| Kleine Bijdragen, tot Bevordering van Wetenschap en Deugd: 174, 260, 308-311, 313, 322-323, 328. |
| Mengelingen, in Proze en Poëzy: 5, 8-9, 48-49, 67, 89, 101, 112, 128, 158, 166, 176-202, 213-216, 236-239, 255, 257, 263-264, 331, 345. |
| Missive, aan... Dumouriez: 266-267. |
| Mijne onbekende vrienden: 49, 200-202. |
| Nagelatene Schriften: 308, 310-311, 313-314, 322, 327-328, 339-340. |
| Nederlandsche Gezangen: 140-146, 152, 215, 342-343. |
| Ode aan Christus: 75, 79, 91-92. |
| Ode aan den Dood: 75, 78-79. |
| Op den 8sten Maart 1793: 267. |
| Overdenking over eenen vroegtijdigen dood: 90, 93. |
| Predikt het Euangelium allen Creaturen: 260, 308, 310, 312, 315-317, 319, 321-322, 327, 329, 341, 349. |
| Proeve van Liederen en Gezangen voor den Openbaaren Godsdienst: 330-338. |
| Rapport... ten betooge van de Souverainiteit der Heeren Staten, over... Utrecht: 226-227. |
| De Rechten der Gereformeerde Gemeenten... verdedigd: 288-291. |
| Aan den standvastigen... verdediger van de Willemstad: 265. |
| De Starrenhemel: 10, 189, 192-193, 199, 351, 353, 355. |
| Stigtelijke Mengelpoëzij: 5, 43, 52, 57-64, 173-176, 199, 341, 356. |
| Stigtelijke Digtstukjes: 199-200, 341. |
| Theorie: 60, 90, 114-140, 149, 159, 165, 214, 217, 341, 355. |
| Over de Verdienste (naar Th. Abbt): 95-97, 143, 341. |
| Verhandeling over den Eed der Utregtsche Bisschoppen: 67-68, 341. |
| Verhandeling over de Kenmerken van waar en valsch Vernuft: 170-172, 341. |
| Verhandeling over de Voortreflijkheid der burgerlyke Wetgeeving van Moses: 17, 256-259, 341. |
| De waare Volksverlichting: 259-263, 308, 341. |
| Wat moeten wij doen? I.D.D.D.: 174-175, 293. |
| Een Woord Op Zijn Tijd: 265. |
|