vrouw.
De bundel Lier- veld- en mengelzangen verenigt Betje's verspreide gedichten en geeft een goed beeld van haar literaire connecties in deze jaren: o.a. met Daniël Radermacher (hier Philantrope geheten), Mr. Bernardus de Moor van Immerzeel uit Gouda, Ds. Cornelis Loosjes alias Vredemond - haar hartsvriend en literaire leidsman voor de komende tijd - en Lotje Schippers (als Chloë aangeduid).
10 januari: Pieter Burman Secundus schrijft J.W. te Water een brief, waarin hij zich distantieert van ‘Juffr. Wolff’ en haar Santhorstsche geloofsbelydenis uit vrees dat zij hem zal compromitteren.
21 juli: stadhouder Willem V bezoekt de Beemster; wordt door Ds. Wolff (in proza) en door zijn vrouw (in versvorm) toegesproken.
december: hevig verontrust door een gezwel in de mond, waarover zij Dr. D.H. Gallandat uit Vlissingen consulteert.
En zal dan de Vrouw belet worden het gene zy wel gedagt, en in enen vloeijenden styl geschreven heeft, uit te geven, alleen om dat zy geen Man is?
Bespiegelingen over den staat der rechtheid, 1765, Voorberigt, p. XI (W)
Ik heb elendige vyanden. Geleerde, en ongeleerde, mannen van naam ende mannen van genen naam. Sommigen zyn zoo taalkundig, dat zy my in Grieksch en Latyn lelyke dingen kunnen zeggen; en dit zyn de Hoofdmannen over honderd; want zy hebben hunne duizenden.
Betje aan Jan Poppo van Canter, Opdragts-brief, p. X in Arnoldus Geesteranus aan Maria van Reigersbergen, 1775








3 mei: tracht door middel van een brief in nader contact te komen met de door haar hogelijk vereerde dichteres Lucretia Wilhelmina van Merken, maar deze reageert uiterst koel.
zomer: in een lang gedicht Aan mynen geest overziet zij kritisch en vol zelfspot haar ontwikkeling als dichteres tot dusverre. eind oktober: in een ander hekeldicht De ongelukkige morgen drijft ze de spot met de ouderwetse psalmberijming van Datheen.
begin april: tracht met De Bekkeriaansche dooling opnieuw de lachers op haar hand te krijgen ten koste van de ultra-conservatieve redacteurs van de Nederlandsche Bibliotheek. mei: draagt haar Arnold Geesteranus aan Maria van Reigersbergen op aan Jan Poppo van Canter (1722-1800) uit Wolvega, een bewonderaar op afstand.

Och myn Heer, en dierbare Mecenas! het ziet er tans zoo bekreten voor my uit, dat het niet raadzaam zy, voortaan, onbeschermd, in het openbaar my te vertoonen. Dit beseffende zag ik het kleine Pryscourantje myner Vrienden en Vriendinnen eens aandachtig over, en ik besloot, eindelyk, om u deze zonderlinge eere aan te doen.
Betje aan Jan Poppo van Canter, Opdragts-brief, p. III in Arnoldus Geesteranus aan Maria van Reigersbergen, 1775
Wat verlang ik naar uwen Germanicus! ik hoop immers dat gy, Mevrouw, zult schryven zo lang als gy U onder ons zult bevinden!
Betje aan Lucretia van Merken, 2-I-1777
Redelyk & vry denkende over de Christelyke Godsdienst, & tegelyk sterk sprekende voor de Revelatie, kan het my niet vreemd voorkomen dat ik by twee soorten van menschen verdagt & gehaat, ja zelf met kleinachting begroet zal worden. Ik zie, dat gy ook in dit concept zyt, & 't is natuurlyk. Dog er is een derde soort, die noem ik, & dat denk ik met de grootste billykheid, redelyke Christenen.
De estime, het applaudissement derzelve is myn waarachtig but.
Betje aan Dr. Maarten Houttuyn, 19-X-1770.


Aan mynen Geest, 177-1, p. 2 (W)

voorjaar: haar offensief regen de ‘fijnen’ bereikt een hoogtepunt met de Brieven van Constantia Paulina Dortsma.
12 maart: wenst in een lierzang mevrouw Maria van der Mieden-Cardinaal geluk bij haar herstel van een smartelijke ziekte.


Laatsleden Zondag kleedde ik my in een zwarte zak; waarom? om dat onze Heeren en Dames my zouden vraagen, over wie dat ik in den rouw was? zo als gebeurde - Wolfje, over wie benje in den rouw? - Over Dortsma, die ik gehoord heb dat den geest gegeeven heeft, zederd dat hy myn opdragt aan den Tyd las. - Ha! ha! ha! dat 's eerst een regte Cristinne! - Zeg dat niet: 't is uit droefheid om dat ik zulk een schoellie niet meer kan attaqueeren; was hy niet by zyn Confrater Heintje Peusel, hy zou nog eens anders gehad hebben!’ - NB. dit in 't uitgaan van de kerk.
Betje aan Dr. D.H. Gallandat, 19-VIII-1774
Er is geen Partytje of Wolfje moet er by zyn: onze tour is meest naar Sardam met een jagtje. Voorleden week reden wy er met een koets & wagen propt vol nog naar toe: want my nemen ze maar op den schoot & dan kyven zy half om my (de dames meen ik). ‘Nu moet ik myn Wolfje eens hebben!’ is dat geen schaterwerk?
Betje aan J.E. Grave, 31-VII-1776
De inwyding des N. Schouwburgs is aller-pragtigst geweest, schoon al de dames en negligéz geweest zyn; de train van koetzen was ongeloofelyk. De stadssoldaten stonden gerangeerd met scherp geladen, & met order om te schieten, indien 't Canaille moeite maakte. De Zoo-Zoos durven er niet van kikken, op den Preekstoel, meen ik; want de Dweepers roeren 't anders genoeg met pasquillen op de Regeering.
Betje aan Dr. D.H. Gallandat, 16-X-1774
Maar onze kermis heeft my een ander pleizier geoffereerd. Wy hebben hier de Fransche Marionettes gehad, de gemakkelyke vrouw, de wasse beelden, en wat niet al. Alles heb ik naar gewoonte gaan opneemen. En myn man recommandeerde onze Heeren en Dames met wie ik ging: ‘Jonges, lach tog maar zo niet in 't spul, dat de Poppes van haar stuk raaken’, 't geen haast gebeurde.
Betje aan Dr. D.H. Gallandat, 19-VIII-1774







29 juli: Aagje Deken schrijft Betje Wolff, die zij als dichteres respecteert, een vermanende brief.
4 augustus: Betje Wolff schrijft een antwoordbrief ter verdediging.
13 oktober: Betje Wolff en Aagje Deken ontmoeten elkaar voor het eerst ten huize van hun gemeenschappelijke vriend J.E. Grave, aan de Lauriergracht in Amsterdam.
december: Betje schrijft haar op een werk van L.-S. Mercier geïnspireerde toekomstfantasie Holland, in 't jaar MM, CCCC, XL, als een oudejaarsoverpeinzing, waarschijnlijk gericht tot Dr. D.H. Gallandat.

Ik heb kwaad, neen veel kwaad van u hooren spreeken, doch het weezenlyk slegte heb ik nooit geloofd en het onvoorzightige dat geen 't welk den schein van kwaad heeft op reekening van uw temprament, geenzins van uw hart gesteld...
Waarlyk Bethje, alles wat my dierbaar is konde ik over hebben, konde ik uw goeden naam voor u weeder herstellen, konde ik uw gedrag naar uw hart vorme, konde ik u behouden, behouden voor eeuwig.
Aagje aan Betje, 29-VII-1776
Is het Christelyk - is het betamelyk - past het eene juffrouw Deken, my, die u nooit beledigde, my die gy immers niet dan door het afbeeldsel dat de laster van my gemaakt heeft, kent, te schryven ‘verbeter uw leven, laat my toe uw gedrag naar uw hart te vormen, & uw hart te geneezen’.
Betje aan Aagje, 4-VIII-1776
De brief van jufvr. Deken heeft my tot in myn ziel getroffen! Gy zult, uit myn antwoord kunnen begrypen, hoe hy is opgesteld. Nooit heb ik zulk een Brief ontvangen: & zo ik niet over my zelf had gezegepraald, hy waare onbeantwoord gebleven. Doch neen! ik moest Juffr. Deken & ook u toonen, dat ik my weet te verheffen boven beledigingen.
Betje aan J.E. Grave, 4-VIII-1776
Zo koom ik thuis, & zo zet ik my aan 't schryven. Myn hoofd is verward, ik kan niet bedaard denken aan alles wat ik u alle drie verschuldigd ben. Nogmaals dank voor alles... Permitteer my dat ik nog een dag of twee mag wagten om u beter te doen zien dat gy nooit een gevoeliger, een dankbaarder, een opregter hart verpligt hebt dat dat van Wolfje. Ik kan nu niet schrijven ... lieve, dierbaare vrienden, ontvang deeze confuse brief als een zeer sterk bewys hoe myn erkentelyke ziel is aangedaan.
Betje aan J.E. Grave en diens vrouw, ongedateerd, n.a.v. de ontmoeting van Betje en Aagje ten huize van het echtpaar Grave



