terug  begin  verderprepost
[p. 268]

Hoofdstuk VI Thesaurier-Generaal der Vereenigde Nederlanden (1793-1795)

VI. 1. Het hoge ambt

De Thesaurier-Generaal was zoveel als minister van financiën der Republiek, stellig dus een topfunctionaris maar niet op bestuurlijk niveau. Als hoogste ambtenaar bij de Raad van State droeg hij echter de praktische verantwoordelijkheid voor een flink deel van de uitvoerende macht van dit college.

De Raad van State telde in Van Alphen's dagen buiten de stadhouder (die ambtshalve deel uitmaakte van de vergadering) twaalf, hoofdelijk stemmende, leden: twee uit Gelderland, drie uit Holland, twee uit Zeeland en Friesland, één uit Utrecht en Overijssel, uit Stad en Lande twee. ‘Het voorzitterschap wisselde, zoals in alle Generaliteitsvergaderingen en -colleges; dit bevorderde de republikeinse gelijkheid, maar ook verhoogde het de binnenskamerse betekenis der ambtenaren.’1 Zo kon zelfs een betrekkelijk ondergeschikte functionaris als Frans Hemsterhuis - van 1755 tot 1780 commies bij de Raad van State - met geheime, belangrijke opdrachten worden belast.2 Vooral de sekretaris van de Raad kon achter de schermen veel invloed uitoefenen. Op die post zat in 1793 Mr. Jan Hendrik Mollerus.3

De Raad van State zetelde op het Binnenhof naast het kwartier der Staten-Generaal. Tot zijn taak behoorde allereerst de zorg voor het landleger: ‘voor de organisatie en verzorging der levende en dode strijdkrachten, de financiering en al hetgeen daarmede annex was, terwijl de eigenlijke legerleiding bij de Stadhouder als Kapitein-Generaal met de gedeputeerden te velde der Staten-Generaal berustte. Ook de hogere militaire rechtsspraak stond aan de Raad.’ Daarbij kwam ‘de

[p. 269]

zorg voor de belastingheffing in de Generaliteitslanden, alsmede de inning van Generaliteits-lasten met de oorlogvoering te land verband houdende; de aanstelling van en het toezicht op de functionarissen daarmede belast, de berechting van geschillen deswege. (...) Op het algemene staatstoneel trad de Raad van State vooral door zijn taak inzake de Unie-financiën. De Unie-begroting, de ‘generale petitie’ of ‘staat van oorlog’, werd elk jaar aan de Staten-Generaal aangeboden met een algemeen vertoog over de staat der Unie.’4 Zoals men de generale petitie mutatis mutandis de miljoenen-nota van de Thesaurier-Generaal mag noemen, zo valt de inleiding op die petitie enigszins te vergelijken met de huidige troonrede. Het stuk werd jaarlijks door de stadhouder voorgelezen in de vergadering van de Staten-Generaal. Maar het was opgesteld door een ter zake kundig ‘minister’, in 1793 en 1794 door Hieronymus van Alphen.

Van Alphen werd 7 juni 1793 als Raad en Thesaurier-Generaal der Vereenigde Nederlanden beëdigd tijdens de dagelijkse vergadering van de Staten-Generaal, waarna baron D.W. van Lijnden, afgevaardigde namens de provincie Zeeland, hem aan de Raad van State voorstelde.5 Van de administratieve hulp die hem ter beschikking stond, moet men zich niet te veel voorstellen. Zelfs de hoogste ambtenaren hadden maar weinig klerken te hunnen dienste. Dicteerapparaten of telefoons waren onbekend, terwijl de kanselarijstijl met zijn ambtelijke vormelijkheid in titulatuur en formulering het briefverkeer extra omslachtig maakte. Van Alphen kreeg zo eigenhandig een enorme correspondentie te verwerken: met de Stadhouder, de bevelvoerders van het leger, kwartiermakers, buitenlandse agenten, collega's van verschillende staatslichamen, ontvangers uit de Generaliteitslanden of provincies. Het blijft een raadsel waar hij de kracht en de tijd vandaan haalde om daarnaast nog brieven te schrijven aan zijn familie of vrienden als de Hinlopens, vader en zoon, en Both Hendriksen.

Het is lang mode geweest om over de oude Republiek te praten als een verkalkt apparaat dat aan eigen onmacht en corruptie ten onder ging. Maar het schip van staat werd ook toen bemand door talloze bekwame, gewetensvolle regenten en ambtenaren. Brummel heeft ons Hemsterhuis getekend als een toonbeeld van stille plichtsbetrachting. Ook Van Alphen werkte met een toewijding die hem geen volks-

[p. 270]

representant uit de Bataafse tijd zou kunnen verbeteren. Toch komt men zijn naam zelden in officiële staatsstukken tegen, evenmin als in de bestaande literatuur over Willem V, Van de Spiegel en de laatste jaren der Republiek. Met enige overdrijving zou men Van Alphen de grote onbekende uit die beslissende periode 1793-1795 kunnen noemen.

Het beste bewijs voor deze stelling leveren de beide Generale Petities die hij tijdens de twintig maanden van zijn ambtsperiode heeft ingediend. De Petitie voor 1794 werd 27 december 1793 door de Prins aan het hoofd van de Raad van State en corps voorgedragen.6 Tot dusver heeft men op gezag van H.W. Tydeman wel altijd aangenomen dat Van Alphen de auctor intellectualis was, hetgeen dan nu door archief-onderzoek is bevestigd.7

De Petitie voor 1794 draagt, in tegenstelling tot die voor 1795, bij uitstek het karakter van een algemene beschouwing. ‘Den zwanenzang der oude Constitutie’, zo heeft Tydeman dit document betiteld,8 maar er dient bij gezegd, dat Van Alphen's geluid hier, ofschoon niet nieuw, toch ongewoon krachtig doorklonk. De pittige, beeldrijke taal verraadt de geoefende stilist. De schrijver begint met een diagnose van zijn tijd, waarmee hij duidelijk aanknoopt bij De waare Volksverlichting: ‘Het laatste gedeelte dezer Eeuw is ryk in groote, ongewoone, onverwagte en ontzettende gebeurtenissen. Het onderscheid zich van alle bekende tydperken in de geschiedenis der Volken, daarin, dat de verwarring, de onregtvaardigheid, de ongebondenheid, de haat, de woede en wreedheid, welke zo veel bloed en traanen aan het zugtend Menschdom kosten, niet zo zeer uit domheid, onkunde of onbeschaafdheid zyn voortgesprooten, maar dat die ondeugden alleen veroorzaakt worden door eene buitenspoorige en onbestemde drift tot vryheid en gelykheid’.9 Die zucht nu, een valse waan van Verlichting, loopt noodzakelijk uit op de oorlog van allen tegen allen. Hoofdschuldige aan deze ontwikkeling is Frankrijk. Vol ironie vraagt de schrijver, of wij Nederlanders naast alle oorlogsleed wel ooit iets goeds aan onze kontakten met Frankrijk hebben overgehouden: ‘Zyn onze Zeden verbeterd? Is onze Koophandel met

[p. 271]

die Natie geregelder en uitgebreider geworden? Is het waare Volksgeluk vermeerderd?’10

Welke remedie bepleit Van Alphen tegen de vanuit Frankrijk hier infiltrerende vrijheidsbacil? De ghostwriter van Willem V zoekt het toppunt van staatkundige wijsheid in een aurea mediocritas, een wijze gematigdheid waarbij ‘men zelve in het midden blyft en de hollende Wagens, welke men op zynen weg tegenkomt, omzigtig weet te myden.’ Ontijdige strengheid acht hij even verkeerd als laffe toegevendheid. En dan vernemen we weer zijn bekende waarschuwing: ‘Er is geen tyd ongeschikter, tot het maaken van aanmerkelyke veranderingen, dan tyden van beroering. (...) Er moet eerst een geest van orde, van ondergeschiktheid, van bedaardheid, van eerbied herleeven, zal men aan herstel en verbetering van het gemeene wezen kunnen arbeiden.’11 Toch klinkt tussen de regels door ook wel een ander geluid. Het ging volgens de Petitie niet aan om het natuurlijk verlangen van de mensen naar vrijheid en gelijkheid met fraaie slogans te bedwingen en ondertussen zich te voeden met het zweet van zijn medeburgers. Baatzuchtige regenten werden gevoelig op de vingers getikt. Zolang de landsregering de macht miste om aan dergelijke misstanden een einde te maken, konden de betrokkenen weliswaar hun gang gaan, maar in het publiek vaststellen van dit euvel ligt toch al een verdienste. De inleiding tot de Generale Petitie voor 1794 eindigt met een dringende aansporing aan ieder wie de welvaart voor het gemenebest is aanbevolen, om ‘minder dan ooit stil te zitten’. Deze energieke woorden vormen wel een scherp kontrast met het ‘afwachten en stilzitten’ dat in Van Alphen's brieven en geheime dagboek voortdurend het parool is. Hoe benard de situatie van het land ook was, Van Alphen voelde zich, zeker in het begin, in zijn element. Hij wist dat zijn benoeming op die verantwoordelijke post niet het resultaat was van eigen ambities. De Voorzienigheid had hem als instrument uitgekozen om Jahweh's volk te helpen verdedigen tegen het goddeloze Frankrijk. Dit besef maakte hem vastberaden, het appelleerde aan al zijn vermogens.

 

Hoe geheel anders van toon daarentegen de inleiding tot de Generale Petitie voor 1795, door de stadhouder op 30 december 1794 ter vergadering van de Staten-Generaal overgebracht!12 In plaats van rustige

[p. 272]

vastberadenheid nu het angstig besef van een op handen zijnde val. Geen wonder: sedert de overwinning van het franse leger op de Oostenrijkers bij Fleurus, 26 juni 1794, waren de krijgskansen gekeerd. De Zuidelijke Nederlanden kwamen voor de tweede maal in handen van het revolutieleger dat nu ook meteen doorstootte naar het Noorden. Van de engelse hulptroepen had het Staatse leger onder leiding van de beide Oranjeprinsen - zoons van Willem V - meer last dan gemak. Alleen de grote rivieren, Maas, Waal en Rijn, hielden de vijand nog even op afstand. Maar de politieke, militaire en vooral financiële chaos was compleet.

Thesaurier-Generaal Van Alphen spreekt in zijn inleiding tot de Petitie voor 1795 dan ook hoofdzakelijk over het dreigend bankroet van de Republiek. Daar lag inderdaad de grondoorzaak van onze zwakte. De moeilijkheden zijn bekend:13 terwijl het aantal kapitaalkrachtigen onder de burgerij steeds toenam, was de staat zelf doodarm. De gemene middelen ter bekostiging van leger en vloot moesten voornamelijk verkregen worden uit de jaarlijkse quotes der gewesten. Hoewel Holland verreweg het grootste deel voor zijn rekening nam, maakten de landgewesten eindeloze chicanes over het door hen bij te dragen percentage en talmden telkens met betalen, zodat het staatskrediet steeds meer slonk. Op 7 september 1792 was na zeven jaar delibereren eindelijk een nieuwe verdeling der quotes vastgesteld, maar de effectuering ervan bleek een moeilijke zaak. Van Alphen hekelde in zijn laatste Petitie scherp de politiek van sommige gewesten om het gevraagde geld in beginsel wel toe te kennen maar de feitelijke betaling afhankelijk te stellen van het welslagen van een lening. Iedereen wist toch dat een lening uitschrijven niet baatte. De kapitaalbezitters belegden immers hun geld liever in buitenlandse effecten, omdat dan de rentevoet aanzienlijk hoger was. Tegen deze praktijk is vaak bezwaar gemaakt, maar zulke protesten getuigen van weinig realiteitszin.14

Ter versterking van het staatskrediet beval de Thesaurier-Generaal twee middelen aan: 1) het bijeen brengen van een hoeveelheid kontant geld of waardepapieren; 2) het instellen van een fonds ter aflossing van de gemaakte schulden. Op verzoek van de stadhouder had Van Alphen

[p. t.o. 272]



illustratie
Afb. 23: Woonhuis der Van Alphens aan het Westeinde in Den Haag, cf. p. 280. Foto: GA Den Haag.

[p. t.o. 273]



illustratie
Afb. 24: Prof. ds. Carolus Segaar (1724-1803). Kopergravure door L. Brasser naar olieverfportret van A. van Paddenburg; met onderschrift door Hieronymus van Alphen. GA Utrecht.

[p. 273]

enkele al te scherpe passages uit zijn concept-petitie weggelaten.15 Wat niet geschrapt werd, was een politieke verklaring die reeds door haar plaats aan het begin sterk de aandacht trekt. De schrijver suggereert daarin allerduidelijkst, dat de wet van het zelfbehoud aan de Republiek thans voorschreef om niet langer rekening te houden met haar bondgenoten. In verder militair verweer zag hij nu geen heil meer, nog minder in ‘het doorzetten van plans, waar van de uitvoering hagchelyk, de uitkomst onzeker, het gelukken niet zeer voordeelig, en de mislukking allergevaarlykst is.’16 Ook de Staten-Generaal waren van die gedachte. Op 16 december hadden zij het formele besluit genomen om twee afgevaardigden, Repelaer en Brantsen, naar de Nationale Conventie te Parijs te sturen, ten einde een vredesgesprek op gang te brengen. Van Alphen toonde zich al veel eerder geporteerd voor een voorzichtig-opportunistische politiek, hetgeen hem in konflikt bracht met raadpensionaris Van de Spiegel. Maar een bespreking van dit geschil kan niet zonder een algemeen onderzoek naar de relatie tussen beide mannen die in die kritieke jaren zo nauw op elkaar waren aangewezen.

VI. 2. Hieronymus van Alphen en Laurens Pieter van de Spiegel

Raadpensionaris Van de Spiegel vertoont in leven en werken opvallende gelijkenis met Van Alphen.17 Ook hij een man uit de provincie - Van de Spiegel werd in 1737 te Middelburg geboren -, op middelbare leeftijd zuiver om zijn kwaliteiten door de stadhouderlijke partij naar Den Haag geroepen. Op 6 december 1787 presenteerde de wat boers uitziende Zeeuw zich aan de Staten-Generaal. Met enorme energie leidde hij

[p. 274]

de restauratie-politiek, trachtte Willem V vaster in het zadel te helpen door de Acte van garantie van 1788 waarbij de gewesten elkaar het voortbestaan van de oude constitutie met het erfelijk stadhouderschap waarborgden, sloot in hetzelfde jaar en met hetzelfde doel een defensief verbond met Engeland en Pruisen, en stelde alles in het werk om door een herziening van het quotenstelsel 's lands financiën gezond te maken. Geleerd, bedachtzaam, conservatief - het zijn stuk voor stuk typeringen die ook op Van Alphen toepasselijk zijn.

Wat hem nog dichter in diens buurt bracht was zijn lichte neiging tot schoolmeesterij - zelfs prinses Wilhelmina moest zich enige correcties laten welgevallen - en zijn systeemdrang: ‘Hij werkte nooit zonder ‘systeem’ en in dat systeem was orde nummer één.’18 Toch houdt hij iets raadselachtigs, deze Van de Spiegel. Zijn jongste biograaf, F. van Dijk, zocht tevergeefs naar brieven of documenten die het innerlijk leven van de raadpensionaris konden blootleggen. Het lijkt wel of er onder die veelheid van ambtelijke beslommeringen voor intieme gevoelsuitingen geen plaats overbleef. Vriendelijk en integer, dàt was Van de Spiegel ongetwijfeld, maar door welke impulsen werd zijn persoonlijk leven gericht? Wat waren de behoeften van zijn hart? Wij weten het niet.

 

Wij zijn voor ons onderzoek naar de betrekkingen tussen Van Alphen en Van de Spiegel hoofdzakelijk aangewezen op een viertal brieven tussen beide mannen gewisseld, drie van Van de Spiegel, één die nimmer verzonden werd van Thesaurier-Generaal Van Alphen.

De eerste brief, van 2 oktober 1791,19 vormt kennelijk niet het begin van hun correspondentie, want Van de Spiegel spreekt Hieronymus hierin reeds aan als ‘WelEdelgestrenge Heer en Vrind!’ Wanneer en op welke basis ontstond die vriendschap? Mogelijk kenden Van Alphen en Van de Spiegel elkaar al enige tijd via gemeenschappelijke Zeeuwse relaties (de familie Van Visvliet uit Middelburg?). Lag het vertrekpunt in de literatuur? Tenslotte onderhield de raadpensionaris zelfs onder de benauwendste omstandigheden in 1793 nog een literaire correspondentie met de befaamde Antwerpse bisschop Cornelis Franciscus de Nelis.20 Zijn ambtelijke brieven getuigen niet alleen van bekendheid met maar

[p. 275]

ook van smaak in de klassieke en moderne auteurs. Het zou dus op zichzelf goed denkbaar zijn, dat hij langs deze weg met Van Alphen in betrekking is gekomen, maar waarschijnlijk lijkt het niet. Van Alphen zelf immers bewoog zich in 1791 nog maar nauwelijks op literair terrein en in de bewaard gebleven brieven wordt ook nergens over literatuur gesproken.

De brief van 2 oktober 1791 diende om Van Alphen warm te maken voor het ambt van thesaurier-generaal. Het initiatief tot zulk een benoeming was kennelijk van Van de Spiegel uitgegaan, maar de aangezochte maakte er naar gewoonte een gewetenszaak van. Moest hij dit aanbod zien als een wenk van de Voorzienigheid? Van de Spiegel wist feilloos hoe hij zo'n scrupuleus man het best benaderen kon. Zijn voorzichtig antwoord tekent ook hem ten voeten uit: ‘Uwe wijze van een voorkomende zaak te beschouwen - verzekerde hij - is ook de mijne: Ik ben verscheiden maalen in diergelijk geval geweest, en heb mij nooit bepaald, dan na dat ik de redenen vóór- en tegen op het papier gesteld, en na wikken en weegen, een besluit daar uit getrokken had’. Van de Spiegel's pleitrede zou een analfabeet overtuigd hebben van zijn geschiktheid tot het hoge ambt, maar Van Alphen moest nog enige tijd wennen aan het denkbeeld dat de Voorzienigheid voor hem een nieuwe deur had opengezet.

De brief van 15 januari 1792 handelt over het hierboven besproken rapport van de commissie tot de kerkelijke zaken terzake van de predikantensalarissen.21 Van Alphen had als pennevoerder van die commissie een uittreksel van het concept-rapport aan Van de Spiegel gestuurd, waarop deze in bedoeld schrijven zijn reflectiën gaf. De secure rapporteur vond hier zijn meester: Van de Spiegel maakte terecht enige aanmerkingen op de logika van het door de commissie geconcludeerde. Dit gebeurde overigens in alle vriendelijkheid.

Vriendschap zonder amicaliteit bleef bepalend voor de wederzijdse verhoudingen, ook nadat Van Alphen eenmaal schatkistbewaarder van de Unie geworden was. Maar een klein jaar na zijn indiensttreding boterde het niet meer tussen hem en Van de Spiegel. Uit de officiële bescheiden blijkt hiervan niets en wij zouden van dit konflikt dan ook geen kennis dragen, ware het niet dat onlangs een door Van Alphen in juli 1794 geschreven kladbrief over het geschil tevoorschijn is gekomen.22 De moeilijkheid is natuurlijk, dat deze brief het enige document met

[p. 276]

betrekking tot hun konflikt uitmaakt, terwijl de hier gegeven voorstelling uiteraard maar van één kant komt. Het stuk lijkt echter belangrijk genoeg om in zijn geheel te worden geciteerd. Van Alphen schrijft dan:

HoogEdgestr. Heer!

De veelvuldige blijken van toegenegenheid, vriendschap, vertrouwen en agting, welke ik, sedert mijne komst in Holland, van UHEdgestr. genoten heb, staan in zulk een contrast, met het geen mij, sedert eenige maanden bij herhaalde ontmoetingen, van UHEdg. bejegent, dat ik hoe langer hoe meer overtuigd worde, dat die gem. toegenegenheid enz. - in koelheid, onverschilligheid, wantrouwen, ja zelfs eenigermate in minagting veranderd zijn.
Denke ik op de oorzaak van deze voor mij om meer dan eene reden onaangename verandering; dan kan ik mij geene andere herinneren; dan dat ik in den afgelopen winter verschild heb van UHEdg. met opzigt tot de houding, welke naar mijn inzien de Republiek behoorde aan te nemen gedurende den veldtogt van dit jaar. Ik meende, en heb zulks daar het te pas kwam met discretie te kennen gegeven, dat de Republiek zonder hare geallieerden geheel te abandonneeren, of de gemeene zaak te laten varen, hare finantieele en militaire kragten, ten uitersten sparen moest, ten einde bij een echec van aanbelang (welke ik toen uit hoofde der geheele constellatie van zaken vreesde dat komen zoude, en welke ook dadelijk gekomen is) niet kragteloos nederliggen zoude. Ik meende dat daarvoor alle redenen militeerden.23 UHEdg. daarentegen was van begrip dat men de uiterste efforts moest doen, om dat men daardoor het spoedigst uit den oorlog raken zoude. Menigmaal heb ik toen niet alleen gewenscht maar ook getragt, deswegens met UHEdg. in een confidentieel gesprek, als met een vriend, te treden; U mijne redenen en detail op te geven, de oplossing mijner zwarigheden en den aandrang van Uwe argumenten van UHEdg. te hooren, en daardoor of tot meerder helderheid en vastigheid in mijn sentiment te komen, of anders tot dat van UHEdg. over te gaan.
Dan deze mijne welmeenende pogingen zijn telkens te leur gesteld. UHEdg. heeft altoos zodanige gesprekken met mij vermijd; en de groote zaak is vervolgens naar het plan van UHEdg. doorgezet. Het gevolg van dit alles is geweest, vis a vis van UHEdgestr. en mij, dat, wanneer ik naderhand bij deze of geene gelegenheid of eenige zwarigheden had, of eenige bedenkingen opperde, of niet alle die faciliteit in het voorschieten van gelden enz. betoonde, welke UHEdg. meende te kunnen verwagten; ik meer of min duidelijke spooren opgemerkt hebbe, dat deze mijne gedragingen zijn toegeschreven of aan onwilligheid, ondankbaarheid, hoogheid, of aan verkeerde inductien - of dergelijke verkeerde motiven, waardoor men zelfs van mij in het vermoeden zoude hebben kunnen geraken, dat ik op eene onbehoorlijke wijze, par principe, tegenwerkte.
Hoe zeer ik nu mij zelf van alle verkeerde oogmerken vrij kenne, en mij zelf bewust ben, van in het geen ik gedaan en gelaten heb, niets anders bedoeld te hebben, dan Gode en mijn vaderland opregtelijk te dienen, zo heeft egter deze verwijdering mij tot veel verdriet en droefheid geweest. Zij heeft mij mijn werk dikwijls zeer onaangenaam en moeilijk gemaakt; zo om dat ik zag, dat UHEdg. mij verdagt, en ik daardoor nutteloos werd; als om dat ik moest zien dat men een plan volgde, het welk naar mijn inzien (en
[p. 277]
ik durf zeggen niet alleen het mijne) niet naar onze kragten berekend, voor onzen welvaart nadeelig, voor onze rust en politieke existentie gevaarlijk, en bij een echec van aanbelang, noodlottig wezen zoude; een plan hetgeen mijns bedenkens regt geschikt was, om de Republiek even als of zij eene groote rol op het tooneel van het staatkundig Europe, spelen kon, in eene kleine te doen eindigen, en tot dupe van hare geallieerden te maken; een plan eindelijk, waarbij men alles waagde, en dus alles verliezen, maar bij de gelukkigste reussite niet veel winnen zoude, en zeker niet meer, dan men met de helft te wagen zoude gedaan hebben; - en, dit kan ik niet ontveinzen, woeg mij zeer zwaar op het hart.
Dan dit alles is voorbij: En helaas de uitkomst heeft mijne vrees meer dan bevestigd. Het vaderland is nabij zijnen ondergang. Het gebrek aan harmonie en samenwerking kan niet, dan dien val verhaasten; daar integendeel de confidentieele vereeniging en het gemeenschaplijk overleg met eene cordate en hand aan hand gaande uitvoering, onder Gods zegen, nog tot behoud van het vaderland, vrijheid, godsdienst en constitutie zoude kunnen strekken. Ik gevoel dit met aandoening: en dit alleen drijft mij, om UEdg. deze te doen toekomen; niet zo zeer om iets te verzoeken; mij te obtrudeeren,24 of mij te dringen in zaken die niet tot mijn vak behoren, maar alleen om mij zelf welmeenend aan te bieden, om, vergetende wat agter is, zo confidentieel als gemeenschaplijk te werk te gaan, ten einde, was het mogelijk nog zodanige maatregelen te nemen als onder den zegen van God almagtig, zoude kunnen dienen, om het verlorene te herstellen, en ons vaderland te redden uit den hoogst kritieken toestand, waarin hetzelve zig thands bevindt.
Ik heb de eer met alle hoogagting te zijn etc.

De brief van Van Alphen is wel sympathiek door zijn grote openhartigheid maar taktvol kan men hem moeilijk noemen. Er stond eigenlijk in te lezen, dat Van de Spiegel met zijn doordrijverij het vaderland aan de rand van de afgrond had gebracht. Zelfs wanneer Van Alphen gelijk zou hebben, was het inopportuun om het verloop van de oorlog als een bevestiging van de juistheid van het eigen standpunt aan te merken. Gelukkig heeft Van de Spiegel de brief nooit onder ogen gekregen. We weten daarom niet of de zaak ooit is uitgepraat dan wel tot het eind toe hangende bleef.

De laatste brief, wederom van Van de Spiegel, dateert van 30 april 1799.25 De gewezen raadpensionaris was toen juist ontslagen uit zijn gevangenis, waarin hij bijna drie jaar gezeten had. Zijn papieren en overige bezittingen waren door de representanten van het Bataafse volk gekonfiskeerd, zijn mooie huis aan de Plaats in Den Haag ging in vlammen op, slechts zijn vrouw en kinderen mochten hem soms een bezoek brengen. Maar Van de Spiegel toonde zich een man van karakter. Waardig droeg hij alle vernedering, zijn werkkracht bleef ongebroken. Omdat

[p. 278]

hij geen bibliotheek tot zijn beschikking had, moest hij als schrijver voortaan op zijn geheugen vertrouwen. Zo stelde hij in november 1795 zijn gedachten Over de verlichting onzer eeuw op papier, naderhand gevolgd door een essay ‘over de Gelijkheid der menschen’ en een beschouwing van de wetgeving van Solon.26 Ik noem slechts deze drie opstellen, omdat ze alle een onderwerp behandelen waarover ook Van Alphen het zijne gezegd had. Een vergelijking dringt zich vanzelf op. Welnu, in de grond verschillen hun standpunten niet veel. Van de Spiegel denkt misschien iets genuanceerder over de voor- en nadelen der verlichting. Opvallend is echter, dat hij - in tegenstelling tot Van Alphen - nergens als verdediger van de christelijke godsdienst optreedt. Zelfs in het Journaal van mijne detentie in de casteleny van den Hove op de Oranje-zaal, anders het Huis in 't Bosch, en op het kasteel te Woerden27 ontbreekt elke religieuze verwijzing. Van de Spiegel mocht dan een theologisch onderlegd schrijver zijn, hier althans blijkt niet of hij op dezelfde gronden bouwde als Van Alphen.

Maar zie nu die brief van 30 april 1799! Indien het handschrift met ondertekening ons niet anders leerde, zouden we kunnen geloven een brief van Van Alphen voor ons te hebben: dezelfde vroomheidsbetuigingen van iemand die ‘der Welt abhanden gekommen ist’. Van de Spiegel dankt Van Alphen voor de hem toegezonden lektuur, met name voor diens Christelijke Spectator. Hij prijst God, ‘dat er in deeze dagen van verwarring en verwoesting van Godsdienstige Deugd, nog menschen gevonden worden, die moed en kragt genoeg bezitten om de oude Waarheden voor te staan.’ En dan komt er een zin die wel precies de piëtistische toon van Van Alphen's brieven en dagboek treft: ‘Ik zoeke stil te zijn, en te wagten op het Heil des Heeren.’ Een geval van geestelijke mimicry? Of was de briefschrijver, door zijn beproeving gelouterd tot een homo religiosus, allengs een geestverwant van Van Alphen geworden? Van vertrouwelijke vriendschap merkt men ook nu geen spoor, het briefhoofd en de ondertekening zijn vormelijk zonder meer. Blijkbaar heeft het gemeenschappelijk lot de vroegere tegenstellingen doen vergeten en de mogelijkheid geopend voor een hernieuwd kontakt. Zover is het echter niet meer gekomen. Kort na de verzending van deze brief week Van de Spiegel uit naar Lingen in Hannover, waar ook de erfprins van Oranje resideerde. Daar stierf de trouwste aanhanger van Willem V op 7 mei 1800.

[p. 279]

VI. 3. Het Haagse Sion

Het bericht van Hieronymus' benoeming tot thesaurier-generaal werd door zijn vrienden met blijdschap begroet. Uit hun reakties blijkt dat zij goed wisten hoe moeilijk de Van Alphens in Leiden geaard hadden. Het geestelijk klimaat daar was ook Catharina Geertruida tegengevallen, maar - zo voorspelde Jan Hinlopen - ‘de Haagsche conversatie en leefwijze onder godvruchtigen zal haar Utrechts genoegen weêr herstellen (...) en Jorissen en Krieger - en ik moet er Reguleth immers ook bijvoegen? - zullen aan het Haagsche verblijf geen kwaad doen.’28 Hinlopen zinspeelt met geen woord op ‘wereldse’ genoegens van toneel, bals, concerten en salons die de Residentie in overvloed bood. Den Haag was, meer nog dan Amsterdam, trefpunt voor de high society en centrum van een sterk verfranste cultuur. De half-landelijke en toch verfijnde entourage gaf aan de kleine stad met haar 38.000 inwoners een bekoorlijkheid, waarvoor bijv. iemand als Diderot in 1773 zeer gevoelig bleek: ‘C'est peut-être le plus beau village qu'il y ait au monde.’29

Na de restauratie van 1787 hadden de Oranjes het hofleven op de oude voet voortgezet.30 Het stadhouderlijk kwartier werd zelfs aanzienlijk uitgebreid en verfraaid. Bij gelegenheid nog van het huwelijk van prinses Louise met de erfprins van Brunswijk in 1790 en van prins Willem met Frederica Louise van Pruisen in 1791 werden grote feesten aangericht. Wel brak met de Coalitie-oorlog tegen Frankrijk een zorgvolle tijd aan, maar het stadhouderlijk paar bleef tot het laatst toe deelnemen aan een geanimeerd hofleven.

Voor dit society-verkeer had Van Alphen echter geen belangstelling. Ik herinner er slechts aan hoe afkeurend hij in 1781 oordeelde over het wufte uitgaansleven in Den Haag.31 Met de stadhouder zelf stond hij in regelmatige, zij het zuiver ambtelijke, correspondentie. Het ontbreekt niet aan bewijzen van oprechte genegenheid, ja verering, van Hieronymus' kant, maar de vraag blijft in hoeverre Van Alphen aan een menselijke beoordeling toekwam. Waarschijnlijk zag hij Willem V meer als symbool dan als persoon.

Dat Van Alphen de salons en plaatsen van vermaak meed hoeft geen verwondering te wekken. Vreemd is echter dat hij evenmin verkeerde in de kring van het Haagse Kunstliefde Spaart Geen Vlijt, hoewel dit

[p. 280]

dichtgenootschap toch bekend stond als zeer orangistisch, terwijl voorzitter Reguleth iemand van onverdachte rechtzinnigheid was. Eens te meer vinden we hier een symptoom van Van Alphen's distantie-behoefte. We hoeven werkelijk geen breed panorama te schetsen van het culturele leven in de hofstad, omdat Van Alphen er totaal buiten stond, tot schade overigens voor zijn geestelijke ontwikkeling die zo steeds eenzijdiger werd gevoed. Hieronymus en Catharina Geertruida trokken zich naar gewoonte terug binnen de enge kring van enkele vrome geestverwanten, die zij liefst ontvingen in hun eigen statige woning aan het Westeinde.32 Een paar namen zijn we al tegengekomen: de hoogduitse predikant Matthias Jorissen en zijn vrouw Lotje, de gemoedelijke autodidakt ds. Willem Leendert Krieger (1748-1822)33 en ds. Daniel Albert Reguleth,34 een van de oprichters van het Haagsche Genootschap ter verdediging van den christelijken Godsdienst. Diens onverwachte dood op 28 december 1794 sneed echter de mogelijkheid tot hechte vriendschap met Van Alphen af. Maar Jorissen en Krieger waren vertrouwde huisvrienden. Beiden stonden in 1803 aan het sterfbed van Van Alphen evenals Mr. Adriaan Nicolaas Mollerus (1740-1809),35 griffier bij de Hoge Raad van Holland. Van Alphen zal hem via Van

[p. 281]

Goens nog gekend hebben uit zijn studententijd te Utrecht. Brieven aan Meinard Tydeman doen Mollerus kennen als iemand die insgelijks uit hoofde van zijn streng godsdienstige gezindheid weinig ophad met het Haagse hofleven.

Maar het nauwst gelieerd voelde Van Alphen zich in het Haagse Sion met Mr. Coenraad le Leu de Wilhem,36 een veertien jaar oudere weduwnaar, sedert 1792 voorzitter in den Hove van Holland. De Wilhem was bovendien geparenteerd aan Catharina Geertruida van Valkenburg. Toen hij 28 december 1800 aan een ‘schielijk toeval’ overleed, voelde Van Alphen zich in Den Haag voortaan geheel ‘als vreemdeling’.37

Nog maar nauwelijks woonde Van Alphen aan het Westeinde, of hij vormde al met De Wilhem een bidgezelschap dat iedere eerste dinsdagavond (later 's maandags) bijeenkwam. De kleine kring bestond hoofdzakelijk uit vrouwen; de leiding lag bij De Wilhem. Van Alphen voelde zich hier in zijn element. Hij preekte er graag en veel, altijd uitgaande van een bijbeltekst. Zo sprak hij 27 augustus 1799 over Jes. LXIV:8 en op 10 september van datzelfde jaar over Luk. XXI: 19.38 De Utrechtse vrienden werden niet vergeten. Zij leefden intens met de Haagse bidstond mee. Het gevoel te behoren tot de kleine kudde van godvrezenden gaf een sterk gevoel van lotsverbondenheid, vooral na de ondergang der Republiek toen er weer moed voor nodig was om orthodox gereformeerd te zijn. Men wilde zich aan elkaar warmen, gezamenlijk troost zoeken voor de ongunst van de tijd. Het idee van een eindfase der geschiedenis te beleven, beslissende botsing tussen christendom en wereld, was heel sterk in deze kring. In dit licht beschouwe men de briefwisseling tussen Van Alphen en zijn geestverwanten. ‘'k wenschte - zo schreef Jan Hinlopen 30 oktober 1793 - nu en dan wel eens bij uw bidgezelschap te zijn en lees er zoms iets van uit de brieven van den Hr. d. W[ilhem] aan m[ijn] v[ader] geschreven.’39 Neef Bachiene's belangstelling in Van Alphen's lekenpredikatie was niet minder: ‘Schrijft gij ook uwe gesprekken? ai zendt ons dan eens dat over Dan. 2:21-22. Gij

[p. 282]

kunt zeker zijn, 't zal onder ons blijven.’40 Levendige interesse toonde verder de familie Van Westrenen41 op het kasteel Beverweerd nabij Zeist, waar behalve de Van Alphens ook Jan en Jacobus Hinlopen graag geziene gasten waren. Zo lopen er vanuit Westeinde nr. 47 stroomdraden voor geestelijke opwekking door heel Nederland. Anonieme, eenvoudige ‘stillen’ zoeken kontakt42 met de christen-wijsgeer Van Alphen, auteur van stichtelijke geschriften die dikwijls rechtstreeks uit de Haagse bidstonden lijken voortgekomen. Aldus verwijdde de kring om Van Alphen zich tot een grote huisgemeente waarvan hij de gezochte voorganger werd. Zijn lezerspubliek was dan ook anders samengesteld dan dat van Feith. Deze laatste richtte zich tot de sensibele poëzieminnaar van christelijke huize, Van Alphen schreef allereerst voor medegelovigen. Beiden zochten een zo breed mogelijke lezerskring te bereiken, waartoe zij bewust de simpelste taalvorm hanteerden. Maar Feith's aanhang behoorde, in vergelijking met die van Van Alphen, toch tot de meer vrijzinnige vleugel van het christelijke volksdeel.

In een brief van 20 januari 1800 aan graaf Van Heiden van Reinestein noemde Van Alphen de maandagse kring van De Wilhem een gezelschap van ‘middelweg betreders’. Hoewel hij de precieze betekenis van deze benaming niet toelicht, valt uit de kontekst toch wel op te maken wat voor godsdienstige houding hier bedoeld wordt. Ondanks alle afkeer van de revolutionaire, atheïstische tijdgeest voelden de ‘middelweg betreders’ niets voor een vlucht in de mystiek. Zij wantrouwden het irrationalisme van de geheime genootschappen. Liever hielden zij zich aan de klare boodschap van de Schrift, vertrouwvol biddend om de uitstorting van de H. Geest. De bijbelse aanmaning om voorzichtig te zijn gelijk de slangen was hen op het hart geschreven.

[p. 283]

Wat aandacht verdient is het feit dat de Haagse bidstond een lekengezelschap was. Krieger noch Jorissen maakte er deel van uit. Men kan in die nadrukkelijke erkenning van het priesterschap van alle gelovigen een typisch piëtistisch trekje zien. Daar komt bij dat Van Alphen persoonlijk met ware hartstocht als Leraar optrad. Eén ‘dominee’ was al voldoende. Deze amateur had zelfs aan zijn eigen gemeente niet genoeg. Hij zocht en vond ook elders emplooi. Veelzeggende aantekening van juli 1801 in zijn geheime dagboek: ‘Ik deed de huisoefening bij Nigt Bachiene [te Utrecht] en op Beverweert met opgewektheid.’ Wanneer de leeftijd Jacobus Hinlopen zwaar gaat drukken, schrijft Van Alphen hem met spijt: ‘Ik woude dat de omstandigheden zo waren, dat ik mijnen ouden vriend konde helpen, met nu en dan en onder hem te prediken, te catechiseeren, huisbezoeking te doen, etc. etc.; want daarheen strekt zig mijn meeste begeerte in mijn tegenwoordige ledigheid heen.’ Deze brief dateert weliswaar pas van 3 februari 1798, maar de begeerte om predikant te worden leefde, gelijk wij zagen, al bij de jonge Van Alphen. Hij was waarlijk zijn roeping misgelopen!

Bij de dood van De Wilhem leek het even met het bidgezelschap gedaan. Van Alphen schetst in een brief van 13 januari 1801 aan Jacobus Hinlopen de moeilijkheden: ‘Ik ben de enige man, die over is. De Hr. de W. had, ook op mijn verzoek, sedert eenigen tijd dezen en geenen verzogt om ons te helpen, maar niemand wilde dit werk op zig nemen. Alleen met weinige vriendinnen dat aan te houden kwam mij niet geschikt voor.’ Reeds op 11 februari echter kon hij dezelfde correspondent berichten, dat zijn ‘vaste gezelschap’ denkelijk zou blijven bestaan, dank zij de toegezegde hulp van de heer M. (Adriaan Nicolaas Mollerus?) ‘en nog een of ander’.

 

De politiek speelde in deze vrome kring geen andere rol dan dat zij de leden dichter bij elkander bracht. Immers zowel De Wilhem als Van Alphen raakten door de staatkundige omwenteling van 1795 hun ambt kwijt. Dat gebeurde niet onverwacht. Den Haag was integendeel een van de laatste plaatsen waar de Patriotten de macht overnamen.43 Op 18 januari 1795 had Willem V in een druk bezochte receptie op het stadhouderlijk kwartier afscheid genomen van zijn getrouwen. Van de Spiegel deed hem vervolgens uitgeleide tot aan de Scheveningse vissers-

[p. 284]

pink, waarmee hij diezelfde nacht naar Engeland overstak. De volgende dag werd in Den Haag een nieuwe Vaderlandsche Societeit opgericht. Op 22 januari kwamen enige franse troepen onder generaal Moreau de stad binnen, twee dagen later gevolgd door de franse Representanten. Maar pas op 6 februari kwam iemand op de gedachte om een vrijheidsboom op het Buitenhof te plaatsen.

Intussen waren 26 januari de Provisionele Representanten des Hollandschen Volks, voorgezeten door Pieter Paulus, in eerste vergadering te 's-Gravenhage bijeengekomen. Diezelfde vergadering schafte op 4 maart 1795 officieel de Raad van State af. In tegenstelling tot Van de Spiegel en andere vooraanstaande regeringsfunctionarissen van het oude regime werd Van Alphen met rust gelaten. Wel had het geheime Committé van Algemeen Welzijn hem eind 1794 vanuit Frankrijk in een Circulaire missive als een ‘schijnheiligen Deugniet’ gekwalificeerd,44 maar de overlast die hij van de Patriotten ondervond ging niet verder dan een beperking van zijn bewegingsvrijheid. Men hield zijn handel en wandel scherp in het oog. Aan een van die Permissiebiljetten danken wij het signalement van Hieronymus van Alphen. Volgens een document van 5 juli 1796, dat hem toestond om zich van Den Haag naar Utrecht te begeven en daar tot 19 juli te blijven,45 was de begunstigde toen: ‘oud 49 Jaaren, lang 5 Voet 4 duym, hebbende blaauwe Oogen’. Er is weinig fantasie voor nodig om de gevoelens te raden van de man die met dit verlofpasje op zak door Utrecht wandelde.

1Fockema Andreae, p. 20.
2Zie L. Brummel, Frans Hemsterhuis, een philosofenleven, Haarlem 1925, p. 45.
3Jan Hendrik baron Mollerus (1750-1834), zoon van de president van de Hoge Raad Mr. Hendrik Mollerus en broer van Van Alphen's vriend Adriaan Nicolaas M. (over hem hierna, p. 280); van 1784-1795 sekretaris Raad van State. Zie Van der Aa XII, p. 961.
4Fockema Andreae, p. 21.
5Van Alphen's voorganger was François van der Hoop (1747-1793), boezemvriend van Frans Hemsterhuis.
6In hs. op ARA, archief St.-Generaal, nr. 5448; afgedrukt in Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken voor 1793, p. 1900-1917; later door H.W. Tydeman in Mnemosyne II, 1831, p. 97-114 (citaten volgens deze uitgave).
7In br. 151 dankt H.v.A. een vriend voor zijn waarderende woorden met betrekking tot de Generale Petitie, hoewel ... ‘het is en blijft gemakkelijker wel te schrijven dan wel te handelen of te doen handelen’. Cf. ook verderop, noot 15.
8Lofrede, p. 31.
9A.w., p. 100.
10A.w., p. 107.
11A.w., p. 109.
12In hs. op ARA, archief St.-Generaal, nr. 5448; afgedrukt door H.W. Tydeman in Mnemosyne II, 1831, p. 115-138 (citaten volgens deze uitgave).
13Zie voor het volgende: A.J. van der Meulen, Studies over het ministerie van Van de Spiegel, Leiden 1905, hfdst. III.
14Cf. Joh. de Vries, De economische achteruitgang der Republiek in de achttiende eeuw2, Leiden 1968, p. 176. Ook Van Alphen zelf had een groot deel van zijn vermogen geinvesteerd in buitenlandse staatsschulden, zoals blijkt uit akte van boedelscheiding tussen H.v.A. en zijn weduwe Cath. Geertr. van Valkenburg, dd. 24-2-1807, RA Utrecht, archief Boetzelaer, inv. nr. 324.
15Br. 167. De vorige Petitie was ‘zonder remarques’ door Willem V goedgekeurd (br. 149).
16Generale Petitie voor 1795, p. 118.

17Over hem: G.W. Vreede, Mr. L.P. van de Spiegel en zijne tijdgenooten, 4 dln., Middelburg 1874-1877 (chaotische inleiding; bruikbaar alleen om de afgedrukte documenten); A. de Fouw Jr., Onbekende raadpensionarissen, 's-Gravenhage 1946, p. 165-209; A.J. van der Meulen, Studies over het ministerie van Van de Spiegel, Leiden 1905; M.J.H. Post, De Driebond van 1788 en de Brabantse revolutie, Bergen op Zoom 1961; F. van Dijk, Mr. Laurens Pieter van de Spiegel Raad en Burgemeester van Goes, Assen 1963. Een biografie over de periode 1787-1800 ontbreekt nog. Veel materiaal daarvoor is te vinden in Brieven en negotiatien van Mr. L.P. van de Spiegel, als Raadpensionaris van Holland, 3 dln., Amsterdam 1803 en in het ARA. Noch daar, noch in het familiearchief-Van de Spiegel te Dordrecht bleken echter brieven van of aan Van Alphen aanwezig (br. van Jhr. Mr. D.J.P. Hoeufft te Dordrecht, beheerder van de familiepapieren, dd. 23-8-1967.)
18Van Dijk, p. 231.
19Br. 124.
20Brieven en negotiatien I, p. 327. Ook Van Alphen ontving sept. 1794 een brief van de Nelis (KB, sign. 130 D 13; de brief blijkt echter niet aanwezig!) die eerder al met Van Goens had gecorrespondeerd. Zie over deze verlichte prelaat: W. Prick, Bisschop Nelis, Utrecht-Brussel 1948.
21Br. 125; cf. hiervóór, p. 252 vv.
22Br. 161.
23militeerden: pleitten.
24obtrudeeren: op te dringen.
25Br. 210.
26Alledrie te vinden in dl. 4 van Vreede.
27Gepubliceerd in Bijdr. en Med. Hist. Gen. XV (1894), p. 1-61. Van de Spiegel zat gevangen van 29-1-1795 tot 20-12-1798.
28Br. 135.
29Zie Diderot, Correspondance (ed. Roth), XIII, Paris 1966, p. 14.
30Zie H.E. van Gelder, 's-Gravenhage in zeven eeuwen, Amsterdam 1937, p. 238.
31Zie hiervóór, p. 12.
32Van Alphen kocht 10 maart 1794 van de weduwe van Dirk Bouwens een huis, tuin en erf, alsmede een stalling voor acht paarden en een koetshuis, aan de noordzijde van het Hoge Westeinde en aan de westzijde van de Vleersteeg voor ƒ 26.400. - Sedert 1858 droeg dit pand het huisnummer 47. Het was een kolossaal, luxueus ingerichte woning, aan het begin van de eeuw gebouwd voor burgemeester Rosa. Mevr. Van Alphen-Van Valkenburg verkocht het 15 mei 1805 voor ƒ 20.000. - aan Mr. Sebastiaan Cornelis Nederburgh. Later zijn in dit pand het Koninklijk Conservatorium en het Gymnasium gehuisvest geweest. Enkele jaren geleden werd het huis waar Van Alphen tot zijn dood toe gewoond heeft, afgebroken (br. GA Den Haag dd. 12-5-1960; Johan Schwencke, Nieuwe wandelingen door Oud-Den Haag, Zaltbommel 1968, p. 56-57).
33Van Alphen kende hem nog uit Utrecht, waar Krieger van 2 oktober 1785 tot 10 oktober 1791 predikant was. Zie over hem De Bie-Loosjes V (1943), p. 260-262.
34Geb. 1749 te Amsterdam, sedert 25 maart 1787 predikant te 's-Gravenhage; overtuigd aanhanger van Oranje en de oude constitutie. Voor het Haagsche Genootschap hield hij een Aanspraak over de redenen ter bemoediging, die een vriend der waarheid in dezen tijd van tegenstand en ondermijning overblijven. Zie Glasius III, p. 161; NNBW X, 794-795; E.J.W. Posthumus Meyes, Hervormd 's-Gravenhage in de negentiende eeuw, 's-Gravenhage 1935, p. 340.
35Zoon van Mr. Hendrik M. en Cornelia Mauritia Noey, studeerde rechten onder Tydeman met wie hij nauw bevriend raakte; promoveert 17 juni 1763. Zie Wille, p. 94, 123-124; H.H. Roëll, Het geslacht Mollerus, in De Ned. Leeuw XIX (1901), p. 161 vv. Mr. G.W. baron Mollerus te Oosterbeek schreef mij dd. 31 mei 1971, dat het familie-archief geen brieven van of aan Van Alphen bevat.
36Geb. te Amsterdam op 7 september 1732 als zoon van Mr. David le Leu de W. en Clara Susanna Backer; werd in 1760 raadsheer bij het Hof van Holland; trouwde 31 okt. 1752 te 's-Gravenhage met Maria Catharina van Schuylenburch (1732-1790). Het GA 's-Gravenhage bezit een lijkdicht op hem door ds. A.A. Woesthof.
37Br. 262.
38Geheime Dagboek, dd. 11 sept. 1799.
39Br. 147.
40Br. 190.
41Arnout Jan van Westrenen (Utrecht 1751- ald. 1815), kanunnik van het kapittel van Oud-Munster; woonde te Utrecht in de Domsteeg en had sinds 1782 Beverweerd in huur van Henrietta Susanna Maria gravin van Nassau le Lecq. Uit zijn huwelijk in 1776 met Antoinette Charlotte Godin (hierin ligt de familiale band met de Hinlopens) had Arnoud Jan één zoon: Jan Anthonie Godin van W. (overl. in 1854) en twee dochters: Cornelia Anna (1777-1839, in 1796 geh. met Willem Hendrik de Beaufort) en Isabella Antonia Lucretia (1778-1846, in 1803 geh. met Jan Frederik van Beeck Calkoen). Douairière Van Beeck Calkoen-Wttewaal, wonende op het kasteel Rijnestein te Cothen, bezit nog de correspondentie van Isabella van W. maar hierin bevindt zich niets van Van Alphen (opg. RA Utrecht, br. van 20 juli 1971; genealogie-Westrenen in bezit van Ir. J.A. Walland te 's-Gravenhage).
42Talrijke voorbeelden onder de bewaard gebleven brieven aan Van Alphen, bijv. die van mej. S.B. Wakker (br. 298) en van J.C. Sibmacher (br. 306).
43Zie C. Rogge, Tafereel van de geschiedenis der jongste omwenteling in de Vereenigde Nederlanden, Amsterdam 1796, p. 320 vv.
44Zie C. van der Aa, Geschiedenis van het leven, character, en lotgevallen van wijlen Willem den Vijfden, IV, Amsterdam 1808, p. 393.
45RA Arnhem, synodaal archief van Gelderland, inv. nr. 219. Het document was verstrekt door wethouderen van Den Haag. In br. 243 dd. 25 januari 1800 vroeg J. Both Hendriksen aan H.v.A.: ‘Weet gij ook bij geval of men nog passen moet vragen, om onzen vrijën grond te mogen verlaten? en zo ja, of het Uitv. Bew. die ook verleend, dan wel of dat exclusief aan de departem. bestuuren is opgedragen?’
prepostterug  begin  verder