Het is niet de bedoeling van deze studie om de satirische uitbeelding en bestrijding van den Protestant en het Protestantisme, van welke richting of schakering ook, te behandelen: ons doel is immers slechts den Calvinist en het Calvinisme weerspiegeld te zien in de Contra-reformatorische literatuur van de Zuidelijke Nederlanden.
De vraag dient dus gesteld: behoort Anna Bijns hierin een plaats te bekleden? Volgens mij: inderdaad, en wel om drie redenen.
Allereerst is zij te beschouwen als de eerste grote dichterfiguur der Contra-Reformatie, wier optreden samenvalt met de politieke phase daarvan onder Karel V, en wier dichtwerk de poëtische rechtvaardiging is van diens gruwzame ketterpolitiek; tevens is zij de grote representante van de Vroege Barok in de Nederlanden, omdat in haar werk - Middeleeuws van vorm nog - de dynamiek, de vaart, de gepassionneerdheid van een nieuw tijdvak in de Roomse kunst wordt ingeluid: weliswaar vroeg, archaïsch-streng nog, omdat zij met de ketterij ook de hele Renaissance-cultuur vreest en haat.
Vervolgens: tijdens de opkomst van de Lutheranen, Sacramentariërs en Anabaptisten was Anna Bijns (geb. 1493) in de bloei van haar jaren. Het gevaar van die stromingen voor haar geliefde Kerk heeft ze onderkend en tegen die richtingen ging haar verweer. De manifestatie daarvan, gepaard met allerlei andere tijdsverschijnselen, werkten in haar geest samen tot de vorming van een beeld van den ketter, van den hervormde. Bij het ouder worden heeft ze waarschijnlijk slechts een flauwe notie gehad van de opkomst en de groeiende betekenis van het Calvinisme1). Het vroeger door haar ontworpen beeld werd er niet anders van: dat was reeds lang in haar geest, en in haar dichtwerk gefixeerd. Wat ze de Luthersen en de Wederdopers had aangewreven, trof de Calvinisten evengoed. De Calvinist lag onder hetzelfde oordeel, zodat dan ook een van haar later levende geestverwanten in 1580 zonder enig bezwaar de naam ‘lutherianen’ in een van haar felle anti-Lutherse refereinen in ‘Calvinisten’ kon veranderen2). Essentieel was er destijds voor een Katholiek toch geen verschil tussen die groepen.
De derde reden is deze: de visie die Anna Bijns had op de toenmalige hervormden leeft nog voort onder Katholieken van onze tijd. Haar partijdig gekleurd beeld omtrent de zestiende-eeuwse hervormers heeft voor sommigen nog steeds historische waarde, evengoed als Vondel's beeld van het Calvinisme en de Calvinisten nog steeds gezag heeft èn in Roomse èn in vrijzinnige kringen. Wie zich hiervan wil overtuigen leze de Inleiding van Anton van Duinkerken's Dichters der Contra-reformatie1). Zijn tekening van de opkomst der Nederlandse Hervorming klopt precies met het beeld dat Anna Bijns in haar anti-reformatiegedichten daarvan ontworpen heeft. Ziehier enkele trekjes van het beeld: ‘Van toen (n.l. 1521) af werd de propaganda voor de nieuwe leer in het geheim gevoerd en kreeg ze de aantrekkelijkheid van een samenzwering.’ ‘Kleine taveernen in stegen raakten bekend als plaatsen van bijeenkomst, die de nieuwsgierigheid lokten.’ ‘Ontevreden ambachtslieden en verschooierde idealisten met een teleurgestelden toekomstdroom beleggen in herbergzaaltjes en artisten-ateliers geheime bijeenkomsten, die in naam van de gezuiverde religie zoo goed als anarchistisch zijn.’ Men vraagt zich af: zijn dat de mensen geweest, die goed en bloed veil hadden voor het geloof, zijn dat de mensen geweest die het aanzijn van een land veranderd hebben, die een geestelijke hervorming te weeg gebracht hebben, waarvan de machtige nawerking nog allerwegen te bespeuren is? Een stelletje bedrogenen die ‘vaak evenmin op de hoogte (waren) der Lutheraansche theologie als degenen, die rood stemmen, thans op de hoogte zijn van de marxistische maatschappij-leer’?
Met deze beschouwingen doet Van Duinkerken wel zeer sterk te kort aan het hoog-geestelijk gehalte en het élan van de Hervorming. In moderne bewoordingen zegt hij nog hetzelfde als Anna Bijns, wier ‘uitvallen’ voor hem ‘tezamen een grandiose geloofsbelijdenis vormen, vervoerend en angstwekkend’ (blz. 18). Stuk voor stuk kan men in haar dichtwerken de plaatsen aanwijzen waarop Van Duinkerken's beweringen gegrond schijnen te zijn. Voor de ‘kleine taveernen’ en ‘herbergzaaltjes’ leze men:
Voor de ‘artisten-ateliers’ mogelijk:
Voor de ‘ontevreden ambachtslieden’, in één adem met sommige artisten genoemd:
Voor de ‘verschooierde idealisten’ zie men b.v. de Proloog voor de 3e bundel van Anna Bijns, geschreven door broeder Pippinck:
‘Door Satans listen rijsen altijts sekere persoonen, verloopen religieusen oft apostaten, Pastooren die haer schapen verlaten, in errueren versoncken, ja schoelappers, mandemakers, tegeldeckers, wevers ende desgelijcken, die met valsche opinie die Christen gemeente turberen’ (blz. 211).
Of Anna zelf:
Ze waren ‘zo goed als anarchistisch’:
Voor ons hebben deze getuigenissen geen objectieve historische waarde, evenmin als andere ‘misrepresentations’ van godsdienstige tegenstanders door vurige polemisten en propagandisten, in welk tijdvak der geschiedenis ook. Alleen subjectief leren ze ons iets omtrent de opvattingen van den polemist en zijn groep zelf.
Met deze reserve willen wij het werk van Anna Bijns beschouwen. Twee karakteristieke trekken vallen ons dan in het oog. Ten eerste: de hele Kerkhervorming tracht ze te typeren en te objectiveren in één bepaalden persoon, Maarten Luther. Ten tweede: ze generaliseert de verschijnselen: wat enkelen bedrijven, schrijft ze toe aan allen; elke onroomse openbaring van de tijdgeest is voor haar uiting van de Hervorming. Dit laatste is verklaarbaar doordat de gelovige Katholiek nog geen afstand kon nemen van de eigentijdse stromingen. Wat het eerste punt aangaat, haar Lutherfiguur is van historisch standpunt vals, maar in artistiek opzicht verdienstelijk uitgebeeld: uit heel haar werk rijst voor ons geestesoog op, in beangstigende wezenlijkheid, haar creatie: de demonische aartsverleider en zielenmoordenaar Luther. -
Slechts zelden bestrijdt de Antwerpse schoolmeesteres (1493-1575) met een geargumenteerd leerstellig betoog het door haar verfoeide stelsel, zoals in referein XX uit de eerste gedrukte bundel (1528) ‘declarerende uut der heyliger scriftuere, dat de menscen hebben eenen vrijen wille’, dus een bestrijding van de praedestinatieleer (1527), en in referein VIII uit de tweede gedrukte bundel (1548) met de stokregel:
tegen de leer van de rechtvaardigmaking uit het geloof alleen. Zij strijdt niet tegen een onpersoonlijk leerstelsel, maar tegen de levende incarnatie er van, den man, of liever den duivel, Luther. Wie het dichtwerk van deze hartstochtelijke vrouw onbevangen leest, moet tot de conclusie komen dat er twee mannen zijn die in haar leven een ontzaglijke rol gespeeld hebben: één dien ze van aangezicht tot aangezicht kende en vurig bemind heeft1), en één dien ze alleen van horen zeggen kende en vurig haatte.
Wanneer Anna de grote, enige liefde van haar leven gehad heeft is niet met absolute zekerheid te zeggen. De eerste gedateerde klacht over verloren liefde is van 6 Sept. 15252). We mogen haar dus stellen vóór of in 1525. Jarenlang nu - uit de datering van haar gedichten in hand-
schrift B1) mogen we opmaken: van 1525 tot ongeveer 1528 - hebben onbeantwoorde liefde en dodelijke haat in haar ziel om de heerschappij gestreden. We zouden de refereinen uit die periode van haar leven het dichterlijke dagboek van haar hopeloze liefde en groeiende geloofshaat kunnen noemen. De gedachte immers, dat deze hartstochtelijke, intens levende vrouw maar een liefde verdicht heeft, is van psychologisch standpunt onaanvaardbaar2). Vrouwelijke liefdeklachten, als zij in haar onuitgegeven refereinen heeft uitgestort, vindt men maar weinig in onze literatuur3).
Telkens wisselen haar stemmingen, als ze beseft, dat haar minnaar voor immer ontrouw zal zijn. Wrang is het referein van 18 Nov. 1525 met de stok:
Hoe diep is de psychische inzinking op de laatste Octoberdag van 1526, als ze uitroept:
Een onweerstaanbare melancholie heeft zich van haar meester gemaakt:
Op 10 Dec. 1526 weet ze nog heel zeker dat haar trouw onwankelbaar is:
Afleiding door een nieuwe liefde kan niet baten. Zij begrijpt (3 Jan. 1527) dat haar vreugde voor altijd verloren is. O God der goden, kermt zij, wil deze liefde toch in mij uitroeien. En zich dan nog te moeten verbijten voor de mensen! Slechts één medicijn is er voor haar dodelijk gewonde hart: een rode mond (blz. 255). Bijna een jaar later (29 Nov. 1527) spreekt zij haar geliefde nog aan:
Nog eens weerklinkt haar zoete stem (19 Aug. 1528):
Het laatste ons overgeleverde woord over de liefde is dan op 4 Sept. 1528 haar bespiegeling over het scheiden van twee gelieven:
Dan is het dagboek1) van haar innerlijke strijd voltooid, de worsteling volstreden. Haar levensrichting is gevonden. Nu bloeit alleen nog de liefde voor God, Jezus, Maria en Gods kerk.
Maar in ditzelfde poëtische dagboek zien we ook groeien de haat tegen den vijand van Gods Kerk. Wel heeft ze reeds op 21 Nov. 1523 haar felle Balade op den A.B.C. gedicht (B. - v.H., blz. 45), vol van de hatelijkste opmerkingen tegen de nieuwe secte, maar 't is of ze den groten Hervormer nog niet aandurft, wanneer ze hem slechts met een naamsverdraaiing aanduidt als ‘den ottere’ en als ‘den uutgeloopen man te Swertenberge’. Maar pas nadat ze haar heftigste liefdesrefereinen geschreven heeft - volgens de chronologie van hs. B. tussen 6 Mei en 21 Oct. 1526 - komen de fel-persoonlijke anti-Luther-refereinen los. Dan is hij de vorst der duivelen, een ketter erger dan Arius. Hij verheft zich boven Augustinus, Hieronymus en Ambrosius, die nu als ezels in de hel liggen. En zo gaat ze in scheldende razernij voort. (B. - v.H., blz. 54 e.v.).
Op 26 Febr. 1527 typeert ze hem als
en zijn partij:
Op de 19e Juni van datzelfde jaar schrijft ze het felle referein dat enkele decenniën later (1580) te Gent zou worden toegepast op de Calvinisten1), het referein waarvan de stokregel vraagt: ‘Wat gheest eest die de lutherianen regeert’, waarop het antwoord is: niet Gods geest, maar de boze geest (blz. 67).
Een maand later weer een woedend scheldreferein, met de stok:
Op 1 Augustus 1527 beschouwt ze op sarcastische wijze de wonderen, die Luther, de Heilige van Wittenberg, doet: hij veroorzaakt (een goede heilige!) twist, moord, doodslag, achterklap, dobbelarij, hoererij en boeverij (blz. 81).
Het jaar 1528 is het keerpunt: de liefde voor den trouwelozen minnaar is verstild, maar tevens treedt ze nu met haar haatliederen in de openbaarheid: 9 Augustus 1528 verschijnt te Antwerpen bij Jacob van Liesveldt haar eerste bundel: ‘subtylyc ende retorijkelijc refuterende inder waerheit alle dese dolingen ende grote abuysen, comende uute de vermaledijde Lutersche secte’, zoals de titel vermeldt. Anna Bijns heeft haar levensroeping gevonden.
Zo zien we dus dat de jaren 1525 tot 1528 in Anna's leven uitermate belangrijk zijn. Diep wordt haar zieleleven omgewoeld; haar karakter wordt voor altijd gevormd; de geest van haar dichtwerk voorgoed bepaald. Terwijl ze den minnaar die haar liefde ontrouw geworden is, liefhebben moet en niet haten kan, stort ze al de fiolen van haar toorn en haar grimmige haat uit over het hoofd van den man die ontrouw geworden is aan zijn gelofte tegenover de kerk.
Ternauwernood heeft ze opgemerkt dat de Hervorming in de Nederlanden niet ging in de richting van den Wittenbergsen, maar van den Geneefsen hervormer. Op dit punt is er in haar geest a.h.w. een bewustzijnsverenging ingetreden. Voor haar was alle hervormingsgeest te vereenzelvigen met de demonische Lutherwaan. In hem bleef ze alle hervormden, ook de Wederdopers en de Calvinisten, geselen. Van dezen, gelijk van álle ketters, was Luther immers de geestelijke vader. In hem trof ze allen: 't is alles van hetzelfde laken een pak.
Aan Calvijn gaat ze bijna voorbij. In haar 3e boek spreekt ze terloops van ‘Calvinus, Brentius3) met haer consoorten’ (blz. 340) en van ‘Luthers en Calvinus Legende’ (blz. 448).
Maar ook de andere ketterse godgeleerden worden slechts zelden genoemd:
Door het over het hoofd zien van het Calvinisme is er een merkwaardige discrepantie gekomen tussen Anna's Luther hekelend dichtwerk en broeder Pippinck's5) vooral tegen de Calvinisten polemiserende voorrede voor haar 3e boek refereinen (1567). Lees het boek van Anna Bijns, zegt hij, ‘en siet niet eens nae Martinus boecken oft van yemant, die uut sijnder schole is gesproten, schout stinckende en twistige Calvinus leere’ (blz. 216).
In één opzicht staat Anna boven velen van haar medestanders. We zagen reeds hoe ze in 't begin aarzelde Luther bij name te noemen. Welnu, die schroom overwon ze, maar nooit lastert ze van met name genoemde personen uit haar eigen omgeving. Welk een verschil met de Gentse Politieke Balladen, die we later zullen bespreken. Ook buiten onze grenzen plaatsten lang niet alle satirenschrijvers zich op een dergelijk hoog standpunt. Een weerzinwekkend voorbeeld van persoonlijke hetze, laster en insinuaties is b.v. Ein gemeyne Bicht von Daniel von Soest6), het werk van een Westfaals anonymus (1539), waarin deze niet minder dan zestien Evangelische geestelijken (waarvan veertien toen nog in leven) en twintig vooraanstaande burgers met naam en toenaam als huichelende schurken en geile wellustelingen aan de kaak stelt of van andere vuile dingen beticht. Tot een dergelijk peil van polemiek zakt Anna Bijns nimmer. Hoe onredelijk scherp en hatelijk ook, nooit zal ze haar Antwerpse medeburgers belasteren:
Anna's satire is meer verwant aan die van den Elzassischen pater Franciscaan Thomas Murner. Ook hij geselde allereerst Luther zelf (hij wilde zelfs een heel corpus antilutheranum schrijven) en daarnaast alle sectariërs die in Luther's naam zondigen. In zijn satire Von dem Groszen Lutherischen Narren1) (1522) laat hij naast Luther zelf, die als een gewetenloze cynicus wordt voorgesteld, als hoofdfiguur den Groten Luthersen Nar optreden d.i. de verpersoonlijking van alle oproerige elementen die zich om Luther's vaandel geschaard hebben; zijn lijf, opgezwollen door allerlei demonen (verpersoonlijkte secten), kan daarvan slechts bevrijd worden door magische bezweringen. Met de beide Duitse en vele andere antireformatorische satyrici heeft Anna Bijns echter de gewone schematische ketterpsychologie gemeen: ketterij is het werk van den Satan die de mensen verleidt, onder de dekmantel van Gods Woord hun vleselijke begeerten bot te vieren2). Dat is ten slotte bij haar schering en inslag.
Luther, die afgezant van Lucifer, is voor haar erger dan Joden, Turken en Hunen, ja erger dan Mahomed3) en Maarten van Rossum. Hij is een aartshuichelaar: hij heeft het geloof, de H. Schrift, de Christelijke vrijheid voor in de mond, maar hij leeft als een beest. Het is een arme venusjanker (blz. 164):
In de grond kan men van de hele Hervorming zeggen: cherchez la femme:
Trouwens niet alleen uit vleselijke wellust raadt hij de priesters het trouwen aan: 't is ook ‘op datse veel jonghe Luteraenkens maken’ (blz. 160). Dat zo iets zelfs in de geheime Evangelische bijeenkomsten geschiedt, dat vindt Luther geen zonde! (blz. 161). Hij is de kapitein van dronkaards en vraten (blz. 75). Immers het vasten is alleen maar afgeschaft om op Vrijdag vette kapoenen te kunnen eten:
Kortom, Berger's analyse van de ketterpsychologie gaat volkomen op bij Anna Bijns' Luthersatire:
Iets, waarin ze zich weer wel van andere satyrici onderscheidt, ook van vele hervormde, is dat ze slechts zeer zelden woordspelingen en naamsverdraaiingen ten beste geeft. In haar beginwerk, o.a. in haar rondelen, is Luther een ‘otter’1); enkele keren zet ze sottoren voor doctoren; ook in de volgende, reeds geciteerde regels offert ze er aan, doelend op de kerkdiefstallen:
Hoeveel hoger staat ze hierin dan haar uitgever, broeder Pippinck, die de valse leraars aanduidt als ‘tsij gedierten met lange steerten oft sonder steerten op der weerelt gecomen’ en in margine daar ter verduidelijking bijvoegt: Calf. Mart.2) (blz. 210), en die aan de gelijkenis van den Verloren Zoon dit verlengstuk breit, dat hij den kettersen zoon toeroept: ‘laat Calveren varen, die den gheest beswaren, die haer eyghen meester met den hoornen steken ende met haer steerten, tot een sweepe dienende, verjagen in diveersche landen. Haect naer dat gemeste calf, Christum presenterende’ (blz. 214).
Als slot van mijn beschouwing over Anna's ketterbeeld wil ik nog enige opmerkingen maken over de generaliserende tendenz die er in haar werk te bespeuren is. Alle stromingen en verschijnselen, die haar bewogen en roerige tijd kenmerkten, schreef ze toe aan de satanische invloed van Luther.
Natuurlijk is hij de oorzaak van de Boerenoorlog:
En nòg:
Daaruit volgt noodzakelijk, dat de ketters alle goed gemeen willen maken; telkens en telkens keert die dwaze beschuldiging terug. Luther leert:
Ook volgt er noodzakelijk uit dat de ketters anarchistisch zijn:
Vele van haar refereinen dragen het karakter van Tijdzangen waarin ze alle zonden en excessen, die ze in haar woelige vaderstad Antwerpen
waarneemt, toeschrijft aan Luther en de Lutheranen. Met een menigte citaten zou dat aan te tonen zijn. Ik geef er enkele:
De ‘Lutherianen’ zijn echtbrekers:
Meesterlijk hekelend tekent de dichteres met haar teleurgestelde liefde het ongelukkige leven van verlopen monniken en nonnen die met elkaar gehuwd zijn, in het 16e referein van de 2e bundel. Te lui zijn ze om te werken; door ieder veracht, lopen zij bij geestverwanten te bedelen; de nacht brengen ze slapeloos door vanwege het gekrijt van de kinderen. Bij halve dozijnen lopen hun besnotte kinderen haveloos rond. Nu kunnen de luie nonnen vuile luiers uitwassen. Door hun armoede vallen ze in grote zonde: de vrouw wordt hoer, de man steelt, de kinderen worden te vondeling gelegd; het eind van het liedje is de galg. Welk een verschil met het onbezorgde leventje in het klooster!
Gelijk in schier alle godsdienstige satire vinden we ook hier telkens het verwijt van hypocrisie:
Zij vloeken, brassen en dansen:
Brooddronken nachtbrakers zijn het:
Ze lopen zelfs bij voorkeur in nieuwmodische kleren:
Anderen willen juist weer zonder kleren lopen. Luthers discipelen vallen in veel gebreken:
Hier komen we op 't chapiter der Anabaptisten. Koekoek één zang:
Ja erger, sommigen laten zich zelfs besnijden (blz. 135, 184).
Dat ze geen grens wil trekken tussen Luthersen en andere ketters valt nog enigszins te begrijpen; maar ook humanistische en Renaissancistische kunstenaars zijn verkapte Lutheranen2). Ik citeerde reeds een passage over naakte Venus- en Lucretiabeelden. Heel de kentering in de kunstopvattingen nemen we waar in passages als:
Niet alleen de Roomse geestelijken verbeuzelen hun tijd met allerlei poëzie en filosofie te bestuderen (blz. 61). De ketters genieten ook liever van heidense dan van devote poëzie:
Weg ook met de ketterse gezangen. Die ‘duecht en vreucht beletters’ willen niet weten van de zeven getijden en van de ‘pure lofsanck’ der geestelijkheid! (blz. 436-437). Dat ze 't voorzien heeft op de spelen die men tegen de sacramenten maakt, spreekt vanzelf (blz. 411).
Maar zelfs hun martelaars zijn haar een gruwel in het oog. 't Zijn allemaal verharde booswichten:
Dit is het angstwekkend beeld dat Anna Bijns ons van de godverlaten ketters tekent. Maar achter hen staat hun aller geestelijke vader, die reeds volgens het keizerlijk edict van 1521 was: de duivel in mensengedaante, die zich vermomd had in monnikspij om daardoor te gemakkelijker het menselijk geslacht ter eeuwiger dood en verdoemenis te brengen.
Wat Luthers discipelen ook zeggen of doen, al loochenen ze het bestaan van de hel, al vermoorden ze hun eigen vrouwen:
Spoedig na haar zwijgen als dichteres (ergens in de jaren veertig?3)) veranderde de constellatie geheel. Het moest in de jaren daarna wel duidelijk worden dat niet Luther, maar Calvijn het stempel zou zetten op de Nederlandse Reformatie. Daardoor moest er ook noodwendig een wijziging komen in de satire en de polemiek. Andere wapens moesten worden gebezigd: de beschuldigingen van Anna Bijns tegen Luther kon men niet zo maar gaan toepassen (afgezien van een sporadisch geval als te Gent in 1579-1580) op de angstig-dichtbijzijnde Calvinisten uit eigen stad of eigen dorp. Van directe beïnvloeding van later komende satiristen heb ik dan ook geen sporen gevonden. Wel is indirecte invloed haast vanzelfsprekend. Anders dan Everaert werd deze hartstochtelijke apologete niet door het nageslacht vergeten. Haar eerste en haar tweede bundel refereinen werd in het Latijn vertaald4). Herhaaldelijk werden ze herdrukt: zo nog in 1646 en 16865). Geen wonder trouwens. Wie haar lazen? In 1622 stelde de bisschop van Gent een lijst vast van boeken die - met uitsluiting van andere - op de scholen mochten worden gelezen: als toegelaten schoolboek wordt daar ook vermeld: Refereynen van Anna Beijns6). Een gezaghebbend man als Albertus
Miraeus1) verklaarde in de eerste helft der 17e eeuw van haar, dat zij ‘vele van dat ghemeyn volksken in den schoot van onse Moeder, de heylighe Roomsche Kercke gehouden, ende ontallycke bijnae uyt de dolinghe wederom op den wegh der saligheydt ghebracht heeft’2). Een andere humanist uit die dagen, Sweertius, dichtte op haar het pittige distychon:
Zo blijft haar satire bekend gedurende bijna het gehele hier behandelde tijdvak der Contra-Reformatie en heeft zij, zonder het te weten, aandeel gehad in de bestrijding van het Calvinisme.