begin  verderprepost
[p. t.o. III]



illustratie
Afb. 1: Hieronymus van Alphen (1746-1803). Zie iconografie, nr. 1.

[p. VIII]

aan Lin

[p. IX]

Voorbericht

Wie vandaag de dag leven en werk van Hieronymus van Alphen tot objekt van studie kiest, stuit daarbij al gauw op problemen die ver uitstijgen boven de gewone moeilijkheden, verbonden aan èlk historisch onderzoek. Onze wereld vertoont op het eerste gezicht zo weinig affiniteit met de zijne dat we een natuurlijke weerstand moeten overwinnen om hem recht te doen. Ik denk nu vooral aan Van Alphen's wereldmijdende, om eigen ziel en zaligheid bekommerde vroomheid, die wel radikaal afwijkt van het hedendaagse horizontale christendom dat een engagement van kerk en wereld eist. Toch liggen hier nog wel duidelijke raakpunten met de aktuele situatie, omdat Van Alphen dit konflikt tussen metafysisch-gericht, mystiek christendom en modern paganisme geenszins als passieloos toeschouwer ervoer. Hij koos hartstochtelijk partij, met des te meer felheid omdat zijn zekerheidsbehoefte zoveel groter was dan zijn werkelijke zekerheden. Hij lijkt in niets op de gelijkmoedige, bedaagde Biedermeier-figuur waarvoor de buitenwereld hem versleten heeft. In dit opzicht blijkt hij dus opeens weer moderner en meer aan ons verwant dan een eerste kennismaking doet veronderstellen.

Maar er gaapt nog een andere kloof tussen ons, lezers, en Hieronymus van Alphen. Toen Friedrich Sengle in 1949 zijn meesterlijke biografie van de duitse rococo-dichter Wieland publiceerde, wees hij al in zijn voorwoord op ‘die neue Wendung zum Objektiven’ die de hedendaagse literatuur en literatuurbeschouwing kenmerkt. Het romantische pathos, de direkte gemoedsexpressie, aldus Sengle, is ons ‘ganz fremd und töricht geworden’. Een soortgelijke opmerking maakt M.C. van den Toorn in de inleiding tot zijn editie van Feith's Julia (1967), waar hij diens romantische sensibiliteit ter sprake brengt: ‘Men kan veilig zeggen dat deze gedachtenwereld verder van de mens uit het midden van de twintigste eeuw af staat dan menig werk uit de middeleeuwen’. Toch is juist deze zelfexpressie een van de wezenlijkste elementen van

[p. X]

de preromantiek. Hierin vooral manifesteert zich de literaire vernieuwing omstreeks 1770. Maar onze instinktieve gêne voor de romantische confessie kan ook onze blik scherpen voor de eigenheid van die periode. Het vreemde, liever: het vreemd gewordene intrigeert. Het vraagt niet om bewondering maar om begrip.

Van Alphen was echter niet alleen dichter. Hij bewoog zich met even veel gemak op juridisch, historisch, theologisch en wijsgerig terrein. Achter de schermen heeft hij op kerkelijk en politiek gebied een belangrijke rol gespeeld. Wie hem op zijn weg wil volgen wordt dus wel gedwongen om de grenzen van zijn eigen specialisme te overschrijden. Een eenzijdige accentuering van de literator kan onmogelijk de veelzijdige betekenis van Van Alphen in het licht stellen.

De grondslag voor deze studie werd gelegd, toen ik in april 1967 ten huize van Dr. J.B. Hubrecht en Jkvr. Leonore Hubrecht-Van Alphen in Doorn vele verloren gewaande brieven en dagboekfragmenten van hun betovergrootvader terugvond. Het is dan ook allereerst dank zij de familie Hubrecht-Van Alphen dat dit boek geschreven is kunnen worden. Een in opdracht van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk voorbereide uitgave van de Van Alphen-correspondentie ligt inmiddels al persklaar en zal, naar ik hoop, te zijner tijd als complement op deze biografie kunnen dienen.

Mijn Doornse vondst werd het begin van een lange speurtocht in binnen- en buitenland. Meer dan professionele steun mocht ik daarbij ondervinden van Mevr. Drs. E.P. de Booy van het Centraal Register van Familiearchieven te Utrecht. Dikwijls heb ik een beroep moeten doen op de Utrechtse gemeentearchivaris Dr. J.E.A.L. Struick en zijn staf, alsook op hun collega's te Gouda, Leiden en Den Haag. De Heer E. Pelinck, directeur van het Koninklijk Huisarchief, en Dr. J.P. van Dooren, archivaris der Nederlands Hervormde Kerk, bezorgden mij kostbaar documentatiemateriaal.

Mijn vroegere student-assistenten Drs. M.A. Streng en Drs. J.G.P. Reijs hielpen bij het verzamelen van recensies en illustraties, dit laatste met bijstand van het Iconographisch Bureau te 's-Gravenhage.

De conservator van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, de heer P.G.P. Meyboom, stelde belangeloos enkele genealogische tabellen samen, die met de andere onder Bijlage I werden opgenomen.

Inzage van archivalia en/of inlichtingen van allerlei aard kreeg ik onder meer van dhr. W.N. Arntzenius (Den Haag), Jhr. Mr. Dr. L.H.K.C. van Asch van Wijck (Rhenen), Dr. G.J.M. Bartelink (Nijmegen),

[p. XI]

Jhr. Mr. D.J.P. Hoeufft (Dordrecht), Jhr. H.J.P. Hooft Graafland (Zeist), Jhr. M.L.H. de Milly van Heiden Reinestein (Den Haag), Mr. G.W. baron Mollerus (Oosterbeek), Prof. Dr. J.Ph. de Monté VerLoren (Zeist), Dr. L.Ph. Rank (Utrecht), Jhr. A.J. Repelaer van Driel (Den Haag), Dr. D. Schouten (Nijmegen), Mevr. F. Schregel-Onstein (Den Haag), douairière Gertrude Johanna Six-Van Alphen (Den Haag), Jhr. Six van Hillegom (Amsterdam), Mr. L.W. Sluyterman van Loo (Den Haag), dhr. A.G. van der Steur (Haarlem), J.E. baronesse Taets van Amerongen-Jorissen (Den Haag), Mr. M. Tydeman (Blaricum) en Mevr. J.M. Tydeman (Amersfoort), Jhr. Mr. C.C. van Valkenburg (Aerdenhout), Drs. H.J. Verkuyl (Amsterdam) en Ir. J.A. Walland (Den Haag).

Mijn grootste dank echter geldt haar aan wie dit boek is opgedragen.

 

Nijmegen, mei 1972

P.J. Buijnsters

prepost  begin  verder