Er zou geen aanleiding geweest zijn, een hoofdstuk te wijden aan dezen tijdgenoot van Anna Bijns, lakenverver en -voller, boogschutter en rederijker te Brugge, als hij niet door Anton van Duinkerken èn als dichter der Contra-Reformatie èn als getuige tegen de Kerkhervorming ten tonele was gevoerd in zijn Dichters der Contra-Reformatie (blz. 21-23). Immers deze eenvoudige ambachtsman, die onder zijn dichtende tijdgenoten helemaal niet bijzonder is opgevallen1), die snel vergeten en spoedig spoorloos uit de letterkunde verdwenen is, en zijn tegenwoordige naam, overigens wel verdiend, alleen dankt aan het feit, dat hij zo ambitieus was om zijn 35 toneelwerken in een eigen handschrift te verzamelen, - is geen representatief dichter van de Nieuwe Tijd, van het tijdvak der Reformatie en Contra-Reformatie geweest, maar een nabloeier van de Middeleeuwen; evenmin een polemist van enige importantie tegen de Hervorming, laat staan tegen het Calvinisme, dat hier ten tijde van zijn dichterlijke werkzaamheid (1509?-1538?) nog niet bekend was. Toch, nu het feit er eenmaal toe ligt, dat hij een plaats gevonden heeft in Van Duinkerken's contrareformatorische beeldengalerij, is er wel iets aantrekkelijks in, hem hier te bespreken om aan te tonen dat hij geen contrareformatorisch dichter is. Daardoor kan zowel in dit hoofdstuk als later de tegenstelling tussen het Middeleeuwse en het na-reformatorische katholicisme beter verduidelijkt worden. Bovendien: de man is de aandacht wel waard; ik geloof dat het meer is dan een toevalligheid dat zijn werk ons bewaard is gebleven: heeft hij zelf bevroed dat zijn werk miskend werd door zijn medebroeders in de edele const van rhetorike, en daarom zijn ephemere creaties willen redden voor het nageslacht? In elk geval heeft hij dan niet kunnen voorkomen dat de literaire legendenvorming haar grillig spel met hem gespeeld heeft. Het kan zijn nut hebben, te pogen de ware beeltenis van Cornelis Everaert onder de overschilderingen en het vernis van een eeuw letterkundige historie vandaan te halen.
Jan Frans Willems2) meende dat er in sommige zijner zinnespelen ‘eenige toenadering tot den geest van Luther's hervormingsstelsel’ zou zijn te bemerken. Van Vloten3) drukte zich iets sterker uit door
te zeggen dat er hier en daar aan zijn zinnespelen ‘een onroomsch luchtjen’ was. Beider mening berust op een misverstand.
Kalff1) had er beter kijk op: hij acht den dichter goed Rooms, maar bezadigd. Zijn belangstelling voor het maatschappelijk en huiselijk leven dringt volgens hem de geloofskwestiën op de achtergrond. In een drietal stukken ‘bepaalt hij zich tot een paar onbeduidende uitvallen tegen dwaling, ketters en Lutheranen’. Slechts in één stuk (het Spel van den Wynghaert, 1533) verzet hij zich krachtiger. Afgezien van enkele hier niet genoemde detailpunten is dit oordeel m.i. niet voor bestrijding vatbaar.
Een belangrijke studie liet de Everaert-kenner Prof. Dr. J.W. Muller anno 1908 verschijnen in het tijdschrift Onze Eeuw (deel IV van jrg. VIII, blz. 88-124), getiteld: Een Rederijker uit den Tijd onzer Hervorming. Eerst analyseert hij alle stukken en passages die ongunstig zijn voor de Roomse geestelijkheid. Het Spel van den Crych spant in dit opzicht de kroon. Papen van allerlei rang en stand tekent hij als inhalig, eerzuchtig, lui en onkuis. Terecht wijst Muller er op dat al deze critiek niets afdoet aan de rechtgelovigheid van Everaert: onkuise ‘papen’ zijn haast onmisbare figuren in boerden en kluchten, en kritiek op de clerus is van Maerlant tot Erasmus schering en inslag in de literatuur. Nooit heeft Everaert leerstukken of instellingen van de kerk bestreden. De hekeling van de geestelijken legt hij in de mond aan sinnekens, advocaten des duivels, of aan een zot met zijn marot; zelf houdt hij het ideaal van den priester hoog. In plaats van ook maar één ketterijtje te verkondigen, richt hij zelfs uitvallen tegen de Luthersen, ‘die huer liefde meer tot den goede dan tot Godt draeghen’, en zou hij er niets geen bezwaar in zien, om zelf hout tot de brandstapel voor de ketters aan te dragen! In een spel ter ere van de Predikheren prijst hij zelfs drie reeds overleden inquisiteurs2). Muller's conclusie staat diametraal tegenover het reeds genoemde oordeel van Willems: Everaert was wel werkelijk, tot de brandstapel toe, rechtgelovig. Niet zo temperamentvol echter als Anna Bijns. Hij is, nog altijd volgens Muller, de getrouwe tolk ‘van de conservatieve Middeleeuwers, vrome, maar lauwe, slappe Katholieken, door hunne behoudzucht en vredelievendheid in vele opzichten niet zeer verre van de Humanisten staande, maar in hunne denkwijze van dezen gescheiden door de breede klove der modern-antieke beschaving’ (blz. 123), een slotoordeel, dat correspondeert met zijn mening over Everaert als sociaal-economisch dichter, die luidt: Everaert ‘nog met beide beenen in de middeleeuwen staande, tot wien in zijn stad en zijn stand nog nauwelijks eenig geluid van dien nieuwen tijd is doorgedrongen, wiens critiek en satire, wiens geheele gedachtenwereld nog dezelfde is als die zijner voorvaderen: een middel-eeuwsche Christendemocraat’3). Men vergeve mij deze lange citaten;
ik geloof dat hier een belangrijke winst voor de kennis van den mens Everaert verworven werd, en dat derhalve een rangschikking van dezen rederijker onder de dichters der Contra-Reformatie - die toch innerlijk de Hervorming dienen overwonnen te hebben - een hachelijk bedrijf is. Onjuist acht ik echter de qualificaties ‘lauwe, slappe Katholiek’ en ‘tot de brandstapel toe rechtgelovig’: 't een noch 't ander was het geval: ‘warm Katholiek, maar bezadigd tegenover andersdenkenden’ ware juister geweest.
Te Winkel1) verzwaart het accent op zijn agressieve geesteshouding, door juist dit ene punt in zijn korte karakterisering te releveren: ‘Ondanks zijne hekeling van de slechte zeden der priesters, en vooral der monniken, .... bleef hij toch een goedgeloovig zoon der Kerk in het begin van den Hervormingstijd, die zelfs den vuurdood der ketters niet afkeurde, zooals hij in zijne spelen een enkele maal te kennen geeft.’ [Ik cursiveer. Eén keer, of: soms wel eens?]
Van Duinkerken ging een eigen koers. Den inquisitievriend Everaert noemt hij niet. Volgens hem behandelt Everaert alle problemen van zijn tijd ‘met dezelfde angsteloze kalmte van den man, die weet, dat alles wel weer terecht komt, als de storm maar eenmaal uitgebuid zal zijn’2). Eigenlijk ging de Reformatie dus geheel aan hem voorbij, maar in zijn moraliserende behoudzucht is reeds een positieve kracht ten gunste van de Contra-Reformatie waar te nemen. ‘Wat dezen braven man het meest mishaagt in de nieuwlichterij, is de maatschappelijke malcontentie. Hij beschouwt het heele Lutheranisme als een crisis van het gezag, dat op schennige wijze ondermijnd wordt door begeerigen naar beter eten.’ ‘In de felste kritiek der ijveraars ziet hij een vergankelijk mode-verschijnsel, dat hij bespotten laat door een theater-nar.’ Dergelijke tirades prikkelen den onderzoeker, om zulk een interessanten bestrijder der Hervorming te leren kennen. Helaas, bewijsplaatsen, die deze beweringen zouden kunnen staven, ontbreken.
Het wordt thans tijd, opnieuw de vraag onder de ogen te zien, wat voor een mens Everaert eigenlijk geweest is, en vervolgens na te gaan, wat hij over en tegen de Hervorming in het midden heeft gebracht, om mede daardoor het beeld, dat we anderszins van 's mans persoonlijkheid gekregen hebben, te vervolledigen.
De gegevens die moeten dienen om Everaert voor ons tot een herkenbare figuur te maken, zijn schaars. Een dramaschrijver verbergt zich gemeenlijk achter zijn personen: met wie is hij te identificeren? De keus van zijn onderwerpen zegt iets, maar niet alles: hij bemint Maria, vereert Petrus, kent de Bijbel goed, klaagt over de malaise, heeft meegevoel met den arme, schildert treffend het lagere volksleven. Maar waar is achter dit alles de mens? Door één klein kiertje laat hij ons binnengluren in zijn innerlijk, als hij een paar aantekeningen schrijft bij de door hem zelf samengestelde ‘Tafele’ van zijn stukken. Wordt het hele rederijkersbedoeninkje niet kostelijk door hem in het zonnetje gezet, door één van zijn spelen op de volgende wijze in de index te registreren: ‘Tspel dat ghespeilt was voor de Aragoenoysen waer mede
dat verzwymt was den uppren prys mids dat1) de naeme contrarie ghestelt was vander fyguere, daer by de victorye van onsen Keyser ghelesen was, de welck naeme moeste ghestelt gheweist hebben Anon, die ghestelt was Naon.’ Nageslacht, hoort gij het, om één schilderfoutje op een ‘tooch’ heb ik de hoofdprijs verspeeld (en zelfs niet eens een lagere gekregen)! Belangrijker voor ons zijn echter twee notities over gevoeliger échecs: twee stukken werden hem verboden te spelen. Van het Spel van den Crych deelt hij in de Tafele mede: ‘ende was my verboden te spelene om dat ic te veil de waerheyt in noopte’ en achter het Spel van d Onghelycke Munte rijmt hij: ‘Up den Paeshavent ao XXX was my ontseyt Dit spil te spelene om dat de waerheyt niet was gheheilt’2). Beide malen ging het dus om de waarheid, d.w.z. dat wat voor Everaert de waarheid was. Het eerste spel nu bevat een heftige satire op allen die den ‘crych’ (= hebzucht) beminnen. Hele reeksen van ‘crychers’ passeren de revue: bedelaars zonder noodzaak, fraude plegend huispersoneel, knoeiende ambachtslieden en kooplui, woekeraars. Voorzover de satire dit soort individuen betreft, kan zij natuurlijk niets aanstotelijks gehad hebben voor de overheid. Maar in r. 368 begint het (nadat r. 65-70 reeds een voorproefje geboden had): nu zal er eens een boekje over de geestelijkheid opengedaan worden. Allen, regulieren en seculieren, prelaten en kapelaans krijgen in de nu volgende 163 versregels hun beurt. Dat was dus ‘de waarheid’ die niet van de planken mocht worden verkondigd.
Het andere afgekeurde stuk was, zoals we zagen, het Spel van dOnghelycke Munte3). In dit belangwekkende sociaal-economische stuk wordt de vinger gelegd op de wonde plek van het toenmalige maatschappelijke leven: ‘de ongelijke, meestal dalende waarde der verschillende muntsoorten: een der plagen van deze (en nog latere) tijden, rampzalig gevolg der nimmer eindigende oorlogen, maar ook der herhaalde “muntverzwakkingen”’4). Om te weten waarom het nu eigenlijk verboden werd, moet men het vergelijken met het spel dat hij binnen twee dagen in de plaats daarvan schreef en dat wèl goedgekeurd en gespeeld werd (het Spel van Groot Labuer ende Sober Wasdom). Ook dat is een heftige critiek van de arme ambachtslieden op de werkgevers, zodat Muller dan ook terecht opmerkt5): het is nauwelijks minder scherp dan het verbodene. Nauwkeurige vergelijking is dus nodig om te weten welke ‘waarheid’ van Everaert niet door de beugel kon. Het blijkt ons dat het is zijn critiek op de centrale regering. Het afreageren van haatgevoelens tegenover plaatselijke werkgevers (ja zelfs van ontevredenheid over de plaatselijke overheid zoals in het Spel van Ghemeene
Neerrynghe1)) vond men blijkbaar niet zo gevaarlijk, wel de geringste kritiek ook maar op het keizerlijk bewind. Karel V heeft pas de Vrede van Kamerijk (1529) gesloten en is juist tot keizer gekroond (1530). Everaert voelt er niets voor om in de ellendige omstandigheden waarin de Brugse bevolking verkeert, een spel van vreugde en triomf te maken (vgl. r. 270-287). Ten slotte is de centrale regering verantwoordelijk voor de muntverwarring. De kritiekste passage moet wel geweest zijn die, waarin twijfel geuit wordt aan de bereidheid (of aan de capaciteiten) van Karel V om er verandering in te brengen (r. 384-397):
Men krijgt de indruk dat Everaert zelf ook niet veel van die muntverbetering verwacht. Vergelijken we nu de proloog van het plaatsvervangende spel hiermee, dan zien we dat dit stuk - lijnrecht tegen de malcontentie van het afgekeurde stuk in - gemaakt is ter ere van de vrede en uit vreugde om de kroning van Karel V (b.v. r. 13 en 14).
Van critiek op de centrale regering is er geen sprake meer. Aan de hand van deze twee gegevens willen we ons nu afvragen: was Everaert een vooruitstrevend of ‘modern’ mens in die dagen? Het antwoord moet luiden dat hij veeleer bij zijn tijd ten achter was; hij begreep
hem niet. Hij zag niet dat zijn klachten over de ontrouwe en zedeloze geestelijkheid in een tijd, dat de Contra-Reformatie in politieke zin reeds had ingezet, aan de overheid hoogst onwelgevallig moesten wezen: wat voorgaande generaties, in wier spoor Everaert liep, zich op dit gebied veroorloofd hadden, wat aan een Erasmus mogelijk nog vergeven kon worden, kon men niet toestaan aan dezen eenvoudigen ambachtsman in een tijd, waarin het koren op de molen zou zijn van de ketters. Dat gevaar zag hij, toen althans, niet: het is toch de waarheid, waarom zou men die niet zeggen!
Maar ook die andere tendentie van zijn tijd heeft hij niet begrepen, in elk geval niet in volle ernst beseft: het streven naar centralisatie, naar opheffing van stedelijke privileges, naar absolutisme. Everaert is waarschijnlijk opgegroeid in het eertijds zo machtige Brugge, dat het dorst bestaan, den rooms-koning Maximiliaan maanden lang gevangen te houden (1488)1). De vrede van Cadzand (1492) had echter de vaak zo oproerige steden ingeschakeld in het gecentraliseerde regeringssysteem: voortaan werden de stedelijke magistraten aangesteld door het centrale gezag: dezen waren dus monarchaalgezind2). De gilden daarentegen waren begrijpelijkerwijze ontstemd over het verlies van hun invloed op de stadsregering: daaraan schreven ze de malaise toe, zonder de diepere oorzaken, als de opkomst van het kapitalisme en van de economische vrijheid, te begrijpen3). Het einde van Everaert's ons bekende dichterlijke werkzaamheid (wsch. 1538) valt samen met de Gentse troebelen, die twee jaar later op zo exemplaire wijze door den keizer gestraft werden4). Welnu, onze Brugse gildebroeder maakte zich herhaaldelijk tot tolk van de nooit sluimerende ontevredenheid der aan hun privileges gehechte Vlaamse gilden, en van hun verzet tegen de gewaande gierigheid der rijken en tegen de altijd maar geld eisende centrale overheid. Wel predikt hij uiteindelijk altijd weer geduld en onderwerping, maar pas nadat hij eerst eens op heftige wijze de waarheid, zijn waarheid, gezegd heeft. Man van de Nieuwe Tijd was hij ook daarin niet: feitelijk is hij hierin niet meer dan de traditioneelontevreden Middeleeuwse gildebroeder, die met zovele anderen al zijn heil verwachtte van een herstel der Middeleeuwse toestanden met hun stedelijk exclusivisme en alles wat daarmee annex was5).
Was hij dus naïef in zake het gevaar van anti-clericale satire, conservatief en reactionnair op het gebied van het economische en politieke leven, ook in zijn kunst is hij een echte Middeleeuwer. Men vindt in zijn werk niets van wat ook maar zweemt naar kunst der Contra-Reformatie. Zowel hervormden als ‘moderne’ Roomsen, indien die er toen al waren in Brugge, moeten zich gestoten hebben aan het ouderwetse cachet van zijn werk. Dat hij meestal obsceen en scabreus is in zijn kluchten, is in die tijd niets bevreemdends, maar de wijze waarop hij het heilige en het platvloerse, ja obscene, met elkaar vermengt, is wel
zo onmodern, zo onbestaanbaar met de religieuze ernst van het Hervormingstijdvak en daardoor zo compromitterend voor de Middeleeuws-Roomse vroomheid, dat deze man wel als hopeloos ouderwets gebrandmerkt moest worden. In dit opzicht betrekkelijk onschuldig is nog het Esbatement vander Vigelie (1526), waarin een getrouwd man decreteert dat het ‘vigelie’ is, omdat hij zich die avond van cohabitatie wenst te onthouden: op zo'n avond vóór een kerkelijke feestdag is immers ‘abstinencie’ van vlees voorgeschreven. Begrijpelijk gevolg is dat de vrouw de volgende morgen proclameert dat het Paasdag is en zo haar man allerlei onaangenaamheden bezorgt. Maar dit is tenslotte een klucht. Bedenkelijker wordt het wanneer ernstige religieuze stukken door grollen van dit allooi worden opgesierd. Zoals in een stuk dat overvloeit van verheerlijking van de H. Maagd Maria, Tspel van Maria ghecompareirt by de claerheyt, waarin een koddig misverstand ontstaat tussen een personage, die van plan is Maria te gaan vergelijken bij de ‘claerheyt’ (lichtglans) en een blindeman, die daarbij halsstarrig wil denken aan claereyt (kruidenwijn), smakt als hij denkt aan vroegere drinkgelagen, en - als hij van de onjuistheid van zijn veronderstelling overtuigd wordt - tòch volhoudt:
En wat te denken van een passage als deze in een tendenzstuk tegen de ketterij, het hierna nog te bespreken Spel van den Wynghaert, waar de edelman bezorgd zegt: er zit zo veel ‘beseect hout’2) in de wijngaard, en de geestelijke, denkend aan een bepaalde betekenis van ‘beseiken’ uitroept:
De kroon spant evenwel het Esbatement (sic) van de Zeven Bloetsturtynghen (1530), waarin hij beurtelings de kracht van een bepaalde ‘specie’ (kruiderij) beschrijft en deze allegorisch toepast op een der zeven bloedstortingen van Christus, daaraan vastknopende een moralisatie over een der zeven hoofdzonden, om daartussendoor enkele ‘aardigheden’ (eenmaal zelfs obsceen) te debiteren, zodat het publiek wel in een schaterlach moest uitbarsten. Nu zal men willen tegenwerpen dat de gemeenzaamheid met het heilige veel groter is bij de Roomsen dan bij de Protestanten, hetgeen ik niet ontkennen wil3), maar een dergelijke profanering op het openbaar toneel, terwijl de geest van ketterij en Erasmianisme rondwaarde door de Vlaamse steden, is een typisch blijk van een naïeve, door de ernst der Hervorming nog niet aangetaste, mentaliteit. Ook de Barok zal eenmaal, wanneer ze in bepaalde territoriën de Hervorming overwonnen heeft, het heilige weer met het aardse vermengen, maar zij zal dit doen door het heilige, het ‘tremendum’, te vermaterialiseren: de twee sferen van het hemelse en het
aardse zullen er ongescheiden één zijn. Everaert daarentegen brengt de twee sferen (waarbij het aardse hier meer burlesk dan sensualistisch is) met elkaar in contact, zonder ze een innige verbinding te doen aangaan1): het heilige en het kluchtige staan hier naast elkaar als het tragische en het komische in een tragicomedie van Breero.
In dit licht moeten wij, dunkt me, ook zien het feit, dat zijn rol zo lang voor zijn dood (1556) schijnt uitgespeeld te zijn, en dat het spel, dat de Brugse Kamer de Heilige Geest opvoerde op het Gentse Landjuweel van 1539 niet meer van hem is2). Dit stuk3) is uit een gans andere geestesgesteldheid geboren. Men behoeft, om zich hiervan te vergewissen, maar eens de er in voorkomende figuur van Schriftuerlic Troost te vergelijken met de gelijksoortige figuren bij Everaert: Scriftuerlic Bewys (spel IX), Scr. Bewysynghe (XVIII), Scr. Beleedynghe (XX), Scr. Prouven (XXI) en Ghefondeirde Scriftuere (XXIV), respectievelijk gekleed als Predikheer, profetes, religieuze, doctor van het Nieuwe Testament en religieuze met een waskaars in de hand. Bij al deze allegoriseringen4) hebben we nog echt Middeleeuws onder de schrift te verstaan: ‘alle door de Kerk als gezaghebbend erkende stichtelijke boeken’5), dus ook de kerkvaders: pêle-mêle citeren deze personages Oud en Nieuw Testament en kerkleraars van alle tijden. Als er daarentegen in het Gentse spel gevraagd wordt door Twyffelick Zin (d.i. de ‘zoeker’, die ten slotte er van overtuigd wordt, dat het vertrouwen op Christus alleen, door het Woord Gods, hem troost zal bieden in de ure des stervens): wat is ‘de Scriftuere?’ dan luidt het antwoord (r. 55-56) zo positief mogelijk:
Terecht zegt Van Dis dan ook dat dit spel ‘niet anders dan ketters geïnterpreteerd kan worden’6). Als dit zo is, dan moet er in de kamer
De Heilige Geest, waarvan Everaert lid (geen factor) was, een groep geweest zijn, die niet ingenomen kan zijn geweest met de ouderwetse trant van zijn stukken, en die te Gent anders voor het front wilde komen.
Snel raakte Everaert in vergetelheid. De grote stromingen van zijn tijd, zelfs de geest van de politieke Contra-Reformatie, heeft deze conservatieve gildebroeder uit een steeds meer vervallende handelsstad1) niet meer begrepen. Hij gaf voor het laatst stem, slechts in zijn eigen naaste omgeving hoorbaar, aan wat er geleefd had in een voorgoed afgesloten tijdvak2).
Zoals Kalff reeds heeft opgemerkt wordt er in vier van zijn toneelwerken gehandeld over de ketters, meer speciaal over de Luthersen. We willen ze met het oog daarop eens nagaan in de volgorde waarin ze in het handschrift voorkomen.
Allereerst dan Tspel van de Wellecomme vanden Predicaren int capyttele provinciael (No. IX) (1523): een gelegenheidsstuk, gemaakt ter begroeting van het provinciaal kapittel van de Nederduitse Provincie der Dominicanen.
Allereerst kan men hieruit iets leren omtrent de verbreiding van de ketterij anno 1523. Brugge, een vrouwelijk personage, die er een hoofdrol in speelt, klaagt over haar vergane glorie: vooral de godgeleerde wetenschap, die er vroeger zo gebloeid had, was nu volgens haar nog maar een schaduw van wat ze geweest was. En ook voor de toekomst vreest ze, als er geen mannen komen om het naderende onheil der ketterij te bezweren:
Tot nog toe is Brugge dus gevrijwaard voor hetgeen er woelt in naburige steden. Welke dat zijn, blijkt uit een volgende passage, waarin speciaal de Brabantse ‘nacie’ (o.a. Antwerpen en Brussel) door Vrouwe Brugge en de inwoners van de stad wordt verwelkomd:
Toch behoeft Brugge zich niets van die ketterij aan te trekken. Vreidsaem Regement (en we hebben hier, dunkt me, een typische opmerking van Everaert, die als Gallio zich geen van deze dingen aan wil trekken) zegt tot haar:
Waarop Minsaem Onderhoudt invalt:
Het volgende spel waarin het onderwerp der ketterij, nu als Lutherie, wordt aangeroerd, is het reeds genoemde Spel van dOnghelycke Munte (No. XV) (1530). In dit stuk treedt als enfant terrible op Den Daghelicxschen Snaetere, ‘als een apelwyf up straete staende met twee manden, an elken aerm een’, figuratie van de alledaagse kletspraat, die aan het einde van het stuk van het toneel gejaagd wordt, maar intussen volop gelegenheid gehad heeft om allerlei kritiek op overheid en maatschappij te lozen. Een van haar praatjes is dat de werkgevers, de rijke lui (Menichte van Volcke) te gierig zijn om de arbeiders (Den Scaemelen Aerbeyder) aan werk te helpen. De laatste zegt op schampere toon:
Redelic Ghevoel (Het gezond verstand) voegt daaraan toe:
Hierna gooit Daghelicxschen Snaetere er een interruptie tussen, waar verder door geen van de andere spelers enige nota van genomen wordt:
Dit moet betekenen: als men alle rijke lui ging optellen bij de Luthersen (de ketters), die meer van Goed dan van God houden, dan waren er, vermoed ik, een heleboel van die Luthersen op de wereld. Redelic Ghevoel stoort zich niet aan deze opmerking, maar gaat terstond verder met het spreken over de liefde tot God, zonder welke
men een afgodendienaar slacht. De opmerking van juffrouw ‘Snaterbek’ betekent in dit verband dus niets meer dan dat ‘men’ (Everaert zelf ook?) de Luthersen beschouwt als een stel hebzuchtigen, wat inderdaad een toen algemene beschuldiging was1). Naar aanleiding van deze passus moet aan Van Duinkerken's pen de tirade ontsnapt zijn over de ‘crisis van het gezag, dat op schennige wijze ondermijnd wordt door begeerigen naar beter eten’.
Schijnbaar scherper is het Spel van den Nyeuwen Priestere (No. XXVI) (15 ..), gedicht ter gelegenheid van een priesterwijding (wanneer? van wien?). Dit stuk heeft vier (men zou ook kunnen zeggen: vijf) personen. Eén daarvan, de meest op de voorgrond tredende is Twyffelic Zin, ‘een zot met eender marote’. De marot (zotskolf) heet Cranc Gheloove en speelt, hoewel natuurlijk stom, bij monde van den nar een zelfstandige rol. Cranc Gheloove n.l. is de personificatie van de Neiging tot Ketterij, die de dichter blijkbaar als levende medespeler op het toneel onaanvaardbaar achtte; de marot twijfelt aan de waarde en aan de wettigheid der instelling van het priesterschap. Door het medium van Twyffelic Zin stelt hij zijn vragen. Voorwaar een goede vondst. Aan de volgende pericoop kan men zien, hoe het in zijn werk gaat.
Een der drie verdedigers van het priesterschap heeft betoogd dat het door Christus is ingesteld na de Voetwassing der apostelen. Twyffelic Zin vraagt nu:
Twyffelic Zin zelf is de twijfel aan de heiligheid en de integriteit van de mensen die het priesterschap bekleden, wat nog niet per se ketters behoeft te zijn. Het is licht te begrijpen dat zo iemand er spoedig toe kan komen, als hij wat onvast in de schoenen staat (cranc van gheloove is), ook te gaan twijfelen aan de goddelijkheid van het priesterschap zelf. Vele twijfelaars ‘spelen’ dan ook met Cranc Gheloove, als de nar met zijn narrenstok:
Dit verschijnsel is zo oud als de Christelijke kerk: velen lieten het geloof in de steek, omdat sommige belijders blijk gaven van een onchristelijke levenswandel. Was hun geloof ‘gezond’ geweest, zij zouden staande gebleven zijn, daar ze dan hadden geleefd uit geloof, en niet uit aanschouwing. Zulk een ‘gezond’ geloof in de Roomse leer had Everaert. Hij is het kennelijk eens met de drie door hem als personage
ingevoerde verdedigers van de leer van het priesterschap: Inwendeghe Redene, tHoude Testament en tNyeuwe Testament, maar voorzover Twyffelic Zin kritiek heeft op de levenswandel der priesters, beaamt hij deze ten volle: dat is immers een van zijn ‘waarheden’, waarover hij zelfs onaangenaamheden met de overheid gehad heeft. Hoe goed was het gevonden, deze min of meer risquante ‘waarheid’ naar echt-Middeleeuwse trant te doen uitspreken door een nar!
De nar heeft dan ook het eerste en het laatste woord in dit spel. Bij de hier beschreven opvatting wordt het gehele stuk begrijpelijk, en behoeft men niet veranderingen in het autographon van Everaert aan te brengen of voor te stellen, of allerlei gissingen omtrent de betekenis van bepaalde zinsneden te doen1).
Duidelijk valt het stuk uiteen in twee gedeelten: het eerste is dat waarin dogmatisch de waarde van het priesterschap getoetst wordt, het tweede dat waarin ethisch het gedrag van de geestelijkheid gekeurd wordt.
In het eerste deel laat Cranc Gheloove door Twyffelic Zin, zoals we zagen, allerlei lastige theologische vragen opwerpen, die blijkbaar ten genoege van Twyffelic Zin door de drie verdedigers beantwoord worden. Hij blijkt overtuigd, daar hij zelf met de lof van de priesterlijke waardigheid gaat instemmen. Als hem het wonder van de transsubstantiatie is uitgelegd, roept hij uit:
Maar als nu de lof van de priesterlijke waardigheid haar hoogtepunt bereikt heeft, als tNyeuwe Testament in vervoering uitspreekt:
dan gooit Twyffelic Zin (en hier begint het tweede deel) in eens roet in 't eten en neemt zelf het woord, de marot latend voor wat hij is: ‘Die lof is goedkoop, je kunt er van krijgen zoveel als je wilt; houd op met je grootspraak.’ Neen, dan zal hij wel eens iets te berde brengen over de levenswandel der priesters. De anderen erkennen dat er veel waarheid schuilt in zijn requisitoir, praten het ten dele zelfs goed (‘De boog kan niet altijd gespannen zijn’), maar toch mag men hen, menen zij, om hun waardigheid niet smaden. Als Twyffelic Zin merkt dat de anderen zijn ethische bezwaren grotendeels delen, draait hij bij:
In r. 339 stemt hij opnieuw in met de waardering van het goddelijk priesterschap. Tegen het einde, als de nieuwe priester twee symbolische geschenken ontvangt, met de raad dat hij toch maar goed zedelijk moge leven, verheft de zot nogmaals waarschuwend zijn stem: ‘Zotten zeggen gaarne de waarheid: ze zijn toch heus vol gebreken, die priesters’ (r. 375-382). Nogmaals leggen de anderen er de nadruk op dat dat volgens de Schrift volstrekt niet zo behoorde te zijn. Omstandig gaan ze nu de verschillende officiën van het priesterschap schilderen. En hierna zorgt de zot voor het daverend sloteffect.
Helder wil de dichter dus laten uitkomen, dat, al deelt hij de kritiek op de levenswijze der priesters, hij de betekenis van de instelling als zodanig en van haar officiën (sleutelmacht, bidden en offeren) boven alle twijfel der ketters verheven acht. Dit wilde hij de toeschouwers van zijn stuk als eindindruk meegeven. 't Was tenslotte gevaarlijk geworden, in die tijd (denkelijk ongeveer 1530) de clerus te becritiseren. Om ten overvloede alle misverstand de pas af te snijden, laat hij zijn spreektrompet nog even tegen de Luthersen schetteren. Pour le besoin de la cause dus?
Leverden deze drie stukken nog weinig aan satire tegen de Luthersen op, één stuk wordt èn door Kalff èn door Muller als zijn anti-ketterse werk bij uitnemendheid beschouwd: Tspel van den Wynghaert (No. XXXII) (1533), een spel dat m.i. tot nog toe verkeerd geïnterpreteerd is1).
Het doel van het stuk is blijkens de proloog de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (Mattheus 20:1-16) spelsgewijze uit te werken en de mensen voor te houden dat ze moeten leven volgens die gelijkenis, d.w.z. moeten werken in de wijngaard des Heren:
De dramatis personae zijn: dUpperste Mueghentheyt, ‘als een staetelic man up doude eeuwe ghehabituweirt’, de heer des huizes uit de gelijkenis, (= God); Duechdelic Vermaen, ‘ghehabituweirt als een hofmeester tryonphant’, de officier Gods, die aanspoort om in de wijngaard te gaan werken (= Christus?)1). Den eersten werkman dien zij aannemen is Voorghaende Bewys (d.i. de onderrichtende voorganger2)), ‘gheabituweirt als eenen gheestelicken wercman’: hieronder moeten we blijkens r. 89 verstaan de geestelijke stand; hij is uitgerust met de spade Besouc der Eerden (= geestelijk onderzoek3)). Drie uren later wordt in dienst genomen Vroom Labuer (d.i. de flinke werker), blijkens r. 226 de stand der edelen (en dus de overheid) vertegenwoordigend; hij is ‘gheabytuweirt als een edel man’ en draagt het mes Vreessich Duchten (d.i. ontzag voor de overheid). Op de 9e ure wordt ook nog te werk gesteld Ghewillich Volghen (d.i. de volgzame burger) ‘gheabituweirt ghelyc eenen hofman’ (tuinman), uitgerust met de hark Ghehuldich Aerbeyt (trouwe arbeid); hij personifieert volgens r. 356 ‘den ghemeene staet’. Ten slotte treden ter elfder ure nog in dienst de twee sinnekens Ziende Blende en Hoorende Doof. De eerste is gekleed ‘als een ruter vander banc’ (een drinkebroer), de tweede ‘als een vraukin vanden gheduene’ (een lichtekooi). De gangbare voorstelling is dat dezen ketters zouden moeten voorstellen. Dit klopt echter niet met de uitleg die Duechdelick Vermaen aan God geeft (let op de parallellie met de reeds genoemde explicaties):
Het is, ook blijkens hun kleding, het maatschappelijke en het geestelijke grauw, arme zondaren, hoeren en dronkaards uit de heffe des volks. Aan vasten doen ze niet meer, node gaan ze naar de kerk, met gepraat over aalmoezen doen of biechten moet je hun niet aan boord komen (r. 116-159); ze lopen de ganse dag ledig, zitten te bedelen voor de kerkdeur (r. 241-285); ze gaan nog wel aflaten halen ter ere van Maria in de kloosters buiten de stad, maar ze doen dat vooral om over andere mensen die daar komen te kunnen roddelen: met Pasen gaan ze brassen op kermissen (r. 439-469). Uit deze analyse van hun levensgedrag (men lette op de twee cursiveringen) blijkt wel dat we hier te doen hebben met de zelfkant van de Middeleeuwse Roomse samenleving: de lui die er bijna niets meer aan doen, opgezogen door een wereld van vermaak. Beschouwt men ze, ten dele of geheel, als ketters, dan leidt dit tot eigenaardige conclusies, zoals bij Muller dan ook het geval is. Er zou dan in 1533 verband gelegd moeten worden tussen armoede en ketterij, wat op zijn minst genomen (indien ooit
juist!) een anachronisme zou zijn. Ook zou er inderdaad een ‘blakende geloofsijver’ van Everaert uit blijken, als hij de Luthersen zonder blikken of blozen voorstelde als Bacchus- en Venuskinderen. Dit is uitgesloten. Everaert zag duidelijk in dat de ontwortelden dier dagen een grote kans liepen, te verzeilen in ketterse wateren. Om die mensen te waarschuwen voor het gevaar dat hen bedreigt; om ze te maken tot actieve leden van de Roomse kerk in plaats van dode leden, daarom heeft Everaert dit (goed geslaagde) tendenzstuk geschreven. De tendenz is: bekeert u van uw zondige wegen, èn schuwt de ketterij. In zake dit laatste punt laat hij een veel positiever geluid horen dan ooit te voren. Werd hij toch wat angstig? Allegorisch worden de zonden en de ketterij als volgt gekarakteriseerd. De wijngaard zit vol wilde ‘erruereghe’ ranken (r. 101), vol distels, doornen en bramen (r. 191), vol onnut ondergewas (waterloten) en ‘beseect’ (half groen, half dor) hout (r. 299-306). Vernielals hebben er verwoestingen in aangericht, de ‘helse beer’ (mannetjesvarken) heeft er in gewroet (r. 394-413). Tegen het einde van de dag werken alle arbeiders blijkens een toneelaanwijzing in de hof. Wat vinden ze daar? De stinkende wortel der hovaardigheid (r. 511), de droge rank der ‘droge’ werken (r. 514), de bijtende wortel van de netel haat-en-nijd; vervolgens vindt Vroom Labuer het half groene, half dorre hout, dat volgens hem ‘geweerd’ moet worden. Ghewillich Volghen zegt daarvan:
Voor die tijd een milde beoordeling!
Maar dan komt de befaamde passus op grond waarvan Everaert als ketterdoder gedoodverfd zou moeten worden (r. 544-555).
Deze passage moet naar mijn mening precies andersom opgevat worden als tot heden te doen gebruikelijk is. Het is een van de uit psychologisch oogpunt markantste tafereeltjes uit zijn werken. Z. Blende en H. Doof zijn dan eindelijk mee gaan doen; ze zijn, zij het dan ook bijna gedwongen door God, ook actief geworden. Z. Blende is n.l. wissen gaan draaien, H. Doof is bezig de hopen afval samen te binden. ‘Als er nou een vuurtje in was, dan kwam er rook af,’ zegt ze lakoniek. Daar vindt de geestelijke ineens een kei! Allen er gauw nieuwsgierig omheen. Keihard! ‘Dat is nou zo'n hardnekkige, verachtelijke mijnheer, die noch door vermaningen, noch door straffen is te breken,’ zegt de burgerman, maar Ziende Blende kwettert: ‘Ik weet wel wat ik zou doen als ik er mee mocht betijen: ik zou ze lekkertjes laten piepen.’ ‘Wat zou jij?’ zegt de burgerman smalend tegen den ex-dronkaard. ‘Hun gat warmen’ bijt deze van zich af, ‘ik zou it hout voor ze opstapelen, dan bekeren ze zich wel.’ De priester komt tussenbeiden: ‘Afgelopen daarmee!’ ‘Waarom?’ snibt het volkswijf, om haar soortgenoot een handje te assisteren. ‘Omdat de Heer er aan komt met D. Vermaen. Houd op met dat geklap,’ en daarmee snijdt de edelman alle verdere discussie af. Wat zien we hieruit? Dat alle fatsoenlijke lui afkerig zijn van die heetgebakerdheid en primitieve moordlust van het volk, althans voor God die niet op hun verantwoording willen nemen. De grootste nietsnutten zijn nu de hardste schreeuwers: in het vervolg van het stuk wordt hun dan ook maar amper de zaligheid gegund.
Overzien wij het gehele oeuvre van Everaert, dan komen we tot de conclusie dat we hier te doen hebben met een stevig, all-round Middeleeuwsvrome Katholiek, die staat voor zijn beginsel. Maria en Petrus eert hij als de beste2), dat Maria zondeloos was, vrij van erfsmet en erfschuld, is hij hem boven alle twijfel verheven3), dat het priesterschap hoger is dan het ambt der engelen acht hij onbetwistbaar, het saçrament des altaars verheerlijkt hij4). Maar voor de ketterij heeft hij, als bewoner van een stad waar het volle leven al sinds jaren niet meer bruiste, anders dan Anna Bijns, weinig oog gehad; zijn kritiek op het leven der geestelijken deelt hij met de ketters, zonder ook maar iets met hun leringen te maken te willen hebben. Grijpt de ketterij al meer om zich heen, dan meent hij dat er maatregelen genomen moeten worden: alle man mobiel, het lagere volk moet geestelijk weerbaar gemaakt worden, maar vooral geen overijlde, drastische en onverantwoordelijke maatregelen nemen. In elk opzicht het toonbeeld van een bezadigd solide burgerman, hetgeen niet bedoeld is als disqualificatie.