De titel van dit hoofdstuk is ontleend aan de uitgave, die de Maetschappij der Vlaemsche Bibliophilen bezorgde van een verzamelbundel in handschrift, toenmaals eigendom van die maatschappij1).
Een deel van de daarin voorkomende gedichten is ongetekend, sommige dragen initialen, een zinspreuk, de naam van een kamer (Oudenaarden, Axel, Kortrijk, Ieperen) of van een drukkerij (In de Duve te Putte), weer andere zijn overgeleverd met de auteursnaam.
Het manuscript bevat vooral historieliederen, een Rooms pendant van de Geuzenliederen. Tijdgenoten bezingen de gebeurtenissen uit het woelige tijdvak van de Vaderlandse Geschiedenis na de Pacificatie van Gent tot aan de overgang van Gent naar Parma in het jaar 1584. Het is één scherpe oppositie tegen de actie der Prinsgezinden (de z.g. Patriotten) en Calvinisten in Gent en omgeving. Grotendeels is het een, vaak grove, persiflage van allerlei personen die in de godsdienststrijd van die dagen een grote rol hebben gespeeld: Rijhove, Hembyze, Datheen, Johan Casimir van de Palts, Marnix, Oranje en tal van anderen.
In verband met het karakter van deze studie is het hier niet de plaats, na te gaan in hoeverre de gegeven voorstelling van al die bijzondere personen strookt met de historische werkelijkheid. Ons doel is vooral, aan te tonen hoe de Roomse ‘men’ van die dagen het Calvinisme en de Calvinisten beschouwde. 't Gaat hier om de Roomse publieke opinie uit de tijd van de Calvinistische heerschappij in Vlaanderen.
Zonderen we Anna Bijns uit, van wie twee refereinen met de jaartallen 1579 en 1580 (het ene nu toegepast op de Calvinisten, gelijk wij zagen) in deze bundel verdwaald zijn, dan is de verdienstelijkste dichter uit deze verzameling Mr. Cornelis Columbanus Vrancx2) (± 1529-1615), prelaat van de St. Pietersabdij te Gent, van wien hier
twee gedichten voorkomen: een gedicht 's Duvels kermisse (blz. 15) en een referein met de veelzeggende stokregel ‘Want men vint gheen Christen dan Papisten’ (blz. 37). Het laatste is apologetisch, het eerste polemisch. Een rake en originele satire is het, die de beroemde kanselredenaar en theoloog in het eerste gedicht geeft. Als satire tegen de Calvinisten verdient het zeker wat uitvoeriger besproken te worden.
luidt het sensationele motto. Lucifer spoort zijn trawanten aan, naar de Gentse kermis te gaan. God is er vervangen door ‘Calvinus, God van Geneven’. Voor hem worden nu tempels opgericht door een zeer getrouw dienaar van Lucifer, die met zijn radde tong niet alleen boeren, maar zelfs edelen vangt (Dathenus).
Hij laat de jongens en meisjes ‘een lied uit de geest’ zingen. Ja ook meisjes, al heeft Paulus geleerd dat ze in de kerk hebben te zwijgen. Zo iets trekt de jongelui! Die denken:
Samen uit één boek zingen, hoe aanlokkelijk!
Als 't niet lukt, naast het meisje te zitten, gaan ze tegenover haar staan: dan verveelt ze zich minder. Als ze nu ook nog verliefd worden op Calvijn's leer, dan verkopen ze meteen hun ziel. Wij kunnen best kermisvieren bij ‘ons broeders die Calvinisten’ zegt Lucifer: de H. Bavo en Lieven kunnen ons er niet plagen; de mis is er onbekend; het wijwater is in het vagevuur gegoten; ‘men maect er gheen cruyssen tonser blamatie’. In de pas ontdekte landen van Amerika gaat het slecht met ons: kerken en kloosters worden daar meer gebouwd dan er hier verdwijnen. Vele duivels komen uit die streken over; ik zal er nog meer naar Vlaanderen ontbieden om de priesters te vervolgen. Calvijn brengt ons meer voordeel aan dan St. Amandus ons 900 jaar geleden schade berokkende. Nergens hoort men meer spreken van moorden, dan waar de Calvinisten de overhand hebben: in Holland en in Frankrijk.
We moeten ze in ere houden, zijn predikanten, met hun twee of drie huisvrouwen! Hun leer is zo gemakkelijk voor het vlees. En de Calvinistische soldaten zijn al niet minder: die de predikanten niet kunnen winnen met preken, die breken dezen de nek. Ga dus mee ter kermis psalmen zingen, al zijn die oorspronkelijk niet tot onze eer gemaakt.
Het leeuwenaandeel heeft een andere geestelijke, pater Louys Heyndricx, als we tenminste L.H.M.1), Pr. L.H.M., Louys H.M., Louys (Loys) Heyndricx en L.H. voor een en denzelfden persoon mogen houden2). Als dat zo is, zijn er minstens 25 van de 67 verzamelde gedichten van zijn hand, en het vermoeden is gewettigd - als we letten op de gelijksoortigheid in vorm en onderwerp van deze gedichten - dat verscheidene ongetekende gedichten ook van hem zijn. We vragen ons af: is deze pater niet nauw betrokken geweest bij de samenstelling van deze bundel?
Ook 't werk van Heyndricx wordt gekenmerkt door een zekere ‘geestigheid’, maar als dichter staat hij een eind onder Vrancx: hij is nog op-en-top rederijker in de slechte zin des woords. Voorzover zijn gewrochten een polemisch, anti-Calvinistisch karakter hebben, mogen ze hier een bespreking vinden. Allereerst dan het tweede gedicht uit de collectie: De Afcompste der Guesen (blz. 12), gedateerd 1578, met de stokregel: ‘Dits Calvinus afcompste en der Guesen lijne.’ Dit gedicht ‘gheschreven uut Babel met Calvinus eyghen hant, aen u, Date3), upperste bisschop mijns rijcx ghepresen’ bevat niet veel meer dan een dorre opsomming van allerlei ketters uit oude en nieuwe tijd; van Kaïn tot Oranje toe. En passant krijgen ook de Mennonieten er van langs, omdat ze zo dapper de geldkisten vullen, en Luther die duizenden boeren om hals heeft gebracht. Een gedicht als dit zou men een ‘kettercatalogus’ kunnen noemen, zoals er in de zestiende-eeuwse polemiek van Roomse zijde een groot aantal het licht hebben gezien. Men begon dan bij het eerste mensengeslacht, om te eindigen bij Luther4).
Het Refereyn op blz. 22 bewijst eens te meer dat ook de Katholieken hun bijbel gaan lezen. Het Calvinisme is het onkruid, door den Duivel uitgezaaid om het goede zaad te verstikken. De Calvinisten zelf zijn geïncarneerde Farizeeërs:
Nog wordt dit, later bij de tegenstanders der Calvinisten zo geliefde thema, niet nader uitgewerkt: elke nadere uitleg waarom juist de Calvinisten Farizeeërs zijn, ontbreekt nog; de bedoeling van den dichter is, zijn bijbelvaste tegenstanders met bijbelwoorden te bestrijden. Zij ‘willen de schrifture verclaren die zij niet en wisten’, welnu de dichter zal ze eens op schriftuurlijke wijze uitbeelden. Ook elders wordt die schijnheiligheid van de Calvinistische nieuwlichters den volke voor-
gehouden. De ‘docteuren van der nieuwer snede’1) zijn duivelen in de gestalte van engelen des lichts:
Zeer belangwekkend is Heyndricx' gedicht Beelsebubs Testament (blz. 89-103) uit het jaar 1579, daar dit een parodie is op een ongeveer even uitvoerig, gelijknamig Calvinistisch gedicht. Uit welk jaar dit laatste is, valt niet precies aan te geven: mogelijk uit de jaren 1566-1567: het handelt alleen over religieuze onderwerpen; Alva en de Spanjaarden worden niet genoemd. In 1612 werd het opnieuw te Haarlem uitgegeven3) onder de titel: Beelzebubs Testament / Hetwelcke hy Antechrist synen Sone nae ghelaten heeft. Als oock / Een Refereyn tot spot des Vageviers / ghemaeckt door P. de B. Met noch eenighe Liedekens ende Refereynen / vande Miraculen der Sancten ende Sanctinnen. Tot Haerlem, Voor Pieter Arentsz. Boeckverkooper inde Bartel-Jorisstraet / inden ghereformeerden Bijbel, 16124). De voornaamste grond voor het toekennen van een oudere datum aan het Calvinistische dan aan het Roomse gedicht, ligt in de compositie der beide gedichten. Beschouwen we allereerst het Geuzendicht.
Daniel, zegt de dichter in een Voorreden, voorspelt dat eenmaal de Antichrist van Rome grote macht over de consciëntiën der mensen zou krijgen en dat alle koningen hem zouden gehoorzamen5):
De Paus-Antichrist is de zoon van Beëlzebub. Deze is ziek geworden na het volbracht zijn van Christus' verlossingsdaad, en maakt nu ten overstaan van Lucifer en den procureur der hel, Belial, zijn testament. Dan begint in couplet 1 het eigenlijke testament:
Eén lange reeks van wenken wordt den Antichrist nu gegeven, hoe hij de Roomse eredienst moet regelen, welke ceremoniën en sacramenten hij moet instellen. Vaak is de satirische toon sterk verwant aan die van de gelijktijdige Geuzenliederen1). Eén thema keert telkens en telkens weer terug: tracht toch vooral uit al uw instellingen en godsdienstige handelingen geld te kloppen:
In de laatste strophe volgt dan de aanvaarding van het testament door den Antichrist:
Zo blijkt dan de helse legataris tevens meedogenloos als executeurtestamentair. Wie tegen Beëlzebub's laatste beschikkingen protesteren wil, die is een kind des doods.
Moet, wie de duivelse origine van dit testament heeft ingezien, dan wijken voor zulk boos geweld? Dat kan niet 't einde zijn: zulk een zal zich te inniger hechten aan Gods woord, besluit de dichter:
Zoals de lezer ziet, ontstond er een logisch goedsluitend betoog uit de gedachtengang van den dichter; een beschouwing conform de bij de Calvinisten toenmaals voorkomende opvatting dat met den Antichrist in de Bijbel niemand anders dan de Paus bedoeld is5).
Schril steekt daarbij af het gebrek aan samenhang in het Roomse gedicht. De dichter stond voor grote compositorische moeilijkheden. Calvijn alléén te beschouwen als den Antichrist, ging niet: hij is dan ook slechts de ergste van een hele serie met name genoemde ketters1). De dichter begint, in nauwe aansluiting aan zijn Calvinistisch voorbeeld, als volgt:
De erfgenaam is Calvijn; Antichrist is hier met Lucifer en Belial getuige. Alleen in str. 4 wordt deze opzet echter consequent gehandhaafd: slechts daar wordt over Calvijn, als erfgenaam, in de 3e persoon gesproken; in str. 5 gaat de dichter reeds over in de aanspreekvorm, om in str. 6 den Antichrist met Calvijn zelf te identificeren: daar immers noemt de Antichrist zich ‘Paus van Geneven’. Deze identificatie houdt stand tot str. 28: daar is Calvijn voor de variatie de zoon van den Antichrist:
Hiermee eindigt, vrij abrupt, het Roomse gedicht. Blijkbaar heeft de dichter met het eenmaal opgevatte thema geen raad geweten2).
Een tweede bewijs dat het calvinistische gedicht het origineel, en het Roomse de parodie is, ligt in het feit dat Heyndricx zijn Calvinistischen tegenstander nadrukkelijk en met verontwaardiging bestrijdt. De Geuzendichter had beweerd, dat de monniken wel kinderen mochten verwekken, maar dat zulks verborgen moest blijven; ‘haer Vroukens’ moeten voor de wereld als maagd bekend staan, en daarom,
Dergelijke gruwelverhalen worden Heyndricx toch te bar. Aldus instrueert Beëlzebub derhalve den Calvinistischen Antichrist:
Ook str. 4 bevat waarschijnlijk een toespeling op het Calvinistische gedicht: Calvijn wordt er door Beëlzebub voorgesteld als:
Aan die ‘dromen en rellen’ had de Calvinistische dichter zijn hekelpen gewijd. Nu, de strijdvaardige pater Heyndricx zal dan eens aantonen, hoe goddeloos de gebruiken en de ceremoniën der Calvinisten zelf wel zijn. Wat spreekt die ketter van den heerszuchtigen Paus van Rome: ‘den aertschen Godt’?
Rebelleer, zegt Heyndricx' Beëlzebub tot Antichrist Calvijn, tegen alle koningen en noem u zelf paus van Genève: stel naar eigen goeddunken predikanten, baljuws en wethouders aan. Laat uw predikanten trouwen, en, zo de vrouw zich misgaat, laat ze hertrouwen. Zorg dat hun salaris minstens 40 pond is, hoe klein hun dorp ook zij. Vraag geen geld voor trouwen, doop en avondmaal,
Het huwelijk moogt gij geen sacrament noemen: anders zou er niemand komen om te hertrouwen. Stel een Nachtmaal in; ga zelf op de hoogste plaats zitten; geef elk een brok, zonder te knielen, want gij zijt het zitten waardig; preek daar veel in schijn van heiligheid. Doe het niet dagelijks zoals de oudste Christenen: dat zou te lastig voor u wezen, en door te grote gemeenzaamheid er mee zou het volk het gaan verachten. Kies de personen die er aan deelnemen, uit, ten ware men u de hand stopt met geld; laat hen die dit Nachtmaal aanvaarden, mijn religie bezweren3). - Geef weinig om de Doop; houd eerst de preek en laat de mensen een versje zingen; als het kind daarna nog leeft, doop het dan. Mocht het kind onderwijl gestorven zijn, zeg dan dat het al of niet gedoopt zijn niets betekent, want het is maar een teken van Christus' inschrijving. - Acht het huwelijk geen hoog mysterie; doet een van beiden overspel, men mag scheiden: dit is meer ‘tot 's vleesch jolijte.’ Zeg dat er maar twee sacramenten zijn. Wil het volk daar niet aan, zeg dan desnoods dat er drie, vier of vijf zijn, maar vooral niet zeven: ‘u leere moet al anders luyden op dat ghy 't volck
verdomt.’ - Versmaad de heiligen; zeg van Maria dat Maeyken Temmermans geen macht heeft. - Maak Bijbels, maar schrap en voeg toe zoveel je wilt. Maak Psalmboeken vol fouten; die fouten zien alleen de geleerden, de eenvoudige man zal wel voor de verspreiding zorg dragen. Stel een consistorie in, en laat het inquisitie uitoefenen,
Laat Calvijn en al mijn dienaren vooral tweedracht zaaien, want waar vrede is, kunnen mijn dienaren niet leven. En zo zal eenmaal Calvijn met alle sectarissen mijn rijk beërven.
Onmiddellijk op dit testament volgt een Refereyn van Babel (blz. 104): dit beschrijft de winkel van de Babelse hoer, die aan jong en oud boeken verkoopt, als ze eerst de waarheid verzaken: bijbels, psalmboeken, de ‘Catechismus van date’ (Datheen)1), het martelarenboek en
Grof in hoge mate is het daaropvolgende gedicht met de titel:
Dat gaat in deze trant:
Vruchtbaar was de vergelijking met luizen wel, want zij doet hem enkele nieuwe vondsten aan de hand. De geuzen groeien, evenals de luizen, in het vuil, n.l. in de misdadigheid en vuilheid van sommige geestelijke personen,
Dat de Calvinisten een goor en loszinnig gezelschap vormen, volgt uit een andere vergelijking:
Let op hun einde, zegt tenslotte de dichter:
Evenals sommige Geuzendichters houdt deze dichter van politieke allegorie. Op blz. 195 treffen we in een Nieu Liet (1580) de volgende doorzichtige diernamen aan als representanten van partijen en partijhoofden: de Papegaai (de Katholiek), de Pau (de paus), het Koninkje (winterkoninkje, Philips), de Arend (Duitse Keizer), de Leeu (de Gentenaar, naar de zilveren leeuw in het Gentse wapen1).
Het Calf is, gelijk zo vaak, Calvijn; het Vercken is Zwingli (zwijn); de Simme (= Martijn, de aap uit de fabel) is Maarten Luther2).
Laten we de beschouwing van Heyndricx' dichterlijke polemiek besluiten met enkele regels uit zijn laatste ondertekende gedicht Bescryvinghe van een waerachtich Geus (blz. 311), uit het jaar 1584:
Van de overige gedichten in deze collectie behoef ik slechts enkele te vermelden. De meeste zijn zeer persoonlijk: de geschiedenis van de Gentse godsdiensttwisten zal niet bestudeerd kunnen worden zonder deze historieliederen er in te betrekken; ze vallen echter buiten ons bestek. In verscheidene is trouwens het geloof maar bijzaak, en is plaatselijk chauvinisme aan het woord, o.a. van Oudenaarden tegen Gent (blz. 287 en 291)3). Veelal bevatten ze grove laster, zoals blijkt uit het geval van den schilder-dichter Lucas d'Heere. In het spottende afscheidslied van graaf Jan van Gent (Hembyze), gemaakt door Doctor D. Pasquillus Ecstaticus (1579)4) wordt n.l. van hem gezegd:
Terecht heeft Blommaert2) reeds captie gemaakt op deze passage. Van Mander, wiens eerste leermeester hij toch geweest is, weet niets van deze hoogmoed en schraapzucht, waarvoor hij de strop zou verdienen. Hij schildert hem als een beminnelijk, kundig en verstandig mens, wiens grootste fout het was dat hij wat al te veel tijd aan het gezellig verkeer offerde. Zijn groot vermogen heeft hij te danken aan het feit dat hij een in aanzienlijke kringen geliefd schilder was, niet - zoals in bovenstaande regels blijkbaar geïnsinueerd wordt - aan zijn ambt van Griffier der Rekenkamer3).
Evenmin als de laster omtrent het leven van Lucas d'Heere, mogen hier de aantijgingen tegen Petrus Dathenus onbesproken blijven. Hij toch is feitelijk in deze bundel het geïncarneerde Calvinisme (‘upperste bisschop van Ghendt’, blz. 43 en elders), en als zodanig type. Reeds terloops noemde ik hem.
Lucifer beschouwt hem, volgens Columbanus Vrancx, als
Om zijn welbespraaktheid noemt Dr. Pasquillus Ecstaticus hem: Pieter Dhoverdraghere (= de klapper) (blz. 70). Karel Utenhove, voorschepen van Gent, waarschuwt hij: ‘pas op dat je je niet door dezen man laat begoochelen!’ Hij was immers de grote raadsman van den aartsoproermaker Jan van Hembyze (blz. 87). Op zijn raad is Joh. Casimir van de Palts in Gent ingehaald (blz. 60)5). Ja, 't was Dathenus
die in een rede op de Collatiezolder1) zei dat de regering over het graafschap Vlaanderen aan de gemeente moest worden getrokken. Hoort hem het volk opruien in de St. Janskerk:
Ook de dichter Karel van Auweghem was allesbehalve ingenomen met Datheen (Een Nieu Liedeken, blz. 312-318). Die valse meinedige Dathenus was oorzaak dat de religievrede (‘die men heet Liberteyt’) geschonden was; wat zou men ook anders verwachten van weggelopen monniken:
De drie hier geciteerde dichters geven een verkeerde voorstelling van de zaak. Telkens worden Hembyze en Datheen op één lijn gesteld; zelfs wordt er beweerd dat Hembyze gehoor gaf aan de inblazingen van Datheen. De verhouding was juist omgekeerd. Horen we slechts wat de biograaf van Datheen's Gentse periode zegt1). ‘De hoofdleiding bij het verzet aldaar was in handen van Jonker Jan van Hembyze, schepen te Gent, die echter niet uit geloofsovertuiging, doch alleen uit hoofde van eigenbelang zich tegen den godsdienstvrede verzette, daar deze hem belemmeren zou in zijn voornemen om zich persoonlijk met de Roomse kerkgoederen te verrijken. In bond met François van Rijhove, die hetzelfde plan koesterde, had hij daarom handig gebruik weten te maken van het principieele verzet der Calvinisten en zich, onder den schijn van hun beginselen geheel te zijn toegedaan, aan hun hoofd geplaatst om den opstand te leiden’ (blz. 141). ‘Hembyze was een bedriegelijk, geslepen volksleider, die alleen uit eigenbelang de Gentenaren tot verzet aanhitste; Datheen daarentegen was een volkomen eerlijke kampvechter voor de hem heilige beginselen.’ Datheen had tactischer kunnen handelen ‘maar bij het uitspreken van een oordeel hebben wij te bedenken, dat hij misleid is door de hypocrisie van Hembyze, die zich geregeld onder zijn gehoor schaarde en alzoo den indruk wist te wekken, als ware ook hij zelf de Calvinistische beginselen van harte toegedaan’ (blz. 154).
Allen die met de ketterij te koop liepen waren geen echte Calvinisten. Velen hadden slechts in schijn het nieuwe licht aangebeden. Het was zoals er in een Brugs gedichtje staat uit de dagen na de Pacificatie:
Nauwelijks was Parma er de baas, of deze lieden ‘hernamen eenvoudig hun plaats in de kerk, die ze, opstandig, een tijdlang hadden opengelaten. Te Brugge en Gent waren, blijkens de briefwisseling van kardinaal Granvelle, de bekeeringen zo talrijk in het jaar 1585, dat de parochiepriesters, reeds vroeg op den dag naar den biechtstoel geroepen, zich met moeite moesten vrijmaken om gelegenheid te vinden tot het lezen der heilige mis’3).
Om terug te keren tot de Polit. Balladen: van de niet met een auteursnaam ondertekende gedichten is weinig goeds te zeggen. Opmerkelijk als parodie op een Geuzenlied is nog de Balade van blz. 414). Maar de geloofshaat van den Katholieken dichter is feller dan de nationale haat van den Geuzendichter. Beiden zien de hel bevolkt met hun tegenstanders. De Geus als volgt:
Juist hier gaat de Roomse dichter zich te buiten aan een uitweiding:
Evenals in het Geuzenliedboek (waar de hostie Jan Melis in die halve mane heet, Alva: Alf, bisschoppen: bijtschapen of pispotten) doen ook in dit anti-Geuzenliedboek de gewone woordspelingen opgeld, als Case-met-zijn-mieren voor Johan Casimir van de Palts (blz. 291), Pieter Dathan3) (blz. 43 en elders) en Pieter Gaethenen (blz. 315) voor Petrus Dathenus. Naamsverdraaiing was toen in de godsdienstige strijd een gewild wapen. Als eindelijk Gent zich heeft overgegeven aan Parma, bewijst het Calvinistische Kalf nog een laatste dienst aan Karel van Auweghem. Kwispelstaartend maken de Kalveren zich uit de voeten:
Deze Roomse bundel echter als geheel vergelijkend met het Calvinistische Geuzenliedboek, onderschrijven we de mening van Max Rooses daaromtrent: ‘In diepte van overtuiging en doordrijving hunner gedachten staan de katholieke dichters, Anna Bijns altijd uitgezonderd, verre beneden de hervormde. Hunne hekeling is scherp, maar meer op den kleinen kant van de menschen en gebeurtenissen dan op de algemeene beteekenis en strekking der feiten gericht’4). Toch moet wie de beide bundels vergelijkt, zich hoeden voor generaliseren. Het is een onbetwistbaar feit dat, terwijl de toon van Geuzendichters en Roomse volkslieddichters meestal even gepassionneerd klinkt, de eersten het in menig opzicht van de laatsten winnen, doordat de uiting van hùn verontwaardiging echter en meer verklaarbaar lijkt - de geloofsvervolging immers was een veel aangrijpender en beangstigender realiteit dan de beeldbrekerij -, èn doordat zij een ruimer begrip tonen van de godsdienstige en nationale vraagstukken, die in het geding zijn. Maar dit geldt natuurlijk niet ten voordele van alle geuzendichters en ten nadele van alle Roomse dichters.
Nog een andere generalisatie dreigt. Het is niet te ontkennen dat de meesten dezer dichters diametraal en onverzoenlijk tegenover elkaar staan. Wie echter goed luistert merkt in beide kampen personen op, die onderling dichter bij elkaar staan dan bij de radicaalste vertegenwoordigers van hun eigen partij. Letten we b.v. eens op het Refereyn van een auteur die zich verbergt achter de veelzeggende zinspreuk Bot al willens, uit het jaar 15791). Hier blijkt een hervormingsgezind, evangelisch Roomse aan het woord te zijn, die echter niets moet hebben van al die Protestantse richtingen.
Met bussen en zwaarden tracht men toegang te erlangen tot het rechte evangelie: sommigen ‘die in simpelheit sliepen’ worden er door tot boosheid verwekt.
Liever geen hervorming dan zulk een hervorming, vindt de dichter:
Hoe dicht staat de geesteshouding van dezen Katholiek die zich beroept op Paulus en de enige hoeksteen Christus, en uitroept: ‘Wel hem, die wandelt in des Heeren weghen’, bij die van den dichter der drie liedjes, die in het Kampense archief bewaard worden en door Van Lummel en Kuiper in hun uitgaven van het historische Geuzenliedboek (ten onrechte4)) zijn afgedrukt.
Zoals de Katholieke dichter de beeldenstorm afkeurde en het, met reserve, voor de priesters opnam, zo verwijt deze dichter, wiens sympathieën aan de Protestantse zijde staan, aan de Papisten hun geloofsvervolging:
Maar irenisch zijn ze beiden: tot in hun woordenkeuze blijkt hun geestverwantschap:
De mogelijkheid is zelfs groot dat een dergelijk dichter thuishoort in het Libertijnse kamp. De toon en de woordenkeuze van dit soort mensen lijkt vaak wonderveel op elkaar. Een man als Louris Jansz, factor van de Haarlemse Kamer De Wijngaertrancken, een onvertogen Libertijn, spreekt ook van God zoeken ‘in simpelheyt des herten’7). Dezelfde sfeer voelen we in een Referein tot Antwerpen gemaect anno 1566, uit een hs. dat o.a. een zinnespel van de Wijngaertrancken (1560) bevat8). De paus en zijn hoop, zegt deze dichter (die tekent met Verbeyt den tijt), leerde ons leugens. De Zwinglianen, waarmee blijkbaar de Calvinisten worden vereenzelvigd, hebben een verkeerde Avondmaalsbeschouwing. Dan zijn er nog onderling twistende Luthersen en Mennonieten. Vol afkeer van al deze richtingen vraagt de dichter in de stokregel: ‘Wie sal den simpelen godes gemeinte wijsen?’9) Alleen Christus is de hoeksteen, zegt ook deze dichter:
Ziehier drie facetten van enerlei beschouwingswijze in de volks-poëzie van die dagen. Er blijkt uit dat het Christendom boven geloofs-verdeeldheid niet alleen een dogma is geweest van enkele aristocratische geesten. Dat dit standpunt ook vertegenwoordigd is in een heftig anti-Calvinistisch volksliedboek als de Politieke Balladen is wel zeer frappant. Het blijft echter een uiting apart.