terug  begin  verderprepost
[p. 13]

Hoofdstuk II
Studentenjaren (1762-1768)

II. 1. Student te Utrecht

Hoewel Hieronymus zich zoals gebruikelijk pas in april 1766,1 kort voor zijn kandidaatsexamen, aan de Utrechtse akademie liet inschrijven, kon hij zich toch sinds augustus 1762 student in de rechten noemen. De hele universiteit telde een tweehonderd studenten waaronder ongeveer negentig juristen. Het aantal professoren bedroeg in 1762 zestien, verdeeld over de theologische, juridische, medische en filosofische faculteit. Laatstgenoemde omvatte alle natuurwetenschappen, de wijsbegeerte en de talen. Men zou de vorming die deze faculteit beoogde als een studium generale kunnen kwalificeren.

Omdat Van Alphen voorlopig bij zijn ouders thuis bleef wonen, betekende de overgang van latijnse school naar universiteit voor hem een minder ingrijpende verandering in leefgewoonten en kennissenkring dan voor een van buiten Utrecht afkomstige student. Het akademieleven verliep hier bovendien erg rustig vergeleken met bijv. Leiden. Van Alphen ontmoette in de collegebanken allerlei jongelieden die hij reeds op de Hieronymus-school had leren kennen: Ysbrand van Hamelsveld, Johan Frederik Gobius, Everhard Craayevanger, Nicolaas Tersmitten, Rudolp Hendrik Nahuijs en Rijklof Michael van Goens. Onder de

[p. 14]

buitenlanders zal zeker de student James Boswell, die in de jaren 1763-64 hier college liep,2 zijn aandacht getrokken hebben.

De universiteit was een wereldje apart waarin iedereen nagenoeg iedereen kende. Tussen de studenten onderling maar ook tussen docent en student groeiden dikwijls banden van vriendschap die veel hechter waren dan het gewone samenhorigheidsgevoel. De colleges werden voor een belangrijk deel door de hoogleraren thuis als privata of privatissima gegeven, alles uiteraard in het latijn. Het letterlijk dicteren van de collegestof vond algemene toepassing.3 Terwijl de materiële faciliteiten voor ons gevoel veel te wensen overlieten, kreeg de persoonlijke vorming bij zulk onderwijs ruime kans. We zien Van Alphen dan ook spoedig in nauwe betrekking komen tot enkele hoogleraren die hem als leerling en jongere vriend tegelijk beschouwden.

Het eerst had hij te maken met de professoren uit de juridische faculteit: Petrus Wesseling (die tevens tot de filosofische faculteit behoorde), Frederickus Godefridus Houck, Christianus Henricus Trotz, Johan Gerhard Christiaan Rücker en Meinard Tydeman. Van dezen was Wesseling ongetwijfeld de geleerdste, veelzijdigste, beroemdste. Hij gold met de theoloog Bonnet als de voornaamste trekpleister van de Utrechtse hogeschool. Wesseling doceerde grieks, exegese van het Nieuwe Testament, geschiedenis en natuurrecht. Aan hem dankt Van Alphen mede zijn filologische scholing, speciaal in het grieks. Maar Wesseling overleed reeds op 9 november 1764. Zijn uitgebreide leeropdracht werd pas in juli 1766 verdeeld onder de Utrechtse predikant Carolus Segaar (grieks), Rijklof Michael van Goens (historiën, antiquiteiten, eloquentie en griekse taal) en Meinard Tydeman (natuur- en volkenrecht). De laatste twee waren leerlingen van Wesseling, zodat diens invloed ook toen nog op Hieronymus doorwerkte.

Houck, gelijk de meeste hoogleraren in Utrecht van duitse origine, onderwees tot zijn dood in juli 1767 het ius civile. Trotz' leeropdracht omvatte het privaat- en publiekrecht. Hij verrichte pionierswerk op het

[p. 15]

gebied van het nederlandse staatsrecht waarvan hij de grondwetten in hun historische samenhang bestudeerde. Van Alphen volgde bij hem een college over het Ius publicum Foederati Belgii.4 Rücker was in vergelijking met Trotz meer jurist in engere zin zonder de historische belangstelling van zijn ambtsgenoot. Hij gaf het ius hodiernum. Maar Van Alphen's eigenlijke leermeester, ook op rechtsgeleerd terrein, was Meinard Tydeman, bij wie we daarom iets langer dienen stil te staan.

Tydeman5 behoort tot dat slag mensen die in hun eigen tijd op velerlei terrein een aktieve rol spelen maar wier invloed nooit uitdrukking vindt in geschriften van blijvende betekenis. Hij was reeds als student de ziel van menig genootschap. Telkens ontmoet men zijn naam. Niettemin kost het moeite om die verspreide gegevens te combineren tot een sluitend beeld. Zijn biografie moet dan ook nog geschreven worden. Een bijdrage hiertoe leverde hij zelf door zijn op hoge leeftijd opgestelde memoires.6

Van Alphen kende Tydeman nog oppervlakkig uit diens studententijd, toen hij behalve een geziene figuur in het mede door hem opgerichte genootschap Dulces Ante Omnia Musae ook de bezielende activator was van een ander dispuut, waarschijnlijk het Taallievende genootschap Musae Noster Amor. In september 1763 had de pas afgestudeerde Tydeman Utrecht verlaten voor Leeuwarden, waar hij op aanbeveling van Wesseling tot rector van het gymnasium was benoemd. Voorjaar 1765 volgde zijn benoeming tot professor Historiarum, Eloquentiae et Linguae Graecae te Harderwijk. Het verblijf daar bleek slechts van korte duur. Want reeds in september 1766 aanvaardde hij het hoogleraarschap in de rechten te Utrecht. Hij betrok een huis samen met zijn jongste zuster Anna Geertruida die ook in Harderwijk bij hem had

[p. 16]

gewoond. Zij bleef dit doen na Meinards huwelijk op 23 mei 1767 met Barbara Maria Rossijn.

Tydeman hield zijn inaugurale rede op 22 september 1766 De finibus jurisprudentiae naturalis regundis. Zijn publieke colleges handelden over het ius publicum imperii romano-germanici; de privata over De officio hominis et civis van Samuel Pufendorf, een van de grondleggers van het toen sterk in de belangstelling staande natuurrecht. Het ius naturae was net als de tolerantie-gedachte op theologisch terrein een uitingsvorm van de Verlichting. Doordat het zich bij Pufendorf, Thomasius en Christiaan Wolff steeds nadrukkelijker baseerde op de menselijke rede als autonome kenbron, riep het vanzelf de argwaan op van alle strengorthodoxe theologen. Volgens Luther en Calvijn is de natuur substantialiter bedorven. Ze kan dus niet meer de grondslag vormen van enig recht.7 Toch onderwezen zowel de rechtzinnige Wesseling als de niet minder vrome Tydeman in Utrecht het natuurrecht. Maar zij behoorden geen van beiden tot de extreme exponenten van deze richting. Terugdenkend aan het begin van zijn professoraat in Utrecht schreef Tydeman later: ‘Ik had het geluk tot mijne eerste leerlingen te hebben Hieronijmus van Alphen, Pieter Leonard van de Kasteele, Both Hendriksen, Johannes Kneppelhout.’8

Over Hieronymus' eerste drie jaren aan de universiteit zijn we maar slecht geïnformeerd. Hij was niet het type student dat zich achter zijn studieboeken verschanst. Toen de meerderjarig geworden stadhouder Willem V van 8 tot 12 juli 1766 een officieel bezoek bracht aan de Utrechtse akademie, kreeg Hieronymus de eervolle functie van ‘algemeen Medehelper’ der commissie van ontvangst toegewezen.9 Het kan echter moeilijk anders of hij moet, gezien zijn spoedig aan de dag tredende belezenheid op literair en theologisch gebied, ook een ijverig bezoeker zijn geweest van de colleges in die faculteiten. Wat had Utrecht hem hier te bieden?

Daar waren naast Wesseling allereerst de literatoren Johannes Fredericus Reitz (de Oude), hoogleraar in de geschiedenis en welsprekendheid, de oriëntalist Sebald Rau en de beroemd-beruchte Christoph Saxe, een specialist op het gebied van de Romeinse Oudheden. Van Alphen raadpleegde hem in deze kwaliteit ook na zijn afstuderen

[p. t.o. 16]



illustratie
Afb. 3: Prof. ds. Hieronymus Simons van Alphen (1665-1742) door J.G. Collasius. Senaatskamer Rijksuniversiteit Utrecht. Zie iconografie, nr. 10.

[p. t.o. 17]



illustratie
Afb. 4: Turfmarkt te Gouda in 1910. Foto: GA Gouda.

[p. 17]

nog.10 Hij hechtte dus waarde aan Saxe's oordeel en stond met hem op goede voet. In zijn dissertatie over Javolenus Priscus brengt hij alleen aan Saxe dank voor geboden hulp. Er is echter geen sprake van dat Saxe hem, of wie ook, gestimuleerd zal hebben tot literatuurbeoefening. Hij was een erudiet polyhistor, niet meer, niet minder. Reitz staat al evenmin als nieuwlichter op letterkundig gebied bekend. Publiceren deed hij zelden. Zijn lessen in de retorica zullen een wat veredelde variant zijn geweest van zijn vroegere onderricht in de latijnse poëzie aan de Hieronymus-school.

Het verrast even dat Van Alphen met zijn theologische en literaire belangstelling kennelijk geen school is gegaan bij Rau. De Oosterse letterkunde, meer nog dan de Oosterse filologie, genoot immers bij het opgroeiend geslacht een grote populariteit. Rau onderwees ook de Oosterse, met name de Joodse, Antiquiteiten. Aan zijn deskundigheid bestond geen twijfel, maar zijn wijze van college geven was weinig geschikt om een brede kring van belangstellenden te trekken: ‘Herr Rau erschien auf der Catheder im Schlafrock und dictirte blosz und dabey sehr langsam’.11

Een buitenbeentje binnen de filosofische faculteit was de wiskundige J.F. Hennert, aanvankelijk overtuigd pleitbezorger van Wolff, naderhand overhellend naar het spinozisme, maar altijd scepticus die zijn verlichte ideeën over de godsdienst graag aan anderen kwijt wilde.

Van de theologische faculteit was het drietal Albertus Voget, Gisbertus Matthias Elsnerus en Franciscus Burman (III) quantité négligeable. Voor hen behoefde geen student naar Utrecht te komen. Het beste wat men van deze professoren zeggen kan is dat zij, gematigd rechtzinnig, tenminste de kerkvrede niet in gevaar brachten. De veel jongere, in 1723 geboren Gisbertus Bonnet12 stak in elk opzicht boven hen uit. Hij was, toen Van Alphen arriveerde, pas goed een jaar in Utrecht hoogleraar. Door zijn huwelijk met een dochter van Wesseling nam hij als het ware ook diens geestelijke erfenis over. Geleerd, onverdacht rechtzinnig, vroom, beminnelijk in de omgang, slaagde hij er onmiddellijk in een grote schare toehoorders om zich te verzamelen, zodat zijn aanwezigheid voor curatoren in de meest letterlijke zin goud waard was. Als akademie-

[p. 18]

preker kon hij ook buiten de engere kring van het collegevertrek invloed uitoefenen. En hij deed dat vooral dank zij zijn ongemeen boeiende voordracht. Bonnet had niet voor niets geruime tijd les genomen bij de befaamde akteur Jan Punt. Het was er echter verre van dat hij de fraaie vorm zou laten prevaleren boven de inhoud van zijn betoog.

Bonnet zocht van het begin af kontakt met zijn leerlingen. 's Winters nodigde hij de ouderejaars-theologen een avond in de week uit om zich te zijnen huize en onder zijn leiding te bekwamen in het voordragen van exegetische referaten, waarbij de gastheer ‘ter betamelijke vervrolijking geene kosten spaarde’.13 Verder richtte hij een leesgezelschap op en zag men hem regelmatig in de bijeenkomsten van studentenverenigingen als Dulces Ante Omnia Musae. Daar kwam ook zijn vriend en collega Meinard Tydeman.

Hoewel het hedendaagse onderzoek ook in Bonnet's eigen theologie een sterk-rationalistische inslag heeft aangewezen, als gevolg waarvan zijn invloed tot zijn eigen tijd beperkt bleef, gold hij toch levenslang onbetwist als de kampioen van de orthodoxie. In Van Alphen's studentenjaren verwierf Bonnet landelijke bekendheid door zijn op 10 april 1766 gehouden rectoraatsrede ‘Over de verdraagzaamheid inzake de godsdienst, inzoverre zij verkeerd en schadelijk is’. De latijnse tekst werd korte tijd later in het frans vertaald door de pas tot hoogleraar benoemde R.M. van Goens, die toen op het stuk van tolerantie blijkbaar nog hetzelfde dacht als Bonnet.14 Maar er waren er die geheel anders wilden. Bonnet's oratie was een afwijzende reaktie op Voltaire's Traité sur la Tolérance, à l'occasion de la mort de Jean Calas van 1763. En zij riep zelf ook weer voor- en tegenstanders in het geweer. De Leidse hoogleraar Didericus van der Kemp en opnieuw Van Goens (zij het anoniem) namen het voor de ware rechtzinnigheid op. Vanuit Groningen opende een daar woonachtige Engelsman, Henry Goodricke, in 1767 via een latijnse brief het offensief tegen alles wat binnen de gereformeerde kerk de verdraagzaamheid in de weg stond. Als zodanig beschouwde hij vooral de Formulieren van enigheid. Elk geschrift in deze tolerantie-strijd riep weer nieuwe pamfletten te voorschijn. Dat duurde zo tot 1773.

Wij weten niet hoe de student Hieronymus van Alphen dit alles beoordeelde. Stellig stond hij gedurende de eerste jaren van zijn verblijf aan de universiteit open voor het nieuwe. Op wijsgerig gebied kon hij

[p. 19]

zich goed verenigen met de rationalistische filosofie van Christiaan Wolff.15 Tegenover het moderne natuurrecht van Barbeyrac en Goodricke hield hij zich allerminst afwerend.16 Het ontbrak hem op dit punt niet aan zelfverzekerdheid, getuige de wijze waarop hij na zijn kandidaatsexamen de tafel- en bedscheiding in een door hemzelf geschreven verhandeling De eo, quod justum est circa tori et mensae separationem aan het natuurrecht toetste. Op 2 juni 1767 verdedigde Hieronymus in het groot-auditorium van de Utrechtse hogeschool deze disputatio sub praeside Meinard Tydeman. Het leek, zo moest hij toegeven, ‘wel wat veel gewaagd iets te schrijven tegen het Jus Patrium maar wat is er aan gelegen, als de waarheid aan onze zijde en eene kwaade gewoonte ex Jure canonico profluens onze tegenpartij is?’17

Een disputatio sub praeside stond niet gelijk met een publieke promotie en gaf dan ook geen universitaire graad. Juist daarom toont Van Alphen's optreden hier dat hij zich als student wilde onderscheiden. De verhandeling zelf is een indrukwekkende demonstratie van belezenheid in de modernste geschriften op juridisch en wijsgerig terrein. Van Alphen citeert niet alleen latijnse, griekse en franse auteurs onder wie Montesquieu (L'Esprit des Lois en Lettres persanes) maar ook engelse als Locke (Essay on human Understanding) en Hutcheson (System of Morality).18 Na een reeks prolegomena behandelt hij in vier hoofdstukken achtereenvolgens de gronden waarop de scheiding van tafel en bed wordt toegestaan, haar gevolgen, de natuurrechtelijke norm en de bevoegdheid van de rechter terzake. Mr. Thomas Adriaan Boddens, aan wie de verhandeling was opgedragen, kon met voldoening vaststellen dat de auteur zijn tijd niet verbeuzeld had.

Gelukkig laat het boekje ook een andere zijde van zijn studentenbestaan kennen. Aan het eind vinden we een drietal lofdichten van resp. P.N. Arntzenius (een latijnse Elegia), J. Both Hendriksen en P.L. van de Kasteele. Dat waren kennelijk in juni 1767 Hieronymus' naaste vrienden. Van Goens hoort hier niet bij; die was inmiddels professor Goensius geworden! Twee oudere akademievrienden van Van Alphen,

[p. 20]

Gillis Alewijn19 en Jan Bernd Bicker,20 beiden Amsterdamse patriciërszonen, waren al in 1766 gepromoveerd en sindsdien uit het gezichtsveld verdwenen. Ik weet niet of ook Rudolph Hendrik Nahuijs toen al met Van Alphen op vertrouwelijke voet stond.21

Dat Arntzenius22 onder de lofdichters voorop gaat, betekent misschien dat hij van deze drie de oudste rechten had. Er is meer wat in die richting wijst. Hieronymus schreef pas op 24 april 1766 een kort, onpersoonlijk gedicht (het oudste dat wij van hem kennen) in het album amicorum van Pieter Leonard van de Kasteele,23 terwijl ook de correspondentie tussen Van Alphen-Van de Kasteele-Both Hendriksen eerst uit 1766 dateert. Het lijkt niet gewaagd te onderstellen dat de komst van Meinard Tydeman als hoogleraar deze, zijn oudste leerlingen, dichter bij elkaar heeft gebracht. Met Arntzenius echter correspondeerde Van Alphen reeds in juli 1765.24 Het zijn de vroegste brieven die ons van

[p. 21]

Hieronymus bewaard zijn gebleven. De briefwisseling geschiedt in het latijn. Wat Van Alphen met deze telg uit een bekend geslacht van geleerden en literatoren verbond, was hun literaire belangstelling die niet louter passief bleef.

Pieter Nicolaas, stammend uit een bekend latinistengeslacht, zoon van een Amsterdams rector gymnasii, had in 1762 reeds een Oratio sive Carmen pro ignavia uitgegeven en nu, in 1765, werkte hij aan zijn elegie Claudia waar Van Alphen kritiek op levert. Uit hun brieven blijkt grote vertrouwdheid met Tibullus, Propertius, Ovidius en neo-latinisten als Janus Secundus, Daniel Heinsius en J. Broekhusius. Onder de levende neo-latijnse dichters geniet Petrus Burmannus Secundus (1713-1778) bij hen groot gezag. Het meest opvallende aan de correspondentie Van Alphen-Arntzenius is misschien wel het exuberante enthousiasme van deze twee jonge studenten voor de latijnse minnedichters.

Deze indruk wordt krachtig bevestigd door kennisneming van Van Alphen's briefwisseling met een andere student-literator, namelijk Louw van Santen,25 die in Amsterdam woonde waar hij leerling was aan het Athenaeum. Vermoedelijk is Hieronymus met hem in kontakt gekomen via hun gemeenschappelijke vriend Arntzenius. De nieuwe vriendschap stelt de relatie met ‘Arentze’ al gauw in de schaduw.

De oudste brief aan Van Santen dagtekent van 1 september 1766. De toon is levendig-raillerend. Hij, Hieronymus, heeft enkele dagen op het land doorgebracht met het lezen van de Galathea van Reland. De mensen daar moeten wel vreemd opgekeken hebben, ‘want verbeeldt u een jonge van mijn jaaren met een oude hoed en pruik die met anderhalf haar bezet

[p. 22]

is, daar bij een rokq wiens eerste voorland een Smouse zak zal weezen en dan leezende met een grote pedanterie; als dat geen philosophen werk is, zie ik nooit geen kans om er een te worden -’. Het primitieve leven in de trant van Rousseau zou hem overigens niet aanstaan. Hij is benieuwd naar de inaugurale rede van de nieuwbakken professor Goensius, al ziet hij vooralsnog weinig heil in diens theoretische beschouwingen over de poëzie. Daarvoor zijn hem ‘Tibullus en Poot veel te lief’. En wanneer men het fijne der dichtkunst wil onderzoeken, heeft men meer profijt van de noten van Burman Secundus op Lotichius26 ‘dan met het lezen van 100 generaale Systemaas’. Laat Van Santen hem toch dikwijls en uitvoerig schrijven! Hij kan verzekerd zijn van zijn vriendschap.

Nieuwe stof voor gedachtenwisseling levert weldra de voorgenomen publicatie van een bundel latijnse gedichten door het Amsterdamse genootschap waarvan Louw van Santen en Arntzenius beiden lid waren.27 Ook Hieronymus zelf is met een (latijns?) poëem bezig. Van Santen's dringende aansporing om het komend collegejaar '67-'68 samen in Leiden te gaan studeren doet hem nauwkeurig het voor en tegen van deze stap overwegen: ‘contra (is) het verlaaten van mijne Ouders, het verlaaten van goede vrienden (collegies zijn er hier geene die mij zouden te rug houden ...), het eenzaam leeven van een student, die op een kamer woont, en mogelijk het verlaten van de eene of andere Utrechtsche Galathea, of Delia’. Hiertegenover staat het nut van het in Leiden college houden, het samenzijn met een vriend ‘welks vriendschap en achting ik zeer hoog schatte’, het genoegen om nader kennis te maken met zijn Leidse familieleden en met de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, terwijl de Remedia Amoris van Ovidius hem ook het laatst gesuggereerde ongerief zullen verlichten. Conclusie: Van Santen kan er op rekenen dat hij voor een jaar naar Leiden zal komen, zelfs indien

[p. 23]

de Utrechtse hooggeleerden de geldigheidsduur van zijn kandidaatsexamen niet met een jaartje verlengen willen.28

En verder is het wederom Burman die de gemoederen bezig houdt. Deze Pieter Burman29 was een broer van de Utrechtse hoogleraar in de theologie Frans Burman (1743-1788) die we al zijn tegengekomen. In 1742 werd hij professor eloquentiae, historiae et poeseos aan het Athenaeum te Amsterdam, terwijl hij er in 1767 ook nog de vaderlandse geschiedenis bijkreeg.

Het oordeel over Pieter Burman II als geleerde luidt thans algemeen ongunstig: hij was bovenal dichter. Tekenend is reeds dat hij zijn inaugurale rede van 1742 De enthusiasmo poetico in latijnse verzen uitsprak. Wie deze oratie leest, hetzij in het origineel, hetzij in de vertaling door Dirk Smits, geneest voorgoed van de gedachte als zouden genie en dichterlijke bezieling pas door de preromantici ontdekte begrippen zijn. In de elegante, met gloed voorgedragen verzen van Burman beleefde onze neo-latijnse poëzie een laatste bloeiperiode. En zij maakte school! Op 20 oktober 1766 droeg Burman in Amsterdam ter gedachtenis aan het tweede eeuwgetij van Nederlands opstand tegen Spanje zijn Brederodius voor. Het jaar daarop verscheen te Amsterdam een bundel met Carmina juvenilia van Gerard Hooft Junior, Laurens van Santen, Henri Zacharias Couderc en Lambert Schepper - allen leerlingen van Burman die hier hun dichterlijk debuut maakten en ieder een lofdicht op Brederodius bijdroegen. De bundel is mede door de in het voorwerk opgenomen verzen van E. van Wassenberg, Janus Helvetius, Pieter Nicolaas Arntzenius en Henricus Bolt, een manifestatie van de schola Burmanniana.

Hieronymus van Alphen leeft met dit alles mee, al staat hij niet zonder kritiek tegenover iemand als Helvetius wiens verzen naar zijn smaak die der Ouden niet evenaren kunnen. Het blijft echter onduidelijk in hoeverre hij zelf daadwerkelijk de latijnse poëzie beoefent. Mij dunkt dat dit slechts incidenteel gebeurde. Wij kennen buiten een hierna te noemen inscriptie in de vriendenrol van L. van Santen enkel een latijns gelegenheidsgedicht van zijn hand, afgedrukt achter de dissertatie waarop Jan Bernd Bicker 14 juli 1766 te Utrecht tot meester in de rechten promoveerde. Boswell, die tijdens zijn studieverblijf in Utrecht met Bicker vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, noemde hem in zijn

[p. 24]

dagboek ‘a young man of whom much be hoped, both for literature and the State’.30 Men kan zich moeilijk voorstellen dat Boswell hier Bicker's proeven van bekwaamheid in de nederlandse letteren op het oog heeft. Hoe zou hij die kunnen beoordelen? Hij doelt dus waarschijnlijk op Bicker's latijnse dichtoefeningen. Want ook Bicker behoorde tot de vriendenkring om Petrus Burmannus Secundus. Bij zijn huwelijk met Catharina Six op 23 mei 1769 te Amsterdam vereerde Burman het bruidspaar met een latijns bruiloftsvers.31

Uit de samenvoeging van al deze verspreide gegevens rijst langzamerhand een beeld van de jonge student Van Alphen op dat, hoe vaag en onvolledig ook, toch duidelijk verschilt van de Hieronymus zoals hij in de Nederlandse literatuurgeschiedenis figureert. Hij heeft in zijn Utrechtse studentenperiode, zonder nu direkt een geestverwant van Burman te mogen heten, onmiskenbaar affiniteit gevoeld voor diens op de klassieke oudheid geïnspireerde poëzie. Hij heeft in nauw kontakt gestaan met Burman's leerlingen Arntzenius en Van Santen en het is allerminst denkbeeldig dat zijn literaire ontwikkeling een ander verloop zou gehad hebben, wanneer Van Alphen zijn relaties met hen of met andere neo-latijnse dichters uit hun kring had kunnen bestendigen. Dit zal misschien ijdele speculatie lijken maar we mogen het prestige, de werfkracht ook van de school van Burman in de zestiger jaren niet onderschatten.32 Zeker, voor ons die de afloop kennen, is Burman een representant van het voorbije. De weg die hij wees, wij weten het nu, was een doodlopende weg, maar voor de jonge dichters uit de jaren 1760-1770 lagen de zaken anders. Wie kon toen met zekerheid voorspellen dat men door in het latijn te schrijven zichzelf op den duur voor het publiek ontoegankelijk zou maken? Bood ogenschijnlijk het universele latijn niet betere waarborgen tegen een toekomstig isolement dan het Nederlands?

De invloed van Burman beperkte zich overigens niet alleen tot de literatuur. Hij wenste ook op staatkundig gebied een rol te spelen. In de collegezaal maar vooral daarbuiten verheerlijkte hij, aan wie immers ook het onderwijs in de vaderlandse geschiedenis was opgedragen, door

[p. 25]

redevoering of gedicht de grote helden uit het nationale verleden waarmee de 18e-eeuwse Patriotten zich graag identificeerden: Grotius, Oldenbarnevelt, de gebroeders De Witt, Tromp en De Ruiter. Vele van die politieke verzen werden door Burman in besloten kring voorgedragen op zijn ridderhofstede Santhorst bij Wassenaar, dat daardoor tussen 1756 en 1778 (toen Burman stierf) een ideologisch centrum werd van de staatkundige vrijheidsbeweging. Een vast bezoeker van dit soort bijeenkomsten was de Leidse griffier Daniel van Alphen, oud-oom van Hieronymus.

Burman's agressieve retoriek raakte pas goed op dreef zodra het de bestrijding van de orthodoxe predikanten betrof. De verlichte tolerantie-ideeën vonden in hem een vurig, zij het weinig konsekwent verdediger. Geen wonder dat dit Santhorst een teken van tegenspraak werd. De strenggelovigen verfoeiden het, naar de woorden van J. Hartog, ‘als een poel der goddeloosheid, terwijl zij die op een kwade voet stonden met de heerschende kerk, het verheerlijkten als hun Beth-El’.33

Wanneer Hieronymus van Alphen als student in de ban geraakt van Burman en zijn school, betekent dit dus nog iets anders, iets meer dan enkel een literaire beïnvloeding. Hij kwam ook in aanraking met een denkklimaat dat in elk geval niet de wereld van Tydeman en Vader Bonnet was! Zijn Wolffianisme, de zelfverzekerdheid waarmee hij het natuurrecht presenteert, de luchthartig-spottende toon van zijn brieven aan Van Santen, de vertrouwelijke omgang met deze vrijmetselaar - het zijn evenzovele symptomen van Van Alphen's vrijzinnige levenshouding. In dit licht bezien schijnt ook de brief die Van Alphen op 10 juli 1767 aan Louw van Santen schreef, iets te onthullen van zijn politieke gezindheid. Hij brengt daarin verslag uit van een reisje, kort na het verdedigen van zijn disputatio (dus in juni 1767) gemaakt. ‘Ik ben - zo vertelt Hieronymus dan - en retournant op Loevestein en aldaar op verscheiden kamers, ja zelfs op die van onzen onsterfelijken De Groot geweest. Er kwam mij inderdaad een sacer quidam horror op 't lijf doe ik er op was’. ‘Onzen onsterfelijken De Groot’ - wie zich in 1767 zo uitdrukte behoorde tot een andere richting dan degene die zich weinige tijd later een streng-gelovig protestant en een vurig aanhanger van Oranje zal tonen.

Wat dan uiteindelijk Van Alphen naar die andere zijde, ver van Burman, gedreven heeft? Was dat alleen of voornamelijk een literaire

[p. 26]

heroriëntatie? De vraag is daarom zo moeilijk te beantwoorden, omdat ons vrijwel geen gedicht van hem van voor 1767 bekend is. Zeker ondervond hij van het begin af tevens de aantrekkingskracht van de nederlandse literatuur: Tibullus èn Poot. Al vroeg werd hij lid van het door Tydeman - toen nog student - gestichte Musae Noster Amor.34 Toen de oprichter in september 1763 naar Leeuwarden trok, droeg hij de leiding van het kleine genootschap over aan Van Alphen. Zelf bleef hij als corresponderend lid een supporter op afstand. Maar Musae Noster Amor bleek zonder Tydeman niet levensvatbaar. Reeds op 5 augustus 1765 moest Van Alphen hem berichten dat hij, Hieronymus, het enig overgebleven aktief lid was.35 Dat betekende het einde van Musae Noster Amor maar het zou, schreef Van Alphen, geen stagnatie veroorzaken in zijn letteroefeningen, ‘mijne aangenaamste bezigheid’. Hij hoopte binnenkort als lid van Dulces Ante Omnia Musae te profiteren van Tydeman's correspondentie.36 Solliciteert hij hier naar het lidmaatschap van dit belangrijker genootschap of was hij reeds lid? In elk geval trad hij eind 1765 of begin 1766 tot Dulces toe,37 samen met zijn vrienden Pieter Nicolaas Arntzenius, Jan Both Hendriksen en Pieter Leonard van de Kasteele.

Ook Dulces had het vertrek van Meinard Tydeman maar nauwelijks overleefd. Deze had het genootschap 2 oktober 1759 opgericht met enkele medestudenten onder wie Petrus Ameshoff en Tydeman's boezemvriend Zacharias-Henri Alewijn, broer van de eerder genoemde Gillis Alewijn. Er waren steeds zes gewone leden. Men vergaderde wekelijks van 5-9 uur bij toerbeurt aan huis van een dezer zes. Dulces maakte in de jaren 1764-65 een periode van verval door. Maar na de

[p. 27]

terugkeer in augustus 1766 van de grote animator Tydeman volgde spoedig een opleving. Vooral toen ook enkele vooraanstaande personages zoals prof. Gisbertus Bonnet, de populaire dichter ds. Rutger Schutte en de Utrechtse vroedschap Mr. Cornelis Anthonie van Wachendorff zich voor het honorair lidmaatschap hadden laten winnen.

Als gewoon lid diende Hieronymus van Alphen geregeld op straffe van een geldboete zijn aandeel te leveren door het voorlezen van een verhandeling of gedicht, het meedelen van een twintigtal om spelling, woordkeus of zinsorde merkwaardige plaatsen uit een ‘achtbare’ schrijver, alsmede door het opstellen of vertalen van een zelf voor te dragen redevoering. De resterende tijd zou men besteden aan het gezamenlijk lezen van ‘de beste nieuwe werken over onze taalkunde, als van Verwer, ten Kate, Huydecoper’.38

Op kreatief gebied heeft Dulces niet veel bijzonders voortgebracht. Pas in 1775 publiceerde het zijn eerste Proeven van Oudheid-, Taal- en Dichtkunde, in 1782 nog gevolgd door een tweede deel waaraan ook Hieronymus een gedicht bijdroeg: De Digter en de Nagtegaal. De ironie van het toeval wil dat juist dit enige genootschapsvers van hem een scherpe aanval bevat op een poëet ‘die schier dag en nagt versleet/ ... met likken en beschaven’. Werkelijk, voor zijn ontwikkeling als dichter kan Hieronymus in de kring van Dulces hooguit enige technische vaardigheid hebben opgedaan. Zijn mentor Tydeman miste zelf elk poëtisch talent. Dulces was trouwens in de grond meer een taal- en oudheidkundig dan een literair genootschap. Een man van smaak als R.M. van Goens voelde zich hier niet thuis.

Dank zij Dulces kwam Hieronymus van Alphen wel in kontakt met in de vaderlandse letteren geïnteresseerden buiten Utrecht. Dulces onderhield immers vriendschappelijke betrekkingen met het Leidse Minima Crescunt, waaruit, zoals bekend, op 18 juli 1766 de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde is voortgekomen. Tijdens die eerste vergadering werd Hieronymus van Alphen, kandidaat in de rechten te Utrecht, tot lid benoemd, ongetwijfeld op voorstel van Tydeman.39 Op deze wijze was Van Alphen, terwijl hij nog helemaal binnen de invloedssfeer van de latinitas verkeerde, tegelijk betrokken

[p. 28]

bij een onderneming die de nederlandse literatuur een aanzienlijker plaats wilde geven.

Zijn situatie was echter minder vreemd dan zij misschien schijnt. Er bestond geen absolute tegenstelling tussen de beoefening der neolatijnse poëzie en de bevordering der vaderlandse letteren. Soms gingen beide aktiviteiten in één persoon samen, gelijk met Jeronimo de Bosch het geval was. En zelfs een Van Santen toonde naderhand bij herhaling belangstelling voor de contemporaine nederlandse en duitse dichters. Maar juist omdat de kloof niet bestond, althans niet duidelijk zichtbaar was, kon er voor Van Alphen geen reden zijn om zich terwille van de vaderlandse muze te distantiëren van Burman en zijn school. De breuk - minder met Burman persoonlijk dan met de geest die hij representeerde - was een rechtstreeks gevolg van Hieronymus' bekering tot een sterk bevindelijk christendom omstreeks juli 1767. Het relaas van deze gebeurtenissen voert ons terug naar de vriendenkring van Hieronymus van Alphen.

II 2. Bekering

Met geen van zijn medestudenten was Hieronymus van Alphen zo bevriend als met Pieter Leonard van de Kasteele en Jan Both Hendriksen. Ze studeerden alledrie rechten, waren ongeveer van gelijke leeftijd en kwamen uit dezelfde burgerklasse. Het valt moeilijk te zeggen wie binnen deze driebond de centrale figuur was. Door de loop der omstandigheden zou echter de oudste van hen, Jan Both Hendriksen, een zeker overwicht op de anderen krijgen.

Jan Both Hendriksen40 werd geboren te Middelburg op 20 februari 1744 als jongste zoon van Willem Hendriksen, kapitein bij de O.I. Compagnie, en Bartha Both. De moeder stamde uit een bekend Amersfoorts regentengeslacht. Ze was eerst gehuwd geweest met Samuel Padtbrugge, Raad van Indië, na wiens dood zij naar Nederland terugkeerde. Toen zij in 1754 stierf, veranderden haar zoons hun familienaam in Both Hendriksen. Het gezin was intussen naar Amersfoort verhuisd, waar de vader zitting had gekregen in de vroedschap.

Jan werd aanvankelijk volgens de wens van zijn vader opgeleid voor de koophandel. Zijn hart ging echter uit naar de studie en in zijn vrije uren

[p. 29]

leerde hij zichzelf latijn en grieks. Tenslotte kreeg hij toestemming om in Utrecht te gaan studeren. Hij arriveerde daar in 1763, een jaar na de komst van Van Alphen. Met Hieronymus had hij een grote liefde voor de letteren in ruime zin gemeen. Hij beoefende zelf de tekenkunst en de poëzie maar het typeert zijn bescheidenheid - en misschien ook zijn zelfkennis - dat vrijwel alles in portefeuille bleef. Hij was het type van de dillettant in 18e-eeuwse zin. Zijn beminnelijke persoonlijkheid kon figuren van uiteenlopende geaardheid als Van Alphen en Van de Kasteele om zich verenigen. Maar hij miste, bemiddeld als hij was, de uiterlijke prikkel om in het openbare leven een rol te spelen die in overeenstemming zou zijn met zijn intellectuele capaciteiten.

Tegelijk met Jan Both Hendriksen kwam ook Pieter Leonard van de Kasteele41 naar Utrecht. Hij was geboren 13 augustus 1748 te 's-Gravenhage uit het huwelijk van de lakenfabrikant en vroedschap Jacob van de Kasteele met Rachel de Lo, wier enige zoon hij zou blijven. Nadat hij de latijnse school in Delft met ere had doorlopen, betrok hij een studentenkamer ten huize van de boekverkoper Ter Veen aan de Lijnmarkt te Utrecht. Men komt in de verleiding uit deze keuze reeds zijn literaire preoccupatie af te leiden. Want anders dan Both Hendriksen bezat Pieter Leonard wèl het kreatief vermogen en de drang om zelf als dichter op te treden. Toch zal in de eerste jaren van hun vriendschap het onderscheid dat zich later duidelijk gaat aftekenen, nog niet zo zichtbaar zijn geweest. Als leden van Dulces moesten zij immers elk op gezette tijden iets voor de dag brengen. Men stelle zich het driemanschap Van Alphen-Van de Kasteele-Both Hendriksen dan ook niet voor als een groep van drie dichters-in-spe. Hun relatie stoelde hoofdzakelijk op gelijkheid van studierichting, interesses, maatschappelijke afkomst en behoefte aan gezelligheid. Voor zijn literaire expansie had Van Alphen vooralsnog evenveel, zo niet meer, aan het kontakt met zijn Amsterdamse vriend Louw van Santen en diens kring. Arntzenius stond min of meer op de grens tussen deze twee vriendschapssferen. Hij beschouwde zich wèl als dichter en de omgang met hem bood een goede gelegenheid om

[p. 30]

elkaars smaak te cultiveren. Maar hij was geen vriend in de sublieme zin van het woord.42 Tussen hem en Van Alphen bestond nooit een zielsverbondenheid als met de twee anderen.

Tot de vriendenkring van Van Alphen- Van de Kasteele-Both Hendriksen behoorden nog enkele medestudenten met wie zij ook na het verlaten van de universiteit in betrekking bleven. Maar zij fungeren toch min of meer als nevenfiguren aan de periferie van het triumviraat. De belangrijkste onder hen zijn Carolus Boers,43 Jan Kneppelhout44 en Willem Anthony van Vloten.45 Dit drietal studeerde geen rechten maar theologie: Boers en Kneppelhout sinds 1763, Van Vloten al vanaf 1759. De eerste werd straks een zwager van Both Hendriksen, doordat ze allebei trouwden met een meisje Ameshoff. Kneppelhout was de geliefde leerling van Tydeman. Voor hem geldt eigenlijk hetzelfde als voor Both Hendriksen, namelijk dat zijn irenische natuur en zijn ruime middelen hem voorbeschikten tot een rustig-onopvallend bestaan, procul negotiis.

[p. 31]

Van Vloten daarentegen was een veel gecompliceerder persoonlijkheid: begaafd leerling van Bonnet maar eigenzinnig genoeg om tegen diens wens in les te nemen bij de Hongaar Generzey, die te Utrecht als repetitor werkte en privé-onderricht gaf in de Leibnitziaanse filosofie. Van Vloten kwam net als Hieronymus van Alphen uit Utrecht. Zij kenden elkaar meer dan oppervlakkig en het is niet onmogelijk dat Hieronymus op zijn beurt ook bij Generzey is school gegaan.

De gebeurtenissen van juni-augustus 1767 rond Van Alphen's bekering laten zich als volgt reconstrueren:

Op 2 juni van dat jaar verdedigde Hieronymus, naar wij reeds zagen, zijn disputatio over de scheiding van tafel en bed. Kort na de plechtigheid, die 's avonds bekroond werd met een vriendenfeest waarop Both Hendriksen wegens de kinderziekte (de pokken) ontbrak, vertrok Hieronymus naar Gorinchem. Daar trouwde namelijk op 16 juni Mr. Johan Abraham van Thije Hannes, drossaart en dijkgraaf van Empel en Meerwijk, met Anna Christina van Barnevelt. De bruidegom had voor zijn huwelijk in Utrecht rechten gestudeerd. De bruid was via haar overgrootmoeder Angela van Alphen (overleden 1727) uit de verte aan Hieronymus geparenteerd.46

Na de bruiloft reisde het bruidspaar in gezelschap van enkele jongemeisjes en -heren onder wie ook Hieronymus met even jacht naar Cleef, de geboorteplaats van Johan Abraham van Thije Hannes. Het speelreisje duurde zowat twee weken. Men voer van Gorinchem over Tiel, Empel, Bommel, Nijmegen, Cleef naar Elten en vandaar weer terug via Loevestein en Woudrichem naar Gorinchem, waarna Hieronymus alleen doorreisde naar Utrecht. Veel rust gunde hij zich thuis niet, want reeds de andere morgen vertrok hij naar Leiden om zich daar, op 6 juli 1767, volgens afspraak met Louw van Santen als student in de rechten te laten inschrijven.47 Hij huurde bij die gelegenheid tevens kamers op de Breestraat, schuin tegenover de Papengracht, bij de juwelier Leeman;48 bezocht vervolgens Van de Kasteele, die de vakantie bij zijn ouders in 's-Gravenhage doorbracht, en was op 10 juli weer terug in Utrecht van waaruit

[p. 32]

hij Van Santen verslag uitbracht van alles wat de afgelopen weken gepasseerd was.

Ook de nog altijd aan het ziekbed gebonden Both Hendriksen, van wie intussen vernomen was dat hij goed vooruitging, kreeg nu een kort bericht over het Cleefse reisje.49 Hieronymus feliciteert hem met zijn herstel: ‘Niets waarlijk zou mij meerder getroffen hebben dan het missen van een vriend in wiens gezelschap ik het grootst genoegen vinde’. Deze zin staat in een briefje dat grotendeels gevuld is met faits divers, waarbij het literaire nieuws niet vergeten wordt. Wat vooral opvalt in dit amicale maar geenszins hartelijke briefje is dat de afzender alleen zijn eigen verlies bij eventueel overlijden van de zieke vriend calculeert. Het leven zou er voor hèm een stuk minder gezellig door worden. Hij besefte kennelijk nauwelijks in wat voor een toestand de doodzieke Both Hendriksen verkeerd had. De ogen gingen hem pas open, toen hij de brief las die zijn vriend hem begin juli al geschreven had, terwijl Hieronymus de stad uit was.50 Both Hendriksen toonde zich in deze brief vol berouw over zijn vroegere zorgeloze leven van onbekeerd christen. Nu hij, in het volle besef van zijn schuld jegens ‘den Richter van Hemel en Aarde’, op het laatste moment zijn vonnis ontlopen was, begreep hij een nieuw leven te moeten beginnen in dienst van Jezus,

[p. t.o. 32]



illustratie
Afb. 5: Prof. Meinard Tydeman (1741-1825). Olieverfschilderij door A.J. Caldenbach uit 1774. Senaatskamer Rijksuniversiteit Utrecht.

[p. t.o. 33]



illustratie
Afb. 6: Titelblad van Van Alphen's eerste dissertatie, cf. p. 19.

[p. 33]

enige toeverlaat voor zondaren. En hij spoorde Hieronymus aan om zijn voorbeeld te volgen. Een soortgelijke opwekkingsbrief had Both Hendriksen, zonder dat Van Alphen zulks wist, reeds aan Van de Kasteele toegezonden.

Hetgeen zich nu in het gemoed van de drie vrienden afspeelde, onttrekt zich voor een belangrijk deel aan onze waarneming. Wel gaf het aanleiding tot een intensieve briefwisseling51 tussen de drie betrokkenen, op grond waarvan wij ons toch wel een voorstelling van Van Alphen's bekering kunnen maken.

Aanvankelijk was zijn reaktie weinig hoopvol. Natuurlijk had de brief van Both Hendriksen hem geroerd, maar - zo vroeg hij zich af - ‘wat zullen enkele vermaaningen uitrichten? Ik heb er zo veele ontfangen’.52 Hij vreest dat de aandoening die hij thans gevoelt, van korte duur zal zijn: ‘De vermaaken der wereld waar in ik echter nooit noch het waare vergenoegen gevonden hebbe, zijn niettemin dubbel in staat om die uit te wisschen’. Hij weet dat bij ondervinding. Er zijn dus al eens eerder momenten geweest, waarop Hieronymus zich voornam een ander leven te gaan leiden. Vermoedelijk doelt hij in het bijzonder op die eerste november van het jaar 1765, toen Rijklof Michaël van Goens en hijzelf door Ds. J.H. Bachiene op belijdenis tot lidmaat der Gereformeerde Kerk waren aangenomen.53 Dat was een plechtig gebeuren, het tijdstip van zijn kerkelijke volwassenheid. Maar het werd nog niet het teken van zijn innerlijke bekering. Pas nu, in juli 1767, maakt Hieronymus van Alphen een religieuze crisis door.

Het schijnt dat Van de Kasteele, die op zijn eentje in Den Haag eenzelfde confrontatie met zijn verleden onderging, al gauw tot inkeer kwam. Maar Van Alphen had er grote moeite mee. Hij werd bij hoge uitzondering ziek: voor het eerst van zijn leven werd hij adergelaten. Dat was op 3 augustus. Uit een brief die hij die dag aan Both Hendriksen verzond, sprak een innerlijke begeerte om van Christus aangenomen te worden. Hij wenste maar dat zijn hart ‘eens recht verbrijzeld was, dan was er gegronde geneezing te wachten’. Nog altijd leeft in hem de

[p. 34]

vrees ‘om iets te gelooven daar ik nimmer deel aan zoude hebben’.

Het keerpunt kwam op 8 augustus, zijn verjaardag. Hieronymus heeft zijn leven lang deze datum herdacht als de dag van zijn wedergeboorte. In augustus 1771 herinnert hij ondubbelzinnig aan deze gebeurtenis: ‘Ach denk ik reeds zo oud; reeds ¼ van een eeuw in de weereld geweest en maar 4 jaaren daar van eenigermate den Heere gezogt’.54 En op 8 augustus 1800 noteerde hij in zijn geheime dagboek: ‘Het zijn nu 33 jaren dat mijne ziel naar God en Zijn eind, naar Zijn lieven Zoon begon te vragen’.

Van Alphen scheen door zijn bekering een ander mens geworden. Maar het was hem niet gegeven om, gelijk Both Hendriksen en Van de Kasteele, in dit beroep op Christus' middelaarschap innerlijke stabiliteit te vinden. Telkens weer werd hij bevangen door twijfel aan eigen uitverkiezing. Het kwam zover dat hij zich ging afvragen, of men wel ‘om verbrijzeling en smerte over (zijne) zonden’ smeken mocht. Immers: ‘een gezigt van zijn rampzaligheid en grote godloosheid in het afgetrokken, d.i. zonder een tegelijk gezigt van den Heere Jesus, is waarlijk een hel op aarde’.55 Aan zijn neef J.A. Graswinckel te Haarlem bekende hij eens: ‘Met mijn lichaamssterkte is de gezondheid mijner ziele niet toegenomen. Al wat ik doen kan is weenende te strijden en mijne wonden met droefheid te bezien - wezenlijke genezing in sommige dingen vinde ik zeer weinig en het geloof dat de Heere in mij een welbehagen om Christus wille heeft is zwak. (...) Somtijds heb ik hoop dat ik nog eens genezen zal worden, en heilig zijn; maar het dagelijks gevoel van mijn zedelijk verderf, en de diep ingekankerde verdorvenheid maakt mij walgelijk in mijne oogen.’56

Hoewel een dergelijk besef van eigen nietswaardigheid in piëtistische kring dikwijls voorkomt, zat het bij Van Alphen wel erg diep. Hij kende de ‘angelische blijdschap’ niet dan van naam, mistrouwde haar zelfs omdat in zijn ogen de diepe vernedering een zekerder teken was ‘van waare verootmoediging’ voor Christus, onze borg.57 Natuurlijk zag hij ook zijn verleden voortaan in de somberste kleuren. Met een zekere wellust schilderde hij zijn vroegere ik af als een ‘slaaf des Satans’. ‘De ontwikkeling van het zedelijk bederf in mij - zo schreef hij in zijn dagboek58 - staat mij duidelijk voor oogen. Aan hetgeen mij in mijne

[p. 35]

eerste kindsche jaren onbetamelijk, ja afschuwelijk voorkwam, werd ik langzamerhand, ook door het voorbeeld van anderen, gewoon; en eindelijk was het ook voor mij eene behagende bezigheid.’ Het was, zegt Hieronymus, de tijd ‘waarin ongodsdienstigheid mij sterkte van geest en losbandigheid mij een vrolijk leven toescheen: waarin eerzucht en vermaak alleen de beginsels mijner daden waren’. Er bestaat niet de minste reden om uit deze zelfbeschuldigingen te concluderen, dat Van Alphen zich als student aan moreel wangedrag heeft schuldig gemaakt. Die ‘wereldse vermaken’ kunnen niet veel anders geweest zijn dan kermis, schouwburg, koffiehuis of maliebaan. Veel meer viel in het calvinistische, provinciale Utrecht niet te beleven. Maar Van Alphen beoordeelde zichzelf niet naar burgerlijke maatstaf. Hij zag zichzelf voor het eerst duidelijk als een conventioneel, onbekeerd naam-christen die meedeed met de vrijgeesterij.

 

De invloed van Both Hendriksen's bekering beperkte zich niet tot zijn twee naaste vrienden. Zijn opwekkingsbrief ging van hand tot hand en miste ook op anderen haar uitwerking niet. Zo vormde zich te Utrecht vanzelf een klein groepje gelijkgezinde studenten die elkaar vermaanden en bemoedigden. Hiertoe behoorden, naast Both Hendriksen en Van de Kasteele, de reeds genoemde Jan Kneppelhout en Carolus Boers. Verder de al wat oudere Ane Drijfhout uit Heerenveen.59 Deze had eerst een zestal jaren te Groningen gestudeerd, waar hij op 19 juni 1765 promoveerde tot Dr. Phil. op een dissertatie De mundo in gloriam dei condito. Hierna ging hij naar Utrecht om daar theologie te studeren onder Bonnet, bij wie hij in 1768 opnieuw zou promoveren. Tydeman beschouwde hem als een van zijn knapste leerlingen. Eenmaal predikant geworden bleef hij tot zijn dood op 10 mei 1822 zich met wijsgerige studie bezighouden. Hij was echter niet het type waar Van Alphen op den duur ten volle mee sympathiseerde. Drijfhout's Utrechtse dissertatie De vera satisfactionis ratione et necessitate ex justitia vindicativa, deo naturali deducta werd door Hieronymus met enig wantrouwen bekeken.60

[p. 36]

Aparte vermelding verdient John Henry Livingston,61 een uit Poughkeepsie in Amerika afkomstige Schot, die onder Bonnet theologie studeerde. Livingston was tijdens de ziekte van Both Hendriksen als diens geestelijke leidsman opgetreden. Hij kon dat doen omdat hij zelf een soortgelijke ervaring had gekend. Hij was een zoon van gefortuneerde ouders die behoorden tot de Hollandsche Gereformeerde Kerk in Noord-Amerika, zodat John Henry van jongs af vertrouwd was met het Nederlands. Aanvankelijk bekwaamde hij zich in de advocatuur maar eind 1764 overviel hem plotseling het verlangen zijn leven een andere richting te geven. Hij wilde predikant worden en kwam daartoe in juni 1766 naar Nederland. In vier jaar voltooide hij onder leiding van Bonnet zijn theologische studie die in mei 1770 bekroond werd met een eervolle promotie. Toen vertrok hij weer naar Amerika waar hij tot zijn dood op 19 januari 1825 als predikant en later als hoogleraar in de theologie werkzaam was. Pieter Leonard van de Kasteele schreef bij zijn vertrek een albumvers in Livingston's vriendenrol62 en ook Van Alphen, die overigens pas in december 1767 nader met hem kennismaakte, vond hem ‘opwekkend en leevendig’.63

Een andere vriend was de iets oudere Michiel Anthony van Asch van Wijck,64 zoon van de Utrechtse burgemeester Mr. Hendrick van Asch van Wijck. Michiel Anthony had juist zijn rechtenstudie achter de rug. Men kende elkaar van Musae Noster Amor en van Dulces, al was het maar via Tydeman die iedereen kende. Michiel Anthony en Meinard Tydeman waren nog jaargenoten aan de Utrechtse universiteit. Het blijft onduidelijk of Van Wijk - zoals hij in de correspondentie altijd genoemd wordt - pas na de bekering van Both Hendriksen aansluiting gezocht heeft bij het drietal, of dat hij van oudsher tot hun kennissenkring behoorde. In elk geval blijkt uit zijn familiepapieren dat ook hij in

[p. 37]

1767 zich bekeerde.65 Men krijgt zelfs bij het lezen van de briefwisseling van Hieronymus van Alphen even de indruk dat ook niet-studenten in Utrecht, met name de hospes van Both Hendriksen, Mulder, deel uitmaakten van het groepje van nieuw-bekeerden. De enige die er, althans lijfelijk, voorlopig buiten stond, was Hieronymus van Alphen die sinds augustus te Leiden verbleef. Juist zijn afwezigheid noodzaakte de vrienden tot druk briefverkeer, wilde men elkaar sterken in het pas gewonnen inzicht. En troost en steun van gelijkgezinden was Hieronymus' voornaamste behoefte, nu hij terecht kwam in een omgeving waar hij zich enkele maanden terug nog zoveel van had voorgesteld, maar die nu in menig opzicht vijandig bleek aan zijn nieuwe levenswijze.

II. 3. Student te Leiden en promotie

Al was dan Van Alphen vooral op aandrang van Louw van Santen naar Leiden gekomen, van de gehoopte ontplooiing van hun vriendschap kwam niets terecht. Integendeel, Hieronymus' bekering leidde de eerste week reeds tot een definitieve breuk. Van Alphen deelt dit zelf mee in een brief van september 1767 aan P.N. Arntzenius: ‘Wat de Hr. van Santen betreft, ik zie hem zeer weinig. Hij is in 't begin van mijn verblijf alhier eens bij mij geweest, en vermits ik hem, schoon al te zagt, bestrafte over zijn vloeken, zo herinnerde hij zig van mij gehoord te hebben (zulks was zijne uitdrukking), dat mijne conscientie had begonnen te knagen; ik zeide hem gerust ja en zo ik vertrouwde niet zonder rede. Hij repliceerde daar op met een raillante tronie: ik woude dat ik het ook was maar rade mij teffens aan niet melancholijk te worden - Ik kan niet met hem verkeeren om zijn gestadig vloeken, ik kan dat niet bijwonen, ik heb maar al te veel met mijne eigen zonden te doen, dan dat ik deel zoude krijgen aan die van anderen, en nu gij mij zegt dat hij op andere gronden bouwt, moet ik hem noch meer minageeren’.66 Met die ‘andere gronden’ zijn wel de maçonnieke beginselen bedoeld waar Louw van Santen toen al gevoelig voor bleek.67 Eenmaal student te Leiden trad

[p. 38]

hij onmiddellijk toe tot de daar gevestigde loge La Vertu. Nog geen jaar later kozen de broeders hem als Voorzittend Meester.68

Het verhaal over zijn conflict met Van Santen diende enkel om ook Arntzenius aan te sporen tot bekering. Pieter Nicolaas reageerde traag, zodat Van Alphen al meteen het ergste dacht: ‘Arentze, vrees ik, is de wereld weer geheel ingegaan’.69 Zover was het echter nog niet. Arntzenius bleef tot kort na zijn promotie op 1 oktober 1768 kontakt onderhouden met de bekeerde vrienden. Van Alphen kon het zelfs niet laten om in zijn promotievers voor deze oude studiegenoot nog de bede te vlechten, dat God ‘de woeste driften van (hun) onbezonnen jeugd mocht temmen’.70 Het was vrijwel het laatste teken van verstandhouding tussen die twee. Arntzenius vestigde zich als advokaat te Amsterdam. Zijn toetreden op 3 april 1773 tot de Amsterdamse loge De Zon accentueert nog eens dat hun wegen zich intussen eveneens gescheiden hadden.71

Van Alphen voelde zich in Leiden erg eenzaam. Hij bezat er nu geen enkele vriend aan wie hij in vertrouwen de toestand van zijn ziel kon bloot leggen. De al genoemde Burman-discipelen Gerrit Hooft Jr. en Henry Zacharias Couderc (ingeschr. als student in de rechten, resp. 5 febr. 1766 en 21 febr. 1767) waren daartoe weinig geschikt. Voortdurend roept hij in zijn brieven het Utrechtse thuisfront te hulp: waarom laten Boers, Van Wijck of Kneppelhout niets van zich horen?72 Wanneer komt Hendriksen eindelijk eens een keer over?73 Met geen woord rept hij van bezoeken aan de Leidse familie. Die behoorden thans om zo te zeggen tot een andere wereld. Wel gaat hij in oktober naar neef en nicht Graswinckel te Haarlem, die zeer begerig zijn het verhaal over zijn bekering uit Hieronymus' eigen mond te aanhoren. Gelukkig geeft de Heer hem daar ‘eene sprekende tonge’.74 Eigenaardig verschijnsel: de beklemming die Van Alphen dikwijls omvangt, zijn innerlijke onzeker-

[p. 39]

heden verdwijnen onmiddellijk, zodra hij tegenover anderen getuigen mag van ‘de heerlijkheid der vrije genade’. Die getuigenis was hem dan ook meer zielsbehoefte dan opdracht.

De moeilijkheid was dat men aan de Leidse academie veel wantrouwender stond tegenover de bevindelijkheid dan in het orthodoxe Utrecht. De verlichte burger deed weinig moeite om zijn minachting voor de ‘dweperij der fijnen’ te verbergen. Er heerste vooral in intellectuele kring, bij professoren en studenten, een geest van vrijzinnigheid, van libertinisme soms. Natuurlijk waren ook hier uitzonderingen. In elk geval leidde Van Alphen's bekering noodzakelijk tot een zeker isolement.

Het valt moeilijk te beoordelen in hoeverre de gereserveerde houding die Van Alphen in de omgang met zijn medemensen doorgaans aannam, direkt gevolg was van een door zijn bekering gewekt besef dat hij alle ‘afleidende gezelschappen’ voortaan mijden moest. Een erg toeschietelijke indruk maakt hij nooit. Maar sedert augustus 1767 zocht hij zijn vrienden uitsluitend onder die weinigen die zijn religieuze (en straks ook zijn staatkundige) gevoelens deelden. Typerend dunkt mij de wijze waarop hij Jeronimo de Bosch tegemoet trad, al blijft de precieze gang van zaken hier voor ons verborgen.

Jeronimo de Bosch75 was zes jaar ouder dan Van Alphen en woonde in Amsterdam, waar hij als bemiddeld vrijgezel een artsenijwinkel dreef. Maar zijn grote liefde ging uit naar de latijnse poëzie die hij ook zelf met overgave beoefende. Hij was zeer bevriend met zijn leermeester Petrus Burmannus Secundus en deelde diens politieke opvattingen. De familie De Bosch behoorde tot de mennisten. Jeronimo in het bijzonder stond bekend als een vroom, irenisch man met een grote afkeer van alle dogmatische scherpslijperij.

De Bosch nu bezocht Van Alphen in Leiden en zond hem kort daarna een (latijnse) brief,76 waarin hij hem op de innemendste wijze zijn vriendschap aanbood. Reeds lang, zo schreef hij, had hij verlangd om met Van Alphen kennis te maken. En toen die gelegenheid zich voordeed, had hij bij Hieronymus ‘een dergelijke schittering van geest’, zedelijk

[p. 40]

gevoel en ‘betrachting van ware piëteit’ opgemerkt dat dit zijn verlangen hem nader te leren kennen alleen maar versterkt had: ‘Zovaak we immers op iemand gestuit zijn, in wiens natuurlijke geaardheid wij duidelijk menen te bespeuren een dergelijke trek, die iemand siert en tot eer strekt, in wiens woorden en daden wij dat licht van deugdzaamheid zien oplichten, worden we als het ware van zelf er toe gedreven, ik weet niet op wat voor manier, om van zo iemand te houden’. Vandaar zijn ongewone stap om zichzelf in Van Alphen's vriendschap aan te bevelen.

Wij kennen de antwoordbrief niet, maar moeten aannemen dat Jeronimo de Bosch in zijn verwachtingen teleurgesteld werd. Waarom? Was het omdat Van Alphen zich geen vriendschap wilde laten opdringen?77 Of was De Bosch voor hem als ‘hartsvriend’ onaanvaardbaar om zijn afwijkende politieke en godsdienstige gezindheid? Ruim tien jaar later wisselen zij nog enkele brieven als elkaar hoogachtende bekenden die evenwel slechts oppervlakkig kontakt onderhouden.

Dit afwerende, in zichzelf gekeerde kenmerkt Van Alphen in Leiden zozeer, dat wij nauwelijks moeite hoeven te doen om het universitaire milieu hier in den brede te schetsen. Aan het gezelligheidsleven van de studentensociëteiten nam hij geen deel. Ook verneemt men nergens iets van bezoek aan schouwburg of letterkundig genootschap.

Met des te meer toewijding concentreerde hij zich op zijn rechtenstudie. De bedoeling was om bij Tydeman in Utrecht te promoveren op een dissertatie over de romeinse jurist Javolenus Priscus. De hiervoor benodigde gegevens ontleende hij o.a. aan de door Cornelis van Bynkershoek nagelaten manuscripten in de Leidse universiteitsbibliotheek.78 Van Alphen had dus een welomschreven studieobject. Wie echter zou menen dat hij tevens de kans aangreep om zich breder te oriënteren in dit Mekka der wetenschap door bijv. college te lopen bij coryfeeën als de oriëntalist J.J. Schultens, de graecus L.C. Valckenaer of de theoloog Ewald Hollebeek, vindt dit vermoeden in de correspondentie althans nergens bevestigd. In de brieven die Hieronymus tussen september 1767

[p. *1]



illustratie
Afb. 7: Mr. Pieter Nicolaas Arntzenius (1745-1799). Miniatuur uit familiearchief Arntzenius Den Haag. Foto: Iconographisch Bureau.

[p. *2]



illustratie
Afb. 8: Mr. Jan Both Hendriksen (1744-1817). Olieverfschilderij door P.C. Wonder uit 1806. Dienst voor 's Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen Den Haag. Herkomst: schenking E.D. Baron van Boetzelaer.

[p. *3]



illustratie
Afb. 9: Mr. Pieter Leonard van de Kasteele (1748-1810). Olieverfpaneel door Wijbrand Hendriks, 1809. Haags Gemeentemuseum.

[p. *4]



illustratie
Afb 10: Titelblad van Van Alphen's tweede dissertatie, cf. p. 43.

[p. 41]

en juni 1768 naar Utrecht zond, is eenmaal79 - zeer terloops - sprake van de rectoraatsoverdracht aan David Ruhnkenius, waarbij deze zijn befaamde lofrede op zijn leermeester en voorganger Tiberius Hemsterhuis voordroeg. Elders80 rapporteert Van Alphen aan Tydeman hoe diens collega Frederik Willem Pestel, hoogleraar in het natuur- en staatsrecht, zijn cursus over De Groot's De jure belli ac pacis afkrijgt. Het gebeurt natuurlijk volgens de traditionele dikteermethode. Bij nijpend tijdgebrek geeft Pestel ‘tweemaal daags collegie’, want klaar komen zal hij! Uit diezelfde brief kunnen we opmaken, dat Van Alphen op vertrouwelijke voet staat met de kerkhistoricus prof. Didericus van der Kemp. Ziedaar alles wat men verneemt omtrent een jaar verblijf aan de Leidse academie. Het kan natuurlijk liggen aan de toevallig overgeleverde bronnen maar we krijgen onwillekeurig de indruk, dat Van Alphen ook in het wetenschappelijk verkeer de kennismaking schuwde met alles wat zijn pas gewonnen inzicht kon bedreigen.

Is het toeval dat zowel Pestel als Van der Kemp tot het conservatieve kamp behoren? De eerste81 was de leermeester van de erfprins en van Bilderdijk. Hij werd in 1795 om zijn oranje-gezindheid ontslagen. Van der Kemp82 zijn we al even tegengekomen als bondgenoot van Gisbert Bonnet in de strijd tegen de tolerantie. Zijn inaugurale rede, op 29 september 1766 uitgesproken, was een lange lofzang op de Formulieren van eenigheid, de synoden en de Stadhouder, tot grote ergernis natuurlijk van meer verlichte, vrijzinniger christenen.

Valckenaer, Schultens en Hollebeek daarentegen representeren elk op hun wijze die andere geestesrichting. Valckenaer behoorde tot de Santhorster gemeente van Burman,83 Schultens bestreed waar hij zonder zich te veel bloot te geven kon de invloed van de ‘kerkelijken’.84 Hollebeek tenslotte wekte de toorn van de rechtzinnigen op door zijn tolerante levenshouding alsook door zijn moderne, zogenaamde synthetische preekmethode.85 Dit waren bepaald niet de hoogleraren waar Van Alphen mee accordeerde.

[p. 42]

Hetzelfde geldt in wat mindere mate voor de hoogleraar in romeins en modern burgerlijk recht, Bavius Voorda.86 Nepveu noemt hem nochtans naast Pestel en Joannes Conradus Rücker als degene wiens onderwijs Van Alphen genoten heeft.87 Mij is daarvan niets gebleken. In zijn dissertatie spreekt hij met geen woord over de Leidse professoren. Bij Rücker, hoogleraar in het ius civile, is hij misschien geïntroduceerd door diens neef en ambtsgenoot uit Utrecht, Johan Gerhard Christiaan Rücker.

 

Zo weinig aandacht er in de brieven uit Leiden aan de wetenschap geschonken wordt, zo karig komt ook de literatuur er af. R.M. van Goens (Proeven uit den Dichtkundigen Ligger van den Philosophe sans Fard), Charles Batteux (Principes de la littérature) en Hooft krijgen slechts een vluchtige vermelding,88 terwijl de briefschrijver uitvoerig stilstaat bij allerlei predikanten die hij beluisterd heeft: Carolus Segaar in Utrecht, Johannes Jacobus Serrurier in Den Haag, Nicolaas Hoogvliet in Leiden, Carolus Boers en een niet met name genoemde in Haarlem.89 De schijn kan echter bedriegen, want ook in latere jaren speelt de literatuur slechts een bescheiden rol in Van Alphen's correspondentie, hoewel hij er zich toch intensief mee bezig hield. Alleen van het literaire leven in genootschappen of tijdschriften hield hij zich verre, met uitzondering van Dulces waarmee hij ook in Leiden kontakt bleef onderhouden.90

Wat ons vooral interesseert is de vraag, inhoeverre Van Alphen's bekering heeft doorgewerkt op zijn literaire ontwikkeling. Kunnen we ook hier het jaar 1767 als een keerpunt beschouwen? Ik ben geneigd die vraag bevestigend te beantwoorden, ondanks het feit dat we - afgezien van een enkel gelegenheidsvers - geen enkel gedicht van Van Alphen uit de periode vóór zijn bekering met zijn latere poëzie kunnen vergelijken. Voor Van Alphen zelf bestond er een duidelijke tegenstelling tussen de ‘wereldse’ verzen van zijn ontluikend dichterschap en de

[p. 43]

stichtelijke verzen die de vrucht waren van zijn bevindelijke gelovigheid:

Dartle toonen sloeg mijn citer; zucht tot jok en zotternij Joeg in 't ijdel hart een afkeer van gewijde poëzij.91

In Leiden verandert dat. Hij richt zich niet langer op de paganistische, imitatieve poëzie van Petrus Burmannus Secundus en diens school maar op de geestelijke poëzie van piëtistische dichters als Lodenstein, Voet92 en Schutte, bovenal op de bijbel. In een brief93 van 20 oktober 1767 aan Jan Both Hendriksen en Pieter Leonard van de Kasteele schrijft hij een achttal versregels neer die hem kort tevoren spontaan zijn ingevallen: ‘Laat vrij een ijdle vreugd, laat hartverdervend schoon/Ons trachten het geloof in onzen God te ontwringen!’ etc. Het is het oudste niet-gelegenheidsgedicht dat ons van Van Alphen bekend is en het bepaalt reeds de toon van de bundels die hij in 1771 en volgende jaren samen met Van de Kasteele zal uitgeven. Men mag aannemen dat de ‘dartle’ jeugdpoëzie door de maker zelf vernietigd is.

Omstreeks juni 1768 keerde Hieronymus van Alphen uit Leiden naar Utrecht terug om het resterende deel van het jaar grotendeels te besteden aan de voltooiing van zijn proefschrift. 1 November '68 was het zover: die dag promoveerde hij bij Tydeman op een dissertatio juridica inauguralis, getiteld: Spicilegia de JAVOLENO PRISCO, jureconsulto; et specimen observationum ad quaedam ejusdem fragmenta in Pandectis obvia. Het denkbeeld om een romeins rechtsgeleerde uit de 1e eeuw na Chr.94 te behandelen was hem misschien aan de hand gedaan door Meinard Tydeman, die zelf in 1762 bij Wesseling gepromoveerd was op een proefschrift De Ulp. Marcelli Icti vita et scriptis.

Van Alphen's dissertatie bestaat uit twee gedeelten. In het eerste deel verschaft de auteur biografische bijzonderheden over Javolenus' naam, afkomst en leeftijd (hfdst. I), verdedigt diens reputatie (hfdst. II), analyseert zijn stijl (hfdst. III) om te besluiten met ‘miscellanea quaedam de scriptis Javoleni’ (hfdst. IV). In de drie hoofdstukken die het tweede gedeelte telt, onderwerpt hij de door Javolenus nagelaten fragmenten aan een inhoudelijke beschouwing.

Uit deze summiere inhoudsopgave blijkt al meteen dat de dissertatie,

[p. 44]

vergeleken met de verhandeling over de scheiding van tafel en bed, een meer historisch karakter draagt. In degelijkheid doet zij overigens niet voor het vroegere werk onder. De filologische scholing van de auteur treedt vooral aan de dag in het hoofdstuk over de stijl van Javolenus' geschriften. Net als in de brieven aan Arntzenius uit 1765-66 wijst Van Alphen hier allerlei overeenkomstige stijlfiguren uit de klassieke latijnse schrijvers aan en bewijst ons zo nog eens ten overvloede hoe vertrouwd hij met deze literatuur was.

Onder de stellingen treft ons nr. 5: ‘Rempublicam Christianorum revera talium stabilem esse posse, contra Rousseau du Contrat Social l. iv. c. viii, p. 204 defendimus.’

Anders dan in de disputatio van 1767 ontbreken thans alle lofdichten. Wel was het boek voorzien van een opdracht aan Mr. Thomas Adriaan Boddens, ‘vitrico honoratissimo, cura et consiliis patri, omni amore, pietate et obsequio, colendo, venerando’ en aan zijn twee ooms van moederszijde, Jan Daniël en Willem Bernard van Alphen. De verdediging van het proefschrift geschiedde volgens de stereotiepe aantekening in het promotieregister ‘publice et mascule’,95 d.w.z. ‘in het openbaar en op kranige wijze’. Wat er niet bij staat maar meer gewicht in de schaal legt is het feit dat de promovendus zijn boek zelf geschreven had!

Enkele weken later, op 8 december 1768, werd de toen 22 jaar oud zijnde Mr. Hieronymus van Alphen als advokaat beëdigd voor het college van Raden aan den Hove Provinciaal van Utrecht.96 Daarmee begon een nieuwe fase in zijn burgerlijk bestaan.

1Inschrijvingsregister, RA Utrecht, inv. nr. 46, waar overigens alleen het jaar 1766 wordt genoemd. Blijkens br. 7 vond het kandidaatsexamen in april 1766 plaats. Zie voor het navolgende over de Utrechtse universiteit J.A. Cramer, De theologische faculteit te Utrecht in de 18de en het begin der 19de eeuw, Utrecht z.j. (1936); G.W. Kernkamp, De Utrechtsche academie 1636-1815, Utrecht 1936, 2 dln.; Ferd. Sassen, Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland tot het einde der negentiende eeuw, Amsterdam-Brussel 1959; G. ten Doesschate, De Utrechtse universiteit en de geneeskunde 1636-1900, Nieuwkoop 1963. Voor de namen der studenten het gedrukte Album stud. Utr. en (Marten Schagen), Gedagtenis van Utrechts akademie Vreugde, Utrecht 1766, waar van elke student wordt opgegeven sedert hoelang hij in Utrecht studeert.
2Zie Frederick A. Pottle, Boswell in Holland 1763-1764, Melbourne-London 1952. Boswell arriveerde september 1763 in Utrecht. Aanvankelijk vond hij het een vreselijke stad: ‘At every hour the bells of the great tower (de Domtoren. P.B.) played a dreary psalm tune. A deep melancholy seized upon me. I groaned with the idea of living all winter in so shocking a place’ (a.w., p. 6). Maar al gauw ontdekte hij dat men er goed kon studeren. Over Van Goens noteerde hij 23 mei 1764: ‘pretty boy, lively though very learned. See him often’ (a.w., p. 247).
3Zie A.J.M. Kunst, Opmerkingen over het juridisch onderwijs tussen de tweede en de twintigste eeuw, Zwolle 1969, p. 22-23.
4Het diktaat bewaarde hij zijn leven lang (BA., p. 18).
5Over hem: Geslachtlijst van de familie Tydeman,2 Tiel 1901; NNBW II (1912), 1464-66; H.J. Verkuyl, Meinard Tydeman & Willem Bilderdijk, een vriendschap in brieven (doctorale scriptie G.U. Amsterdam 1967); verspreide gegevens in Tydeman-archief te Amersfoort en in de collectie van Mevr. J.M. Tydeman, eveneens te Amersfoort.
6De bibliotheek van de Maatschappij der Nederl. Letterk. te Leiden bezit onder sign. 891-36 een autobiografie in handschrift van M. Tydeman, naderhand uitgebreid door zijn zoon H.W. Tydeman. Laatstgenoemde vertelt op p. 36 dat zijn vader in 1794 uit vrees voor de Fransen ‘alle zijne particuliere correspondentiën’ verbrandde. Een kopie van deze autobiografie berust in het Tydeman-archief. De levensschets is gedateerd: ‘Na-rust, bij Loosduinen, d. 22 sept. 1815 (ten huize van Mevr. Wed. Mr. P.L.v.d. Kasteele)’. Een ander hs. aldaar draagt als titel: Fragmenten van herinneringen en opmerkingen (door Meinard Tydeman, 62 pp.).
7Zie W.J.A.J. Duynstee, Geschiedenis van het natuurrecht en de wijsbegeerte van het recht in Nederland, Amsterdam 1940, p. 28; J. Lindeboom, Frederik Adolf van der Marck, een achttiende-eeuwsch leeraar van het natuurrecht, 's-Gravenhage 1947.
8Autobiografie, p. 9 (Tydeman-archief Amersfoort).
9(Marten Schagen), Gedagtenis van Utrechts akademie Vreugde ..., Utrecht 1766, p. 171.
10In een brief van 2 aug. 1786 vroeg hij om inlichtingen i.v.m. zijn Verhandeling over de voortreffelijkheid der burgerlijke wetgeving van Mozes, boven die van Lycurgus en Solon.
11Bijdr. en Meded. Hist. Genootsch., dl. 33, p. 420. Zie over hem voorts J. Nat, De studie van de Oostersche talen in Nederland in de 18e en de 19e eeuw, Purmerend 1929, p. 114-118.
12Zie A. van den End, Gisbertus Bonnet. Bijdrage tot de kennis van de gereformeerde theologie in de achttiende eeuw, Wageningen 1957.
13Van den End, p. 25.
14Zie J. Wille, p. 285; deze bericht breedvoerig over de tolerantiestrijd, a.w., p. 284 vv.; cf. ook Van den End, p. 20-22; 44-65.
15‘De Wolfiaansche Philosophie, die destijds in ons Vaderland veel ingang vond, en zich met de rechtzinnige kerkleer tamelijk wel liet vereenigen, kwam hem de meest aannemelijke voor, en hij heeft hare hoofdbeginselen ook later, toen het Kantianisme opkwam en veel toejuiching vond, blijven aankleven;’ (Koenen, p. 19).
16Cf. br. 38.
17Br. 8.
18Francis Hutcheson, A System of Moral Philosophy (1755), zijn postume publicatie waarin hij de ethiek van Shaftesbury systematiseert.
19Gillis Alewijn, tweede kind van de directeur der O.I. Compagnie Mr. Jacques Alewijn en Marguerite-Hélène Graafland; geboren te Amsterdam 2 maart 1744; studeerde sinds 1762 rechten te Utrecht; broer van de bekendere Zacharias-Henri Alewijn (1742-1788); hij huwde 24 febr. 1771 Maria Cornelia van Loon (1752-1785); werd vroedschap te Amsterdam; stierf aldaar 26 december 1789. Zie Généalogie Alewijn in Annuaire généalogique des Pays-Bas, jrg. 1874, p. 7-45.
20Mr. Jan Bernd Bicker, geb. 27 aug. 1746 te Amsterdam; studeerde vanaf 1760 rechten te Utrecht, waar hij in 1766 in de rechten en in de filosofie promoveert; nadien advocaat te Amsterdam waar hij ook schepen en raad werd; in de Bataafse tijd nog lid municipaliteit en Nationale Vergadering; stierf 's-Gravenhage 16 december 1812. Zie I.H. van Eeghen, Inventaris van het familiearchief Bicker, Amsterdam 1956, p. 116.
21Rudolph Hendrik Nahuijs, geb. 9 mrt. 1744 te Utrecht als zoon van de kameraar van het Statencollege Gerardus N. en Margaretha Pott; 8 febr. 1768 ingeschr. als student juris aan de Stichtse hogeschool; promoveerde kort daarna in 1768 op diss. de jure circa emphyteusin; werd nadien rentmeester van het weeshuis in zijn geboortestad; in sept. 1783 vroedschapsraad, later schepen en thesaurier, maar in 1795 uit al zijn ambten ontzet; hij stierf te Utrecht op 1 juni 1831; zijn huwelijk met Cornelia Avenhorn (6 april 1778 te Utrecht gesloten) bleef kinderloos. Zie over hem D.G. van Epen, Het predikantengeslacht Nahuijs, 's-Gravenhage-Brussel 1904, p. 51. Zijn album amicorum berust in de KB onder sign. 74 H 44. Het bevat inscripties van o.a. Gillis Alewijn, Z.H. Alewijn, J.F. Abresch, A.W. Asch van Wijck, P.N. Arntzenius, J.H. Mollerus en H. van Alphen. Laatstgenoemde schreef 2 febr. 1768:
Est aliquid dividisse mori -
Francius Poemat.
Hisce memoriam sui amico dulcissimo R.H. Nahuijs commendat.
22Geboren te Delft 20 december 1745 als zoon van Dr. Otto Arntzenius en Adriana Petronella Monck. Zijn vader stierf 9 nov. 1763, de moeder in 1773. Sedert 1764 studeerde hij rechten te Utrecht. Zie over het geslacht Ned. Patr. 52 (1966), p. 9-29.
23Afgedrukt bij Nepveu, p. 537.
24Oudste brieven van 9 juli en 23 augustus 1765.
25Laurens van Santen, geb. 1 febr. 1746 te Amsterdam als zoon van een welgesteld koopman; bezoekt tot 1762 de lat. school, daarna het Athenaeum; 4 april 1767 ingeschreven als student juris te Leiden waar hij in 1772 onder Bavius Voorda promoveert. Sindsdien bleef hij in Leiden als repetitor werkzaam, terwijl hij zelf bij Valckenaar en Ruhnkenius grieks en latijn studeerde. Miste enkele malen de kans op een professoraat. Hij huwde kort voor zijn dood Catharina Bosch en stierf 9 april 1798. Zie over hem Van der Aa XVII, p. 101-104; Siegenbeek, Gesch. v.d. Leidsche Hogesch. I, p. 458-461; D. Schouten, Die Ida von Laurens van Santen, in: Humanistica Lovaniensia XX (1971), p. 267-297. Voorjaar 1766 ondernam hij een lange reis door Duitsland en Italië, waarbij hij o.a. kennis maakte met Ramler, Spalding, Sulzer, Formey, Moses Mendelssohn, Michaëlis, Lessing, Klopstock, Gleim, Jerusalem en Zachariä. Zie hierover J.H. Hoeufft, Laur. Santenii Carmina, Lugd. Batavorum 1801, p. xvii, xliv. J. van Vloten publiceerde in De Levensbode IV (1871), p. 439-457, vier brieven van Van Alphen aan Van Santen uit UB Leiden. Ald. p. 457-465 deelde hij ook iets mee Uit Van Santens Album dat thans berust in de K.B. (sign. 133 H 28). UB Leiden bezit onder sign. BPL 2752 een aantal handschriften met betrekking tot Van Santen's reis door Duitsland.
26Petri Lotichii Secundi Solitariensis Poëmata omnia ... Recensuit, notis & praefatione instruxit P. Burmannus, Amstelaedami 1754, 2 dln. Deze uitgave bevat een beknopte ars poëtica van de tekstbezorger.
27Mogelijk het door P. Burmannus Secundus opgerichte gezelschap Patriae et Musis; na jaren stilzwijgen in 1823 opnieuw ten leven gewekt; zie J. van Lennep, Het leven van Mr. C. van Lennep I, p. 29-30; Wille, p. 96. Geen gegevens in I.H. van Eegher, Inventarissen van archieven betreffende de Latijnsche school, het Athenaeum en gezelschappen van studenten aan het Athenaeum te Amsterdam (Amsterdam 1946) noch in W.R. Veder, Ontwerp van een lijst van Amsterdamsche genootschappen in de 18e eeuw, met verwijzing naar bronnen voor hun geschiedenis (Jaarboek Amstelodamum II, 1903). Wille, p. 194, vermeldt een in 1771 reeds enige jaren bestaand Amsterdams genootschap Diligentiae Omniae, waarvan o.a. lid waren J. Helvetius, L. van Santen, C. en J. Ploos van Amstel.
28Br. 7.
29Zie over hem NNBW IV, 358-362 met de daar gegeven literatuur; voorts Gerretzen, Schola Hemsterhusiana, p. 356-361.
30Frederick A. Pottle, Boswell in Holland 1763-1764, p. 331.
31Familie-archief Bicker, GA Amsterdam, inv. nr. 189.
32Gerretzen, Schola Hemsterhusiana, p. 359, meent: ‘voor dergelijke litteratuur (als Burman's Brederodius. P.B.) begon men zijn schouders op te halen’. Maar Wille, p. 96 vv., spreekt terecht over ‘een tijd van nieuwen opbloei der Latijnsche poëzie in ons land’ en wijst ook op de Alkmaarse school van E.W. Higt en op de school van J. Schrader uit Franeker.
33J. Hartog, Santhorst, in zijn Uit de dagen der Patriotten, Amsterdam z.j., p. 1-49; citaat p. 2.
34De bibliotheek van de Maatsch. der Nederl. Letterk. bezit nog enkele uittreksels uit Ten Kate en verhandelingen in ms. door M. Tydeman van circa 1761. Lid waren o.a. Michiel-Anthony van Asch van Wijck (zie n. 64) en, naar Wille, p. 87, impliciet onderstelt, Mr. Cornelis Anthonie van Wachendorff.
35Br. 2.
36Br. 4 van 29 sept. 1765.
37Volgens Wille, p. 93, deed de vriendengroep Van Alphen-Van de Kasteele-Both Hendriksen-Arntzenius in 1766 haar intrede in Dulces. De bewaarde ledenlijsten geven op dit punt geen uitsluitsel. Dulces ontleende zijn zinspreuk aan Vergilius' Georgica II, 475, misschien via J. Dousa die dezelfde woorden als symbolum koos (Gerretzen, Schola Hemsterhusiana, p. 338). Het archief van Dulces is grotendeels verloren gegaan. Alleen in de Bibliotheek van de Maatsch. der Nederl. Letterk. berust nog een ms.: (UB Leiden Ltk. 377) ‘Bestiering en Wetten van het Genootschap ten opbouw van Neerlands Taal- en Dichtkunde, onder Zinspreuk: Dulces ante omnia Musae’, gedateerd 2 okt. 1759. De belangrijkste artikelen van dit reglement werden afgedrukt door Aleida Nijland II, aant. 44.
38Artikel 14.
39Zie de notulen van de eerste vergadering in F.K.H. Kossmann, Opkomst en voortgang, p. 9. Op 30 aug. 1766 reageerde H.v.A. per brief positief op zijn benoeming (br. 5). De Leidse magistraat Mr. Daniel van Alphen was van 14 juli 1767 tot 1774 voorzitter van de Maatschappij. Hieronymus bezocht zelden een vergadering. Blijkens het notulenboek (UB Leiden 1496 C 2-3) was hij aanwezig op 12 juli 1768 en 10 juli 1770.

40Zijn Levensschets (door J. Heringa) in Algemeene Konst- en Letter-Bode 1817, II, p. 274-282. Genealogische gegevens in De Nederl. Leeuw 68 (1951), 24-25; E.P. Polak-de Booy, Inventaris archieven Van Boetzelaer, Utrecht 1965 (gestencild), welk archief in RA Utrecht ik ook zelf geraadpleegd heb, speciaal inv. nr. 282-83, 285.
41Zie over hem NNBW VIII (1930), 948-51 en voor zijn familie Ned. Patr. 29 (1943), p. 241-62. Zijn kleinzoon Mr. J.C. van de Kasteele gaf een Levensschets ter inleiding op zijn uitgave van de Dichtwerken van Mr. P.L. van de Kasteele, 2 dln., 's-Gravenhage 1844-45. De literatuur over hem is weinig omvangrijk en handelt vrijwel uitsluitend over zijn latere politieke bedrijvigheid. Men vindt deze geschriften alle vernoemd in de bibliografische doctoraal-scriptie van J.G.P. Reijs, Pieter Leonard van de Kasteele, Nijmegen 1969. Ik ontleen mijn gegevens over hem overigens hoofdzakelijk aan archiefbronnen, met name aan het archief Hubrecht-Van Alphen en aan het archief Van Boetzelaer.
42Cf. br. H.v.A. aan L.v. Santen van 1 sept. 1766: ‘Arendze heeft mij noch niet eens geschreven en ik denk het hem niet eerst te doen; hij heeft mij genoeg gedupeert.’
43Carolus Boers, geb. 6 juni 1746 te Voorschoten en overl. te Leiden op 20 mei 1814; studeerde te Utrecht met een onderbreking in 1766-1767 te Groningen; promoveerde bij Bonnet op 8 dec. 1768; van 1769-1801 gehuwd met Lucia Ameshoff; predikant te Rozendaal (1769), Waddingsveen (als opvolger van W.A. van Vloten in 1770), Muiden (1775), Amersfoort (1776) en Haarlem (1777). In juni 1779 nam hij een benoeming aan als prof. in de theologie te Leiden, maar hij werd in 1795 om zijn oranjegezindheid afgezet. Zie over hem V.d.Aa, II, p. 737-739; NNBW I (1911), 381-382.
44Johannes Kneppelhout, geb. Rotterdam 14 april 1745 als zoon van Cornelis Kneppelhout en Alida Klinckhamer; bezocht Erasmiaans gymnasium ald.; daarna theologiestudie te Utrecht, waar hij 1 juni 1768 promoveerde op diss. De re cibaria veterum Hebraeorum; in 1770 proponent en predikant te Doorn, vervolgens te Barendrecht (1772), Naarden (1775), Gorinchem (1782). Na zijn emeritaat in 1794 gevestigd te Leiden. Huwde 5 nov. 1777 te Rotterdam met Johanna van Ryckevorsel (1750-1780). Ook later aktief op theologisch gebied: een der oprichters van het Haagsche Genootschap ter verdediging van den Christelijken Godsdienst. Voorts lid van het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en van het Rotterdamse dichtgenootschap Studium Scientiarum Genetrix. Zie over hem NNBW III, 703; Ned. Patr. 3 (1913), p. 203-206.
45Willem Anthony van Vloten, geb. 21 juni 1740 te Utrecht als zoon van Wernard van Vloten en Cornelia van Biest (opg. GA Utrecht, br. van 27-3-1969); in 1766 proponent geworden, aanvaardde hij 6 dec. 1767 het predikambt te Waddingsveen maar in 1770 staakte hij om gezondheidsredenen zijn Werk; nadien ambteloos. In 1798 begon hij te Amsterdam een effectenhandel, samen met zijn vroegere studievriend W.A. Ockerse. Hij stierf ald. 11 maart 1809. Tijdens de politieke woelingen koos hij de zijde van de Patriotten, getuige o.a. zijn Redenvoering aan de gewapende burgerij in Nederland, Utrecht 1784. Zie over hem Glasius III, p. 524-526; NNBW X, 1126-27; D.G. van Epen, Het geslacht Van Vloten in De Wapenheraut 11 (1907).
46Zie br. H.v.A. aan L.v. Santen 10 juli 1767; hij spreekt daar van het huwelijk van een nichtje zonder nadere aanduiding van naam of datum, maar blijkens D.T.B. van Gorinchem 14, p. 93-95 komt alleen het genoemde bruidspaar in aanmerking.
47Alb. Stud. Leiden., kol. 1901: ‘rectore Davide Ruhnkenio’ inschrijving van ‘Hieronymus van Alphen Gouda-Batavus. 20, J.’
48Over Leemans is in de Leidse gildenarchieven niets gevonden; zijn huis was een huurhuis (GA Leiden, br. van 18-5-1960).
49Br. 10, omstreeks 10 juli 1767 verzonden. Vermoedelijk hebben deze brief en de opwekkingsbrief van Both H. elkaar gekruist.
50Van Alphen zond deze brief 1 sept. 1767 door aan P.N. Arntzenius. Mevr. F. Schregel-Onstein zegt (De Ganzepen, p. 39) dat hij nog bestaat en citeert zelfs het slot: ‘Ik weet niet of gij alle lichtzin, door Uw ouders evenals de mijne zo bitter gelaakt, kunt en wilt vaarwel zeggen. Maar ik hoop het vurig en bid ervoor.’ Helaas kon Mevr. Schregel zich, bij navraag mijnerzijds, niet herinneren waar zij deze regels gelezen had. Noch in het archief Arntzenius, noch onder de papieren van J. Both Hendriksen in het archief Van Boetzelaer vond ik de bewuste brief. Mijn datering en citaat zijn ontleend aan de genoemde brief aan Arntzenius.
Mevr. Schregel citeert op p. 41 ook het antwoord van Van Alphen aan Both H.: ‘Uw vrienden zullen U niet van Uw besluit afbrengen, maar U helpen. En zij danken U, dat gij ook hen tot God hebt teruggebracht’. Haar bron hier is m.i. Koenen, p. 11-12, waar uit een evenmin precies aangeduid autobiografisch geschrift van Both H. het volgende wordt aangehaald: ‘Gij waart bij velen geliefkoosd met welke gij de zonde pleegdet na te jagen. Bijzonder waren uwe banden vastgehecht aan twee uwer boezemvrienden, met welke gij zoo naauw verbonden waart, dat gij niet zonder schrik aan eene scheiding kondt denken. Waren zij uwe broeders geweest, gij kondt ze niet meer bemind hebben; en helaas! het kwam u voor, dat gij die lieve vriendschap moest afbreken, wildet gij God dienen. Maar, o wonder van goddelijke liefde! gij verliet nog naauwelijks het ziekbedde; uwe oogen hadden naauwelijks zoo veel krachts, dat zij brieven konden lezen, of God verheugde u met die blijmare: uwe vrienden zullen u niet tot een strik, maar tot opwekking verstrekken.’
51Een groot deel van deze correspondentie berust in het archief Van Boetzelaar, RA Utrecht, inv. nr. 283. Hierover: Everard E. Gewin, Van drie vrienden, in Stemmen des Tijds 18 (1929), p. 479-493.
52Ongedateerde (kort na 10 juli 1767 geschreven) br. 11.
53‘Sijn d 1 Nov: 1765, ten bijsijn van den Ouderling Nieuwpoort, voor J:H: Bachiene, tot Ledematen aangenomen: Rijklof Michaël van Goens: op de Kamp, Hieronimus van Alphen: op de Runnebaan’ (Lidmatenboek Bureau Ned. Herv. Gemeente, Domplein, Utrecht, inv. nr. 48, fol. 499).
54Br. 51.
55Br. 41.
56Br. 73.
57Br. 19. De woorden ‘angelische blijdschap’ zijn van H.v.A. zelf.
58Dagboek van E.C.W., in Mengelingen, p. 165-166.
59Ane Drijfhout, geb. 28 nov. 1742, ged. 2 dec., als zoon van Dirk Beernts Drijfhout en Imke Nannes (N.H. doopboek Heerenveen, RA Friesland). Zie voor Tydeman's oordeel diens autobiografie. Drijfhout was achtereenvolgens predikant te Weidum (juli 1769), IJsselmonde (1771), Vlissingen (1779) en Middelburg (1781 tot zijn emeritaat, mei 1822). Over hem NNBW IV, 533-534; De Bie-Loosjes II, p. 630-632.
60Cf. br. 35: ‘Ik heb dezen ochtend een dispuut van Drijfhoud gekregen; bedankt hem uit mijn naam. - Het is een duistere stof voor mij waar in ik beste doe van niet te willen indringen maar mij aan Christus ter beveijliging overtegeven’.
61Zie Alex. Gunn, Memoirs of the Rev. John H. Livingston, New York 1829; Henry Beets, John H. Livingston, ‘De vader der Hollandsche Gereformeerde Kerk in Noord-Amerika’, in Nederl. Archief voor Kerkgeschiedenis VII (1910), p. 229-245.
62Afgedrukt in Kasteele, Dichtwerken 1, 's-Gravenhage 1844, p. 304.
63Zie br. 29; Both H. had in br. 22 Livingston reeds als geestelijk leidsman aanbevolen.
64Michiel Anthony van Asch van Wijck, geb. Utrecht 20 maart 1742 en ald. overl. 27 nov. 1804; huwt 14 okt. 1772 te Gorinchem Cornelia Snoeck. Hij was lid van Musae Noster Amor, van Dulces en van de Maatschappij der Nederl. Letterk. Van zijn dichtproeven is niets gedrukt, behalve enkele gelegenheidsverzen. Zie Nederl. Adelsboek 46 (1953), p. 450-476; verdere gegevens uit familiearchief Van Asch van Wijck, kasteel Prattenburg (Rhenen).
65Terwijl in de correspondentie van Michiel Anthony vóór 1767 nergens over geestelijke zaken gesproken wordt, lijkt de brief van Tydeman, dd. 1 sept. 1767, een eerste reaktie op de bekering van zijn vriend: hij feliciteert hem met ‘dezen eersten trap ter bevordering van uw wezendlijk heil’ (archief Van Asch van Wijck). Het tijdstip van deze bekering doet al onmiddellijk verband met Both H. vermoeden.

66Br. 21.
67J. van Vloten deelt in De Levensbode IV (1871) een brief mee van de Emmerikse mennistenleraar Herm. Jaarsma aan Van Santen, dd. 5 okt. 1768, n.a.v. Van Santen's verzoek om gegevens voor een door hem te houden voordracht over tolerantie.
68Zie Tussen twee werelden, p. 14-15. Pas vele jaren later heeft H.v.A. Santenius in Leiden weer ontmoet en hem 20 april 1790 met een inscriptie in zijn album amicorum vereerd (K.B., 133 H 28).
69Br. 24.
70Nepveu, p. 542.
71Diploma in archief Arntzenius, Den Haag. Deze loge was niet aangesloten bij het Groot Oosten der Nederlanden; wèl visiteerde P.N. Arntzenius bij aangesloten Amsterdamse loges als Bien Aimée (meded. van de heer W.N. Arntzenius te Den Haag, in br. dd. 23 april 1967).
72Br. 24.
73Br. 34.
74Br. 24.
75Hij werd geboren te Amsterdam op 23 maart 1740 als zoon van Jeronimo (II) en Cath. v.d. Heyden. Zie D.J. van Lennep, Lofrede op Jeronimo de Bosch. Uit het latijn vertaald door C.W. Westerbaen, in Mnemosyne viii, Dordrecht 1820; G. Steffens, Pieter Nieuwland en het evenwicht, Zwolle 1964, p. 6 vv.; ald. een overzicht van de ingewikkelde familierelaties.
76Br. 39; datering: 20 mei, vermoedelijk 1768, misschien nog van 1767. Het latijn wijst op een relatief vroege datering. Van Alphen is kennelijk nog ongehuwd maar men krijgt de indruk dat hij reeds bekeerd is, omdat zijn vroomheid zo geroemd wordt.
77De Bosch anticipeert op die mogelijkheid, waar hij schrijft: ‘Plura adderem, nisi te tua sponte incitari, quam mei ipsius praedicatione et benevolentiae testificatione malle intelligerem.’ (‘Ik zou nog meer woorden hieraan toevoegen als ik niet begreep, dat gij liever uit eigen beweging in actie komt, dan dat die geschiedt door toedoen van een loffelijke vermelding mijnerzijds en de getuigenis van welwillendheid’, vert. dr. L.Ph. Rank).
78In het voorwoord tot zijn dissertatie deelt hij dit zelf mee.
79Br. 34.
80Br. 38.
81Zie Van der Aa XV, p. 218-221; NNBW III, 968-969.
82Cf. p. 18; de titel van zijn oratie luidde: De bona spe, quae etiam nunc Ecclesiae Batavae supersit. Zie over hem De Bie-Loosjes IV, p. 697-700.
83Valckenaer was via zijn vrouw Johanna van der Streng geparenteerd aan Burman en diens echtgenote Maria Elisabeth van der Streng.
84Zie Wille, p. 315 vv.
85Misschien stond hij model voor professor Maatig uit Willem Leevend.
86In 1765 nochtans hield Van Alphen Voorda zo hoog, dat hij extra naar Leiden toog om op 24 juni te kunnen luisteren naar diens inaugurale rede ‘qua docetur: plus esse praesidii civitatibus in bonis Ictis quam in ipsis Legibus’ (zie br. 1).
87Nepveu, p. xxxii.
88Resp. in br. 21, 32 en 37.
89Resp. in br. 29, 32, 33, 34 en 25.
90In br. 37 van 1 mei 1768 informeert hij naar de a.s. zitdag van Dulces waarop hij weer iets moet inleveren.
91Treurige herinnering en blijmoedige vertroosting, in SM, p. 43.
92In br. 34 citeert hij een gedicht van Voet.
93Br. 25; het betreffende versfragment in Nepveu, p. 541.
94Javolenus Priscus had zitting in het Consilium van Trajanus en Hadrianus. Zijn 14 libri epistularum gelden als hoogtepunt van de romeinse casuïstiek. Zie Fritz Schulz, Geschichte der römischen Rechtswissenschaft, Weimar 1961, p. 122 vv.
95Promotieregister, RA Utrecht, inv. nr. 67.
96Register van admissies en eedsafleggingen, RA Utrecht, rechterlijk archief, inv. nr. 274.
prepostterug  begin  verder