terug  begin  verderprepost
[p. 45]

Hoofdstuk III
Advokaat voor den Hove Provinciaal van Utrecht (1768-1780)

III. 1. Gezelschappen

Voor Van Alphen was nu de tijd aangebroken om zich als advokaat een maatschappelijke positie te verwerven. Hij hield daartoe kantoor ‘ten huize van de hr. Mom op de Oude Graft bij de Bakkersbrug’,1 d.i. op de Beschuitmarkt. De concurrentie onder de voor het Utrechtse Hof praktiserende advokaten was niet gering: hun aantal beliep omtrent zeventig.2

Het Hof Provinciaal telde in Van Alphen's dagen elf rechtsprekende leden of Raden, namelijk acht gewone (onder wie de procureurgeneraal) en drie buitengewone Raden. Deze laatsten werden benoemd uit de drie leden der Staten: geëligeerden (het lid der geestelijkheid), ridderschap en steden. Formeel stond de stadhouder aan het hoofd, maar sinds 1706 werd het voorzitterschap bij toerbeurt door een van de gewone Raden waargenomen. Men vergaderde dagelijks in een gedeelte van de voormalige Paulus-abdij, ten zuiden van de Domkerk.

De werkzaamheden van het Hof beperkten zich sedert 1583 uitsluitend tot de rechtspraak: ‘Naast de algemene bevoegdheid tot rechtspraak in beroep in burgerlijke zaken was aan het Hof de rechtspraak in strafzaken (voor misdrijven nl.) over vrijwel het gehele platteland toegekend, met uitzondering slechts van de niet talrijke hoge heerlijkheden’.3

Gewoonlijk begon een jong advokaat met eerst enige tijd als auditeur de zittingen van het Hof bij te wonen, ten einde aldus praktische ervaring op te doen. Had hij nog weinig emplooi, dan vertrouwde men

[p. 46]

hem graag de pro deo-cliënten toe. Heel de procesvoering verliep volgens een uiterst vormelijk systeem van vaste regels, waar men zich terdege aan houden moest. De beginneling kon hiervoor te rade gaan bij opzettelijk voor dit doel geschreven handleidingen als van Willem van der Muelen: Ordonnantie ende Instructie op de Stijl ende Maniere van Procederen voor den Hove van Utrecht (Utrecht 1706).4

 

Een kundig jurist als Van Alphen, die daarenboven nog uitmuntte in plichtsbetrachting, moest - zo zou men verwachten - een glanzende carrière voor de rechtbank tegemoet gaan. Toch tonen alle lofredenaars zich tamelijk zwijgzaam over zijn kwaliteiten als strafpleiter. Hij heet alleen een ‘ijverig en werkzaam advokaat’.5 Het verschil met de snelle roem van de jonge briljante advokaat Willem Bilderdijk is opmerkelijk. Waar deze al meteen landelijke bekendheid kreeg door zijn rol in enkele politieke processen,6 leidde Van Alphen in Utrecht twaalf jaar lang, tot 1780, een maatschappelijk gesproken onopvallend bestaan. Kennelijk lag hem de wetenschappelijke kant van de jurisprudentie beter dan het werk voor de balie.

Intussen hoopte hij op een openbaar ambt in het bestuur van stad of gewest. Ook het hoogleraarschap kon hem met zijn sterke behoefte om anderen te onderrichten niet onverschillig zijn. Aanvankelijk heeft Van Alphen nog getracht zich door het uitgeven van rechtshistorische geschriften te kwalificeren. Eenmaal, in 1773, deed zich een reële kans voor op een benoeming in Groningen. Wellicht betrof het toen de opvolging van de bekende hoogleraar in het natuurrecht Frederik Adolf van der Marck,7 die begin dat jaar wegens onrechtzinnigheid ontslagen

[p. 47]

was. Maar Van Alphen werd tot zijn grote teleurstelling niet benoemd. En andere mogelijkheden bleven voorlopig achterwege. Zijn vrije beroep zal hem stellig een redelijke broodwinning hebben verschaft. Anders ware het eenvoudig niet denkbaar, dat hij in 1772 een huwelijk zou hebben aangedurfd. Maar een drukke praktijk had hij zeker niet. Nog in december 1774 klaagt hij bij herhaling over gebrek aan emplooi: ‘Mijn beroep, mijn bezigheid in de waereld, zijn gering geweest; ik had gewenscht daar in meer gezegend te worden; mijn hart hunkert dikwijls naar een ampt, en met de vermeerdering van mijn huisgezin naar vermeerdering van mijne inkomsten’.8 Op de duur ging de advokatuur hem zelfs tegenstaan. ‘Je suis jurisconsulte de profession, - schreef hij 17 april 1776 aan Lavater - mais j'aime beaucoup plus les belles lettres, la philosophie, et generalement toutes les sciences (...) que les epines de la jurisprudence.’9

Een voordeel bij dit alles was dat hij volop tijd overhield voor studie, literatuurbeoefening en verkeer met vrienden. Van Alphen bezat een enorme kennisdrang. De katalogus van zijn bibliotheek toont, dat hij op vrijwel elk terrein de beste boeken in de mooiste edities aanschafte. Hoezeer hij sinds zijn bekering ook de omgang met onrechtzinnigen schuwde, in zijn lektuur althans was hij geen puritein. Men vond in zijn boekerij evengoed alle apologeten van de gereformeerde religie als de radikaalste vrijdenkers: Diderot, Helvétius, Bolingbroke, Tindal (Christianity as old as the Creation), Joseph Priestly en Hermann Samuel Reimarus. Van Alphen kende buiten zijn moedertaal nog minstens zes talen: latijn, grieks, frans, duits, engels en italiaans.10 Naar eigen zeggen

[p. 48]

gold zijn belangstelling ‘voornamelijk de godgeleerdheid, zo wel de natuurlijke als de geopenbaarde, de zedekunde, de boven-natuurkunde, de regtsgeleerdheid, de geschiedenis, de oudheidkunde, bijzonder die van mijn Vaderland - en onder de schoone kunsten, voornamelijk de poëzij en welsprekendheid.’11 Die ‘bovennatuurkunde’ of filosofie omvatte ook biologie, wiskunde, sterrenkunde en wat wij nu psychologie zouden noemen. Als echt kind van zijn tijd hanteerde Van Alphen mikroskoop en verrekijker om de wonderen van gods natuur in ogenschouw te nemen.12 Newton, Boyle, Nieuwentyt, Martinet, Sepp bezaten een ereplaats in zijn bibliotheek, hoewel van een zelfstandige beoefening van de experimentele natuurwetenschap om haar zelfs wil bij Van Alphen helemaal niets blijkt. Steeds bleef bij hem studie van de stoffelijke natuur uitgangspunt voor zielkundige waarneming of godsdienstige bespiegeling. Het liefst las hij dan ook fysiko-theologen die deze relatie natuur-bovennatuur in het licht stelden. Bijzonder dierbaar waren hem om die reden bijv. de werken van H. Sander:13 Van de goedheid en wysheid Gods in de Natuur (Utrecht 1780) en Van het goddelyke en voortreflyke in de Natuur (ald. 1781).

Typerend voor Van Alphen's wijze van studeren is verder zijn streven om alle verworven kennis tot een ‘geregeld samenstel’ te verenigen.14 Lacunes trachtte hij systematisch op te vullen. Hij las altijd met de pen in de hand, zodat hij een schat van aantekeningen verzamelde. Om nauwkeurig op de hoogte te blijven van pas verschenen boeken op allerlei gebied tekende hij in op gezaghebbende tijdschriften als The Monthly Review, de Allgemeine Deutsche Bibliothek van de Berlijnse boekhandelaar C.F. Nicolaï, de Neue Bibliothek der schönen Wissenschaften und der freien Künste van C.F. Weisse, de Teutsche Bibliothek der schönen Wissenschaften van C.A. Klotz en F.J. Riedel - om slechts de belangrijkste buitenlandse periodieken te noemen. Zoals men ziet nemen de duits-

[p. 49]

talige tijdschriften een voorname plaats in en dit waren bepaald geen devote boekjes maar integendeel de spreekbuizen bij uitstek van de Aufklärung. Rijklof Michaël van Goens uitgezonderd was er wel niemand onder Van Alphen's Utrechtse kennissen die zo'n wel voorziene bibliotheek bezat, even veelzijdig als up to date.

Naar waarheid kon hij in het voorbericht tot Gedigten en Overdenkingen van 1777 verklaren: ‘Mijne bezigheid en vermaak zijn de letteroefeningen’. Het grootste deel van zijn tijd sleet hij in zijn studeervertrek temidden van zijn ‘onbekende vrienden’, zoals hij zijn geliefde auteurs in een geschreven zelfportret noemt.15 Een krachtige constitutie,16 gevoegd bij een regelmatige levenswijze, stelde Van Alphen in staat binnen weinige jaren een enorme belezenheid te verwerven. Aan eigenlijke ontspanning had hij weinig behoefte. Het society-leven, of wat daarvoor door moest gaan, trok hem niet aan. Toneelvoorstellingen werden in Utrecht slechts incidenteel tijdens de kermis gegeven - de eerste vaste schouwburg op het Vreeburg dateert van 179617 - maar ook die strookten niet met zijn aard. Misschien dat hij de concerten bezocht die het sinds 1631 bestaande Stads-Muziekcollegie in het Bijlhouwersgildehuis op het Vreeburg hield.18 Daar trad 21 april 1766 de jonge Mozart op!19 Het Utrechtse Collegium Musicum telde naast dillettanten ook enkele beroepskrachten, onder wie de kapelmeester. Voor wie dit allemaal nog te werelds vond waren er de orgelconcerten die uiteraard in de kerk plaats vonden. Ze werden in Van Alphen's dagen gegeven door de stadsorganist en -klokkenist Albrecht Fischer, die tevens een bekend muziektheoreticus was. Wij zullen nog zien, dat Van Alphen na 1778 in nauwe betrekking stond met Frederik Nieuwenhuysen,20

[p. 50]

sedert 21 december van dat jaar opvolger van Fischer. Over aktieve muziekbeoefening van Hieronymus is mij niets bekend.

Een bijzondere bekoring vond hij in de wandeling door de vrije natuur, waarvoor in zijn woonplaats alle gelegenheid bestond. Men behoefde slechts korte tijd te lopen om het gerucht van de mensen ver achter zich te weten. Dit kontakt met de natuur vormde voor Van Alphen een voortdurende bron van energie en inspiratie. En buiten dat alles had hij het geluk in het Sticht enkele vertrouwde vrienden te bezitten. Pieter Leonard van de Kasteele bleef voorlopig nog in Utrecht studeren. Hij promoveerde onder Tydeman op 13 december 1771 met een aan Willem V opgedragen dissertatie Miscellanea Juridica. Eerst daarna vestigde hij zich te 's-Gravenhage. Both Hendriksen van zijn kant sloot zijn universitaire studie 14 augustus 1769 af met het verdedigen van een onder Tydeman's leiding geschreven proefschrift De jure et necessitate infligendae poenae capitalis. Op 2 oktober van hetzelfde jaar werd hij beëdigd als advokaat voor den Hove Provinciaal van Utrecht,21 zodat Van Alphen en hij ook beroepshalve nauw met elkaar verbonden waren. Hendriksen woonde in het naburige Amersfoort, waar hij in 1775 tot adjunct-secretaris en drie jaar later tot secretaris van Regering en Geregt werd benoemd.

In Utrecht zelf bezat Hieronymus van Alphen drie oudere vrienden in Meinard Tydeman, prof. Gisbert Bonnet en ds. Jacobus Hinlopen. De vertrouwelijke omgang van het drietal Van Alphen, Van de Kasteele en Both Hendriksen met Bonnet dateerde volgens Heringa vanaf hun bekering in juli-augustus 1767: ‘Van (toen) af wijdden zij ook een gedeelte van hunnen tijd aan godgeleerde onderzoekingen en genoten daartoe eene gunstige leiding, in de lessen en den omgang van den waardigen Prof. Bonnet.’22 Deze mededeling behoeft, wat Van Alphen betreft, enige correctie, daar hij pas na zijn terugkeer uit Leiden Bonnet's colleges gevolgd kan hebben. Maar dan groeit er ook spoedig een innige verstandhouding tussen hen beiden. Als Bonnet in januari 1769 ernstig ziek is, waakt Hieronymus 's nachts aan zijn bed.23 Eenmaal student-af wordt Van Alphen meteen opgenomen in de gezelschappen die nu eens ten huize van Bonnet, dan weer bij Tydeman of Hinlopen op gezette tijden samenkwamen.

[p. 51]

Die gezelschappen nemen in het leven van Van Alphen een grote plaats in, zoals ook omgekeerd hijzelf er weldra een aktieve rol in zal spelen. Vandaar dat we ons dienen af te vragen wat de aard en de samenstelling van deze gezelschappen was.

Meer dan ooit beseft men, bij het beantwoorden van zulke vragen, de onvolledigheid van elk historisch onderzoek. Natuurlijk bestaan van dergelijke huiselijke bijeenkomsten geen notulen. Wie er het woord voerden, waarover men sprak en vooral hòe men sprak, daarover kunnen we ons slechts een globale voorstelling vormen. Gelukkig verschaft Tydeman, die altijd en overal van de partij was, in zijn autobiografie24 enige informatie.

Hij, Tydeman, had dan volgens zijn zeggen ‘twee vaste gezelschappen over godsdienstige onderwerpen, de ééne week met Professor Bonnet en eenige vrienden over de Boeken van Mozes of over Mosheims Zedekunde, de andere week met Dom. Jacobus Hinlopen, over de geschiedenis van David, de Spreuken van Salomon, de Openbaring van Johannes’. Het eerste gezelschap bestond, blijkens een latere aantekening, uit: Bonnet en diens vrouw Anna Apollonia Bonnet-Wesseling, de heer Kelderman25 en echtgenote, Mr. Floris Petrus van Ewijck,26 Mr. Cornelis Anthony van Wachendorf27 en zijn zuster, Hieronymus van

[p. 52]

Alphen, de Utrechtse stadsgeneesheer Dr. Everard Johan Römer28 en diens vrouw Anna Wilhelmina van Doelen, academie-drukker Abraham van Paddenburg,29 juffrouw Craayvanger30 (mogelijk Geertruida Margaretha C. met wie Pieter Leonard van de Kasteele op 30 juni 1777 te Utrecht in het huwelijk trad), Meinard Tydeman en zuster Anna Geertruida.31

Wij weten niet gedurende welke periode deze bijeenkomsten plaats vonden en of men in dezelfde samenstelling elkaar om de veertien dagen bij ds. Jacobus Hinlopen trof. Op grond van enkele gegevens - bijv. het feit dat Dr. Römer en Anna Wilhelmina van Doelen 28 oktober 1776 trouwden, het ongenoemd blijven van een mevrouw Van Alphen en Tydemans echtgenote(n) - zou men aan de jaren 1776-1777 denken. Waarschijnlijker is echter dat de bijeenkomsten zich uitstrekten over een langere tijdspanne in wisselende samenstelling, hetgeen dan in de hierboven vermelde lijst van deelnemers onvoldoende tot uitdrukking komt.

Hoewel Tydeman uitdrukkelijk spreekt van gezelschappen ‘over godsdienstige onderwerpen’, dienen we dit soort bijbelclubs wèl te onderscheiden van de piëtistische huisoefeningen, waarover straks nog. De leesgezelschappen waar het nu over gaat, droegen tot op zekere hoogte een wetenschappelijk karakter. Men kwam behalve om stichting vooral om te leren - daar stond de aanwezigheid van Bonnet, Tydeman en Hinlopen borg voor. Maar ook de andere bezoekers van deze bijbelavonden behoorden tot de intellectuele bovenlaag. Van kwezelarij was hier geen sprake. Extra aandacht verdient de besproken lektuur. Terwijl elders van Bonnet getuigd is, dat hij in zijn colleges het dogmatisch

[p. 53]

systeem in plaats van de bijbel onderwees, stond hier de Schrift-exegese centraal. De Sittenlehre der H. Schrift (5 dln., 1735 vv.; naderhand uitgebreid met 4 dln., 1762-1770) van de duitse kerkhistoricus Johann Lorenz Mosheim was ook bepaald geen kost voor bigotte ‘fijnen’. Ofschoon bestrijder van de deïst Toland, gold Mosheim als een ‘Mann der Moderation, der Mitte und der Vermittlung’,32 reden waarom hij door Gellert hemelhoog geprezen werd.

De onvermoeibare Tydeman vertelt in zijn memoires dat hij op de zondagavonden nog een derde godsdienstig (?) gezelschap frekwenteerde met Bonnet en, onder anderen, de Graaf van Rechteren,33 Balthazar Constantijn van Lijnden van Lunenburg,34 C.A. Vos,35 sekretaris der Staten van Utrecht, J.W. de Ruever,36 sekretaris van de vroedschap, Hieronymus van Alphen, Mr. Adriaan van Romondt,37 lid van die vroedschap, en de Heer van Westreenen van Sterkenburg38 met twee zoons. Het enige verschilpunt met de vorige gezelschappen dunkt mij de hogere sociale status van de deelnemers: het zijn op Van Alphen na

[p. 54]

allemaal leden van de ridderschap of hoge bestuursambtenaren. En zelfs deze uitzonderingspositie verdwijnt, wanneer we voor dit laatste gezelschap als tijd van samenkomst de periode 1780-1789 aannemen, toen Van Alphen het ambt van procureur-generaal bekleedde.

Het woord gezelschap heeft in 18e-eeuws spraakgebruik ook een speciale betekenis39 ter aanduiding van de huisoefeningen der vromen, waar men samen bad en zong, terwijl iemand uit de kring, al naar gelang de Geest hem dreef, ‘een goed woord’ sprak. De populaire liederenbundels van Voet en Schutte (met zangwijzen!) waren speciaal voor deze gezelschappen bedoeld. Hoewel zulke samenkomsten gewoonlijk niet onder leiding stonden van een predikant, droegen zij in principe volstrekt geen heterodox kerkvijandig karakter. Men kan zelfs zeggen dat ze een vast kenmerk vormen van de Nadere Reformatie. In Utrecht, om ons daar nu toe te bepalen, had een figuur van onverdachte rechtzinnigheid als Jodocus van Lodenstein dergelijke huisoefeningen jarenlang gehouden.40 Van meer recentere datum waren de conventikels die onder invloed stonden van de duitse piëtistische predikant-dichter Friedrich Adolph Lampe (1683-1729), van 1720-1727 hoogleraar in de theologie te Utrecht.41 Er bestaat een duidelijke geestverwantschap tussen de vrome huisoefeningen in Van Alphen's kring en de Lampsiaanse conventikels waarvan zij een regelrechte voortzetting vormen.

Hieronymus van Alphen heeft, vooral nadat hij eenmaal een gezin had gesticht, een uitermate aktieve rol gespeeld in het leiden van huisoefeningen. Een vroeger bij hem te Utrecht woonachtige dienstbode wist aan Nepveu te vertellen, ‘dat hij gewoon was, vooral op zon- en feestdagen, eene huiselijke avond-stichting te houden, waarbij al zijne huisgenooten en dus ook de dienstboden, van welke gezindheid ook, tegenwoordig moesten zijn’.42 Buitendien bezat hij te Utrecht wat in zijn geheime dagboek wordt aangeduid als ‘mijn oud vast gezelschap’.43 Aan geen was hij zo gehecht als aan dit. Wanneer hij in april 1792 enige weken vakantie te Utrecht doorbrengt, grijpt hij meteen de gelegenheid

[p. 55]

aan om ten huize van ds. Jacobus Hinlopen weer deel te nemen aan dit gezelschap. De vrouwelijke leden waren toen allemaal gestorven: mevrouw E(wijk), juffrouw H(inlopen), mevrouw Reinouwen,44 v.d. Burch,45 juffrouw Wittemier.46 De kring bestond nu nog slechts uit ds. Hinlopen, de heer Ew(ijk), Wauts47 (?), Römer J. Both Hendriksen (‘die er bijgekomen is’) en Meinard Tydeman. Het is niet uitgesloten dat het hier bedoelde gezelschap identiek is met een van de drie door Tydeman in zijn memoires genoemde, namelijk met de groep die elke veertien dagen bij Hinlopen aan huis bijeenkwam om te spreken ‘over de geschiedenis van David, de Spreuken van Salomon, de Openbaring van Johannes’. In Van Alphen's opsomming vinden we vier of vijf namen terug die ook op Tydeman's lijstje voorkwamen. Maar er zijn, vooral onder de vrouwen, ook heel wat onbekenden bij. De kring om Hinlopen lijkt eenvoudiger dan die om Bonnet, om van het zondagsgezelschap maar te zwijgen. Waarschijnlijk was dit ‘oud vast gezelschap’ dat zijn zetel had in de pastorij van ds. Hinlopen, geen leeskring maar een bidstond. Hoe het ook zij, Hinlopen was er de centrale figuur. Meer nog dan Bonnet of Tydeman vervulde hij de rol van geestelijk leidsman van de altijd weifelmoedige Van Alphen. Met geen oudere is Hieronymus zozeer en ook zo lang bevriend geweest als met ds. Hinlopen. Wat was hij voor iemand en wat maakte hem in Van Alphen's ogen zo aantrekkelijk?

Jacobus Groot Hinlopen,48 zoals hij eigenlijk heet, werd geboren te Hoorn op 5 mei 1723. Hij was een broer van de als taalkundige en literator bekende Nicolaas Hinlopen. Zijn wetenschappelijke interesse blijkt reeds hieruit, dat hij aan drie verschillende universiteiten theologie heeft gestudeerd: te Harderwijk, Franeker en Utrecht. Na kortstondige ambtsbedieningen te Zonnemaire (1746) en Goes (1748) volgde in 1751 een beroep te Utrecht, waar hij meer dan een halve eeuw zijn gemeente voorging. Zijn verdere leven speelde zich grotendeels binnen de Utrechtse stadswallen af. Op 25 april 1752 was hij te Amsterdam gehuwd met Isabella Cornelia van der Burgh (geb. aldaar in 1722), die hem twee kinderen schonk: Jelmer (geboren 11 oktober 1753) en Jan (geboren 25 oktober 1759). Jelmer drukte de voetsporen van zijn vader. Hij studeerde van ongeveer 1770-1776 theologie te Utrecht, werd daarna predikant maar stierf reeds op 29-jarige leeftijd als gevolg van te grote

[p. 56]

studieïnspanning. Zoiets wijst op een zwak gestel - ook Jan Hinlopen zou later aan overmatige inspanning bezwijken - maar het illustreert nog eens de intellectuele interesse van de Hinlopens. De studie was hun dierbaar. De familie woonde ‘agter den Dom’.49

Eenmaal predikant geworden stelde Hinlopen zijn intellectuele gaven geheel in dienst van zijn pastoraat. Wetenschappelijke geschriften die hem de weg tot het professoraat zouden geopend hebben, heeft hij niet geschreven; wèl vele leerredenen, hartelijk van toon en populair in de goede zin van het woord. Zo was ook zijn preektrant zelve, al wekte die niet ieders enthousiasme. Sommigen hekelden Vader Hinlopen's frekwent gebruik van de woorden ‘endewijl’ en ‘alzo’ als geteem.50 Het is echter moeilijk zulke kritiek op haar juistheid te beoordelen, omdat ze afkomstig is van dezelfde partijgangers die ook bezwaar maakten tegen Hinlopen's oranjegezindheid. Niettemin blijft het merkwaardig, dat een bij zijn gemeente zo geliefd man anderzijds toch duidelijke weerstanden in zijn omgeving heeft opgeroepen. Immers, zowel in 1782-1784 als in 1795 ontstond er binnen de kring der Utrechtse Patriotten fel verzet tegen de persoon van Hinlopen, zodat het in het laatste geval zelfs weinig scheelde of hij werd uit stad en gewest verbannen. Wie zijn preken uit de dagen der Patriotten leest, moet erkennen: hij was een beginselvast man die altijd zei waar het op stond, zonder zich overigens aan persoonlijke aanvallen schuldig te maken. Deze principiële houding heeft hem enkele malen in moeilijkheden gebracht, maar voor Van Alphen was zij een richtsnoer voor zijn eigen handelwijze.

Een bijzonder sympathieke trek in Hinlopen is de afwezigheid van elke scherpslijperij in woord en geschrift. De christelijke levenswandel stelde hij hoger dan de christelijke dogmatiek. Op zijn oude dag bekende hij aan een vriend: ‘Ik verlang door Gods genade om naar de grootste gemeente beroepen te worden, waar men van geen anen en isten weet’.51

Van Alphen was bij de Hinlopens een altijd welkome huisvriend. Voor de tweede zoon Jan, dertien jaar jonger dan hijzelf, vatte hij een bijzondere genegenheid op, zoals verderop zal blijken. Vader en zoon Hinlopen blijven met hem in briefwisseling gedurende alle stadia van zijn leven. Ds. Jacobus stierf slechts enkele maanden na de dood van Hieronymus, namelijk op 23 juni 1803.

[p. 57]

Zoals men ziet waren er in het Utrechtse Sion wel enkele vrienden die voor Van Alphen het gemis van een druk gezelligheidsleven ruimschoots goedmaakten. Buiten de aan uur en plaats gebonden gezelschappen verkeerde hij in de vrijgezellenperiode 1769-1772 nog veel in de studentikoze kring van Both Hendriksen en Van de Kasteele, totdat zij allemaal een plaats in de burgermaatschappij gekregen hadden. Elke ontmoeting in besloten milieu was een mogelijkheid om elkaar te stichten en op te wekken. En dat hoefde niet eens binnenshuis te gebeuren. Een brief van Jan Both Hendriksen aan Van Alphen van 4 september 1770 vergunt ons even een blik in hun piëtistisch gekleurde sensibiliteit: ‘Eens heb ik een avond extra eenvoudig en stigtelijk met Gobius gepasseerd; wij wandelden naar buiten, daar lasen wij uit Voet, zongen en baden voorts samen’.52 Godsdienstig sentiment, natuurgevoel en vriendschapscultus gaan hier hand in hand. Wie zou menen dat deze vroeg-ernstige jongelieden zich buiten de ontwikkeling van hun tijd plaatsten, merkt uit een enkel brieffragment als dit toch dat de preromantische gevoeligheid hun niet helemaal vreemd was.

Het is tegen deze achtergrond van conventikels en huisoefeningen dat we de dichterlijke werkzaamheid van de jonge advokaat Hieronymus van Alphen moeten zien. Zij stond in dienst van de vrome kring waaraan hij zo met hart en ziel verbonden was.

III. 2. Stigtelijke mengelpoëzij

Sedert zijn terugkeer in Utrecht was Van Alphen's oude liefde voor de poëzie niet bekoeld. Zijn bekering gaf juist een nieuwe impuls aan zijn dichtvermogen. Ook Pieter Leonard van de Kasteele zocht zijn religieuze bezieling tot uitdrukking te brengen in verzen die anderen inspireren konden. Beide jonge dichters waren elkaars beste critici. Alleen enkele intimi, zoals Jan Both Hendriksen, wisten van deze eerste pogingen van het vriendenpaar op het voor hen nieuwe gebied van de godsdienstige poëzie. Was het aanvankelijk vooral de drang tot persoonlijke getuigenis die hen de pen deed opnemen, weldra dachten zij ook aan de behoefte van vrome gezelschappen aan zingbare teksten. Deze laatste overweging rechtvaardigde publicatie.

[p. 58]

Eind augustus 1771 verscheen te Utrecht voor rekening van de twee anonieme auteurs in een zeer geringe oplage de Proeve van Stichtelijke Mengel-Poëzij. Het bundeltje was voorzien van een vertaald motto uit de Night-Thoughts van Edward Young en bevatte, naast een korte voorrede, 42 gedichten, slechts gesigneerd met de initialen S. (= Van Alphen) of M. (= Van de Kasteele).53

Het succes van deze privé-druk was van die aard, dat de dichters het jaar daarop voor de dag traden met een publieke uitgave onder de titel: Stigtelijke Mengelpoëzij. Eerste Stukjen (Utregt, bij Jan van Terveen). De bundel bevat een nieuw voorbericht, waarin de auteurs zich thans voluit noemen, en 36 gedichten. Daarvan hadden er 21 reeds in de Proeve van 1771 gestaan. Van de afzonderlijke gedichten wordt nu helaas geen auteur meer aangeduid, zodat we voortaan naar ieders aandeel gissen mogen.

Maar dat stond verder succes niet in de weg. Wederom een jaar later, in 1773, volgde bij Terveen een Tweede Stukjen, ditmaal met dertig gedichten, waarna in 1782 bij dezelfde uitgever nog een Derde Stukjen van de Stigtelijke Mengelpoëzij verscheen met 24 gedichten. Alle drie de Stukjens werden bovendien talrijke malen herdrukt.

Voor een juist begrip van de Stichtelijke Mengelpoëzie van Van Alphen en Van de Kasteele moet men met twee dingen rekening houden. Vooreerst dat de meeste teksten geen leesverzen zijn, maar liederen om in de huiselijke kring gezongen te worden. Bij elf teksten hebben de auteurs dan ook een zangwijs opgegeven, terwijl de organist van de Haagse Kloosterkerk J.C. Kleijn in 1774-75 twee afzonderlijke boekjes met Zangwyzen tot de Proeve van Stichtelyke Mengel-Poëzy in het licht gaf. In samenklank met de muziek kregen de teksten mogelijk een effect dat voor ons als lezer moeilijk navoelbaar is.

Een tweede opmerking heeft betrekking op de moeilijkheid van deze twee debutanten om een geschikt aanknopingspunt bij de literaire traditie te vinden. In de voorrede tot de Proeve van 1771 hebben de auteurs de kwestie zelf al aangeroerd. Zij beroepen zich daar op Vollenhove, Boddaert, Voet en Schutte die met hun zowel vrome als kunstzinnige zangstukken het bestaansrecht van de geestelijke poëzie hebben

[p. 59]

aangetoond. Ook Lodenstein's Uyt-Spanningen van 1676 worden met eerbied vermeld, zij het alleen om hun stichtelijk karakter. Deze bundel was in Van Alphen's kring overigens goed bekend. Ook de Poëzy van Johannes Vollenhove, voor het eerst verschenen in 1686, was in de 18e eeuw nog niet vergeten. In 1750 werd zijn bundel in gewijzigde vorm opnieuw gedrukt, waarbij uitsluitend aan Vollenhove's religieuze gedichten plaats werd geschonken. Met de Middelburgse pensionaris Pieter Boddaert (1694-1759) zitten we al volop in de 18e eeuw, toen vrijwel elke predikant wel een of meer bundels met stichtelijke verzen uitgaf. Herinneren we ons slechts ds. Hieronymus van Alphen uit Amsterdam. Het probleem was echter dat er een hemelsbrede kloof bestond tussen zulke katechisatie op rijm, waarbij het doel elk middel heiligde, en de profane poëzie van echte dichters als Poot of Wellekens. Wanneer Van Alphen zelf erkent vroeger een afkeer van gewijde poëzie gehad te hebben,54 dan kwam dat omdat deze in niets beantwoordde aan zijn in de lectuur van Tibullus en Poot geoefende smaak. Hoe vielen die twee met elkaar te verzoenen?

Boddaert's Stichtelyke Gedichten van 1726 kunnen Van Alphen en Van de Kasteele moeilijk tot literair model hebben gediend, aangezien de felpolemische toon van de Middelburgse rijmelaar niets met hun liederen gemeen heeft. Evenmin hebben zij zich schuldig gemaakt aan de dichterlijke deftigheid van Vollenhove's parnastaal. Anders liggen de zaken met Voet en Schutte. Aan hen waren zij zeker schatplichtig.

Terwijl in Duitsland (Tersteegen!) en Engeland het geestelijk lied gedurende de eerste helft van de 18e eeuw een bloeiperiode kende, ontbrak het bij ons aan dichters die de rijke 17e-eeuwse traditie van Revius, Camphuysen, Lodenstein op vergelijkbaar niveau voortzetten.55

[p. 60]

Daarin kwam pas verandering door het optreden van de Haagse arts Johannes Eusebius Voet (1706-1778) en van de Amsterdamse predikant Rutger Schutte (1708-1784). De eerste publiceerde in 1754 en 1758 zijn Stichtelyke Gedichten (2 dln.), in 1767 gevolgd door een bundel Stichtelyke Gezangen. Schutte gaf in de jaren 1762-1765 drie bundels Stichtelijke Gezangen uit, die een bijzondere aantrekkelijkheid bezaten door de bijgevoegde (voor het merendeel Italiaanse) zangwijzen. Daarmee waren Voet en Schutte ontegenzeggelijk de meest toonaangevende religieuze dichters van de aan Van Alphen en Kasteele voorafgaande generatie. De twee jonge debutanten kenden Voet en Schutte persoonlijk.56 Wat meer zegt: zij zongen hun liederen en herkenden ze als uitdrukking van hun eigen gemoedstoestand.57

Reeds een oppervlakkige vergelijking van de SM met de genoemde bundels van Voet en Schutte laat een groot aantal overeenkomstigheden zien in thematiek, beeldspraak en woordkeus. We vinden bij Voet bijv. morgen- en avondliederen, gedichten op Jezus' geboorte of lijden, wekzangen en zelfs geestelijke herdersdichten waar Van Alphen's religieuze veldzangen duidelijk bij aansluiten. Schutte's poëzie heeft een piëtische inslag, bijv. in Jesus alles voor zijn bruid,58 die haar met Van Alphen's gelijkgestemde lyriek verbindt. Bij nader inzien zijn er echter ook aanzienlijke verschillen. Voet, en in sterker mate nog Schutte, zinspelen voortdurend op Joodse geschiedenis, gebruiken en uitdrukkingen, waardoor zij voor de niet-ingewijde soms onverstaanbaar zijn. Dergelijke hebraïsmen ontbreken in de SM nagenoeg. Ook is er verschil in voorstellingswijze. Bij Voet hebben we steeds te doen met een objektief geloofslied waarvan het verkondigingskarakter vooropstaat. Het sub-

[p. 61]

jectieve, gevoelsmatige krijgt bij hem minder kans. Een voorbeeld ter illustratie. Nemen we eerst Voet's Roem in de kruisdood van Jesus Christus.59 Hier spreekt een boven-individueel wij:

 
De Losser heeft, naar 't recht, volbragt
 
De lossing van zyn arm geslacht,
 
Door zich aan 't kruis te laaten hangen:
 
Wy keeren weder tot ons land;
 
De boejen vallen van de hand;
 
De schuldheer heeft den prys ontfangen
 
Het is volbragt op Golgotha:
 
Haleluja, Haleluja.

Vergelijking met Van de Kasteele's Het is volbragt60 leert, dat deze dichter alles op het eigen ik betrekt:

 
Het is volbragt! ik ben voldaan.
 
Ik, schuldig en verdorven,
 
Mag in des Vaders vriendschap staan:
 
Mij is Zijn geest verworven.
 
De Godmensch heeft
 
Voor mij op aard geleefd,
 
En is voor mij gestorven.

Slechts zeer zelden verschijnt in Voet's Stichtelyke Gedichten en Gezangen een lyrisch ik. Wanneer hij in de eerste persoon spreekt, gebeurt dit hoofdzakelijk om de geloofwaardigheid van het meegedeelde te vergroten (‘Ik hoor bazuinen klinken’). Van Alphen en Van de Kasteele daarentegen geven dikwijls persoonlijke ontboezemingen. Zij schenken betrekkelijk weinig aandacht aan de grote gebeurtenissen uit het kerkelijk jaar. Op een totaal van 98 gedichten (de vertalingen naar Gellert niet meegerekend) vinden we slechts twee kerstliederen, twee passie- en pinksterliederen, een paas- en een hemelvaartslied. Daarnaast vier natuurgedichten en zes gelegenheidsgedichten. De rest bestaat uit wat Knuttel61 aanduidt als ‘liederen van inkeer en zelfstrijd’ en ‘vermanende liederen’. Ook al wordt in die twee laatstgenoemde kategorieën vaak verwezen naar Christus' leven en passie, toch stuiten we hier in de SM op een onmiskenbare subjectivering van het heilsgebeuren. Het zijn meer gedichten over de menselijke nood dan hymnen Gods.

[p. 62]

De Proeve van 1771 en de drie Stukjens van de SM weerspiegelen in hun opeenvolging verschillende fasen van literaire ontwikkeling.

Zoals in de voorrede tot de Proeve van 1771 wordt erkend, hebben de auteurs op drie plaatsen een nederlands model nagevolgd. Kasteele's Zondige keus van een wereldling blijkt een geestelijke bewerking van het sonnet Moeylyke Voorwaerde uit Proeve van Dichtoeffening (1731)62, een bundel galante rococoversjes, waaronder veel bewerkingen van Horatius en Anakreon, door de Leidse advokaat Theodoor van Snakenburg (1695-1750) en diens vriend Mr. Jacob Elias Michielsz. (1698-1750). Als pendant hiervan heeft Van Alphen zijn Edelmoedige keus van een christen met dezelfde eindrijmen (zgn. bouts rimés) geschreven. Beide gedichten ontbreken in hun eerste publieke bundel van 1772, waarschijnlijk omdat de auteurs naderhand begrepen, hoezeer een dergelijk jeu d'esprit in geestelijke poëzie uit de toon viel. Intussen verraadt de Proeve-1771 zo toch iets van hun toenmalige literaire smaak die kennelijk nog, al was het slechts negatief, bepaald werd door de bevallig-galante verskunst van het begin der 18e eeuw.

In diezelfde richting wijst hun imitatio van ‘den voortreffelijken Poot’, wiens Vliegende min uit Mengeldichten (1716) Van de Kasteele inspireerde tot zijn De vliegende vreugd. Wel heeft de bewerker geprobeerd om het luchtige, frivole van zijn origineel in geestelijke zin om te buigen, maar daardoor ontstond juist een hinderlijke discrepantie tussen de speelse rococo-vorm en de serieuze inhoud. De genotzoeker Vrolijkhart krijgt het verwijt te horen dat zijn aardse vreugde ijdel is. Echter, het ‘wellusthof’ van Jezus dat hem als alternatief wordt aangeprezen, draagt al evenzeer een hedonistisch karakter:

 
Jezus kan, als 't onweêr loeit,
 
Of u de ouderdom doet beven,
 
Of de ziekte uw leden boeit,
 
't Zaligst vergenoegen geven.

Van Alphen's Vrolijk leven is, duidelijker nog dan het vorige; een kontrafakt van Poot's gelijknamige gedicht. Terwijl Poot evenwel het horatiaanse carpe diem als ideale levenshouding voorstelt, bezingt de christendichter Van Alphen het genoeglijk samenleven met Jezus. Overigens geldt hier mijn al eerder geuite bezwaar: de neiging naar het behaaglijkhedonistische die nog in het Tweede Stukjen voelbaar blijft (bijv. in Het

[p. 63]

Vergenoegen). Geen vernietigender kritiek valt daarop uit te brengen dan de woorden te citeren waarmee de Nederlandsche Bibliotheek in 1774 de eerste twee deeltjes van de SM aanprees: ‘De weg der zaligheid wordt hier, overeenkomstig met den inhoud van het Euangelie, bij uitnemendheid ruim en gemakkelijk voorgestelt, en de dienst van God, in zich zelven zoo beminnelijk, schijnt op het zingen van deze Dichters noch meer bekoorlijkheden te verkrijgen’.63 Alsof niet juist die in gladde versvormen gestoken bevalligheid afbreuk deed aan de gesuggereerde ernst van de christelijke zelfstrijd!

Literair-historisch vallen er dus in de tot en met 1773 verschenen Stukjens van de SM verschillende lagen, verschillende invloedssferen te onderscheiden. Het oudst is de invloed van de galante rococo-poëzie die echter hoofdzakelijk te beschouwen is als een residu van de literaire afkomst van deze twee dichters. Daarentegen hebben zij zich bewust opengesteld voor de traditie van het geestelijk lied, in het bijzonder voor de verzen van Voet en Schutte. We zullen straks nog zien dat het Derde Stukjen van 1782 weer een geheel andere beeld vertoont, doordat daar de doorbraak naar het romantisch-sentimentele zich manifesteert. Natuurlijk is het nooit in concreto mogelijk die verschillende strata tegen elkaar af te bakenen. De religieuze veldzangen bijv. sluiten evenzeer aan bij de piëtistische traditie (Moonen, Voet) als bij de neolatijnse pastorale (Reland) en de herderszangen van Poot. Bovendien zijn daar altijd nog gemeenschappelijke inspiratiebronnen, namelijk de bijbel en de klassieken (Horatius). Juist die veelheid aan literaire reminiscenties maakt de SM zo boeiend. Men zal toch op zijn minst moeten erkennen, dat haar makers niet voor het nieuwe zijn teruggeschrokken. Bij vele van hun voorgangers - Lodenstein, Sluiter, Voet, Schutte - merkt men nauwelijks verschil tussen hun vroegste en hun laatste vers, tenzij dan op het punt van taalvaardigheid. Van Alphen en Van de Kasteele hebben in hun SM binnen een tijdsbestek van tien jaar aan minstens drie literaire stromingen deelgehad. Eenkennigheid is het laatste wat men hen kan verwijten!

 

We hebben tot dusver in onze beschouwing van de SM geen onderscheid gemaakt tussen beide dichters. Ten dele noodgedwongen, omdat wij van de 110 gedichten er slechts 26 met zekerheid aan Van Alphen en 38 aan Van de Kasteele kunnen toeschrijven. Vergelijking van deze twee groepen levert echter geen duidelijke criteria voor verdere identificatie.

[p. 64]

Toch waren Hieronymus en Pieter Leonard van nature geheel verschillende karakters: de eerste ‘immer vol gevoel en zachtere aandoeningen’, melancholischer ook, de ander uitmuntend ‘in vuur en geestkracht’.64 Maar dit verschil in geaardheid treedt in de SM nog niet duidelijk aan de dag. Geen wonder: eenzelfde ideaal bezielde de pas bekeerden, dezelfde tale Kanaäns vertolkte hun geestdrift. Sommige gedichten blijken trouwens samen geschreven te zijn. Een simpele sorteerproef wordt zo een hachelijke zaak! We hoeven er niet rouwig om te zijn. Beter dan wat ook symboliseert die anonimiteit van de afzonderlijke gedichten de vriendschap welke Hieronymus van Alphen en Pieter Leonard van de Kasteele toen samenbond.

III. 3. Huwelijk met Johanna Maria van Goens

Toen Kasteele in december 1771 als laatste studiegenoot uit Utrecht vertrokken was, duurde het ook niet lang meer of er kwam een einde aan Van Alphen's vrijgezellenbestaan. Op 13 april 1772 trouwde hij namelijk in de domkerk met Johanna Maria van Goens, enige dochter van de ordinaris Raad voor den Ed. Hove van Utrecht Mr. Daniel François van Goens en diens echtgenote Catharina Juliana Cuninghame. Het huwelijk werd ingezegend door een achterneef van de bruidegom, de Utrechtse hoogleraar in de theologie Jacob Albert Vos, in presentie van ds. Jacobus Hinlopen.65 Kasteele bezong in een bruiloftsvers deze Gezegende Egtvereeniging.66

Men mene niet dat Van Alphen zijn bruid heeft leren kennen via haar broer Rijklof Michaël. Eer was het tegendeel het geval. Hoewel Hieronymus' weg enkele malen die van Rijklof Michaël had gekruist, behoorde de grillige, lichtgeraakte, toen nog libertijnse hoogleraar geenszins tot de intimi van de twee jaar oudere advokaat. Het is zelfs de vraag of een man als Van Goens wel ooit werkelijke vrienden bezeten heeft. Hij liep anders hard genoeg van stapel, putte zich soms uit in overdreven dienstbetoon ten opzichte van talloze oppervlakkige relaties in de republiek der letteren. Maar dit tekent op zichzelf al het verschil in geaardheid met de altijd distantie bewarende Van Alphen. Aan het begin van de zeventiger jaren had Rijklof Michaël enkel oog voor zijn wetenschappelijke carrière. Hij kwam in gedrag en denkwijze steeds verder af te staan van zijn

[p. t.o. 64]



illustratie
Afb. 11: Ds. Jacobus Hinlopen (1723-1803). Olieverfschilderij door C. van Geelen, 1789. Coll. Ir. J.A. Walland te 's-Gravenhage. Foto: Iconographisch Bureau.

[p. t.o. 65]



illustratie
Afb. 12: Johann Kaspar Lavater (1741-1801). Aquarel door Heinrich Lips, 1789. Österreichische Nationalbibliothek Wenen.

[p. 65]

ouderwets-vrome vader wiens woning hij overigens deelde. Daniel François van Goens en Hieronymus van Alphen - dat waren karakters die met elkaar harmonieerden. Wie niet beter wist, zou geloven dat zìj vader en zoon waren. De moeder blijft een wat enigmatische figuur, mede door toedoen van de fantast Rijklof Michaël die zich om haar persoon een aanzienlijke engelse afstamming verbeeldde. Dan was er nog een vier jaar jongere broer James Quirijn, in alle opzichten het zwarte schaap van de familie: misantropisch en malicieus.

Het leek wel alsof bij de kinderen van Daniel François van Goens alle edele eigenschappen van hart en ziel waren samengevloeid in Johanna Maria.67 Een engel in het vlees - zo roemt ieder die haar kende. Ze was geboren op 20 juni 1750. Helaas komt geen geschilderd portret onze verbeelding te hulp. Zij moet echter frêle van gestalte zijn geweest. Een door Wille besproken dagboekfragment68 doet haar kennen als een innig-vroom gemoed, niet geheel vrij overigens van gevoelsoverspanning. Geen twijfel mogelijk: zij paste volkomen bij Hieronymus.

Een drietal brieven van omstreeks augustus 177169 leveren de enige getuigenis over hun periode van verkering. Van Alphen's toon is hier ongewoon hartelijk, zonder enig spoor van het koele formalisme dat anders wel eens hindert. De brieven handelen grotendeels over de zielstoestand van de afzender. Het tekent wel de toenmalige omgangsvormen, meer misschien nog de schroom van de betrokkenen, dat Van Alphen Johanna Maria ten huwelijk vroeg ‘zonder haar immer eenigsints familiair gezien ofte ontmoet te hebben.’70 Hieruit valt meteen te concluderen, dat hij dus voor zijn huwelijk nooit bij de familie Van Goens aan huis kwam en geen persoonlijk kontakt met Rijklof Michaël onderhield. Ook nu bleef de omgang tussen de zwagers van weerskanten stroef. De verhouding met vader en moeder Van Goens daarentegen was allerhartelijkst. De jonggehuwden bewoonden een huurwoning op de Trans, waarheen Van Alphen wel in verband met zijn trouwplannen verhuisd was.71

Door zijn huwelijk met ‘Jansje’ van Goens werd het net der familierelaties waar Van Alphen mee te maken kreeg nog wat ingewikkelder. Voor òns wel te verstaan, want het 18e-eeuwse familiebesef was rijk

[p. 66]

ontwikkeld. Wanneer hier enkele aanverwanten uit de kring der Van Goensen vermeld worden, gebeurt dit dan ook niet om wille van de volledigheid maar omdat die betrekkingen werkelijk iets voor Van Alphen betekenden.

Een hechte vriendschapsband ontstond allengs met de families Van Goens, Van Visvliet en Macaré te Middelburg. De verhoudingen daar zijn zo gecompliceerd, dat alleen een ervaren genealoog er wijs uit kan worden.72 Een broer van Hieronymus' schoonvader, Mr. Rijklof Gerbrand van Goens, die in Middelburg het ambt van pensionaris bekleedde, was in 1753 gehuwd met Dana Barbara Pottey (1723-1776). Het echtpaar kreeg een dochter Petronella Elisabeth van Goens (1754-1807), die dus een volle nicht van Van Alphen's vrouw was. In 1766, drie jaar na de dood van Mr. Rijklof Gerbrand van Goens, hertrouwde zijn weduwe met de Middelburgse arts Dr. Meynard van Visvliet (1708-1769). Beide echtgenoten waren reeds twee maal eerder gehuwd geweest. Dana Barbara Pottey overleefde ook deze man. Omdat uit bijna al die huwelijken weer kinderen waren voortgekomen, bestond het gezin van tante Van Visvliet, voorheen Van Goens, geboren Pottey, uit vier soorten kinderen met de namen Macaré, Van Goens en Van Visvliet. Hun leeftijd varieerde van een tot zesentwintig jaar! De dochter Petronella Elisabeth van Goens trouwde, om de verwarring compleet te maken, in 1777 met Mr. Dr. Egbert Philip van Visvliet (1736-1799) te Middelburg. Als er in Van Alphen's correspondentie sprake is van neef en nicht Visvliet, betreft het doorgaans dit laatste echtpaar. Dikwijls was Hieronymus te gast op hun buiten Noordhout bij Serooskerke. Een hartelijke briefwisseling overbrugde de afstand tussen Middelburg en Utrecht. Geregelde zendingen van vis of andere delicatessen onderhielden de vriendschap die volstrekt niet verslapte na de dood van Jansje.

Ook in Amsterdam bezaten de Van Goensen connecties. Daar woonden een oud-tante Maria le Pla, weduwe van de luitenant-admiraal Cornelis Schrijver (1686-1768) en hun twee dochters: Maria Philippina, gehuwd met de Amsterdamse bankier Joan Frederik d'Orville, en haar ongetrouwde zuster C.H. Schrijver. Maria le Pla was voor Van Alphen geen onbekende. Ze is zelfs een van de weinigen die in augustus 1771 een

[p. 67]

exemplaar van de eerste Proeve van Stichtelijke Mengel-Poëzij cadeau kreeg,73 hetgeen zowel wijst op een reeds bestaande vriendschapsbetrekking als op gelijkgezindheid met de auteurs. Wie de briefwisseling van Van Alphen doorneemt, krijgt een aardig beeld van zijn lezerskring. Zelden schreef hij voor een groot publiek, laat staan voor een uitgever. Hij schreef voor een kleine kring van intimi die hij zijn werk als vriendschapsgeschenk aanbood. Deze auteursexemplaren waren ook het enige loon dat hij bedong. De eigenlijke verkoop was een zaak voor de uitgever en daarmee wenste Van Alphen geen enkele bemoeienis. Zelfs wanneer, zoals bij de kinderdichten, zijn werk grote handelswaarde bleek te hebben, week Van Alphen niet af van de eenmaal aangenomen gedragslijn.

 

De huwelijksjaren met Johanna Maria behoorden tot de gelukkigste in Van Alphen's leven, al bleek haar gezondheid van de aanvang af wankel. Twee kort op elkaar volgende bevallingen gaven naast reden tot vreugde ook aanleiding tot bezorgdheid. Op 7 februari 1773 werd hun eerste kind Jan Thomas Willem in de domkerk ten doop gedragen door Mr. Thomas Adriaan Boddens en vrouwe Wilhelmina Lucia van Alphen.74 Anderhalf jaar later, op 11 september 1774,75 was het de beurt aan de ouders van Johanna Maria om in de Catharina-kerk als peter en meter op te treden bij de doop van hun tweede kleinzoon Daniel François - zo genoemd naar de oude heer Van Goens.

Nu zijn gezin al zo snel was uitgegroeid tot vier personen met daarbij nog twee meiden, een knecht en een kinderhulp, keek Van Alphen eens te meer uit naar een goed bezoldigd ambt. Maar zijn werkzaamheden bleven vooralsnog beperkt tot een enkel optreden voor de balie. Het waren achteraf bezien jaren van een bijna idyllische rust, die nog niet bedreigd werd door politieke woelingen. De publikatie van het tweede Stukjen der Stichtelijke Mengelpoëzij in 1773 vormde het eerste teken van een aktiviteit op diverse fronten. In 1774 verscheen in de Werken van de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde een korte Verhandeling over den Eed der Utregtse Bisschoppen, genaamd den Eed met zeven Stolen, terwijl het jaar daarop een uitvoerige weerlegging van Eberhard's apologie van Sokrates het licht zag.

In eerstgenoemde verhandeling, een rechtshistorische studie over het gebruik om een geschil te beslechten door in gemeenschap met zeven

[p. 68]

stooldragende eedgenoten ‘zynen eede te houden’, bleef Van Alphen om zo te zeggen dicht bij huis. Onder de door hem gebruikte bronnen noem ik speciaal De nobilitate van de Utrechtenaar Antonius Matthaeus (1635-1710) en het Groot Utrechtsch Placaatboek van J. van de Water, omdat Van Alphen ook op zich genomen had deze geschriften te excerperen ten behoeve van het grote woordenboekproject der Leidse Maatschappij.76 De hier behandelde kwestie moge slechts voor juridisch geïnteresseerde mediëvisten van belang zijn, ook een leek kan onmiddellijk vaststellen dat de auteur erg goed de weg weet in de doolhof van oude keuren en charters. Men onderneemt zo'n studie niet zonder werkelijke interesse. Toch zou ik dit opstel vooral willen zien als een soort Habilitationsschrift. Daarop wijst niet alleen de aard van het onderwerp maar ook de veelheid van noten en die typisch saaie dissertatie-stijl.

Op een totaal ander terrein bewoog Van Alphen zich in zijn tweede verhandeling. Voor het eerst trad hij als theoloog in de openbaarheid, waarbij hij zich overigens vooraf verzekerde van de approbatie der theologische faculteit te Utrecht. Het lijvige boek van meer dan 500 bladzijden heet op aansporing van ‘kundige vrienden’ geschreven.77 Zat Bonnet soms achter deze onderneming? Zijn zegen had de schrijver in elk geval!

De lange titel geeft zoals gebruikelijk reeds enig idee van de inhoud: Eenige leerstukken van den protestantschen godsdienst, in eene beoordeeling der gronden, op welken de zaligheid den heidenen door den heer Eberhard wordt toegewezen, verdedigd door Mr. Hieronijmus van Alphen. Omdat Van Alphen met dit werk aanhaakt op een al enkele jaren aan de gang zijnde discussie, is het zaak eerst een kort overzicht van deze pennestrijd te geven.78

Alles was begonnen, nadat Jean François de Marmontel in 1767 zijn historische ideeënroman Bélisaire had gepubliceerd, waarin hij de titelheld, veldheer onder keizer Justinianus, als een toonbeeld van deugdzaamheid voorstelde. De strekking van Marmontel's roman bleek zonneklaar: hij verzette zich tegen de pretentie van de christelijke kerk als zou alleen voor haar gelovigen de hemelse gelukzaligheid openstaan. Ware deugdzaamheid was, volgens Marmontel, evengoed te vinden bij

[p. 69]

vrome heidenen als Plato of Sokrates en dit volstond om ook voor hen de hemel toegankelijk te maken. Deze gedachte, die in feite een aanval behelsde op de alleenzaligmakendheid van het openbaringsgeloof, moest de vorsten aansporen tot volstrekte verdraagzaamheid tegenover alle onderdanen, van welke gezindte zij ook waren.

Marmontel's Bélisaire ‘doorvloog heel Europa’.79 De in meeslepende stijl voorgedragen tolerantie-idee verzekerde zijn succes bij de verlichte geesten. Toch rezen er in Frankrijk zelf al spoedig protesten vanwege de rooms-katholieke clerus. Maar die strijd ebde weldra weg, nadat Marmontel zich eenmaal tegen de ingebrachte bezwaren had verdedigd. In Holland begon de zogenaamde Sokratische oorlog toen pas goed. Natuurlijk had men ook hier de roman aanstonds gelezen, vertaald en bediscussieerd. Maar nergens laaide het theologisch twistvuur zo hoog op als bij ons. Er vormden zich twee partijen die elk een stortvloed van boeken en pamfletten over hun tegenstander uitstortten. De voornaamste woordvoerder van de gereformeerde orthodoxie was de Rotterdamse predikant Petrus Hofstede, die in 1769 de strijd opende met een grondig gedokumenteerd geschrift: De Belisarius van den Heer Marmontel beoordeeld, en de kwade zeden der vermaardste Heidenen aangetoond, ten bewyze hoe onbedagtsaam men deselve om hunne deugdsaamheid verhemeld heeft. Hiertegen kwam in het geweer Hofstede's remonstrantse collega Cornelius Nozeman uit Rotterdam met een, eveneens nog in 1769 verschenen werk: Socrates Eere gehandhaafd. De Bie, die in zijn biografie van Petrus Hofstede een gedetailleerd verslag van de polemiek verschaft, heeft terecht opgemerkt dat door toedoen van de rotterdamse predikant de eigenlijke kwestie waar het Marmontel om ging, nl. de eventuele zaligheid van vrome heidenen, vervangen werd door een nieuwe vraag naar het zedelijk gedrag van Sokrates en andere bekende mannen uit de klassieke oudheid. Terwijl voor Nozeman en zijn secondanten Sokrates, Plato enz. haast onwaarschijnlijke deugdhelden waren, putte Hofstede zich uit om hen als door en door zedeloos te ontmaskeren. Deze inquisitorische handelwijze wekte verontwaardiging bij allen die de klassieke wijsgeren van oudsher bewonderden en liefhadden. Hofstede's aanval op Sokrates betekende dan ook een ruwe verstoring van de kerkvrede in ons land. Hij prikkelde tot partij-kiezen. De deugdzaamheid van Sokrates werd een toetssteen voor iemands graad van rechtzinnigheid. Een pikante bijzonderheid hierbij is dat Van Alphen's

[p. 70]

zwager R.M. van Goens, zij het bedekt, tegen Hofstede in het krijt trad.80

Zelfs in Duitsland vond het debat Hofstede-Nozeman repercussie. De Berlijnse predikant Johann August Eberhard81 (1739-1809), vriend van Nicolaï en Mozes Mendelssohn, nam in 1772 duidelijk stelling tegen Hofstede met zijn Neue Apologie des Socrates, oder Untersuchung der Lehre von der Seligkeit der Heiden, welk werk het jaar daarop in franse vertaling te Amsterdam verscheen. Wel een bewijs hoezeer de affaire de gemoederen hier bezig hield. Op de duur werd het de Staten van Holland te gortig. Bij publikatie van 1 mei 1773 maakten zij een einde aan de strijd door verder twistgeschrijf over de leerstukken van de publieke kerk te verbieden.

 

De eerste indruk die Van Alphen's verweerschrift tegen Eberhard wekt is: mosterd na de maaltijd. Het lijkt bij voorbaat al een nutteloze oprakeling van uittentreure gehoorde argumenten. Maar het voorbericht maakt meteen duidelijk, dat we hier niet te doen hebben met een van de vele bijdragen aan de Sokratische oorlog. De namen van Marmontel, Hofstede en Nozeman worden vrijwel niet genoemd. De schrijver beoogt ook geen verdediging van de gereformeerde leer in strikte zin, maar van de protestantse godsdienst in het algemeen. Daartussen ligt voor hem duidelijk verschil. Hij beoogt als onpartijdig onderzoeker, louter steunend op eigen Schriftlezing en op de ‘gezonde reden’, het geschil wegens de zaligheid of rampzaligheid van hen die zonder de openbaring geleefd hebben, op te lossen.

Om de zaligheid der heidenen te bepleiten kan men volgens Van Alphen twee wegen bewandelen. De eerste methode steunt slechts op hypothesen door te veronderstellen ‘of dat God zijn Zoon Jesus aan de Heidenen onmiddellijk en buiten den weg van prediking had geopenbaard, of dat de verdiensten van Christus aan hen waren toegerekend op eene voor ons verborgene wijze.’82 Anderen daarentegen kennen de heidenen de zaligheid toe om hun eigen deugdzaamheid, die de goddelijke rechtvaardigheid noodzakelijk belonen moest. In deze gedachtengang is

[p. 71]

natuurlijk absoluut geen plaats voor rechtvaardiging en eeuwige hellestraf. Men moet dan konkluderen tot de verbeterbaarheid van ieder mens, die uit eigen kracht de weg ter zaligheid kan bewandelen.

Van Alphen erkent dat alleen de tweede, ook door Eberhard gevolgde methode onderwerp van redelijke diskussie kan zijn. Hij geeft nu eerst een nauwkeurige samenvatting van het betoog van zijn opponent. Dit valt te herleiden tot de volgende vier stellingen:

1)de leer der verzoening is strijdig met de Schrift, de deugden Gods en de gezonde rede;
2)de leer der genade is ongerijmd;
3)de heidenen hebben wezenlijke deugden beoefend en dienen in zoverre door God eeuwig beloond te worden;
4)de leer van de eeuwigheid der straffen is een hersenschim.

Zoals men ziet knoopt alleen punt drie rechtstreeks aan bij de Sokratische oorlog tussen Hofstede en Nozeman. Voor het overige betreft Van Alphen's apologie de beginselen van het christendom die aan het geschil over de deugdzaamheid der heidenen ten grondslag liggen. Opmerkelijk is daarbij dat hij bewust vermijdt om te spreken over de leer der verkiezing en verwerping. Hierover bestaat immers groot meningsverschil binnen de christelijke kerken en Van Alphen wil niet als lid van een bijzondere gemeente het woord nemen.

In zijn weerlegging van Eberhard's vier stellingen beroept Van Alphen zich nergens op enig gezagsargument, ook niet op een eerdere uitlegging van bijbelplaatsen door kerkvaders, katholieke of protestantse theologen. Terloops vermeldt hij soms ‘de onnavolgbaare Young’ en ‘de voortreffelijke Gellert’;83 enkele malen verwijst hij naar de Institutiones metaphysicae (1764) van Dionysius van de Wijnpersse84 of naar de Primae lineae theologiae naturalis theoreticae (1765) van Johan Lulofs,85 maar daar blijft het dan ook bij. Zijn methode is telkens deze: eerst gaat hij nauwkeurig alle in aanmerking komende bijbelteksten interpreteren, waarbij hij zich zoveel mogelijk aan de letterlijke woordbetekenis houdt. Vervolgens tracht hij de uitkomst van dit schriftonderzoek te toetsen aan het wijsgerig denken. Hij toont zich daarbij een volleerd filosoof die de Leibnitziaanse sluitredenen met groot gemak hanteert. Stuk voor

[p. 72]

stuk onderzoekt hij zo de vier hoofdstellingen waar Eberhard's stelsel op berust.

Het heeft weinig zin zijn argumentatie op de voet te volgen. De uitkomst is in elk geval, dat Eberhard zich ongeweten zo ver van de christelijke leer heeft verwijderd, dat hij nauwelijks nog de naam van christenwijsgeer verdient. Men kan Van Alphen een juist inzicht niet ontzeggen, wanneer hij aan het slot van zijn boek Eberhard een typische representant van het voor de christelijke leer allergevaarlijkste naturalisme noemt: ‘Dan het is de heerschende smaak dezer eeuwe de Christelijke Leer zo voortedragen, dat er het wezenlijke uit weggenomen wordt. Voor de tijden der hervorming, vulde men de Leer der Heilige Schrift aan met ontelbare bijgelovige plegtigheden. Nu men het bijgeloof verjaagd heeft, slaat men tot een ander uiterste over; en men verwerpt alles, waar toe geloof vereischt wordt.’86 Het zijn woorden van iemand die zich geen zand in de ogen liet strooien. Behalve scherpzinnig toont Van Alphen zich in dit boek ook een zakelijk en fair opponent. Het zegt misschien genoeg dat hij zelfs de lof verwierf van zijn tegenstander Eberhard.87

Hoewel de eigenlijke kwestie van de deugdzaamheid der heidenen slechts een onderdeel vormt van Van Alphen's boek, interesseert ons zijn visie hieromtrent toch bijzonder, omdat ze zo nauw samenhangt met zijn verhouding tot de klassieke oudheid, meer speciaal tot de grieks-romeinse literatuur. We zijn benieuwd te vernemen, hoe deze bewonderaar van de klassieke poëzie de antieke mens beoordeelde.

Op het voetspoor van Eberhard begeeft Van Alphen zich in het vierde hoofdstuk op het glibberige terrein van de geschiedenis der heidense godsdiensten, waarbij hij zich geenszins beperkt tot grieken en romeinen. Ook egyptenaren, perzen, inca's en andere amerikanen, hottentotten, hindoes en chinezen worden gewogen en te licht bevonden. Is het een teken van de naderende romantiek dat de ‘Noordsche volkeren’ er relatief het gunstigst afkomen, als hebbende ‘de eenvoudigste en minst bedorven Godsdienst van hen, die de openbaring misten’88? Voor het

[p. 73]

eerst in zijn boek baseert Van Alphen zich op secundaire bronnen, getuige een indrukwekkend notenapparaat. Maar zelfs al las hij de in 1771 te Parijs uitgegeven Zend-Avesta, Ouvrage de Zoroastre,89 dit gedeelte van zijn onderzoek blijft toch het meest aan de oppervlakte, berust te zeer op incidentele gegevens.

Eberhard was verstandig genoeg geweest om de heidenen niet tot vlekkeloze deugdzamen te promoveren. Alleen, hij achtte hun gebreken verschoonbaar als gevolg van onwetendheid. Van Alphen van zijn kant gaf wel toe, dat er in de oudheid, buiten de joden, ‘zeer veele menschen, ja mogelijk geheele volken geweest (waren), bij welken de kennis van den eenigen waaren God (was) bewaard gebleven; en die den naam van godvrugtigen verdienen’.90 Hij verklaarde dit echter als gevolg van de openbaring, die eenmaal ook die oude volkeren beschenen had, voordat zij tot het heidendom vervielen. Wat er dus nog aan deugdzaams in de heidenen te ontdekken viel, zou enkel een residu van vroegere heilsopenbaring zijn. Het zal ons na dit alles niet meer verwonderen, dat Van Alphen tot een geheel negatief eindoordeel kwam. Weliswaar noemde hij de verdoemenis van de heidenen geen geloofsartikel,91 maar indien sommigen van hen de zaligheid verwierven, dan toch nooit om hun vermeende deugdzaamheid.

Intussen hebben we nog geen antwoord gekregen op de vraag, hoe deze veroordeling van de antieke oudheid vanuit zedelijk en religieus oogpunt te rijmen valt met een bewondering van haar kunst en literatuur. Wie Van Alphen's betoog nauwkeurig heeft gevolgd, kan niet anders dan konkluderen dat voor hem de gehele klassieke literatuur als navolgingswaardig voorbeeld heeft afgedaan. Maar deze konsekwentie wordt nergens getrokken. Het probleem komt eenvoudig hier niet ter sprake. Mij dunkt, dat een intelligent, fijngevoelig man als Van Alphen deze moeilijkheid wel degelijk heeft onderkend. Wij zullen nog meermalen gelegenheid hebben om op deze problematiek terug te komen. Nu kunnen we alleen vaststellen, dat, zolang auteurs als Van Alphen de antieke traditie als vijandig aan hun christelijke overtuiging beschouwden, terwijl zij noch met het een noch met het ander breken konden, zij aan een innerlijke tweeslachtigheid leden die zich vroeg of laat moest wreken. Een vergelijking dringt zich op met de christelijke schrijvers

[p. 74]

van de renaissance die, met dezelfde problematiek geconfronteerd,92 wèl een verzoening bereikten van antieke cultuur en christendom. Voor Van Alphen bleek dit van het begin af een onmogelijkheid.

 

De in zijn verweerschrift tegen Eberhard zo zakelijk-objectief voorgedragen geloofsverwachting werd datzelfde jaar nog op wrede wijze beproefd. Eerst stierf, 28 juni 1775, zijn enige oom van moederszijde, Jan Daniël van Alphen. Maar een veel zwaarder slag vormde de dood van Hieronymus' jonge vrouw93 op 13 augustus in het kraambed van haar derde zoon die de naam van zijn vader droeg. Ontroerend in zijn veelzeggende soberheid is de korte aantekening op 20 augustus in het doopboek van de Catharina-kerk: ‘De moeder overleden; de vader doopheffer’.94 Als we iets met zekerheid weten uit het leven van Van Alphen dan is het zijn diepe genegenheid voor Johanna Maria van Goens, ‘De teerste moeder: de beminlijkste aller vrouwen’.95 In een brief van 17 april 1776 aan Lavater schetste hij in eenvoudige woorden hun huwelijksleven: ‘J'ai perdu, il n'y a pas longtems, a l'age de 29 ans une epouse que j'adorois et qui n'avait que 25 lorsqu'elle mourut; nous avons vecu ensemble 3 ans, et elle m'aimoit parfaitement. Trois enfans qu'elle m'a donnée sont les reliques de notre amour. Elle etoit d'une extrême sensibilité, de sorte que sa conversion et ensuite des chagrins, lui ont couté sa santé. Elle manquoit le sommeil, et ses douleurs m'etoient des tourmens. A present elle n'est plus, et sa felicité me console parfaitement.’96

Ook Johanna Maria blijkt dus een bekeringsgeschiedenis te hebben doorgemaakt die haar fysiek sterk aangegrepen heeft. De dood kwam voor haar niet onverwacht: ‘... 'k voorzag uw jongsten snik,/Als de eigenliefde zweeg, met pijnigend verlangen./Heb ik niet menigwerf, in dit vooruitgezigt,/ Uwe afgematte ziel op deze rust gewezen?’97 Dat laatste jaar van hun samenleven moet een lange lijdensweg zijn geweest. Rijklof Michael, de broer, ofschoon anders geheel overgegeven aan zijn

[p. 75]

professorale bezigheden, was met verwaarlozing van zijn eigen gezondheid niet van Jansje's ziekbed geweken. Onder die droevige omstandigheden pas, nu hen eenzelfde genegenheid samenbond, groeide er iets van persoonlijke vriendschap tussen beide zwagers.98 Troost vond Van Alphen ook bij verdere familie en vrienden, bovenal echter in de poëzie.

Onder de onmiddellijke indruk der gebeurtenissen schreef hij een Klaagzang: Mijne Aandoeningen bij het graf van mijne beminde egtgenoote, vrouwe Johanna Maria van Goens. Hij liet dit gedicht samen met twee oden in 1775 voor zijn naaste vrienden drukken bij Terveen te Utrecht.99 De kleine plaquette maakte ook buiten die kring zoveel opgang dat Van Alphen het drietal, vermeerderd met enkele andere dicht- en prozastukjes, opnieuw uitgaf in zijn Gedigten en Overdenkingen van 1777, welke bundel helemaal in het teken van dood en onsterfelijkheid stond.

Toen Van Alphen zijn Klaagzang publiceerde, kende het letterlievend publiek buiten Utrecht hem nog nauwelijks als dichter. Hij had enkele geleerde werken op rechtshistorisch en theologisch gebied op zijn naam, men wist dat hij samen met zijn vriend Van de Kasteele twee bundeltjes stichtelijke mengelpoëzie had uitgegeven. Maar die werden om andere dan strikt literaire motieven gewaardeerd. Ze waren in elk geval weinig geschikt om er een reputatie als dichter mee te vestigen. Aangezien Van Alphen bovendien geen lid was van een van de vele dichtgenootschappen, zoals Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen, Kunstliefde Spaart Geen Vlijt, of Studium Scientiarum Genetrix, maar zich integendeel bewust buiten dit officiële wereldje van rijmelaars en recensenten hield, was hij omstreeks 1775, literair gesproken, nog een onbekende. Dat veranderde op slag met het bekend worden van zijn Klaagzang op Johanna Maria van Goens. Maar niet alleen voor Van Alphen zelf doch ook voor de nederlandse letteren betekende de publikatie van dit gedicht een gewichtig keerpunt: de eigenlijke doorbraak van de preromantiek, waartoe R.M. van Goens en anderen omstreeks 1766 al de theoretische grondslagen hadden gelegd. Het zal dus dienstig zijn om deze Klaagzang met meer dan gewone aandacht te analyseren.

Het 236 alexandrijnen tellende gedicht is opgebouwd uit elf fragmenten van ongelijke lengte met gekruist rijm, gevolgd door een viertal vijfregelige strofen. Het geheel voert ons in gedachten naar de plaats waar Johanna Maria begraven ligt. De dichter overpeinst hun kort-

[p. 76]

stondig geluk, onderwijl troost zoekend in de gedachte dat zij de hemelse gelukzaligheid deelachtig is en hem daar opwacht. Door dit denkbeeld gesterkt, voelt hij zich in staat om haar graf te bezoeken, waar opnieuw gevoelens van smart hem dreigen te overweldigen. Hij wendt nu zijn blik naar de drie kinderen, ‘waarin haar wezen speelt’. Indien de morgenstond van hun leven al zo moest beginnen, wat zal dan de dag zelf brengen - zo vraagt hij zich af. Dan keren zijn gepeinzen weer op hun oorsprong terug. Hij zendt nu de kinderen weg van het graf, waarop hij eigenhandig een vierregelige epitaaf (fragment 11) neerschrijft. Na dit pathetische hoogtepunt eindigt de Klaagzang met een strofisch afscheidslied.

Met zijn losse, improviserende meditatie waarbij een veelheid van motieven opwelt, met zijn reflexie vooral over individuele ervaringen verwijderde Van Alphen zich een heel stuk van de klassieke elegia funebris. Wel vinden we nog de geijkte opbouwelementen: laus (lofprijzing), luctus (smartbetoon) en consolatio (vertroosting),100 maar hun opeenvolging lijkt willekeurig. Verder ontbreken zowel verdichte namen als mythologische allusies, terwijl de Klaagzang beurtelings het karakter aanneemt van elegie, grafrede en grafschrift. Tenslotte wisselt ook het auditorium voortdurend: eerst richt de dichter zich tot zijn (lezers-)publiek, dan tot de gestorvene, even later tot Jezus, verderop weer tot zijn kinderen. Toch zal de contemporaine lezer deze Klaagzang allereerst als een klassieke dichtvorm herkend hebben. Indien hij enige belezenheid bezat in de moderne buitenlandse literatuur, zal hij echter ongetwijfeld ook sporen van verwantschap met de Night Thoughts van Edward Young101 hebben opgemerkt, speciaal met de zesde Nacht waarin Young de dood van zijn vrouw bemediteert. Maar hij zal dan tevens hebben kunnen vaststellen dat Van Alphen veel direkter uitdrukking gaf aan zijn persoonlijke situatie, terwijl de Engelse dichter, alle melancholie ten spijt, een uiterst effektvol stuk eloquentie presenteerde. Er zijn meer verschillen. Anders dan Young dringt Van Alphen in zijn verbeelding door tot de hemelse regionen waar hij zijn dierbare tegenwoordig weet:

 
Mij dunkt, ik hoor, hoe ge aan uw vriendenrei vertelt,
 
Langs welken weg u God bragt in Zijn hemelwoning;
[p. 77]
 
Elk ziet Zijn wijsheid, magt en liefde in 't geen gij meldt;
 
Dan valt gij zamen neer! .... Aandoenlijke vertooning!....

Stoutmoediger vlucht nog neemt deze metafysische verbeelding, wanneer de dichter zich de hereniging met zijn geliefde bij de opstanding voorstelt:

 
Ik zie reeds, in den geest, bij 's werelds avondstond,
 
U, vrolijk juichend, uit het splijtend graf verrijzen:
 
Ik zie uw vriendlijk oog, ik hoor dien lieven mond
 
Reeds Jezus trouw en Gods genade prijzen.

Dergelijke hemelfantasieën komen bij Young niet voor. Ze herinneren aan soortgelijke taferelen bij Klopstock en andere duitse dichters van piëtistische origine. Zoals elders is uiteengezet,102 typeert het echter Van Alphen dat bij hem de mortuaire fantasie altijd haar oriëntatiepunt vindt in Christus. Terwijl iemand als Feith bijv. de hemel steevast in erotisch perspektief ziet en de geliefde het middelpunt laat zijn van zijn opstandingsvisioenen, maakt Van Alphen deze begeerte altijd ondergeschikt aan het verlangen bij Jezus te zijn. Wel moet men erkennen dat de spontaan-menselijke emoties soms een zekere spanning oproepen ten opzichte van hetgeen de dichter gode weet schuldig te zijn. Treffende voorbeelden daarvan vinden we vooral in de Klaagzang op Johanna Maria van Goens. Het is alsof de dichter, uit vrees Gods eer te kort te doen, voortdurend zijn gemoedsbeweging intoomt. Onmiskenbare afkeer voor de dood (‘Men noeme vrij dit hol een akelig verblijf’) wordt onmiddellijk daarop weggedrongen in de regel: ‘Ik zal 't, op Gods bevel, voor u een rustplaats heeten’. Ditzelfde terugdeinzen voor het zuiver menselijk sentiment blijkt nog duidelijker uit die toon van zelfverwijt:

 
'k Begeer geen liefde die ge aan Jesus schuldig zijt;
 
Ik heb die hier misschien reeds al te veel genoten;

Aldus heeft zijn streng-christelijke geloofsovertuiging Van Alphen stellig bewaard voor de ongeremde gemoedsexpressie van sommige sentimentelen, anderzijds kreeg hierdoor zijn lyriek haar karakteristieke gespannenheid.

Toch kon Van Alphen's Klaagzang op een bepaald punt geen genade vinden in de ogen van zijn geloofsgenoten. Het ging hier om een passage waarin hij de voorspraak van zijn gestorven vrouw inriep:

[p. 78]
 
Maar denktge, Jansje lief! ook somtijds niet aan mij;
 
Aan mij!.. Zoudtge op uw hart nooit mijn belangen dragen.
 
Van 't geen uw blijdschap stoort, dit weet ik, zijtge vrij;
 
Maar egter kuntge veel voor mij bij Jesus vragen.
 
Gij kendet mijn ellend; gij wist waar aan ik kwijn;
 
Nu is de toegang tot Gods liefde U nooit geslooten.
 
Wie weet, hoe vaak mijn weg zal in het duister zijn;
 
Hoe verre ik soms verdwaal van mijne reisgenooten.
 
Maar ja! gij denkt aan mij; dit merke ik dag aan dag;
 
'k Ontvang op uw gebed een aantal van geschenken:
 
 
 
En waarom zoudtge ook niet om 't heil van uw geslagt
 
Aanhoudend smeeken, en ons kroost tot Jesus brengen;
 
Het kroost, dat uwe zorg gewaar werd dag en nagt;
 
Ja!.. Jesus kan van U zulk bidden wel gehengen.

Deze regels wekten heftige verontwaardiging bij de steile calvinisten.103 Men verweet Van Alphen ketterse (versta: roomse) aanbidding van een schepsel onder voorbijgaan van Christus' exclusieve middelaarschap. De aangevallene verdedigde zich tegen deze beschuldigingen in het voorbericht tot Gedigten en Overdenkingen. Hij veranderde geen woord in zijn Klaagzang en handhaafde zijn mening dat de zaliggestorvenen hun achtergelaten dierbaren met gevoelens van liefde gedenken. Op zichzelf bezat hun gebed geen verdiensten: ‘De voorbidding van Christus alleen is verdienstelijk; de voorbidding der afgestorvenen is volkomen gelijk aan de voorbidding der gelovigen hier op aarde; en steunt op dezelfde gronden.’ Of deze nadere verklaring elk wantrouwen zal hebben weggenomen? Het lijkt onwaarschijnlijk, gelet op de auteurs die Van Alphen ter adstructie aanvoert. Hij noemt, naast de theologen Walch104 en Kraftius,105 drie duitse literatoren: Albrecht von Haller (Trauer-Ode), Klopstock (brief aan zijn vrouw Meta) en Lavater (Tagebuch). Genoeg om te laten zien uit welke hoek bij hem de wind waaide.

De kleine brochure van 1775 wekte nog om geheel andere reden enig misnoegen. Na de Klaagzang volgde de alcaïsche Ode aan den Dood, een rijmloze strofevorm zoals door Klopstock weer in zwang was gebracht.

[p. 79]

Diens plechtige bezwerende toon klinkt al aanstonds in de aanhef:

 
Vorst der verschrikking! vol van bekommernis
 
Ziet gij me treuren; daarge mijne egaê rooft;
 
Haar wegvoert uit mijn liefdes armen,
 
En ze laat leven in 't bevend harte.

Een dergelijke hoge ode was op dat tijdstip in de nederlandse poëzie nog iets ongehoords. Zelfs een enthousiast voorstander van het rijmloze als Ahasuerus van den Berg bekende in een brief van 5 januari 1776 zijn onwennigheid: ‘Ik prijs de proeve daar ik allang tegen het rijm geschreven hebbe. Met lezen en herlezen ben ik ook aan de cadans gewoon geworden; maar ik heb vergeefsch gepoogd uw voorbeeld te volgen. Onze troch.[eeën] en spond.[eeën] zitten mij noch te vast in 't hoofd.’106

Ook in de Ode aan Christus valt duidelijk te zien, dat Van Alphen zich in de jaren 1773-1775 heeft losgemaakt van zijn vroegere voorbeelden Voet en Schutte. De rococo-invloed is nu vrijwel uitgewerkt om plaats te maken voor de duitse en engelse sentimentaliteit. Niet voor niets werd de Ode aan den Dood voorafgegaan door een motto van Young.

Wel ondervond Van Alphen zelf ook nog moeite met die nieuwe dichtvorm. Zo zelfverzekerd als hij de kritiek op zijn vermeende ketterij van de hand wijst, zo aarzelend is zijn verdediging van de rijmloze verzen: ‘Wat zal ik u zeggen mijne Landsgenooten! dat gij in mijne rijmelooze verzen nog veel gebrek aan harmonie bespeurt, is redelijk; ik gevoel dat zelf: maar dat gij het rijmelooze in het geheel veragt, daar in prijze ik u niet. Ik heb het beproefd, en ben er nog gebrekkig in; maar ik vrees, uit het geen ik er over gehoord heb, dat gij er nog niet rijp voor zijt: en zo ik dit op den duur bemerke, beloof ik u, er u niet meer meê te zullen lastig vallen, maar het te zullen overlaten voor een volgend geslagt.’107 In de nu volgende jaren heeft de nederlandse kunstkritiek, Van Alphen voorop, zich intensief met dit probleem bezig gehouden. We zullen verderop nog zien met welk resultaat.

 

Omstreeks augustus 1776, kort na het overlijden van Johanna Maria van Goens, verhuisde Van Alphen van de Trans naar de Kromme Nieuwe Gracht.108 Wilde hij een kleiner huis, of verdroeg hij niet langer te

[p. 80]

wonen in kamers waar alles hem aan zijn verlies herinnerde? Natuurlijk zag hij zich nu gedwongen om geheel alleen de opvoeding van zijn drie kinderen te behartigen. En Van Alphen was bepaald niet de man om deze taak licht op te vatten. Verschillende van zijn publicaties uit de komende jaren zijn in eerste instantie geschreven voor zijn eigen kinderen. Meer nog dan voorheen trok hij zich terug op zijn studeerkamer. Studie en vooral literatuurbeoefening bleek hem het beste geneesmiddel tegen de onvermijdelijke melancholie. Het is dan ook geen wonder dat de nu komende vijf jaren in literair opzicht de vruchtbaarste periode uit Van Alphen's loopbaan vormen. Alles werkte hiertoe mee: hij was in de kracht van zijn leven, had tijd in overvloed en genoot juist in deze periode de omgang met enkele vrienden die, net als hij, bijzonder geïnteresseerd waren in de ontwikkeling van onze letterkunde. Ik denk hier niet alleen aan Van Goens maar ook aan de reeds genoemde Ahasuerus van den Berg109 en aan Lavater, met wie Van Alphen nu in kontakt zocht te treden.

III. 4. ‘Mijn vriend Lavater’

Onder de auteurs waarop Van Alphen zich ter verdediging van zijn Klaagzang beriep, behoorde ook zijn ‘vriend’ Lavater, zoals hij hem zelf betitelt. Nu beantwoordde die benaming meer aan Hieronymus' diepste verlangen dan aan de realiteit. In feite vormt zijn relatie met Lavater een voor Van Alphen wel zeer teleurstellende geschiedenis met tragisch-komische afloop. Om dit ten volle te beseffen, dienen we eerst enige voorstelling te hebben van de figuur Lavater. Wat betekende hij voor zijn bewonderaars èn tegenstanders?

Toen Van Alphen in april 1776 met hem een briefwisseling wilde aanknopen, stond Johann Kaspar Lavater, predikant aan het Waisenhaus te Zürich, op het toppunt van zijn roem.110 Juist als Van Alphen was hij opgegroeid in een sfeer van rationalisme en dogmatisme, maar hij had zich hiervan weten te bevrijden. Zijn enthousiast, lyrisch beleden geloof deed hem voortaan in woord en geschrift het ‘Christusleere Christentum’. van de duitse Aufklärung bestrijden. Ook hij had aanvankelijk in zijn direkte omgeving enige bekendheid gekregen als dichter van

[p. t.o. 80]



illustratie
Afb. 13: Ds. J. Matthias Jorissen (1739-1823). Aquarel door W. Horstink, 1809. Coll. Mevr. Taets van Amerongen-Jorissen, 's-Gravenhage. Foto: Iconographisch Bureau.

[p. t.o. 81]



illustratie
Afb. 14: Ds. Ahasuerus van den Berg (1733-1807). Gravure door J. Houbraken uit 1776 naar tekening van H. Pothoven. Teyler's Museum Haarlem, sign. PP 78.

[p. 81]

geestelijke liederen. Oppervlakkig bekeken bestaan er dus zeker enige punten van overeenkomst met Van Alphen. Maar wat een verschillen toch bij nader toezien! Van Alphen: introvert, waar het kon zich terugtrekkend in zijn kleine kring, altijd bang zich aan koud water te branden, maar ook nooit zo dwaas om zijn kritisch verstand buitenspel te zetten. Lavater daarentegen: expansief, met half Europa in correspondentie, vriendschap aanknopend ver buiten het eigen milieu met zo verschillende mannen als Goethe, Herder, Stilling; scherp observator, ongetwijfeld een oorspronkelijk denker en daardoor een zuiver voorbeeld van de 18e-eeuwse genie, maar gemakkelijk geneigd om zich door zijn geestdrift te laten meeslepen, zodat hij op zijn laatst een gewillige prooi was voor zijn messcherpe opponent Lichtenberg.

Tussen 1768 en 1773 had Lavater plotseling ver buiten Zwitserland naam gemaakt door zijn Aussichten in die Ewigkeit in de vorm van een reeks brieven aan zijn vriend Johann Georg Zimmermann. Lavater stond hierbij sterk onder invloed van een eerder door hem vertaald werk van Charles Bonnet: Palingénésie philosophique ou idées sur l'état passé et sur l'état futur des êtres vivants (Genève 1769). In geen van zijn geschriften ging Lavater zo lijnrecht in tegen de opvattingen van de Verlichting. Aan het begin van de 18e eeuw had de verlichte predikant Balthasar Bekker met zijn De Betoverde Weereld (1691-1693) de aanval geopend op allerlei vormen van bijgeloof. Wat als heksenjacht begon liep echter in de loop van de 18e eeuw uit op twijfel of ongeloof ten aanzien van de gehele geestenwereld. Daarmee werd het metafysisch perspektief van het christendom naar de achtergrond verschoven ten gunste van een zuiver aardsgerichte ethiek. Ondergronds, bij piëtisten, quietisten, illuministen en andere irrationalisten, bleef intussen een sterke belangstelling voor het leven na de dood bestaan. Maar pas in de periode van de preromantiek, omstreeks 1770, manifesteert zich bij figuren als Emanuel Swedenborg, Johann Georg Hamann, Lavater en Heinrich Jung Stilling een extreem, uiterst spekulatief spiritualisme. Swedenborg was bij de geesten om zo te zeggen kind aan huis.111 Ook Lavater spreekt met grote vrijmoedigheid over het leven hiernamaals. In brief xiii van zijn Aussichten noemt hij een hele reeks gevallen van menselijk kontakt met de geestenwereld. Van Alphen, die zich naar we zagen over het graf heen op bijzondere wijze nog met zijn gestorven vrouw verbonden voelde, werd door dit boek zo gefascineerd dat hij moeite deed het vertaald te krijgen.

[p. 82]

Populairder nog dan de Aussichten werd het in 1771 buiten medeweten van Lavater te Leipzig uitgegeven Geheimes Tagebuch. Von einem Beobachter seiner selbst. Iedereen herkende in de anonieme auteur onmiddellijk de Zürcher predikant, zodat Lavater in 1773 bij de publikatie van het tweede deel onder eigen naam slechts bevestigde wat men al wist. De hier gepraktiseerde zelfontleding, de minutieuze aandacht voor eigen doen en laten vanaf het moment van opstaan tot het tijdstip van slapen gaan, het streven vooral om die alledaagse bezigheden of gedachten te heiligen, ligt geheel in de lijn van de piëtistische praktijk. Nieuw was alleen het element van zelfaanklacht, van zelfontmaskering waarmee zowel slechte als goede daden beoordeeld werden. Lavater's voorbeeld wekte velen op tot het bijhouden van een geestelijk dagboek. Omdat het zijne een van de weinige in die tijd gepubliceerde dagboeken is, werd het ook naar de vorm een model voor andere gemoedsdagboeken. Bij ons traden Bellamy, Feith, C.A. van Lier en Jacob van Loo in Lavater's voetspoor.112 Maar de eerste die, voor zover mij bekend, zulks deed was Hieronymus van Alphen. Sedert 30 december 1774 noteerde hij vrijwel dagelijks de temperatuurschommelingen van zijn ziel. Zijn geheime dagboek113 vertoont alle trekken die W.F.G. Breekveldt voor het genre kenmerkend noemde: ‘groot geestelijk belang van eenzame natuurbeleving; voortdurende ontmaskering van de eigen motieven tot handelen, zelfbeschuldiging van hoogmoed; onvrijmoedigheid als beletsel van geestelijke voortgang; typering van de ongodsdienstige buitenwereld als ‘woelig’ en ‘woest’; aandacht voor markante data: Nieuwjaar, de eigen verjaardag.’114 Maar ook bespeurt men, hoe gemakkelijk het geestelijk dagboek zijn auteur vervreemdde van de werkelijkheid. Het noteren van de intiemste gedachten wordt op de duur belangrijker dan de daden waartoe zij aanleiding gaven. Het dagboek, aanvankelijk in dienst staande van de levenspraktijk, gaat zelf een autonoom leven leiden. De gedachte reeds aan wat hij 's avonds in zijn dagboek zal gaan schrijven berooft de auteur overdag van zijn zekerheid en spontaneïteit. S. Dresden heeft in zijn Problemen der dagboekliteratuur115 dit gevaar van de ver-

[p. 83]

vluchtiging der persoonlijkheid duidelijk onderkend. Een ambteloos tot zwaarmoedigheid geneigd man als Van Alphen liep natuurlijk eerder risiko in dit opzicht dan Lavater.

Een geheel ander facet van Lavater's beweeglijke geest vinden we in zijn Physiognomische Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (4 dln., 1775-1778). Zoals de titel reeds aangeeft, ging het de auteur hierin niet om louter wetenschappelijk inzicht. Hij verwachtte van de door hem ontworpen gelaatkunde een zedelijke en religieuze vervolmaking van de mens. Het bijbelwoord volgens hetwelk God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis, werd door hem in zijn volle betekenis begrepen. Naarmate de mens innerlijk meer aan Gods bedoelingen met hem beantwoordde, moest ook zijn gestalte die gelijkvormigheid beter zichtbaar maker. Het gelaat van Christus was de ideale expressie van het goddelijke in het vlees. De beoefening van de fysiognomiek die zich overigens niet beperkte tot het gelaat alleen maar bijv. ook de handen in haar onderzoek betrok, vroeg volgens Lavater voor alles een nobel hart en een zuiver geloof.

De Physiognomische Fragmente gaan uit van de eenheid van geloof en wetenschap. Dat verklaart mede waarom ook een nuchter man als Van Alphen grote waarde hechtte aan Lavater's gedurfde beschouwingen. En hij stond hierin niet alleen.116 Met name in oostelijk Nederland ontstond binnen enkele jaren een kring van geestverwanten die zijn centrum vond in kasteel De Schaffelaar onder Barnevelt. Daar woonden sinds hun huwelijk op 13 september 1774 Margriet baronesse van Essen, geboren van Haeften,117 en haar man Lucas Willem van Essen tot

[p. 84]

Helbergen. De kasteelvrouwe onderhield vriendschappelijke betrekkingen met een groot aantal literatoren zoals J.F. Martinet118 uit Zutfen, haar buurman Willem Hendrik Sels,119 Ahasuerus van den Berg (van 1766 tot 1778 predikant te Barnevelt) en diens collega te Ootmarsum ds. Jacob van Loo,120 ds. Matthias Jorissen, predikant van de beide Havezathen bij Tiel, Hieronymus van Alphen en Lavater. Zij steunde hen, waar nodig, financieel en in alle gevallen door haar gastvrijheid en warme belangstelling. Zelf beoefende zij eveneens de dichtkunst, was lid van het Haagse Kunstliefde Spaart Geen Vlijt121 en publiceerde anoniem twee bundels, namelijk Iets van M... (z.p., 1780) en Een handvol menschen vreugde (Amsterdam 1781). Haar sentimentele gedichten en poëtisch proza geven haar ongetwijfeld recht op een bescheiden plaats in onze literaire vernieuwingsbeweging. Belangrijker evenwel is het feit, dat zij bijna twintig jaar lang (zij stierf kinderloos op 5 april 1793, haar man 23 september 1791) het hare bijdroeg aan de bekendwording van de duitse preromantici. Gellert, Klopstock en Lavater - dat waren de schrijvers die op De Schaffelaar bij voorkeur werden gelezen en vertaald.

Margriet van Essen heeft Lavater nooit ontmoet. De Zürcher predikant spreekt haar in een van zijn gedichten aan als ‘Mir so ferne, Gott so nahe Schwester, die mein Auge nie sah’.122 Maar dat vormde, gelijk uit deze ene regel al blijkt, geen beletsel voor de hartsvriendschap. Als bemiddelaar trad hierbij op de reeds genoemde Matthias Jorissen, die zelf van duitse afkomst was en sedert 1774 in briefwisseling met Lavater

[p. 85]

stond. Omdat ook hij tot de vriendenkring van Van Alphen behoorde, dienen we bij deze Lavater-bewonderaar even stil te staan.

Jorissen123 kwam uit Wezel. Hij studeerde theologie te Duisburg en (van 1762 tot 1765) te Utrecht, zonder dat Van Alphen hem overigens toen heeft leren kennen. Na zijn terugkeer in Duitsland verkeerde hij gedurig in de omgeving van zijn neef Gerhardt Tersteegen (gestorven 1769) en kwam zo sterk onder invloed van het Rijnlandse piëtisme. Op 28 februari 1768 nam zijn leven een plotselinge wending, toen hij het waagde om vanaf de kansel te protesteren tegen een door de regerings-commandant van Wezel, Freiherr von Gaudy, uitgegeven spotschrift: Apostolisches Send- und Ermahnungsschreiben an die gottlose Welt über die Notwendigkeit und Vorteile des feinen Christentums. Het gevolg was dat hij zijn land moest verlaten en zo was hij beroepen in Kerk- en Kapel-Avezaath. Zijn belangstelling ging uit naar de gelaatkunde die hij ook zelf beoefende, en naar de geestelijke poëzie, waar hij zich eveneens daadwerkelijk mee bezig hield. Jorissen is in de zeventiger jaren de eerste hier met wie Lavater echte brieven in plaats van beleefdheidsfrasen wisselde. Als zodanig stond hij bij de vrienden: Margriet van Essen, Hieronymus van Alphen en Ahasuerus van den Berg in hoog aanzien.

Van den Berg is onder hen de enige die geen correspondentie met Lavater heeft gevoerd. Toch lijkt hij diens meest toegewijde propagandist. Hij was wel een heel ander type predikant dan de oude Hinlopen. Hij wekt de indruk bezeten te zijn van literatuur, al betreft het dan gewoonlijk stichtelijke poëzie. Zijn brieven aan Van Alphen gaan over

[p. 86]

bijna niets anders. De oudst bewaarde dateert van 5 januari 1776,124 maar de aanspreking met ‘zeer waarde vriend’ wijst er op dat zij elkaar al enige tijd kennen. Toch stel ik het ontstaan van deze relatie niet veel eerder dan augustus 1775. Immers aanvankelijk vormen de gedichten die Van Alphen bij de dood van Johanna Maria van Goens schreef het voornaamste onderwerp van hun brieven. Van den Berg was aanzienlijk ouder dan Van Alphen - hij werd 20 februari 1733 te Dordrecht geboren - en hij overtrof hem in 1775 ook als gezaghebbend literator. Namens de gelderse synode maakte hij in 1773-1774 deel uit van de commissie tot samenstelling van een nieuwe psalmberijming, samen met o.a. Rutger Schutte en Josua van Iperen onder bijstand van Pieter Leonard van de Kasteele. Ook naderhand ligt een groot deel van Van den Berg's aktiviteit op het gebied van de geestelijke dichtkunst, waarbij hij steeds het oog gericht hield op Duitsland. Hij was een onvermoeibaar, zij het helaas ook een ongenietbaar vertaler van Gellert en Lavater. ‘Zoo gij - vroeg hij Van Alphen - noch den eenen of anderen goeden hoogd[uitse] stichtel[ijke] liedermaker kent uit wien ik iets zou kunnen nemen, ei doe het mij weten’.125 Zijn zuster Cornelia Sibilla,126 die op de pastorij te Barnevelt voor haar ongetrouwde broer de huishouding deed, vertaalde net als deze en als baronesse van Essen enkele werkjes van Lavater. Mevrouw publiceerde in 1774 anoniem te Utrecht Nadenken over mij zelven, terwijl zuster Cornelia twee jaar later iets in diezelfde trant uitgaf.127 Ahasuerus zelf volgde in 1777 met Proeven van Geestlyke Oden en Liederen, maar hij dankt niet hieraan zijn betekenis voor de nederlandse preromantiek. Zijn niet geringe verdienste is gelegen in zijn, wederom op Gellert en Lavater gebaseerde, literair-theoretische beschouwingen over de geestelijke oden,128 maar vooral in zijn steun aan jonge litera-

[p. 87]

toren als Van de Kasteele, Van Alphen en Elisabeth Maria Post.

Helaas was hij bij alle geestdrift niet de betrouwbaarste informatiebron over Lavater. Hij deelt bijv. ten onrechte aan Van Alphen mee, dat de Zürcher predikant eveneens ‘zijne brave vrou’ verloren heeft. Misleidend is in dezelfde brief van 5 januari 1776 ook een zin als: ‘Ik denk niet dat hij [Lavater] nu weder zoo kort bij Gelderl[and] komen zal dat wij hem op Schaff[elaar] wachten kunnen’. Hieruit zou men verkeerdelijk kunnen opmaken, dat Lavater wel meer in Barnevelt op bezoek kwam. Van Alphen werd door dat alles nog begeriger om persoonlijk met de grote man kennis te maken. Hij zal begin 1776 via Van den Berg met de kring van Lavater-vereerders op De Schaffelaar in kontakt zijn gekomen. Margriet van Essen stuurt hem haar werk, Jorissen geeft hem nadere inlichtingen over Lavater's bezigheden. Dan, op 17 april 1776, schrijft Hieronymus zelf een ongewoon openhartige brief (in het frans). Hij schetst in het kort zijn maatschappelijke situatie, literaire loopbaan en gezindheid: ‘Je suis sensible, et l'experience m'a prouvé que le monde perit’. Groot is zijn bewondering voor Lavater's Aussichten en Physiognomische Fragmente. Over zijn eigen poëzie spreekt hij met enig zelfbewustzijn. Hij rekent zich niet onder de ‘versificateurs’ waar Holland zo rijk aan is. Maar Lavater mag zelf oordelen, want hij ontvangt tegelijk zijn drie gedichten naar aanleiding van de dood van Johanna Maria van Goens. Verder legt hij nog enkele overwegingen met betrekking tot de gelaatkunde aan Lavater voor om tenslotte uitdrukkelijk om diens vriendschap te verzoeken. Als het mag, wil hij van tijd tot tijd eens schrijven uit nieuwsgierigheid naar ‘vos talens extraordinaires’.

Het antwoord op deze fanbrief was beleefd maar afwijzend: om de toegezonden gedichten te beoordelen verstond L. niet genoeg hollands en zijn omstandigheden verboden hem ten enen male een nieuwe correspondentie aan te gaan. Van Alphen liet zich nog niet afschrikken. Op 18 december 1776 zond hij een tweede brief, waarin hij Lavater's oordeel vroeg over een bijgesloten silhouet ‘d'un homme qui se flatte d'avoir quelque connoissance de soi meme’. Wie de geportretteerde was werd er niet bij gezegd, maar het moet wel Hieronymus zelf zijn geweest.129 Jorissen had hem verteld dat Lavater naar Holland zou komen. Van Alphen nodigde hem daarom uit om bij hem thuis in Utrecht te logeren. Ook nu eindigde Van Alphen zijn brief met enige aan-

[p. 88]

merkingen op de Physiognomische Fragmente. Hij protesteerde met klem tegen Lavater's kleinerende karakteristiek van Michiel de Ruijter.

De moeilijk kritiek verdragende ‘Magus im Süden’ was kennelijk in zijn wiek geschoten. Pas op 25 januari 1777 zette hij zich aan een kort, bits antwoordbriefje: hij peinsde er niet over om naar Holland te komen; zijn opmerkingen betroffen geenszins De Ruijter zelf maar diens portret; aan het beoordelen van toegezonden silhouetten had hij een grote hekel (daarmee sneed hij zich inderdaad enkele malen lelijk in de vingers), maar toch wilde hij Van Alphen's verzoek niet afslaan. Ziehier zijn indruk: ‘Die Silhouette ist von keinem ausserordentlichen Genie; aber auch von keinem ganz gemeinen Menschen. Er scheint gerad, aber furchtsam, und zur Hypochondrie geneigt zu seyn - aber auch etwas langsam u: unordentlich - empfindlich, leicht reizbar, u: kummerhaft. Doch halt ich's für ein ehrlich Gesicht u: nicht undenkend.’ Terloops zij opgemerkt dat Lavater niet ver bezijden de waarheid was. Alleen viel de hier gegeven karakteristiek even goed af te lezen uit de door Van Alphen zelf geschreven brieven.

Erg vleiend klonk het allemaal niet, maar Van Alphen heeft hiervan nooit kennis genomen: Lavater verzond zijn tweede brief niet130 en Hieronymus heeft niet verder op antwoord aangedrongen.131 Hij moest zich als voorheen tevreden stellen met berichten over Lavater uit de tweede hand, van Jorissen, Margriet van Essen, Van den Berg - later ook van Jan Hinlopen en R.M. van Goens. De gewenste portretanalyse kreeg hij toch, van Jorissen, aan wie via Meinard Tydeman hetzelfde (?) silhouet van Van Alphen was toegezonden. Ik citeer haar hier in haar geheel om een vergelijking met Lavater's typering mogelijk te maken. Jorissen zou evenmin geweten hebben wie het schaduwbeeld voorstelde. Hij schreef:

‘Een buitengewoon man die met weinigen in Neêrland (zoo verre als ik het kenne) sympathiseert en met wien weinige Neêrlanders sympathiseren kunnen. Een origineel man - een Genie van de eerste grootte? - ja, in Neerland, zelf in Duitschland. - of geheel ontwikkeld? -

[p. 89]

veel, zeer veel, maar met worstelen tegen eene neerdrukkende last van traagheid.

Geen Musicant, dog dat zegge ik met gene sterke fiducie, dewijl ik de ogen niet heb: eer een schilder of poëet, maar wat hij ook zij, eenig in zijn soort. geen innemend vriendelijk of aanvallig evenwel een gul mensch van eenen goedaartigen en medelijdigen inborst. een wijs en ernstig mensch, in zijn gedrag ongemeen bedaard, die nogthans zeer toornen kan.

Weinige kennen hem geheel, omdat hij zich tegen weinigen geheel uitlaat, velen kunnen zich niet in hem schikken, dewijl hij van tijds ongelooflijk koel kan schijnen? zijn?

Denkt geregeld, spreekt duidelijk en noodzaakt door zijnen toon (wanneer hij van doordagte stukken spreekt) om op te merken en deel te nemen; dog zal niemand ligtelijk door zijn veel praten vervelen.

Meer Metaphysisch dan Mathematisch verstand, dog in de Metaphysica is de ontologie voor hem hetgeen de Scholastische Theologie voor een duidelijkheid en eenvoudigheid lievend verstand is.

Of zijn gevoelvermogen of zijn denkvermogen sterker is? Weet hij dit zelf? - Hij is denkelijk zeer te onvrede dat hij naar beiden van het weer afhangt.’

Volgens Van Alphen's zoon Daniel François schreef Jorissen het bovenstaande in een brief van maart 1779.132 Maar toen kende hij Hieronymus al minstens drie jaar, zodat hij hem wellicht ook in het anonieme silhouet heeft herkend. Dat maakt de gelaatkundige divinatie van ds. Jorissen dubieus, maar het verhoogt anderzijds juist de waarde van zijn persoonsbeschrijving. Zo begrijpt men waarom Daniel François, toen hij deze regels overschreef, eraan toevoegde: ‘Allen die den overledenen gekend hebben, zullen het treffende van deze schets erkennen.’

III. 5. Gedigten en overdenkingen (1777)

De gretigheid waarmee de weinige exemplaren van de Klaagzang op Johanna Maria van Goens ontvangen waren, deed Van Alphen besluiten om de kleine plaquette van 1775, vermeerderd met andere gedichten en met enkele prozastukjes, voor een breder publiek uit te geven. Aanvankelijk zou de nieuwe bundel Gedigten en Overdenkingen die in

[p. 90]

april 1777 het licht zag, bestaan uit zes verzen en een gelijk aantal prozastukken waaronder liefst drie ‘over den staat der zalige zielen voor de opstanding’.133 Wel een bewijs hoezeer deze problematiek, gevoed door de lektuur van Klopstock, Lavater en soortgelijke auteurs, Van Alphen na de dood van zijn vrouw bezig hield. Op advies van Ahasuerus van den Berg vermeerderde Van Alphen echter het aantal gedichten tot acht, terwijl het prozagedeelte beperkt bleef tot twee essays: Overdenking over eenen vroegtijdigen dood en Gedagten over de beste wijze van aan zaliggestorvene vrienden te denken.

Van den Berg had ook kritiek op Van Alphen's prozastijl in de hem toegezonden kopij: hij vond te veel ‘raizonnement’ en te weinig ‘bevalligheid’. Zijn voorkeur ging uit naar het bloemrijke, poëtisch proza dat toen in de mode kwam. Het valt niet (helemaal) meer na te gaan, in hoeverre Van Alphen met deze bezwaren rekening heeft gehouden.134 Wie de twee essays vanuit stilistisch oogpunt vergelijkt met de vroegere wetenschappelijke verhandelingen, konstateert aanstonds verschil. De zakelijke maar onpersoonlijke geleerdenstijl van de dissertaties en de apologie tegen Eberhard heeft plaats gemaakt voor een levendiger, beeldend proza, waarin de eigen persoonlijkheid van de schrijver duidelijk voor de dag treedt. Deze ontwikkeling tot een literair proza dat - gelukkig - toch nooit ontaardt in de bloemrijke retoriek waar Van den Berg op aanstuurde, was ongetwijfeld een gevolg van Van Alphen's groeiende aandacht voor de literaire expressie. Het is niet toevallig dat hij zich juist in 1776-1777 intensief bezig houdt met het werk van Thomas Abbt (over wie straks nader), een belangrijk vernieuwer van het duitse proza.

 

De Gedigten en Overdenkingen staan helemaal in het teken van dood en onsterfelijkheid. De formele experimenten in poëticis van 1775 vonden een konsekwente voortzetting: rijmloze verzen (drie van de acht), antieke versmaten en strofebouw (naast traditionele alexandrijnen), onregelmatige lengte van de versregel, de aanduiding ‘Een Fragment’ bij het gedicht Een geloovige ziel in de eerste oogenblikken na den dood - dat alles geeft de bundel zijn belang voor de dichterlijke vernieuwing. Inhoudelijk treft vooral de vrijmoedigheid waarmee Van Alphen in

[p. 91]

regionen aan gene zijde van het graf binnendringt. Die metafysische verbeelding was op dat moment in de nederlandse poëzie iets nieuws. Pas in het volgend decennium zullen Feith, Bellamy en anderen soortgelijke visionaire taferelen presenteren.

Gewoonlijk plaatst de dichter zich op het standpunt van de achterblijvende vriend of verwant die in zijn fantasie de gestorven vrouw op haar weg door de eeuwigheid volgt. De Ode aan Christus bezingt Jezus' rol als vertrooster en leidsman in het uur van onze dood. Zodra het sterfuur van Zijn toegewijden nadert, verheft Hij zich van Zijn zetel om hen in die laatste ogenblikken bij te staan:

 
Maar wie, wie ziet U daar? ... Alleen die stervende oogen!....
 
Gij onderscheidt die taal, die slegts door zwijgen spreekt.
<