Met zijn benoeming tot procureur-generaal voor den Ed. Hove Provinciaal van Utrecht begint een nieuwe fase in Van Alphen's bestaan, die van zijn openbare leven. De overgang werd nog extra gemarkeerd door een drietal bijkomende omstandigheden, namelijk de dood van zijn moeder op 14 december 1779,1 zijn verhuizing in 1780 van de Kromme Nieuwe Gracht naar het pand Nieuwe Gracht no. 65 (naast de Gasthuispoort)2 en zijn tweede huwelijk korte tijd later met Catharina Geertruida van Valkenburg.
Het begon allemaal met het vrijwillig ontslag van de vorige procureur-generaal, Mr. Valentijn Jan Blondeel. Door het Staten-college werd aanstonds een nominatie opgesteld van drie kandidaten: Hieronymus van Alphen namens de geëligeerden (het lid der geestelijkheid), Mr. Willem Craeyvanger namens de ridderschap en Mr. Hendrik Jacob van Hengst namens de stad Utrecht. Uit dit ‘tripel getal’ wees stadhouder Willem V op 23 juni 1780 de man aan die het jaar daarvóór hem en zijn geslacht zo uitbundig bezongen had.
Volgens zijn akte van aanstelling, dd. 5 juli 1780, droegen H.H. Staten aan Van Alphen op ‘zonderling reguard te nemen tot de Zaken en Affaires onzer Eere, die Hoogheid, Heerlijkheid, Jurisdictie en Profijten van den Lande betreffende, ook veilig toezigt te hebben en dragen, dat onze Ordonnantien, Bevelen en Placaten worden onderhouden en agtervolgd, alsmede de overtreders van dien, midsgaders alle andere misdadigen gecalangeerd, gecorrigeerd en gestraft naar
gelegenheid en exigentie van Zaken, en voorts alles te doen 't geen een goed en getrouw Procureur Generaal schuldig is’.3
Hij ontving voor dit alles de gewone jaarwedde van 500 gulden en voorts ‘alle verdere Rechten, eeren, baten, profijten, vervallen en emolumenten daar toe staande en behorende, ook, om te hebben een Substitut, nut en bekwaam zijnde’. Die bijkomende profijten zullen Van Alphen's voornaamste bron van inkomsten zijn geweest, vergeleken waarmee de vaste gage slechts een gefixeerd basisbedrag was. Zowel zijn voorganger als zijn opvolger werden op deze voorwaarden gehonoreerd, wel een bewijs dat die 500 gulden er weinig toe deden. De procureur-generaal had immers recht op een deel van de geldboetes of afkoopsommen, waartoe wetsovertreders dank zij zijn dienstijver veroordeeld werden. Geen onvoordelige affaire dus en men begrijpt dat een procureur-generaal hier best een ambtsgeld van 2000 gulden voor over had. Maar ook een baan met ingebouwde mogelijkheden tot corruptie, gelijk uit het dagboek van de Amsterdammer Jacob Bicker Raije ten overvloede blijkt.4 Het was echter de gewone praktijk en wij hebben geen reden te twijfelen aan de onkreukbaarheid en plichtsbetrachting van procureur-generaal van Alphen.
Een enkel voorbeeld van zijn wijs en voorzichtig optreden. Ontvanger van den 20e en 40e penning over het Sticht van Utrecht was tijdens Van Alphen's ambtsperiode Benjamin graaf van den Boetzelaer.5 Heftig Patriot als hij was, nam hij in de nacht van 15 op 16 september 1787 voor de binnenkomst der Pruisen de wijk naar Amsterdam met meevoering van zijn kas, waarin drie ton aan goud. Hij stortte dit bedrag tegen ontvangstbewijzen in de Amsterdamse stadskas en vluchtte vervolgens naar Frans-Vlaanderen. Toen hij in Duinkerken in financiële nood geraakte, verkocht hij enkele recieven die te Amsterdam aan de bank van R. en T. de Smeth ter verzilvering werden aangeboden. De Staten van Utrecht waren inmiddels tot actie overgegaan. Zij lieten advertenties plaatsen, waarin het publiek gewaarschuwd werd om de betreffende ontvangbewijzen niet te kopen, en stelden de graaf officieel in staat
van beschuldiging. Deze van zijn kant schreef aan de Staten, dat hij de kas niet ontvreemd maar alleen in veiligheid had gebracht. Hij werd evenwel op 11 april 1789 bij vonnis van het hof van justitie der provincie Utrecht veroordeeld tot levenslange verbanning uit Utrecht, Holland en Friesland, terwijl zijn goederen verbeurd verklaard werden. Levenslang duurde in dit geval zes jaar, want in 1795 kon de graaf weer naar zijn vaderland terugkeren. Hij werd toen algemeen ontvanger van de Bataafse Republiek!
Van Alphen nu kreeg in 1787 van het statencollege de delicate opdracht om alle justitiële activiteiten tegen de voortvluchtige graaf te leiden. Hij trad hiertoe onder meer in kontakt met baron Hendrik Hop,6 gezant van de Republiek in Brussel. Uit zijn correspondentie met Hop over deze affaire komt een heel andere Van Alphen naar voren dan uit zijn particuliere brieven of dagboeken. Nauwkeurig weegt hij allerlei mogelijkheden tegen elkaar af. Voortijdige arrestatie kan de graaf gelegenheid geven om zich met recht te beklagen. Hem sommeren tot betaling van hetgeen hij als Ontvanger van de 20e en 40e penning aan de provincie verschuldigd is, kan ook moeilijk, zolang de H.H. Staten geen nauwkeurig beeld hebben van hun vorderingen op graaf van den Boetzelaer. Met veel takt weet Van Alphen de instructies van zijn principalen aan zijn adres om te zetten in beleefde verzoeken aan de Brusselse gezant. Aan hem lag het beslist niet, dat Boetzelaer tenslotte vrij uitging.
Het typeert Van Alphen's verantwoordelijkheidsgevoel, dat hij pas een tweede huwelijk durfde aan te gaan, nadat hij met een ambt ook bestaanszekerheid voor zichzelf en zijn gezin had verworven. Naar H.J. Koenen veronderstelt,7 zou hij zijn toekomstige vrouw, Catharina Geertruida van Valkenburg, hebben leren kennen, toen hij in 1778 en 1779 te Haarlem logeerde ter bijwoning van de vergadering van de Oeconomische Tak. Feit is dat in de Nederlandsche Gezangen uit 1779 voor het eerst de naam Elize verschijnt,8 waaronder Hieronymus zijn tweede vrouw placht te bezingen.
Catharina Geertruida9 werd geboren op 7 april 1760 te Haarlem, waar haar vader Mattheus Willem van Valkenburg (1718-1784) de positie van regerend burgemeester bekleedde. Haar moeder Christina Wijnanda le Leu de Wilhem was reeds in 1777 overleden. Zij zelf was het jongste meisje uit een gezin van vier kinderen. Op de dag van haar huwelijk, 10 mei 1781, telde zij 21 jaar; Hieronymus van Alphen was ruim 14 jaar ouder.
De Van Valkenburgs behoorden duidelijk tot de kringen die openstonden voor de geest van het evangelische Reveil. De vader was een innig vroom man,10 Catharina's zuster Cornelia Paulina onderhield contact met de Methodistische predikant John Wesley, die haar in augustus 1786 te Haarlem bezocht.11 Ook de familie le Leu de Wilhem stond als ‘fijn’ bekend. We zullen later nog zien, hoe Van Alphen in zijn Haagse periode bij voorkeur met hen verkeerde.
Blijkens de akte van huwelijkse voorwaarden, op 20 april 1781 gepasseerd voor de Haarlemse notaris Casparus Henricus van Heymenberg Reuvens,12 trouwde Hieronymus buiten gemeenschap van goederen. Catharina Geertruida bracht ook geen bruidsschat mee. Wel verplichtte Mattheus Willem van Valkenburg zich om jaarlijks aan de gehuwden een ‘somme van penningen’ uit te betalen.
Helaas bezitten we van Catharina Geertruida geen portret en bijna geen geschreven documenten van persoonlijke aard.13 Wij kunnen ons daarom moeilijk een voorstelling maken van haar gestalte, karakter en intellectuele kwaliteiten. Een kleine indicatie voor haar literaire smaak levert misschien het feit dat zij in 1780 intekende op Lavaters vertaalde
Physiognomie. Voor Van Alphen was het stellig geen mariage de raison. Hij wekt integendeel de indruk van werkelijke verliefdheid. Het bevallige jonge meisje moet hem, de vereenzaamde weduwnaar, vervuld hebben van een nieuw geluksgevoel. Toch verloochende hij ook nu zijn aard niet, getuige de Egtzang die hij op de bruiloft in het statige huis aan de grote markt te Haarlem voorlas.14 Het geduld van de toehoorders werd wel op de proef gesteld en wat een vreugdelied moest heten, had veel weg van een moraliserende preek. Maar als men deze Egtzang vergelijkt met al die conventionele bruiloftsliederen uit deze tijd, met hun aftandse mythologische vergelijkingen en banale toespelingen, dan onderscheidt Van Alphen's gedicht zich minstens in één opzicht als superieur: door zijn persoonlijke toon. Als zodanig is de Egtzang onthullender voor Van Alphen zelf dan voor zijn bruid. Voor het eerst vinden we hier in zijn poëzie een verbinding gemaakt tussen de godsdienst en de min. Omdat Van Alphen zijn geliefde als een persoonlijk geschenk van God beschouwt, staat voor hem heel hun verhouding in religieus perspectief.
Van Alphen gaat in heilige vervoering zelfs zover, dat hij zijn Egtzang eindigt met een hemeltafereel waar alle bruiloftsgasten bij betrokken worden:
Ook Van Alphen's tweede huwelijk werd met kinderen gezegend. Nadat Catharina Geertruida eerst op 8 december 1783 een doodgeboren dochter en op 3 oktober 1785 een doodgeboren zoon ter wereld had gebracht, schonk zij 25 juni 1786 het leven aan Mattheus Willem (‘Teetje’),17 haar enige jongen. Vele jaren later, op 18 februari 1797, kwam daar nog een dochter bij die de namen Wilhelmina Christina Paulina ontving.18
Aan ouderlijke zorg en liefde heeft het de vijf kinderen stellig nooit ontbroken. De vader ging hierin zelfs heel ver. Hij belastte zich persoonlijk met de taak om hen te onderwijzen, ook en vooral in godsdienstige begrippen. Zijn kinderdichtjes waren, naar we reeds zagen, het regelrecht resultaat van dit huisonderricht. In een brief van 10 november 1785 aan Jer. de Bosch vertelt Hieronymus iets over de intellectuele omgang met zijn kinderen: ‘Zo heb ik dezen zomer met mijn oudste Zoontje [“Jantje”], een jongen van ruim twaalf jaren, die genie voor de poëzij schijnt te hebben, Aeneis van Virgilius gelezen, zo leze ik thands met hem Homerus, en praat gedurig tusschen beide; zo waren wij het b.v. eens dat Turnus een beter lot verdiend had, en het speet ons geweldig dat hij werd omgebragt - en dat Virgilius het zo niet had kunnen schikken dat hij onder Aeneas het gebied gevoerd had’.19 Welk kind zal zulk een praktisch, bezield onderwijs betreuren? Het heeft iets van een idylle: de anti-autoritaire verhouding tussen een oudere en een aankomende poëzieliefhebber.
Maar er waren ook schaduwzijden aan die relatie. Alle goede bedoelingen vooropgesteld, schijnen Van Alphen's bemoeienissen toch niet van geestelijke dwang vrij te pleiten. Als een van zijn kinderen ernstig ziek is, dan lijkt het wel alsof de vader maar één zorg kent: het zieleheil van de patiënt. Die zal en moet bepraat worden, beïnvloed, gesmeekt desnoods om maar zijn eigen zondigheid in te zien en zich over te geven aan de gekruisigde Heiland.20 Een zo dominerende persoonlijkheid als
Van Alphen, die bovendien geneigd was om zijn eigen religieuze angstvalligheid in anderen over te planten, moest zijn kinderen ofwel ongewild verpletteren ofwel tot verzet uitlokken. Welnu, we zullen nog voorbeelden genoeg zien, dat die kinderen inderdaad het vaderlijk gezag uit de weg gingen. Naast moeilijk te bepalen oudervreugde hebben Hieronymus en Catharina Geertruida ongetwijfeld zeer veel verdriet aan hun kinderen beleefd, al was het alleen maar om hun klaarblijkelijk zwakke constitutie. Tot eer van mevrouw Van Alphen moet gezegd worden, dat zij ook voor haar stiefkinderen een weldadige hartelijkheid aan de dag legde, getuige haar brief van 20 november 1792 aan zoon Jan, vol praktische raadgevingen maar zonder de hypochondrische aanmaningen tot bekering die Hieronymus placht uit te delen.21
Als procureur-generaal behoorde Van Alphen voortaan tot de gezeten burgerij zonder nochtans tot de kleine Utrechtse aristocratie toegang te hebben. Onmiskenbaar teken van uiterlijke welstand was de aankoop van een eigen buitenhuis met pleziertuin. Even buiten Utrecht lagen uitgestrekte landerijen die vóór de Reformatie deel hadden uitgemaakt van het grondbezit van de abdij Oudwijk. Sedert 1598 waren deze kloostergronden door de Ridderschap van Utrecht namens de Staten in erfpacht gegeven als weiland, warmoezerij of buitenverblijf. Op deze wijze verwierf Van Alphen op 1 februari 1783 ‘een erve Lands, groot omtrent drie hondert roeden, beneffens seker tuijnhuijs, mitsgaders woninge en werf, de vijver daarin begrepen, zoo binnen den kringmuur als daar buiten (...) ende dit op enen canon van hondert gulden tot twintig stuyvers het stuk, jaarlijks te betaalen in handen van onzen rentmeester.’22
Toen Van Alphen ‘het goed genaamt Oudwijk’ overnam van Antoinette van Brienen, weduwe van Mr. Everhard van Wachendorf, had dit reeds de allure van een echte buitenplaats. Er stond een fraai herenhuis met stallen. Maar Van Alphen slaagde erin dit bezit nog aanzienlijk uit te breiden, want op 11 maart 1786 kocht hij uit de nalatenschap van M.C. de Waall ‘een huijs of hoff, groot 587 roeden, gelegen aan de Maliebaan tot achter de Oudwijker boomgaard’.
Oudwijk is thans - anno 1972 - geheel ontluisterd: het huis (Oudwijk nr. 19), door 19e-eeuwse aanbouwsels ingesloten, doet dienst als wijkcentrum van het Wit-Gele Kruis, de landerijen met tuin zijn reeds
lang ten offer gevallen aan de Utrechtse stadsuitbreiding. Maar 18e-eeuwse tekeningen stellen ons levendig het paradijsje voor dat Van Alphen zo binnen onmiddellijk bereik had: ‘Liep hij van zijn huis op de Nieuwe Gracht bij de Zuilenstraat de Brigittenstraat uit, dan trad hij door een somber poortje buiten de wallen en wandelde hij verder tusschen de tuinen door langs Maliebaan, de tegenwoordige Burgemeester Reigerstraat en Oudwijkerdwarsstraat en vervolgens langs het pad dat nu zijn naam draagt, naar zijn buitenplaats.’23
Wat Boschwijk werd voor Rhijnvis Feith, dat was Oudwijk voor de dichter Van Alphen: geen statussymbool maar een wijkplaats voor het werelds gewoel, een oord dat onmiddellijk inspireerde tot gevoelens van liefde, deugd en godsdienst. Het wandelen met zijn Elize in deze heilige natuur was zijn geliefdste bezigheid. Wij danken er enkele van zijn mooiste gedichten aan, zoals De avondwandeling dat ik hier in zijn geheel citeer:
Hoewel het gedicht aanvangt in de ik-vorm, presenteert het zich in het vervolg als herinnering aan een gemeenschappelijke sensatie. De dichter en Elize voelen zich in perfecte harmonie overmeesterd door een natuur die hun ver wegvoert buiten de grenzen van het menselijk bestaan. Wij weten niet wanneer dit in 1783 gepubliceerd gedicht geschreven is. Het maakt deel uit van de reeks Gedigten voor Elize en wellicht is het op deze verzen dat Van Alphen zinspeelde, toen hij in zijn Egtzang aan Catharina Geertruida verklaarde: ‘Ik zong wel eens van U,
maar dan voor U alleen.’25 In elk geval is het duidelijk, dat hun liefde voor de dichter een nieuwe inspiratiebron is geweest. Ook in poëtisch opzicht begon deze periode vol beloften, al moest de literatuur nu genoegen nemen met een plaats in de marge van zijn ambtelijk leven.
In 1782 kon Van Alphen eindelijk zijn lang tevoren aangekondigde Digtkundige Verhandelingen publiceren. Tijdgebrek en ziekte hadden hem meer dan twee jaar belet om aan de grotendeels afgedrukte kopij de laatste hand te leggen.
In tegenstelling tot zijn Theorie, waar slechts algemene esthetische beginselen aan de orde kwamen, richten Van Alphen's Digtkundige Verhandelingen zich speciaal op de nederlandse poëzie. Het boek opent met een Inleidende verhandeling over de middelen ter verbetering der nederlandsche poëzij, waarna nog een Verhandeling over het aangeboorne in de poëzij volgt. Naar algemene opvatting heeft Van Alphen met deze twee essays het hoogtepunt van zijn literair-theoretische arbeid bereikt, inhoudelijk zowel als stilistisch. Hij gaat hier veel zelfstandiger te werk dan bij de Riedel-vertaling, compileert niet langer maar doet welbewust een keus uit een veelheid van meningen, waarbij men onmiddellijk voelt dat hij de behandelde problemen uit eigen dichterlijke ervaring kent. Hij spreekt nu op een toon van gezag en sterker dan ooit krijgt hij de allure van een literair vernieuwer, een leidsman die jonge dichters wil aktiveren en in een bepaalde richting stuwen.
De Inleidende verhandeling behelst een diagnose van de nederlandse dichtkunst anno 1780. Hoe is haar positie ten opzichte van het buitenland? Welke zijn haar problemen en waar liggen haar mogelijkheden?
Om Van Alphen's betoog te begrijpen moet men natuurlijk eerst weten over welke nederlandse dichters hij het nu eigenlijk heeft. Terloops noemt hij wel enkele namen, maar persoonlijke kritiek uit hij slechts zelden, terwijl toch aanstonds duidelijk wordt dat hij geen overdreven dunk heeft van de aktuele stand der nederlandse letteren. Wie gaven op dat terrein de toon aan? Voor wat het georganiseerd letterkundig leven betreft, ongetwijfeld de diverse genootschappen: het Leidse k.w.d.a.v., Dulces in Utrecht, het Haagse Kunstliefde Spaart Geen Vlijt, het Rotterdamse Studium Scientiarum Genetrix en de
Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde niet te vergeten. Een getrouwe afspiegeling van die goedwillende maar genie-dodende genootschapsbedrijvigheid leveren de weinige letterkundige tijdschriften welke zich, zoals de Vaderlandsche Letteroefeningen (sedert 1761), doorgaans beperken tot kleurloos compilatiewerk. Maar de talloze gelegenheidsdichters die, al dan niet onder auspiciën van enig genootschap, verzen schreven, bepaalden toch ook toen niet het niveau van de nederlandse poëzie. Levende dichters naar wie men opkeek, waren - Van Alphen zelf niet meegerekend - in volgorde van ancienniteit: Lucas Pater (1707-1781), Rutger Schutte (1708-1784), Pieter Huisinga Bakker (1713-1801), Christina Leonora de Neufville (1713-1781), Onno Zwier van Haren (1714-1779), Sara Maria van der Wilp (1716-1803), Nicolaas Simon van Winter (1718-1795), Lucretia van Merken (1721-1789), Johannes Le Francq van Berkhey (1729-1812), Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782) en Betje Wolff (1738-1804). Moest men deze dichters in volgorde van waardering plaatsen, dan zou Lucretia van Merken stellig de eerste plaats innemen.26
De poëtische oogst uit de periode 1770-1780 is ongemeen schraal. Relatieve hoogtepunten waren:
| Onno Zwier van Haren: | De Geusen (1772; bewerking van Aan het Vaderland, 1769). |
| Sara Maria van der Wilp: | Gedichten (1772). |
| E. Wolff-Bekker: | Lier- Veld- en Mengelzangen (1772). |
| P. Huisinga Bakker: | Poëzy (1773). |
| Lucas Pater: | Poëzy (1774). |
| De nieuwe psalmberijming van 1774. | |
| J. Le Francq van Berkhey: | Het Verheerlykt Leyden (1774). |
| Lucretia van Merken: | Germanicus (1779). |
| J.C. de Lannoy: | Dichtkundige Werken (1780). |
Hoewel Van Alphen met geen van de genoemde dichters in persoonlijke betrekking stond, achtte hij hen, terecht, verheven boven de naamloze genootschapsrijmelaars. Van de onmiddellijk aan hem voorafgaande dichters-generatie waardeerde hij bijzonder Lucretia van Merken,

Afb. 17: Oudwijk. Gezicht op huis en park uit het oosten. Platinotypie naar een tekening door Jan de Beyer, 13 augustus 1744, uit coll. H.M. de Koningin. GA Utrecht.

Afb. 18: Mr. Jan Hinlopen (1759-1808). Olieverfschilderij door J.B. Scheffer, circa 1806. Centraal Museum Utrecht (cf. catalogus 1952, nr. 1303, met foutieve datering op 1788).
Rutger Schutte en Le Francq van Berkhey. Hun grote voorgangers: Vondel, Hooft, Vollenhoven en Poot, stonden ook bij hem hoog aangeschreven. Van Alphen's onvrede met de eigentijdse nederlandse poëzie berustte dan ook niet zozeer op minachting jegens de toen toonaangevende dichters. Zijn onbehagen gold de situatie waarin de moderne dichtkunst buiten schuld van enig individueel kunstenaar was terechtgekomen. Het kardinale probleem voor de moderne dichter was, volgens Van Alphen: hoe moet ik, levend in een tijd waarin de taal wijsgerig is geworden, mij toch zinnelijk uitdrukken? Deze vraag veronderstelt reeds enkele premissen.
Allereerst gaat Van Alphen (net als Klopstock, Herder, Hamann) uit van een radikale tegenstelling tussen twee vormen van taalgebruik, de eerste plastisch, zinnelijk, berustend op gewaarwordingen; de andere abstrakt, wijsgerig, berustend op verstandelijk inzicht. Die zinnelijke of beeldvolle taal nu past vooral bij de poëzie. Het proza daarentegen is de geijkte taalvorm voor de wijsgeer.
Een tweede premisse wil dat de oudste dichters: Homerus, de bijbelse zangers, Ossian (!), in zoverre begunstigd waren, dat zij leefden in een tijd toen de taal nog haar oorspronkelijke plasticiteit bezat.27 Latere dichters hebben om zo te zeggen de omstandigheden tegen. Zij moeten werken met een weerbarstig, rationeel geworden taalinstrument.
Een derde vooronderstelling is tenslotte, dat men als individueel dichter iets aan die ongunstige situatie doen kan, door namelijk het poëtisch taalgebruik scherper af te bakenen tegen het proza. Verlichtingsoptimisme en romantische taalopvattingen gaan hier een verbond aan.
Wat nu de eigenlijke middelen ter verbetering van de nederlandse poëzie betreft, bepleit Van Alphen dat men de (dichterlijke) taal ‘beeldiger make, en dat men er meer harmonie en melodie inbrenge.’ (p. xii). Op elk van deze drie punten gaat hij uitvoerig in.
Het lijdt voor Van Alphen geen twijfel, of de nederlandse poëzie kan zelfs thans nog hopen op herstel van haar vroegere zinlijkheid. Laten we ons spiegelen aan Hooft en Vondel. Hoewel die ook leefden na de oudgermaanse barden en de middeleeuwse dichters hebben wij pas met hen ‘dien grooten stap gedaan, dat wij eene egte poëtische taal gekregen hebben’ (p. xxxviii). Op dit punt zijn wij intussen eer achter- dan vooruitgegaan, zodat men zich met recht kan afvragen,
‘of eentoonigheid, droogheid, gebrek aan die rijke, en veelzeggende kortheid, en aan eene beeldvolle of levendige uitdrukking niet meer heerschende is zelfs in de beste voordbrengselen dezer eeuwe, dan in de voortreffelijkste stukken van Hooft en Vondel?’ (p. xliii).
Naast het beeldvolle behoort ook de harmonie tot de zinnelijke schoonheid van de poëtische taal. Onder harmonie verstaat Van Alphen ‘die overeenkomst van den klank of van de beweging der woorden of woordvoegingen, met de voorgestelde zaken, waar door de uitdrukking levendiger, kragtiger, en dus ook zinnelijker wordt’. Allerlei graden van klankcorrespondentie worden met fijn muzikaal gevoel geanalyseerd vanaf de simpele onomatopeeën tot meer subtielere relaties tussen versbeweging en versinhoud. Als voorbeeld van disharmonie citeert Van Alphen uit een zogeheten klaagzang de regels:
Terecht weigert hij op grond van de duidelijke discrepantie tussen de lugtige toon en de droevige woordbetekenis om deze dichterlijke klacht au sérieux te nemen. Van een scherp inzicht getuigt zijn opmerking over het verschil tussen vers en voordracht.28 De harmonie waarover hij het heeft, moet altijd goed onderscheiden worden van die, ‘welke uit den toon der stemme, bij het overluid lezen der vaerzen, ontspruit. De laatste is ook eene uitwerking van de kunst om te lezen; en die, waarvan wij spreken, behoort alleen en geheel aan den digter.’ (p. lvi).
Het derde redmiddel voor onze poëzie, de melodie, definieert Van Alphen als ‘die bevallige en kunstige plaatsing van voeten en lettergrepen, waar door de uitdrukking aan het gehoor eene aangename gewaarwording, en dus een zinnelijk welgevallen verschaft.’ (p. xlviii). Het melodieuzer maken van een gedicht is voor een belangrijk deel een kwestie van prosodie, van de trant zoals men wel zei29. In het in 1781 verschenen vijfde deel van de Werken der Leidse Maatschappij had Pieter Huisinga Bakker juist een Beschouwing van den ouden gebrekkelyken en sedert verbeterden trant onzer Nederduitsche Versen gepubliceerd. Evenals deze voorganger meet Van Alphen de prosodische volmaaktheid van een
gedicht af aan zijn regelmaat. Van Alphen gebruikt hiervoor de term bestemdheid. Hij bedoelt daarmee allerminst de mechanische dreun die vooral onze alexandrijnen zo monotoon maakt, maar een volgens vaste, aan de taal zelf ontleende regels te bepalen kwantiteit der lettergrepen. ‘Het is eene bijkans algemeen aangenomene stelling, - zo schrijft hij - dat de prosodie der nieuwe talen op verre na die bestemdheid niet heeft, als die der Grieken en Romeinen; en dat alle de poogingen, welke men heeft in 't werk gesteld, om aan dezelve eene bestemdheid te geven, in het geheel niet voldoende zijn’ (p. lxxxiv). Als oorzaken van de onbestemdheid van het nederlandse vers wijst hij aan ‘het gebrek aan goede theoretische regels, de ongeoorloofde vrijheden onzer beste digters, de aart onzer gewoone voetmaten; de vooronderstelling dat wij zo vele ancipites30 hebben; en het maken van onderscheid tusschen lange en langere, korte en kortere sijlben’ (p. lxxxv). Om nu het aantal twijfelgevallen (ancipites) tot een minimum te beperken, geeft Van Alphen een aantal regels op met behulp waarvan men de kwantiteit van een lettergreep in het nederlands kan bepalen.
Het valt niet moeilijk om vanuit hedendaagse taalbeschouwing kritiek te leveren op Van Alphen's ontwerp van een nieuwe prosodie. Hij veronachtzaamt het essentiële onderscheid tussen het grieks-romeinse vers dat een kwantitatief vers is en het germaanse accentvers. Het overnemen van de klassieke metra in taalgebieden waar de kwaliteit (sterke of zwakke accentuatie) van de lettergreep het natuurlijke principe van versbouw is, moest dat misverstand vanzelf in de hand werken. In dit opzicht stond Van Alphen waarlijk niet alleen. Bekend is hoe Klopstock in zijn oden de duitse accentuatie geweld aandeed door het toepassen van allerlei ingewikkelde klassieke maatschema's, zodat hij die er duidelijkheidshalve bij moest afdrukken.31
Ook laadt Van Alphen gemakkelijk de verdenking op zich, dat hij door een strakke reglementering van de prosodie de dichterlijke vrijheid wilde beperken. Maar dat was zeker niet zijn bedoeling. Hij zocht juist de doffe dreun van de eeuwige alexandrijnen te doorbreken door het invoeren van antieke vers- en strofevormen. Ook de alexandrijn zelf was, volgens hem, voor veel meer variatie vatbaar door het gebruiken van een spondeus in de eerste vijf voeten of van een pyrrhichius in de tweede, derde, vierde en vijfde versvoet. Maar juist deze verruiming
van de metrische schema's maakte het in zijn ogen noodzakelijk om zekerheid te hebben omtrent de kwantiteit van de syllaben. Anders ging de zoetvloeiendheid van het vers verloren en verviel men zo in de gevreesde prosaïsche trant.
Het viel te verwachten dat Van Alphen, die vroeger als een van de eersten geëxperimenteerd had met rijmloze verzen, ook hierin een welkom middel zou zien ter verbetering van de nederlandse poëzie. Met enige trots verwijst hij naar zijn kinderdichtjes in de anacreontische maat, voor hem een teken dat men de natie gemakkelijk aan het rijmloze wennen kan. Maar dan moest het al dan niet toepassen van het rijm ook afhankelijk gesteld worden van de aard van de poëzie. Bij een radikale afschaffing van het rijm verviel men van het ene in het andere uiterste. Het rijm is zeker op zijn plaats in poëzie waar ‘de laagste digterlyke stijl’ gebruikt wordt en ‘het wordt er volstrekt in vereischt, wanneer zulk een digtstuk zig door den rhythmus niet genoegsaam van het proze onderscheidt’ (p. clxi). Van Alphen denkt hier onder meer aan koddige of schertsende poëzie. Ook acht hij het rijm absoluut noodzakelijk, wanneer aan de voetmaat een zekere monotonie eigen is, zoals bij de alexandrijn. Het rijm moet daarentegen worden afgekeurd in die gedichten waar de dichter zich als het ware achter anderen verbergt, bijv. in toneelstukken. Ook past het niet bij de verheven dichterlijke stijl van de hoge ode. Beeldvolle taal en bevallige melodie maken het rijm daar overtollig. De snelle voortgang der gedachten wordt dan belemmerd en het vers verbrokkelt tot een aantal ‘spreukachtige uitdrukkingen’ (p. clv). Over het algemeen staat Van Alphen dus zeer positief ten opzichte van blanke verzen, waartegen kort tevoren Corn. van Engelen32 en Pieter Huisinga Bakker33 nog zoveel bezwaren gemaakt hadden.
Een laatste middel ter verbetering van de nederlandse poëzie dat Van Alphen zijn lezers aanbeveelt, is het gebruik van goede theoretische geschriften en het bestuderen van de beste modellen. Hij richt zich nu zeer nadrukkelijk tot de aankomende dichters: ‘Gelooft mij, het is thands in ons land, met opzigt ook tot de poëzij, een tijd, waar in men vooral uit zijne eigen oogen moet tragten te zien; waarin men door eigen overdenking en beproeving moet komen tot een besluit over de agter-
lijkheid of bloei van onze digtkunst’ (p. clxx). Volgt weer de ons uit zijn Theorie al bekende raad om Homerus, Vergilius, Horatius en andere klassieke auteurs als het ware de kunst af te kijken. Anders echter dan in zijn Riedel-bewerking legt Van Alphen nu veel meer nadruk op de heilige dichters: Mozes, David, Job, Jesaias, Jeremias, Ezechiël, Salomo, Debora. Onder verwijzing naar Robert Lowth' De sacra poësi Hebraeorum (1753), William Jones' Commentarii poëseos Asiaticae (1774) en Johann Andreas Cramer's Verhandelingen over Davids Psalmen stelt hij de bijbelse zangers ook als dichter boven de antieken: ‘Hier vindt men het oorspronkelijke en stoute met het natuurlijke, het sierlijke met het eenvoudige, het fijne met het edele, zodanig vereenigd, dat men telkens, wanneer men deze stukken vergelijkt met die der Grieksche en Romeinsche, bij zig zelf zal moeten zeggen: - Hier is meer dan Pindarus, dan Virgilius, dan Horatius.’ (p. clxxxvii).
De esthetische benaderingswijze van de bijbel, waar Lowth en Jones in het buitenland, later vooral Herder met zijn Vom Geiste der ebraïschen Poesie (1783) de stoot toe gegeven hebben, bleef ook in ons land niet zonder weerklank.34 De eerste naam die dan genoemd moet worden is die van de Leidse oriëntalist Hendrik Albert Schultens, een goede vriend van Rhijnvis Feith. Schultens hield al in 1776 voor het Amsterdamse Concordia et Libertate voordrachten Over de dichtkunst der Oosterlingen. Schultens heeft een hele generatie van jonge literatoren de ogen geopend voor de schoonheid van de hebreeuwse poëzie. Feith, Cornelis van Engelen, J.H. van der Palm danken mede aan hem een nieuwe oriëntatie van hun literaire smaak.35
Niets wijst erop dat voor Van Alphen hetzelfde geldt, ook al heeft hij ten tijde van Schultens een jaartje in Leiden gestudeerd. Vermoedelijk is zijn groeiende waardering voor de bijbel als kunstwerk omstreeks 1780 in de hand gewerkt door zijn vriendschap met de duitse theoloog, pedagoog en dichter August Herman Niemeyer.36 Deze, op 1 september 1754 te Halle geboren achterkleinzoon van de befaamde piëtist August Hermann Francke, maakte behalve door zijn geestelijke liederen en
bijbelse spelen veel opgang met zijn Charakteristik der Bibel (1775), waarvan in 1779 te Amsterdam een nederlandse vertaling het licht zag onder de titel Bijbelsche karakterkunde. De hier ondernomen psychologische benadering van de bijbeltekst op basis van een verlicht openbaringsgeloof moest Van Alphen erg aanspreken, al vond hij het soms wel eens ‘meer roman dan geschiedenis’.37 Hij die zelden in zijn geschriften op persoonlijke betrekkingen zinspeelt, spreekt in de Digtkundige Verhandelingen van ‘mijn vriend Niemeier’.38 Was het opnieuw, als bij Lavater, meer verbeelding dan werkelijkheid? Hoewel Niemeyer Van Alphen ruimschoots overleefde - hij stierf 7 juni 1828 na jarenlang het directoraat gevoerd te hebben van het Paedagogium te Halle - zijn mij over eventuele persoonlijke kontakten verder geen gegevens bekend. Maar dat Hieronymus bijzonder op deze duitse schrijver gesteld was, zal ook verderop nog blijken.
Als een van de eerste nederlandse literatoren wendt Van Alphen zich van de antieke naar de heilige poëzie om daar inspiratie te zoeken voor een nieuwe christelijke kunst. Te veel man van klassieke smaak om het oude kritiekloos weg te werpen voor het nieuwe, trachtte hij zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen wat beide ons te leren hebben. Zijn conclusie met betrekking tot de bijbelse dichtwerken, als modellen beschouwd, luidde: ‘Dat zij, wat den vorm, den aanleg, en de bewerking aangaat, gelijk staan met de beste stukken der Grieken en Romeinen; alleen kan men, uit hoofde van de moeilijkheid der Hebreeuwsche taal, van dezelve minder gebruik maken, dan men wel van de Grieksche en Romeinsche doen kan: maar wat den inhoud, de gevoelens, de denkbeelden aangaat, daar in zijn ze voor den Christen digter ver te schatten boven al wat Rome of Griekenland ons ooit heeft opgeleverd.’ (p. clxxxxviii). Van Alphen maakt dus bij zijn pleidooi voor een creatieve imitatio van de hebreeuwse dichters een voorbehoud voor die oosterse beelden, uitdrukkingen of toespelingen welke voor de moderne westerse lezers onverstaanbaar zijn. Men herinnert zich, hoe Voet en vooral Schutte in hun stichtelijke gezangen ruimschoots geofferd hadden aan ‘dien Oosterschen smaak’.39 Van Alphen heeft zich hiertoe nooit laten verleiden.
De Verhandeling over het aangeboorne in de poëzij voert ons allereerst op wat men tegenwoordig zou aanduiden als het terrein van de literatuur-
sociologie. Winckelmann had in zijn Gedancken über die Nachahmung der Griechischen Werke in der Mahlerey und Bildhauer-Kunst van 1755, en later in zijn Geschichte der Kunst des Altertums uit 1764 bepaalde unieke kwaliteiten van de helleense kunst in verband gebracht met optimale sociologische omstandigheden, zoals klimaat, regeringsvorm en onderwijs. Van Alphen onderschrijft Winckelmann's verklaring, maar hij wil deze invloed van luchtstreek, staatsvorm en andere omstandigheden enkel doen gelden voor de ontwikkeling van iemands dichterschap. De poëtische begaafdheid als zodanig acht hij onafhankelijk van sociologische factoren. Men is dichter van geboorte. Bewijzen voor deze stelling worden gezocht in de geschiedenis van de literatuur zowel als in de lotgevallen van afzonderlijke dichters.40
Alvorens nu nader te onderzoeken welke eigenschappen de dichter aangeboren zijn, rekent Van Alphen het tot zijn taak om de begrippen dichter en aangeboren te definiëren. Op de vraag wat een dichter is, antwoordt hij: ‘Een mensch, die door middel der verbeelding of inwendige gewaarwording, harmonisch tot het hart spreekt.’ (p. 50). Meer moeite kost de omschrijving van het begrip ‘aangeboren’. Het is niet identiek aan ‘ingeschapen’: ‘Het laatste ziet meer op de wezenlijke eigenschappen van een voorwerp; het eerste meer op de toevalligen’ (p. 59). In het voorbijgaan begeeft Van Alphen zich in een polemiek met de overigens zeer gewaardeerde Helvétius, die in zijn werk De l'Esprit41 alle verschillen in vermogens tussen de mensen onderling tot hun opvoeding in de ruimste zin had herleid.
Waaruit bestaan nu die aangeboren gaven die samen de dichterlijke genie vormen? In bovengeciteerde definitie van de dichter liggen ze reeds opgesloten:
1) teergevoeligheid of sensibiliteit, dat wil zeggen het vatbaar zijn voor aandoeningen. Feith zal hier later de benaming sentimenteel aan geven, een term die Van Alphen in zijn Digtkundige Verhandelingen terloops
ook wel gebruikt42 maar zonder verdere toelichting. Sensibiliteit vindt haar pendant in geest, welke term bij Van Alphen, gelijk straks bij Feith, geen onverdeeld gunstige betekenis heeft. Het geestige ligt voor hen in de sfeer van het a-poëtische, rationele. Van Alphen zal zich later nog speciaal met dit begrip geest bezighouden.43
2) verbeeldingskracht, die niet zoals bij wetenschapsbeoefening berust op ‘doordringendheid’ maar op ‘levendigheid’, dat is het vermogen om de dingen zinnelijk present te stellen. De scheppende verbeeldingskracht van de dichter verschilt van het geheugen, in zoverre zij ook het verleden tegenwoordig brengt. Wat Van Alphen hier aan de poëtische imaginatie toeschrijft komt vrijwel overeen met Emil Staiger's karakteristiek van het lyrische als vorm van ‘Erinnerung’. ‘Erinnerung soll der Name sein für das Fehlen des Abstands zwischen Subjekt und Objekt, für das lyrische Ineinander. Gegenwärtiges, Vergangenes, ja sogar Künftiges kann in lyrischer Dichtung erinnert werden.’44
De dichterlijke verbeeldingskracht manifesteert zich in levendige beschrijvingen, in de vinding en in de taal. Hoe sterker de kunstenaar alleen op zijn geheugen vertrouwt, hoe meer zijn werk een kopie van de werkelijkheid wordt. Hoe meer daarentegen zijn beschrijvingen ‘idealisch zijn (...), hoe meer verbeeldingskragt er vereischt wordt.’ (p. 139). De vier hoofdeigenschappen van de scheppende verbeelding zijn: gemakkelijkheid in het werken, levendigheid, uitgestrektheid (d.i. het vermogen om vele dingen tegelijk present te stellen) en ingetogenheid of zelfbeheersing. Met dit laatste wil Van Alphen juist de door sterke verbeeldingskracht gedreven dichters waarschuwen tegen het altijd dreigende gevaar van buitensporigheid. Men vervalt zeer licht in het ‘grotesque, onnatuurlijke, en gedrogtelijke’ (p. 180). Typerend voor de tijd waarin Van Alphen schreef is, dat hij een aparte beschouwing wijdt aan de teergevoeligheid en verbeeldingskracht van de vrouw. Anders dan Feith doet hij bepaald geen knieval voor de ‘zwakke sekse’: ‘Het schijnt hunne poezij niet zo zeer aan zagtheid en bevalligheid, als wel aan oorspronkelijkheid en kragt te ontbreken’ (p. 185). Daar konden de Van Merkens het mee doen!
3) harmonische, zinnelijke uitdrukking; feitelijk meer een uitvloeisel van de twee vorige kwaliteiten. Om elk misverstand te vermijden onderstreept Van Alphen dat men dit vermogen van de geboren genie om zich harmonisch en zinnelijk uit te drukken geenszins moet verwarren met de verbluffende vaardigheid van onze rederijkers met hun kniedichten of van de italiaanse improvisatori. Dat is hoofdzakelijk een kwestie van oefening en techniek.
Met een hernieuwd eerbetoon aan de oorspronkelijkheid als het kenmerk bij uitstek van de geboren dichter eindigt Van Alphen zijn tweede verhandeling. De lectuur ervan wordt extra aantrekkelijk, doordat de schrijver zijn betoog voortdurend toelicht met voorbeelden uit Klopstock, Young, Milton en andere dichters. Onder de door Van Alphen gebruikte bronnen verdient speciale vermelding de Lettre sur les sourds et muets (1751) van Diderot.45 Tegenover de hoofdgedachte van deze brief, dat namelijk de inversie, zoals de Grieken en Romeinen toepasten, meer geschikt is voor de poëtische stijl dan de logisch-grammaticale woordorde, staat hij niet onwelwillend. Zijn pleidooi voor een innerlijke overeenstemming tussen vorm en inhoud van een gedicht vindt steun bij vele voorbeelden die hij aan Diderot's brief ontleent. Van een kritiekloze overname van andermans denkbeelden is echter nergens sprake.
Mej. De Koe heeft zich in haar dissertatie over Van Alphen's literairaesthetische theorieën afgevraagd,46 waarom de geavanceerde schrijver van de Digtkundige Verhandelingen in 1783 zo slecht voor de dag kwam met een door en door conventionele prijsverhandeling in antwoord op de vraag: Hebben de dichtkunst en welsprekendheid verband met de wijsbegeerte? En welk nut brengt dezelve aan de eene en andere toe? De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde had reeds in 1777 dit onderwerp opgegeven, maar pas zes jaar later werden de twee bekroonde inzendingen, waaronder een van Bilderdijk, in het zesde deel van de Werken der Maatschappij uitgegeven. Mej. de Koe zegt niet waarom ze de anonieme verhandeling aan Van Alphen toeschrijft.47 De werkelijke auteur was
waarschijnlijk Cornelis van Engelen,48 waarmee althans deze kritiek op Van Alphen's ontwikkeling als estheticus haar grond verliest.
In hetzelfde jaar 1782 waarin Van Alphen zijn Digtkundige Verhandelingen publiceerde, schreef de Leidse Maatschappij een prijsvraag uit ‘Over de kenmerken van waar en valsch Vernuft, als ook over de behoedmiddelen tegen het laatste’. Er kwamen antwoorden binnen van de Züricher hoogleraar Jean Jaques Hottinger (in het latijn)49 en van Hieronymus van Alphen. De gouden ereprijs ging naar de Zwitser maar beide verhandelingen werden waardig bevonden om te verschijnen in dl. VII van de Werken der Maatschappij (1788).
Ondanks het tijdsverschil van zes jaar is Van Alphen's geschrift Over de kenmerken van waar en valsch Vernuft te beschouwen als een direkt vervolg op zijn Digtkundige Verhandelingen. Ook corrigeert hij zichzelf op een belangrijk punt. Hij heeft kennelijk de gelegenheid aangegrepen om het intellectieve aspect van de dichterlijke werkzaamheid meer tot zijn recht te laten komen dan in zijn vorige boek gebeurd was. Dáár werd onomwonden gezegd, dat geest de antipode vormde van gevoel en verbeelding:
‘denken staat tegen over gevoelen; de wijsgeer doet denken, de digter doet gevoelen. Alle stukken derhalven, waar in het denkvermogen aangenaam wordt bezig gehouden, gelijk in alles waar in geest heerschend is, kunnen niet anders dan het hart koel laten, en daar het hart koel blijft spreekt de digter niet. In de beste, de treffendste digtstukken vindt men ook weinig geest’ (p. 96).
Op dit rigoreuze standpunt is Van Alphen in zijn prijsverhandeling voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde niet blijven staan.
Allereerst valt op, hoe hij nu bij voorkeur de term vernuft gebruikt in plaats van geest. Beide woorden moeten wel hetzelfde betekenen, want zowel geest als vernuft geeft hij weer met het duitse Witz (fr. esprit; eng. wit, lat. ingenium).
Vernuft definieert hij in aansluiting bij Locke als ‘het vermogen, waar door men gelijkheden, overeenkomsten en betrekkingen tusschen verschillende onderwerpen opmerkt’ (p. 169). Naarmate iemand meer vernuft bezit, zal hij die relaties scherper en sneller inzien. Terwijl de wijsgeer met zijn vernuft wezenlijke overeenkomsten of verschillen onderkent, wordt het vernuft van de kunstenaar aangetrokken door zinnelijke betrekkingen tussen voorwerpen of personen. Vernuft in een gedicht is dus de originaliteit, het verrassend vermogen om dit laatste type gelijkheden, overeenkomsten en betrekkingen in beelden voor te stellen. Van Alphen vindt deze esprit in overvloed bij Rabener en in de Zedeprinten van Huygens, die hij ‘zeker een der grootste vernuften zijner eeuwe’ noemt (p. 178). Nog hoger waardeert hij in dit opzicht Cats, al worden, vreemd genoeg, juist uit zijn werk geen voorbeelden geciteerd.
Ten aanzien van de verhouding vernuft-gevoel in poëticis herziet Van Alphen zijn vroegere oordeel uit de Digtkundige Verhandelingen. Hij meent nu dat niet het vernuft als zodanig maar enkel het vals vernuft strijdig is met de sensibiliteit. In elk gedicht komt vernuft te pas, hoewel vernuft alléén zeker niet de dichter maakt. De graad van toelaatbaarheid wordt bepaald door de aard van de poëzie. In fabel, epigram, satire is het vernuft uitstekend op zijn plaats. Maar in alle eenvoudige of hartstochtelijke dichtkunst zoals pastorale, epos, treurspel, hoge ode en geestelijk lied dient het tot het uiterste beperkt. Vandaar zijn kritiek op Hooft's minnezangen die hij te vernuftig vindt.
Waar vernuft onderscheidt zich van spitsvondigheid door: 1) waarheid in de opgemerkte betrekkingen; 2) duidelijkheid in de voorstelling; 3) welgeplaatstheid en 4) spaarzaamheid. De schrijver blijkt weinig gesteld op woordspelingen die louter op klankovereenkomst en niet op zakelijke betrekking berusten. Van rederijkerskunstjes als anagram, akrostichon e.d. moet hij helemaal niets hebben. Zoveel verlicht rationalisme schuilt er nog wel in hem, dat hij ‘de edele eenvoudigheid der Ouden’50 verre stelt boven het valse vernuft waar ‘de donkere middel eeuw’ zich zo graag aan bezondigde (p. 292).
Van de vraag naar de behoedmiddelen tegen vals vernuft maakt Van Alphen zich gemakkelijk af. Smaakontwikkeling en studie van de beste modellen acht hij de geëigende middelen om het aangewezen kwaad tegen te gaan.
Op het eerste gezicht lijkt het misschien of Van Alphen met deze
literair-theoretische verhandeling een stap terugzet. Zo zag het tenminste De Koe en zij staat in haar oordeel niet alleen. Volgens haar haalde Van Alphen hier via een achterdeur de verstandelijkheid weer binnen ten koste van het spontane element in de kunstschepping.51 Inderdaad gaf de aangevallene wel aanleiding tot dit verwijt door een onvoldoende omschrijving van het begrip waar alles om draaide: het vernuft. Soms wekt hij de indruk dat vernuft voor hem louter een kwestie van vorm, in het bijzonder van beeldspraak, is. Op p. 196 bijv. noemt hij het niet zozeer ‘bron (...) van nieuwe, schoone en treffende gedagten, als van eene cierlijke, treffende, nieuwe, onverwagte wijze van voorstellen’. Op p. 206-207 echter waarschuwt hij: ‘Men bepaalt zeker het vernuft binnen te enge grenzen, wanneer men hetzelve alleen doet bestaan uit de opmerking en voorstelling van zulke gelijkheden, welke al haar schoonheid, en treffend vermogen ontleenen uit de kunstige uitvinding; zo dat men in dezelve niet zo zeer de voorgestelde gedagte, als alleen de geestigheid der uitdrukking bewondert.’ Anders dan in de Digtkundige Verhandelingen krijgt vernuft of geest hier de ruimere betekenis van ‘verbeeldingskracht’. Toch lag het zeker niet in Van Alphen's bedoeling om de betekenis van het spontane gevoel, de ‘aandoenlijkheid’ te verkleinen. Voor het oproepen van grootse en verheven denkbeelden schiet het vernuft zijns inziens te enen male te kort. De door hem meest gewaardeerde en zelf beoefende dichtgenres vallen allemaal onder de gemoedspoëzie, waar de taal van de hartstocht domineert.
Zo bezien is er van een terugkrabbelen in rationalistische richting geen sprake, of men moet elke gedachtenassociatie en elk appèl op het intellect van de lezer als afkeurenswaardig rationalisme in een dichter aanmerken. Erkend zij, dat Van Alphen's Verhandeling over de kenmerken van waar en valsch Vernuft als schrijfprestatie achterstaat bij zijn Digtkundige Verhandelingen. Maar inhoudelijk vormt ze toch de sluitsteen van zijn poëtiek, inzoverre hij nu aan alle aspecten van de dichterlijke genie: gevoel, verbeelding en geest gelijke aandacht - géén gelijke waardering - geschonken had.
Hoewel, naar we zagen, de doorbraak van preromantiek en gevoelige Verlichting in onze literatuur omstreeks 1766 begint met Van Goens'
essays uit de Nieuwe Bydragen, duurde het toch nog ruim tien jaar, voordat de theoretische bezinning van de ‘Philosophe sans Fard’, Hieronymus van Alphen, Cornelis van Engelen en andere stimulators door kreatief werk van niveau gevolgd werd. Maar dan doet zich ook een ware literaire eruptie voor, die des te meer opvalt in vergelijking met de schamele produktie uit de periode 1750-1780. Wolff en Deken verrassen overigens zonder aanwijsbare theoretische invloed het publiek met haar romans Sara Burgerhart (1782) en Willem Leevend (1784-'85). De jonge Feith bekent zich definitief tot het sentimentele in zijn romances Colma en Alrik en Aspasia, maar vooral in zijn romans Julia (1783) en Ferdinand en Constantia (1785). Een jaar eerder, in 1784, had hij met zijn Thirsa ook op toneelgebied succes geoogst. Zijn vriend Bilderdijk debuteert in 1779 als dichter anoniem met een bundeltje erotische poëzie Mijne Verlustiging, dat tot zijn beste werk gerekend kan worden. Bellamy's komeetachtige loopbaan als dichter en kritikus voltrekt zich helemaal in de jaren tachtig, tussen Gezangen mijner Jeugd (1782) en zijn derde bundel Gezangen van 1785.
Van Alphen's aandeel aan de herleving van onze dichtkunst begon al eerder, in 1775, met zijn Klaagzang en bijbehorende oden. Maar ook hij levert pas in het volgend decennium zijn beste werk. Het hoogtepunt van zijn kreatieve arbeid valt omstreeks 1782. In dat jaar verscheen, behalve de Digtkundige Verhandelingen en het reeds besproken Tweede Vervolg van zijn kinderdichtjes, nog een Derde Stukjen van de door hem en Pieter Leonard van de Kasteele uitgegeven Proeve van Stigtelijke Mengelpoëzij, dat nu eerst onze aandacht vraagt.
Juist in een zo sterk door de traditie bepaald genre als het geestelijk lied valt de geringste accentverschuiving onmiddellijk op. Niet ten onrechte hebben daarom Koenen, Te Winkel, Kalff en anderen al gewezen op de ‘dikwijls weemoedig-sombere, maar doorgaans gevoelig-geloovige toon van Van Alphen’,52 die in dit Derde Stukjen tot volle ontwikkeling komt. Zij allen brengen deze melancholie in verband met een soortgelijke gemoedsbewogenheid bij contemporaine duitse dichters als Klopstock en Gellert. Overigens dient hierbij aangetekend, dat Van de Kasteele een groot deel van de 24 gedichten uit het Derde Stukjen geschreven heeft. Hij vertaalde hoogstwaarschijnlijk alle twaalf liederen van Gellert die in dit bundeltje voorkomen. Het befaamde gedicht De Zee uit 178053
staat eveneens op zijn naam, terwijl Van Alphen vermoedelijk de auteur is van het rijmloze Avondlied (alle andere gedichten hebben wèl eindrijm) met zijn indrukwekkende aanhef:
Hier gevoelt men werkelijk dat numineuze, de ‘verstommende bewondering’ zoals Koenen zegt55 (die het echter depreciërend bedoelt) van de dichter van Der Messias. Toch is het in amfibrachische verzen geschreven Avondlied het enige gedicht dat onweerlegbaar de invloed van Klopstock's oden verraadt. Veel talrijker zijn evenwel passages die reminisceren aan de geestelijke poëzie van Gellert. Natuurlijk geldt dit op de eerste plaats voor de twaalf vertaalde gedichten, die alle ontleend zijn aan Gellert's Geistliche Oden und Lieder56 van 1757. De vertaler heeft de oorspronkelijke versmaat gehandhaafd, opdat ook bij zijn bewerking de muziek van Carl Philipp Emanuel Bach gebruikt kon worden. Maar ook elders in het Derde Stukjen valt Gellert's toon te bespeuren in het moraliserende, ‘volksopvoederige’ van zo menig gedicht. Die al te nadrukkelijke pedagogie schaadt dikwijls het liedkarakter of de piëtistische gloed. Ik denk bijv. aan Van Alphen's, overigens pas vele jaren later aan de Stigtelijke Mengelpoëzij toegevoegde Wat moeten wij doen?,57 waar de slotregel het pregnante eschatologische gedicht opeens in de sfeer van de nutsschool trekt. Men oordele zelf:
Als positief element staat hiertegenover de eenvoudige hartelijkheid die Gellert en de dichters van de Stigtelijke Mengelpoëzij gemeen hebben en die zich formeel uitdrukt in sobere woordkeus en simpele, meestal parataktische zinsbouw.58 Het zojuist geciteerde gedicht vormt een goed voorbeeld van die eenvoudige stijl waar Gellert het patent van had.
Er ligt een grote afstand tussen deze derde Proeve uit 1782 en de eerste twee bundeltjes stichtelijke poëzie van Van Alphen en Van de Kasteele uit 1771-'72, niet alleen temporeel maar vooral psychisch. De zwaarmoedige, meditatieve inslag heeft in de laatste bundel het behaaglijk-hedonistische geheel naar de achtergrond gedrongen. We kunnen hierin, geloof ik, alleen maar winst zien, al waren de nu ontstane subjectief-romantische gedichten ook nog zo weinig geschikt voor de gemeentezang. Wat dat betreft voldeden de berijmingen naar Gellert eigenlijk het meest.
De grote zaak van een positief-belijdend en tegelijk poëtisch-verheven kerklied hield beide dichters hun hele verdere leven bezig. Van de Kasteele echter zou spoedig op politiek gebied een andere weg inslaan
dan zijn vriend Van Alphen. Daarmee was tevens de grondslag verdwenen voor hun literaire samenwerking.
Van Alphen's onderzoekende geest dreef hem steeds weer tot nieuwe expressievormen. In 1783 introduceerde hij met zijn Mengelingen in Proze en Poëzij hier liefst drie nieuwe genres tegelijk: het dagboek, de cantate en de ‘heilige’ liefdespoëzie. Voor alle drie de gevallen vond hij inspirerende voorbeelden in de moderne duitse literatuur.
De Mengelingen waren door de auteur opgedragen aan Catharina Geertruida van Valkenburg. Zij is ook de centrale gestalte van de twaalf Gedigten voor Elize, waarmee de bundel opent. Thematisch sluiten deze verzen aan bij Van Alphen's Egtzang. Sommige ervan dateren kennelijk nog van vóór Hieronymus' huwelijk met zijn Elize. Hoewel de twaalf gedichten nauw samenhangen, vormen ze geen cyclus in de zin van een ‘in sich gerundeten Ganzen’.59 Een duidelijke chronologische of psychologische ontwikkeling valt niet te onderkennen. Het blijft bij een aaneenrijging van losse, zij het sterk op elkaar gelijkende gedichten.
Het bijzondere van de Gedigten voor Elize schuilt in de verbinding tussen liefde, deugd en godsdienst. Een eerste aanzet hiertoe troffen we al in de Egtzang van 1781 aan, maar dit gelegenheidsgedicht was enkel bestemd voor de intieme vriendenkring. Nu trad Van Alphen echter in de openbaarheid met een type poëzie dat gemakkelijk blasfemisch gevonden kon worden. De dichter achtte het dan ook raadzaam om zich bij voorbaat al tegen zulke aantijgingen te verdedigen door een soort beginselverklaring. Hoewel erkennend, dat de erotische poëzie ook zo beoefend kan worden, ‘dat er in het geheel geen gevoelens van godsdienst onder worden gemengd, en dat zij egter vrij blijft van laffe of wellustige beelden’,60 noemde hij toch een door deugd en godsdienst veredelde erotiek niet alleen mogelijk maar zelfs preferabel. Deze zienswijze hing onmiddellijk samen met zijn opvatting van de vrouw als echtgenote, zoals eerder naar voren werd gebracht in zijn epithalamium. Opnieuw beschouwt de dichter Elize als ‘een schepsel Gods, ook voor hem gebooren, en door de gunstige hand der (...) Voorzienigheid voor hem bewaard’. Zij is hem ‘in dagen vol onrust en zwaarmoedigheid verschenen, geschonken, en door hem met blijdschap aangenomen, om zijne gezellin te zijn op het doornig pad des tegenwoordigen levens.’61
Ter illustratie van deze dierbare gedachte wijst hij op de serafijnse liefde van Semida en Cidli uit Klopstock's Messias. Het was inderdaad deze dichter die, zowel door zijn kortstondig maar gelukkig huwelijk met Meta Moller als door zijn werk, het inspirerend voorbeeld gaf van een bezielde erotiek, waarbij religieus enthousiasme, onsterfelijkheidsverlangen, natuurbeleving, deugdzaamheid en sentimentele vriendschap tot een onlosmakelijk geheel zijn versmolten.62
Veel daarvan treffen we, behalve in de Gedigten voor Elize, ook aan in de uit datzelfde jaar daterende roman Julia van Rhijnvis Feith.63 Met dit verschil dan, dat de Zwollenaar zijn exemplarische liefdesgeschiedenis in een vage onwezenlijke wereld situeert. De Gedigten voor Elize staan veel dichter bij de concrete werkelijkheid waarnaar zij soms ondubbelzinnig verwijzen, gelijk bijv. Aan Elize, bij het begin des oorlogs. Bij Van Alphen is, als te verwachten, geen sprake van een maatschappijvlucht als waaraan Eduard zich na het verlies van zijn Julia schuldig maakt. Hieronymus distantieert zich zelfs expressis verbis van platonische geestdrijverij en van het misbruik ‘het welk van deze vereeniging van liefde en godsdienst in onze sentimenteele Schriften, Romans, Zedelijke Verhalen (...) gemaakt is’.64 Maar hij wil om zulke aberraties de heilige liefde zelf niet veroordelen. De afstand die Van Alphen's Gedigten voor Elize scheidt van Feith's sentimentele liefdestaferelen (Julia, Ferdinand en Constantia, Fannij) is dan ook veel geringer dan die tot bijv. Bilderdijk's Mijne Verlustiging of Bellamy's Gezangen mijner Jeugd. De daar bezongen liefdesgemeenschap schuwt Venus' gaven allerminst, al geven zowel Bilderdijk als Bellamy hoog op van de deugdzaamheid van hun geliefde. In hun versjes geen zielestichting en grafverlangen. Anacreon, Catullus, Propertius, Horatius en hun navolgers geven hier de toon aan. De petrarkistische en pastorale voorstellingswereld van Mijne Verlustiging en het anakreontische rococo-decor van de Gezangen mijner Jeugd stempelen beide bundels tot het genre van de galante minnepoëzie.65
Met zulke minnepoëzie had Klopstock en had ook Van Alphen afgerekend:
Intussen is het eerste wat in dit gedicht opvalt zijn anakreontische vorm: de rijmloze korte versregels, de talrijke verkleinwoordjes en het stereotiepe beeld van de met pijl en boog opererende Cupido. Vanzelfsprekend werkt die speelse luchtige vorm door in de betekenis. In het korte, door mij aangehaalde, fragment uit Mijne Liefde noteren we reeds de woorden Bevalligheid, vermaken, bevallig en behagen, die stuk voor stuk laten zien, hoe de godsdienst hier getooid gaat in het gewaad van de Gratiën.
Mijne Liefde is niet het enige gedicht voor Elize, waarin Van Alphen's religieus sentiment zich onder anakreontische gedaante presenteert. Er valt nog te wijzen op het vroeger reeds in zijn geheel geciteerde De avondwandeling67 en vooral op Elize's geboorte, waarvan het gegeven teruggaat op de tweede elegie uit Julia (‘Cum nova nascenti nerent mihi fata Sorores’)68 van Janus Secundus. Terwijl echter dáár het wiegekind door de aanwezigheid van Cupido bij zijn geboorte tot zanger van de liefde wordt gewijd, verschijnt in Van Alphen's versvertelling een engel aan het wiegje van Elize om haar van kindsbeen af te wijzen op Jezus en
de drie christelijke Bevalligheden: liefde, deugd en godsdienst. Maar wat in het anakreontische genre als speelse fantasie volkomen op zijn plaats was, misstond even volkomen in de heilige poëzie. Om die reden vertonen de meeste Gedigten voor Elize een innerlijke discrepantie, die terecht het ongenoegen opwekte van een fijnzinnige kritikus als Van Goens.69
Meer waardering verdienen twee gedichten, De avondwandeling en Het morgenoffer, om het natuurgevoel dat hierin tot uitdrukking komt. Die natuur verschijnt niet langer als pastoraal decor voor een galante amourette. Evenmin dwingt zij verstandelijke bewondering af om haar breed uitgemeten doelmatigheid. Zij is een tempel waar de dichter met eerbied binnen treedt:
Haar wijdingsvolle betovering verrukt de sympathetische ziel en brengt haar in direkt kontakt met de Godheid. Die zielsverrukking verdraagt zich moeilijk met een analytische beschrijving van de wonderen der natuur, zoals J.F. Martinet in zijn populaire Katechismus geeft.71 Het gaat Van Alphen meer om een stemmingsbeeld, om de suggestieve werking van een in vage contouren geschetst landschap (bij voorkeur een bosschage onder het stille licht van de maan), dan om een scherpe tekening van afzonderlijke details. Van een exclusieve aandacht voor de natuur om haar zelfs wil, dus los van haar verwijskarakter op het bovenzinnelijke, is bij Van Alphen geen sprake.
Het voor de kennis van Van Alphen's persoonlijkheid interessantste gedeelte van de Mengelingen vormen de Fragmenten uit het Dagboek van E.C.W. Deze initialen betekenen wel: Een Christen Wijsgeer. Onder de titel staat ‘Naar het oirspronkelijk Handschrift’. We hebben in het vorige hoofdstuk al gezien,72 hoe Van Alphen sinds 30 december 1774,
in navolging van Lavater, zijn dagelijkse gemoedservaringen ging registreren. Hij bleef dat doen tot kort voor zijn dood: de, voor zover bekend, laatste aantekeningen dateren van 24 februari 1802. Koenen maakte in 1844 nog melding van ‘het volledig Dagboek’73 dat hij kennelijk onder ogen heeft gehad, al stelt hij het begin ten onrechte op 1780, toen Van Alphen procureur-generaal werd. Het oudste stuk heeft hij dus waarschijnlijk niet gezien.
We mogen aannemen, dat de Christen Wijsgeer bij het uitgeven van zijn Fragmenten in 1783 geput heeft uit dit geheime dagboek (‘het oirspronkelijk Handschrift’), maar het bewijs kan niet geleverd worden, omdat het authentieke dagboek grotendeels verloren schijnt gegaan.74 Stellig heeft Van Alphen niet alleen publicabele gedeelten geselecteerd maar ook nader uitgewerkt. Notities van soms 33 bladzijden druks met ingevlochten verhandelingen en uitvoerige dialogen met vrienden, verbieden de gedachte dat we hier werkelijk te maken zouden hebben met het intieme journaal van Hieronymus van Alphen. Het Dagboek van E.C.W. is veeleer te beschouwen als een retouche. Er worden geen precieze data opgegeven; personen uit Van Alphen's omgeving gaan schuil achter een initiaal; over het algemeen blijkt de schrijver erg terughoudend bij het geven van zakelijke informatie over zijn dagelijkse doen en laten. Des te openhartiger is hij wat zijn gedachtenleven betreft. Toch constateren we ook op dit punt een opmerkelijk verschil met het geheime dagboek. In dit laatste manifesteert zich een grote innerlijke onzekerheid, de toon is overwegend droefgeestig, vooral in de latere fragmenten. De Christen Wijsgeer daarentegen stelt zich duidelijk een pedagogisch doel. Wat in oorsprong ook voor hem uitsluitend middel tot zelfverbetering was, wordt dienstbaar gemaakt, om met Lessing te spreken, aan ‘die Erziehung des Menschengeschlechts’. Het Dagboek van E.C.W. opent de reeks van geschriften, waarin Van Alphen zich als burger van ‘het rijk van waarheid en deugd’ presenteert.75 De bedoeling van de Christen Wijsgeer is geen andere dan een ‘praktikale betrachting des Christendoms’ te prediken. Zijn werk is een opwekkingsgeschrift voor de natie.
Maar wie optreedt als verkondiger van een blijde boodschap mag zelf niet neerslachtig of weifelmoedig zijn. In een uitvoerig gesprek met zijn vriend E.76 weerlegt de Christen Wijsgeer hen die menen, dat de be-
kering gemakkelijk tot zelfkwellerij en onmaatschappelijkheid leidt. Naar zijn zeggen leidde ze bij hem juist tot vreugde en innerlijke rust:
‘Ik ben dan geen dweeper of geestdrijver, wanneer ik u ter goeder trouwe verzeker; dat de verandering in mijne wijze van denken, met opzigt tot het godsdienstige, daar in alleen bestaat - Dat ik door Gods genade, sedert eenigen tijd, mijn vorig leven en gedrag - niet slegts zo als het bij menschen - maar vooral zo als het bij den alweetenden en heiligen God met wien ik alleen te doen had, bekend was, heb overdagt - dat ik mij veele gebreken en misslagen herinnerd heb, waar aan ik te voren, of geheel niet, of slegts ter loops gedagt had; - dat ik mijn zedelijk bederf gevoeld, en mij geschaamd heb over het geen ik had kunnen en moeten zijn - dat ik deswegens eenigen tijd in droefheid, angst en vreeze geleefd, en alles, wat ik mij zelf te verwijten had, met tranen voor God beleden heb. - Maar ook: dat ik zo waar, als ik van het aanzijn van een opperwezen overtuigd was, aan zijne vergevende genade geloofd, en zijne beloften, ten opzigte van mijne zedelijke herstelling, heb aangenomen; dat dit mijn hart met blijdschap vervuld heeft; en dat ik nu in mij zelf een gezetten lust gevoele, om dien God, die mijn vader in Christus geworden is, te beminnen, te eerbiedigen, te gehoorzamen, ten allen tijde, en in alle betrekkingen.’77
Op E's vraag:
‘Wat oordeelt gij dan van zulke lieden, zo als er veelen zijn onder hen die uwe denkwijze volgen, die altoos twijfelen, of zij wel zalig zullen worden - die zo agterdogtig zijn omtrend de welmeenendheid van God in het Euangelium, dat men zou vermoeden, dat zij, in plaats van met het beste wezen, met hunnen vijand te doen hebben - die meer van hunne gebreken en gemoedelijke zwarigheden spreken, dan van de liefde Gods; meer van hunnen vreeze, dan van de hoope eener zalige onsterfelijkheid’78
geeft de Christen Wijsgeer als zijn mening te kennen, ‘dat opregtheid en godvrugt bestaan kan met gebrek aan volkomen doorzigt in het Euangelium - maar niet, dat deze droefgeestigheid en dit wantrouwen aan (zijne) wijze van denken eigen is.’ Het gangbare Van Alphen-beeld is tot dusver geheel bepaald door (een gedeelte van) diens gedrukte werken. Nooit werd dat beeld echter getoetst aan zijn correspondentie of aan andere intieme documenten. Aldus kon Van Alphen op het nageslacht de indruk wekken van een zekere kalme gelijkmatigheid. Symptomatisch voor die traditionele visie is de karakteristiek die J.P. Hasebroek geeft, wanneer hij gewaagt van Van Alphen's ‘inwendige vrede des gemoeds,
die hem onder alles bijbleef’.79 Maar zulke gemoedsvrede was toch in zijn geval meer ideaal dan werkelijkheid, zoals met name uit het geheime dagboek blijkt.
Intussen hebben we nu verder alleen te maken met het gedrukte Dagboek van E.C.W. dat, hoezeer ook retouche, toch lang geen literair pseudo-dagboek is.80 Het houdt eigenlijk het midden tussen een ‘document humain’ als zijn geheime dagboek is en een om literaire doeleinden geschreven kwasi-dagboek in de trant van Sartre's La Nausée. In enkele gevallen kunnen we zelfs aantonen, dat de Christen Wijsgeer werkelijk ontvangen brieven van R.M. van Goens in zijn Dagboek heeft opgenomen.81 Hoe groot de afstand tussen deze dagboeknotities en de feitelijke werkelijkheid is, valt moeilijk in absolute zin te bepalen. Het gemoedsdagboek in de trant van Lavater onderscheidt zich in dit opzicht van het oudere type dat hoofdzakelijk uitwendige wederwaardigheden curiositeitshalve rapporteert. Dergelijke kroniekachtige dagboeken - bijv. Jacob Bicker Raije's Notitie van het merkwaardigste meyn bekent (1732-1777)82 - dragen een objectiverend karakter en verraden slechts indirect iets van de auteur.
Het Dagboek van E.C.W. daarentegen heeft slechts betrekking op één aspect van werkelijkheidservaring, de wijsgerig-religieuze, waarbij het de schrijver allerminst begonnen is om een objectief beeld van wat buiten hem ligt. Hij buigt zich hier over het eigen ik, niet uit zelfbehagen maar bij wijze van gewetensonderzoek. Daarmee sluit het gemoedsdagboek duidelijk aan bij de piëtistische traditie van het dagelijks rekenschap afleggen omtrent de vorderingen op de weg van het behoud.
Van Alphen legt zelf aan het begin van zijn Dagboek al dit verband met het piëtisme door zijn gesprek met vriend E. Zij hadden elkaar ‘in eenen geruimen tijd’ niet gezien, maar Van Alphen's bekering was kennelijk nog nieuw genoeg om aan E. de verwonderde vraag te ontlokken: ‘ge zijt fijn, serieus of pieus geworden, niet waar?’. Op het bevestigend
antwoord volgt een dialoog van ruim dertig pagina's, die voor de kennis van Van Alphen's bevindelijkheid van eminent belang is.
E. voert drie bezwaren aan tegen de fijnen:
| 1) | hun neiging tot geestdrijverij; |
| 2) | hun onvatbaarheid ‘voor het gezellige genot van onschuldige vermaken’; |
| 3) | hun rigoreus veroordelen van anderen, gevoegd bij redeloze zelfkwellerij. |
De aangevallene distantiëert zich, net als E., van schijnheilige kwezels gelijk in de roman Sara Burgerhart getekend worden. Hij noemt zijn bevinding redelijk en beschouwt alle ‘gezigten en verbeeldingen’ daarom nadelig. Ook de bijbel geeft geen grond voor zulke irrationele verschijnselen. Maar hoe afkerig ook met Spalding83 van zulke mystikerij, hij wil er hen die zo denken niet om veroordelen. Hun vals begrip van de bevindelijke godgeleerdheid spruit enkel voort uit onkunde. Van Alphen knoopt hier een pleidooi aan vast voor een bevattelijke en van alle irrationele toevoegsels gezuiverde bevindelijkheid:
‘Waarlijk, het geen men ontdekking en overtuiging noemt, is met andere woorden, niets anders dan een bedaard, schoon hartelijk, besef van begane feilen, zedelijk onvermogen, en strafwaardigheid, met de daar uit natuurlijk voordvloeiende droefheid, angst en vreeze. Wanneer wij derhalven zakelijk ons herinneren, hetgeen wij deswegens hebben gesproken, dan vrage ik u, of men dit alles voor dweeperij of geestdrijverij kan houden.’84
Als redelijk, verlicht piëtist wil hij ook, in antwoord op het tweede bezwaar van E., geen enkel vermaak veroordelen, mits niet onvoeglijk en beantwoordend aan zijn smaak. Wel vraagt hij zich af, of ‘sommige kunstspelen niet voor den eenen onschuldig, maar voor een ander nadeelig kunnen zijn, uit hoofde van de verschillende temperamenten.’85
Het derde verschilpunt raakt meer de kern van de zaak. Wij zagen al, hoe Van Alphen ten stelligste ontkent dat de bekering hem tot een misantroop zou maken. Ook nu weer bewijst hij weinig te voelen voor alles wat zweemt naar een uiterlijke demonstratie van piëtistische vroomheid. De kleding bijv. moet ‘uit hoofde van de theorie van het schoone, eenvoudig zijn’ maar niet stijf en wanstaltig.86 Toch komt, als E. verder aandringt, hem geen veroordeling van de praktijk van sommige fijne zusjes over de lippen. Stelliger laat hij zich uit over het
gebruik van de tale Kanaäns. Van Alphen heeft persoonlijk geen behoefte aan zulke ‘kunsttermen’ die dikwijls ‘of in het lage vallen, of voor iemand, die er niet aan gewoon is, onverstaanbaar zijn.’ Liever wil hij proberen ‘alles, wat wij brengen onder het algemeene denkbeeld van bevinding, zo ver zulks onder woorden kan gebracht worden’ in wijsgerige taal uit te drukken: ‘Locke tog heeft mij geleerd, dat hetgeen op de eene wijze voorgesteld, duister en ongerijmd schijnt, niet zelden klaar en verstaanbaar wordt, wanneer men het op eene andere wijze voordraagt.’87
Wat Van Alphen in dit debat met een opponent die zich overigens al te gemakkelijk gewonnen geeft, beweert komt eigenlijk neer op een solidariteitsverklaring met de inhoud van de bevindelijke theologie, onder voorbehoud ten aanzien van de vormgeving aan die beginselen. Het standpunt van de Christen Wijsgeer ligt dicht in de buurt van het redelijk, werkend christendom dat Styntje Doorzigt uit de roman Sara Burgerhart met woord en daad leert.88 Beiden zijn representanten van wat Sassen heeft aangeduid als de reformatorische Verlichting,89 die merkwaardige symbiose van openbaringsgeloof en redelijk onderzoek. Een monsterverbond als men wil. Maar zo begreep Van Alphen het niet. Hij meende lang dat het verlichte denken zijn piëtistisch christendom geenszins ondergroef.
Verlichte denkbeelden treft men op vrijwel elke bladzijde van het Dagboek van E.C.W. aan. Het begraven buiten de kerk in het open veld bijv. - schibboleth van de verlichte geest - vindt gerede instemming.90 Herhaaldelijk beroept de auteur zich op zijn ‘gezond verstand’ als onafhankelijke kenbron naast de Openbaring.91 Hij gelooft vast in de volmaakbaarheid van de mens, die ook als burger van het rijk van waarheid en deugd de toekomst vol vertrouwen tegemoet mag zien. Hij weet: ‘In dit rijk klimt men bij trappen op’,92 een optimisme dat danig
verschilt van het orthodox-gereformeerd dogma van de menselijke verdorvenheid en doemwaardigheid.
Onthullend is in dit verband zijn kritiek op het bekende gereformeerde leerstuk van ‘'s menschen onvermogen tot het herstellen van ons zedelijk bederf en het betragten van goede werken’. De ‘doorschrandere en wijsgeerige’ Paulus93 wordt te hulp geroepen om de noodzaak van een menselijke zelfwerkzaamheid te betogen. Men kon al op voorhand onderstellen, dat Van Alphen met zijn haast ziekelijke behoefte aan bezigheid, zich aan het gevoelen van de zogenaamde lijdzame christenen zou stoten. Het is frappant te zien, hoe zijn naarstigheidsmanie zelfs doorwerkt in zijn eschatologische fantasieën. Terwijl Klopstock en Feith de hemel in hun verbeelding voorstellen als een plaats waar vrienden en gelieven elkaar onder auspiciën van Jezus wenend in de armen vliegen, verlustigt Van Alphen zich bij voorbaat nog meer in onderwijskundige genoegens. Nu moet men zijn wijsheid puren uit de boeken van wijsgeren: Nieuwentijt, Newton, Locke, Boyle, Sussmilch, Leibniz; uit het evangelie; uit dichters als Young. Maar aan gene zijde van het graf wacht ons een volmaakte leerschool van wijsheid en deugd: ‘Hier is het Heelal het boek der natuur; de verhevenste wezens mijne medeleerlingen; en de leeraar de eeuwige Zoon des Vaders, onmiddellijk in zijne heerlijkheid, als het beeld des onzienlijken Gods, zijne lessen gevende aan leerlingen, tot welken hij niet, gelijk op aarde, bestraffend behoeft te zeggen: o kleingelovigen!’94
Intellectuele ontwikkeling en ethische vervolmaking worden nauw aan elkaar gekoppeld: ‘geen deugd zonder kennis’ en ‘geen Godsdienst zonder wijsheid’.95 Om geleerdheid in de zin van veelweterij taalt Van Alphen niet. Wat hij zoekt, is inzicht in de samenhang der dingen en vooral in de menselijke psyche die hij door introspectie tracht te doorgronden. Hoewel hij steeds naar verbanden speurt en liefst zo systematisch mogelijk wil onderzoeken, heeft hij een afkeer van elk dogmatisch
systeem, of dat nu een filosofisch dan wel een theologisch stelsel betreft. Als filosoof is hij eclecticus, die bestanddelen van de Wolffiaanse wijsbegeerte, het sensualisme van Locke en Helvétius, met de common sense-filosofie tot een moeilijk te beschrijven amalgaam verenigt. De nadruk ligt daarbij heel sterk op de onafhankelijkheid van Openbaringskennis en natuurlijke, rationele kennis. Geen wonder dat hij, net als Feith, zeer wantrouwend staat tegenover zuiver metafysische speculaties. Hoger prestige geniet bij hem de natuurwetenschap. Zijn inziens moet de mens zich niet wagen op een gebied waartoe zijn geest aan deze zijde van het graf geen toegang heeft. Vandaar ook zijn grondige afkeer van theologische redetwisten gelijk die over het gereformeerde leerstuk van de verkiezing en verwerping: ‘Hoe meer ik nu deze en soortgelijke voorbeelden napeinze, zo veel te meer worde ik overtuigd, dat men enkel door godgeleerde samenstellen te bestudeeren, zijnen godsdienst nimmer grondig zal leeren verstaan’.96 De bijbel zij ons voldoende. Onder de godgeleerde studiën waardeert hij dan ook eigenlijk alleen de Schrift-exegese.97
Nergens blijkt duidelijker hoezeer hij de verworvenheden van het moderne verlichte denken met zijn gereformeerde geloofsovertuiging in overeenstemming tracht te brengen dan in zijn Schets van een vrijdenker. Ofschoon de benaming vrijdenker voor de tijdgenoot al associaties opwekte aan atheïsme en deïsme, beschouwt Van Alphen haar als een eretitel: ‘Een vrijdenker, dagt ik, is immers een edelmoedig mensch; hij is een man die zig heeft zoeken te ontdoen van die vooroordeelen, welken hij, uit hoofde zijner opvoeding, ommegang, en omstandigheden in de waereld had ingezogen - die de waarheid prijst en omhelst waar hij ze vindt - geen opmerkingen veragt, om dat hij ze bij verdagte schrijvers gelezen heeft’.98 Er bestaat echter, zo vervolgt hij, groot verschil tussen vrij denken en ‘los’, dit is onbezonnen, denken. Aan dat laatste maken zij zich schuldig die zich laten verleiden door hun neiging tot het paradoxale, door hun verlangen om tot elke prijs origineel te zijn zonder voorafgaand onderzoek. Uit een elders in het Dagboek opgenomen discussie99 met zijn vriend G. (Van Goens?) blijkt, dat Van Alphen hier vooral het oog heeft op Voltaire, wiens malicieuze bedoelingen bij de Christen Wijsgeer alleen maar verontwaardiging
oproepen. Ook Rousseau wijst hij af, zij het als een te goeder trouw dwalende.100 De Philosophe de Sans Souci (Frederik de Grote)101 en Montesquieu102 daarentegen worden met instemming geciteerd.
Van Alphen's opvatting van de vrije gedachte berust op het al eerder aangewezen onderscheid tussen openbaringswaarheid en natuurwaarheid. ‘Alle de waarheden - schrijft hij103 - kunnen gebragt worden tot deze twee soorten - of tot de zulken, die van God onmiddellijk zijn geopenbaard; of tot de zulken, welken wij door onderwijs, gewaarwording, opmerking, en redeneering verkrijgen.’ Wat de eerste soort betreft, zodra wij de overtuiging krijgen met zulk een waarheid te maken te hebben, vervalt alle verdere naspeuring, omdat de Hoogste Wijsheid nooit dwalingen bekend maakt. ‘Maar met opzigt tot zulke waarheden, welker ontdekking aan ons zelf is aanbevolen, daaromtrend kan en moet men vrij denken’, zij het altijd onder de dubbele restrictie dat ons oogmerk nobel en onze toewijding in het redelijk onderzoek volledig is.
Het bovenstaande moge voldoende zijn om de Christen Wijsgeer van 1783 als representant van de reformatorische verlichting aan te merken. Maar onze karakteristiek zou wel zeer onvolledig blijven, wanneer niet tevens gewezen werd op de sentimentele inslag die het Dagboek van E.C.W. bovenal tot een geschrift van de gevoelige verlichting maakt. De schrijver wordt sterk heen en weer geslingerd tussen uitersten van droefheid en blijdschap. Hij staat geenszins onbewogen temidden van een rationeel-geordende en overzienbare natuur, maar kent veeleer dat typisch romantische gevoel van angst voor de oneindige kosmos die het nietige ik dreigt te overweldigen. Ter illustratie van dit gevreesde zelfverlies een notitie van 4 september 17..:104
‘Gistren avond was ik alleen. - (...) Het verdroot mij alleen te zijn. Ik was met mij zelf niet te vrede: er kwam in mijn hart eene droefgeestigheid op, welke mij neerslagtig, werkeloos en onlustig maakte.
Maar eensklaps werd ik als 't ware wakker gemaakt door deze gedagten: ‘De eeuwige zalige God is altijd alleen.’ Ik had ze bijna als ongerijmd verworpen, bij aldien ik niet, door nadere overpeinzing, dezelve waar bevonden had. Rekent gij u niet alleen te zijn, zeide ik tot mij zelf, wanneer gij niets rondom u hebt dan mugjes en vliegjes - maar klimt nu met uwe gedagten op tot den oneindigen. Komt het kleinste raderdiertje niet oneindig meer in vergelijking met u, dan de verhevenste Seraph, dan Eloa, dien klopstock ons schetst als den naasten aan den Ongeschapenen, met den Oneindigen?
Ja de eeuwige God is midden onder zijne schepselen altoos alleen; maar zalig, berustend in zig zelf, en genoegsaam voor zig zelf. Hoe kan de volmaakte zijns gelijken hebben! Verhevene gedagte, hoe zonk ik weg, hoe gevoelde ik mijn niet, Elize! toen ik zo aan God dagt, en mijne ontevredenheid overwoog - Ik bad aan met inwendige ontroering; ik smeekte dien oneindzaligen, dat hij mij, naar de vatbaarheid van mijne natuur, iets geven zoude van dat berusten, van dat zalig zijn in zig zelf, het welk hij zo Goddelijk, zo onbegrijpelijk bezit. Mijn gebed werd verhoord; eene zagte kalmte daalde neder; de stormen bedaarden in mijn ziel; en ik zong met Young...’
Feith kent deze horror vacui eveneens en zelfs in nog sterkere mate dan Van Alphen.105 Bij laatstgenoemde valt echter op - ook in het geciteerde fragment - hoe hij de zelfbespiegeling steeds tracht om te buigen in de richting van God. Het Dagboek van E.C.W. bevat een beschrijving van een avondlijk bezoek aan een begraafplaats in het open veld: ‘De grafplaats zelf ligt in het water; rondom staan treurwilligen, die met de einden van hunne nederhangende takken, bijkans de oppervlakte van het water aanraken. Vlak voor mij liep eene kleine levendige beek, die door eene bedaarde beweging mijne aandagt opwekte en een soort van aangename droefgeestigheid in mijne ziel deed stroomen. Agter mij hoorde ik van verre het woelend gedruisch der stad, dat door de jaarmarkt wel sterker was dan naar gewoonte; maar dewijl het niet genoegsaam was, om mijn gepeins te stooren, werkte het door het contrast alleen mede, om mij het vredige van mijne verblijfplaats des te meer te doen gevoelen. De lugt was betrokken; het was vrijdag avond; en zeer stil.’106 Dit kerkhoftafereel vraagt als het ware om vergeleken te worden met soortgelijke mortuaire verbeeldingen van Feith. Afgezien van de grotere concreetheid107 en het ontbreken van macabere effecten is deze Dagboek-bladzijde zo Feithiaans als maar zijn kan. Pas in het vervolg vinden we die voor Van Alphen zo kenmerkende ‘afleidingsmanoeuvre’, waardoor zijn voorstellingswereld christocentrischer blijft dan bij Feith het geval is: ‘Ik peinsde een geruime tijd al voord, mijne oogen gevestigd houdende op de halmpjes en blaadjes, die door den stroom voorbij mij gedreven werden. Wat ik toen dagt, weet ik niet onderscheiden;
maar opziende en het graf op nieuw onder mijn oog krijgende, dagt ik aan den dood en daardoor aan het graf van Christus.’
Zulke gevoelvolle verbeeldingen zijn wel minder in aantal dan de betogende redenaties van de Christen Wijsgeer, maar toch geven zij het best de grondtoon van het Dagboek aan. Een ingehouden melancholie ligt als een zacht waas over al deze bladzijden.
Bij de tweede druk van Mengelingen in Proze en Poëzy van 1793 werden aan het Dagboek van E.C.W. nog ruim honderd pagina's toegevoegd. Het grote tijdsverschil maar ook het verschil in karakter met het oudere gedeelte dwingen ons echter om de bespreking van dit latere stuk tot een volgend hoofdstuk uit te stellen.108 Zulk een uitstel is te meer op zijn plaats, waar de herdruk van 1793 nog andere belangrijke toevoegingen bevat.
In de editie van 1783 volgt op het Dagboek van E.C.W. onmiddellijk een drietal cantates: resp. De Starrenhemel, De Doggersbank en De Hoope der Zaligheid, waaraan de dichter nog uitvoerige Aanmerkingen bij gelegenheid der voorgaande cantaten heeft toegevoegd. Achter deze bescheiden titel verbergt zich een uitvoerige literair-theoretische verhandeling, die het probleem van de relatie muziek-dichtkunst centraal stelt.
Reeds het aan de orde stellen van die verhouding getuigt van een nieuw esthetisch gevoel. Tot ver in de 18e eeuw was men altijd gewoon geweest om te wijzen op de analogie van poëzie en schilderkunst: ut pictura poesis. Beide bestonden volgens classicistische kunstbeschouwing in het nabootsen van de (menselijke) natuur, al dan niet geïdealiseerd. De dichter echter schilderde met woorden, waar de schilder door beelden moest spreken.
De romantiek heeft aan deze langdurige liaison tussen schilderkunst en poëzie resoluut een einde gemaakt. Zij richt haar avances liever tot de muziek als zijnde de zusterkunst die het meest verwant werd geacht aan de poëzie. Deze partnerruil is een logisch gevolg van het romantisch verzet tegen de mimetische kunsttheorie. Kunst betekent voor de romantici bovenal expressie. En aangezien de muziek eigenlijk steeds, naar het woord van Abrams, de zwakke plek in de imitatie-leer was geweest, werd nu het devies: ut musica poesis.109
Natuurlijk verliep de overgang van mimetische naar expressieve kunstbeschouwing zeer geleidelijk. We zien dan ook, hoe sommige classicistische theoretici gelijk Abbé Du Bos eerst nog trachten om de muzikale expressie een plaats binnen hun systeem te geven. Over het algemeen tekent zich een gradueel verschil in waardering voor de muziek af tussen enerzijds engelse (en franse), anderzijds duitse preromantici. Duitse literatoren, Herder voorop, zijn gemakkelijk geneigd om de muziek te vereren als het non plus ultra van de kunst. Zij bewonderen in haar de pure uitdrukking en de afwezigheid van stoffelijke referenties. Herder schrijft in een recensie over Klopstock: ‘... kaum fängt eine elegische Ader bei ihm mit dem ersten Tropfen Bluts zu strömen an, so wird seine Poesie gleichsam von selbst Musik.’110 In Engeland en Frankrijk blijft men bij alle aandacht voor het muzikale element in de poëzie toch gematigder in die zin, dat niemand de dichtkunst wil laten opgaan in de muziek.
Van Alphen's standpunt ten aanzien van de relatie poëzie-muziek blijkt eigenlijk al uit de keuze van zijn bronnen. Hij noemt ze gewoonte-getrouw zelf: het Essai sur l'union de la poësie & de la musique van Chastellux (La Haye 1765)111; John Brown's Dissertation on the rise, union, and power, the progressions, separations, and corruptions of Poëtry and Music (London 1763) en de Observations on the correspondence between Poëtry and Music (London 1769) van Daniel Webb. Hoewel hij net als deze leidslieden veel goeds verwacht van een alliantie tussen dichter en musicus, denkt hij toch nog uitsluitend in termen van onderlinge dienstverlening, waarbij aan de muziek de functie wordt toegekend om de poëtische voorstelling te verlevendigen. Zij kan dat doen door die natuurgeluiden na te bootsen welke een bepaalde hartstocht opwekken. Men ziet, hoe Van Alphen ook in deze kwestie moeite heeft om zich geheel los te maken van de mimetische opvatting. Hij heeft wel aandacht voor de expressieve kant van de muziek, maar denkt daarbij meer aan het effect op de hoorder dan aan de gemoedsontlading van de maker.
Van Alphen zou geen Van Alphen heten, wanneer hij de vereniging van poëzie en muziek niet speciaal dienstbaar wilde maken aan ‘deugd, vaderlandsliefde en godsdienst’. Een kunstgevoelig man als hij moest wel kritisch staan tegenover de manier waarop onder de gereformeerden in Nederland de muziek werd veronachtzaamd. Zeker, er werd tijdens
de kerkdiensten op het orgel gespeeld en er was bepaald geen gebrek aan geestelijke gezangen. Maar toch, wat een gemiste kansen:
‘want niet alleen zijn er veele geestelijke gezangen, welke in het geheel niet geschikt zijn voor de muziek, of waar in de muziekant den regten toon niet getroffen heeft, maar daarenboven zijn dezelve doorgaands in coupletten verdeeld; en daar de voorstellingen in de verschillende coupletten doorgaands zeer onderscheiden zijn, zo moet volgen, dat er veele coupletten zijn, waar in de muziek in het geheel niet geschikt is naar de zaken (...). Eindelijk geeft de geduurige herhaling van dezelfde melodie eene eentoonigheid, welke in stukken van eenige uitgestrektheid ras verveelt’.112
Van Alphen signaleert hier een gebrek van vrijwel alle geestelijke liederen. Hij mist daar de harmonie die hij in zijn Digtkundige Verhandelingen als een van de essentiële vereisten van poëzie had aangewezen. Zulk een overeenstemming tussen klank en betekenis was in vocale muziek zomogelijk nog belangrijker. Van Alphen gebruikt de term niet, maar wat hij wenst is eigenlijk een doorgecomponeerde muzikale ondersteuning van de tekst. Dichter zowel als componist moesten in onderlinge verbondenheid een hele scala van hartstochten kunnen voelbaar maken. Geen genre leek hiertoe meer geschikt dan de cantate.
De cantata113 is een omstreeks 1620 in Italië ontstaan kort zangstuk voor solostemmen en koor met muziekbegeleiding, vocale tegenhanger van de uitsluitend instrumentale sonata. Tot omstreeks 1750 bleef de cantata daar de voornaamste vorm van profane zangkunst buiten de opera. Men rekende haar in Italië tot de kamermuziek, zelfs wanneer de (italiaanse) tekst een religieus karakter bezat. In dit laatste geval gebruikte men in plaats van de naam cantate liever nog de term oratorium.
Als kerkmuziek werd de cantate pas bekend in Duitsland sedert het begin van de 18e eeuw. Zij diende daar ter inleiding op of als omlijsting van een preek tijdens de godsdienstoefe