Een groot contrast in maatschappelijk opzicht bestaat er tussen de eenvoudige Antwerpse onderwijzeres Anna Bijns en de Brusselse aristocratische vrouwe Katherina Boudewijns (1520-na 1603): dochter van den griffier van de Raad van Brabant, weduwe van een secretaris van datzelfde college, en moeder van vijf kinderen; die het Katholicisme verdedigde in de voor haar geloofsgenoten zo bange dagen van de Calvinistische heerschappij ‘doenmen de Vasten int heymelic hiel, alste Bruessel geen Kercken en waren voorde Catholijcken, des die goede Borgers menige traenen weenden’ (1581 en volgende jaren)1).
In 1587, nadat ‘den edelen Hertoch van Parmen heeft Bruessel willen ontfermen’ (blz. 75) verscheen bij Rutgher Velpius haar bundel geestelijke gedichten en liederen: Het Prieelken der gheestelijker Wellusten, inhoudende veel schoone gheestelijcke Liedekens, Leysenen, Refereynkens, ende andere gheestelijcke Spelen, enz.2).
Ook zij dicht in rederijkerstrant3), maar, hoewel zij tot een latere generatie behoort dan Anna Bijns en derhalve niet over de Luthersen, maar over de Calvinisten gericht houdt, is zij veel meer een Middeleeuwse dichteres dan deze. Hoe simpel vraagt ze nog vaak aan het einde van haar gedichtjes: ‘Bidt voor die dit heeft gedicht.’ Vol innig hemelverlangen is haar gevoelige ziel:
Reine Middeleeuwse mystiek vinden we soms in haar werk:
Hoe naïef-Middeleeuws, hoe volkomen onbarok, is ‘Een schoon
leysene’ (blz. 132-135), waar de stomme beesten nog de ledekens van het kindje verwarmen1), want:
Het spreekt haast vanzelf dat er ook in de houding van A. Bijns en K. Boudewijns tegenover de Reformatie verschil is. De hartstochtelijke Antwerpse valt altijd aan, in de geest van de politieke Contra-Reformatie harer dagen, bij de Brusselse dichteres zien we het Katholicisme veelal in het defensief, conform het feit dat de Roomse zaak toenmaals verloren scheen. Berustend zegt zij: eens zullen wij in de hemel komen,
hoewel zij toch wel momenten heeft waarop zij van een reeds in het tijdelijke ophanden zijnde verlossing droomt:
Nimmer heeft Kath. Boudewijns getracht, een caricatuur van de Calvinisten te tekenen, ten voeten uit. Zij ziet één hoofdtrek in den Calvinist: zijn vermeende heerszucht, zijn tyrannie. Hier botst wereldmijdende Middeleeuws-Roomse mystiek met de wereldveroverende geest van het Calvinisme, dat op heel de wereld beslag wil leggen voor Koning Jezus: in de dagen van de toenmalige Brusselse democratie misschien te radicaal6). Strijdbare geesten als de Jezuïeten, als een Richard Verstegen, waren meer een partuur voor de Calvinisten. Hoeveel teerder, hoeveel vrouwelijker, is de douloureuze stem van Katherina Boudewijns in ‘Een gheestelyck Liedeken .... ghedicht doemen te Bruessel gheen Misse doen en mocht’ (blz. 83-84):
In haar ogen was die Calvinistische godsdienstijver: rebellie. In ‘een schoon Liedeken vander Deucht der Gehoorsaemheyt’ (blz. 41), waarin zij treurt om de dood van haar man, haar opperhoofd, ziet zij de ongehoorzaamheid als de grote kwaal van haar tijd. Voor haar staan ‘Calvinisten’ gelijk met ‘Calvinus Tyranden’ (blz. 48).
Naast de tyrannie dus de gewone beschuldiging van dieverij, te verklaren uit de saecularisatie der geestelijke goederen:
Ook deze aristocrate kan het niet buiten invectieven stellen als echt kind van haar tijd: ‘geux ghebroet, Calvinist ghebroet, een deel boeven en banckerotiers’ zijn er enkele van. De vergelijking met de Geuzenliederen1) dringt zich aan ons op, als we b.v. in haar ‘schoon Liedeken vant Heylich Sacrament’ (blz. 68-69) lezen:
De kern van haar bestrijding richt zich echter op de zonde der ongehoorzaamheid, die zij bij de Calvinisten aantreft. In een ‘Ghedicht op Asscensioens Dach, doen de Catholycken geen kercken en mochten hebben’ (blz. 159-161) lezen we:
Een samenvatting van al haar bezwaren tegen de Calvinisten vinden we in een klein zinnespel van haar hand, gemaakt ten tijde van de onderdrukking en denkelijk dus wel nooit opgevoerd. Het heet: ‘Een .... schoon Spel van Sinnen van Twee Persoonen, te weten Liefde ende Een-drachticheyt, beclagende desen deirlycken tijt (blz. 143-149).
Liefde wil men overal in Nederland verjagen. Ook Eendracht. Maar in Brussel wonen ze nog in het hart van veel goede mannen en vrouwen. De oorzaak van alle ellende is: de rijkdom, de wellust en de overvloed, reeds voor veertig jaren op te merken. Daarom worden we nu door Gods roede gestraft. De weeldezucht heeft de mensen verblind en van kwaad tot erger gevoerd. Woeker, simonie, bedrog, gierigheid, verkwisting waren de gevolgen. Eerst potverteren, en als men dan de schulden niet kon betalen, dan ging men Gods gesel zelf over zich halen:
Het enige middel om de tyrannie en de boosheid van hun God lasterende predikanten kwijt te raken is, het kwaad in de wortel aan te tasten, ‘zegt Liefde’:
Niet de armoede van het luie, bedelende grauw, maar ‘reine’, ‘zalige’ armoede. Het middel is effectief:
‘Eendrachticheyt’ kan het nauwelijks geloven, maar ‘Liefde’ houdt vast aan haar sociale en religieuze panacee:
‘Eendrachticheyt’ blijft nog sceptisch: als allen arm zijn, kan de een den ander niet helpen! ‘Liefde’ weet ook daar raad op:
Konden oorsprong van en middelen tot bestrijding van de ketterij simplistischer getekend worden? Niemand zal kunnen ontkennen, dat ons hier een beminnelijke vrouwelijkheid tegenstraalt, die in haar naïveteit en gebrek aan logica van alle tijden is, en ons, zelfs in een tegenstandster, weldoet in het ruwe strijdrumoer van die dagen.