In nauwe aansluiting aan de collectie Politieke Balladen, enz., die wegens haar hoofdzakelijk Gentse oorsprong een sterke eenheid vormt, zijn er nog verschillende verspreide geschiedzangen die ons een blik doen slaan op de Roomse mentaliteit t.o. van de Calvinisten. En naast de geschied-zangen zijn dan nog te noemen de prozapamfletten. Het gebied der historieliederen en strijdschriften zou echter een mer à boire zijn, indien niet enkele verzamelaars als Van Vloten, Paul Fredericq en Maurits Sabbe een groot deel van het materiaal geschift hadden1). Zo hebben b.v. Dr. Fredericq en zijn medewerkers ± duizend pamfletten doorgelezen en daaruit een bloemlezing samengesteld. Slechts een enkele komt daaruit in aanmerking voor een behandeling. In hoofdzaak zal ik mij beperken tot het door hem en door Van Vloten2) gebodene.
Allereerst verdient een bespreking het gedicht Beclach der Guessen, dat berust in de Kon. Bibl. te Brussel en in 1891 uitgegeven is door B.H. Klönne3).
Volgens hem zou dit een echt klaaglied zijn van een beeldstormer, die later tot inkeer kwam. ‘Vooral aan de predikanten, een samenraapsel van oproerkraaiers, afgevallen geestelijken en vreemde gelukzoekers, wijt hij den benarden toestand, waarin de geuzen gebracht zijn,’ zegt hij. In werkelijkheid is het niets anders dan een Rooms adieu- of oorloflied, aan een Geus in de mond gelegd. We vermeldden reeds zulk een lied uit de Politieke Balladen, n.l. het langwijlige ‘Oorloflied van Graaf Jan van Gent’ met zijn eindeloze adieu's4):
In ons gedicht volgt het adieu op het beklag (d.i. het klagen) der Geuzen. Bitter klagen ze over het predikantenbedrog en de Lutherse tegenwerking:
Bitter klagen ze ook dat ze niet veel radicaler waren te werk gegaan:
Maar nu ging alles mis, en de eigenlijke ‘raddraaiers’ ontkwamen:
Ten slotte komen de eigenlijke adieu's:
Men ziet hier het hele kerkelijk leven uit de jaren 1566 en 1567 als in vogelvlucht voor zich. Het gedicht moet kort na de ineenstorting van het Calvinistisch verzet in 1567 gemaakt zijn.
Bij beide partijen treffen we verschillende van die klaagzangen aan, die den tegenstander in de mond werden gelegd. In het Geuzenliedboek vinden we zo b.v.: het ‘liedeken’ met het opschrift: ‘Ofter yemant vraechde, hoe ick ben befaemt, Der Papen claghe, benick ghenaemt’4); het Oorloflied der Papen5); het klaaglied der Spaanse soldaten na het beleg van Alkmaar6); Sommighe Oorloff Catholijcke Claech-Liedekens7); Volghende Oorlof liedekens van Duckdalve8); Een jammerlijck Claechliet vanden Coronel van Groeninghen9); Een schoon nieu claechliedeken van Dom Jan de Austria10); Claech-liedt vanden Prince van Parme11) en Een clacht onsoet Die Albertus doet12). Soms valt de dichter uit zijn rol, zoals in het oorloflied van Don Frederik13) en dat van Bossu14), waar de dichter zich tegen het slot ineens richt tegen genoemde heren.
Van Roomse zijde treffen we, behalve de twee reeds genoemde liederen, nog een gelijksoortig lied aan in de verzameling Nederlandsche Geschiedzangen van J.v. Vloten15). Het opschrift er van luidt: ‘Cives Catholici Ipris laetati super Dei gratia, quod Geusii, impii homines, mox e civitate pellerentur, cecinere canticum Domino, exequias16) nimirum Geuseorum in hunc modum vernacula lingua et tono.’ Aan de drie Gereformeerde predikanten wordt daar de volgende bekentenis toegeschreven:
Geen wonder dus dat ze zich nu voornemen, den koning van Spanje te voet te vallen, en God om genade te bidden.
Al deze liederen, zowel van Roomse als van Calvinistische zijde kunnen we rekenen tot één bepaalde groep: die der parodiërende adieu- en klaagliederen. Parodieën zijn het omdat ze teruggaan op de serieuze historische adieu-2) en beclachliederen3) uit vroeger tijd. Ook de Duitse huursoldaten in dienst van den koning van Spanje beoefenden klaarblijkelijk het genre, getuige het lied uit 1568: ‘Eine kurze und klägliche Bekenntnis aller verstreuter und verjagter Geusen4), waarin de dichter zijn vijanden in de mond legt: ‘(Wir) fürten doch einen sawischen5) wandell.’ Hoe bont zij het volgens hem maakten, moge blijken uit het volgende staaltje:
De mening dat de Psalmen Davids niet op een stichtelijke manier zouden gezongen zijn6), spruit misschien voort uit het feit dat de Souterliedekens werden gezongen op wereldse melodieën.
Prof. v. Schelven zegt hiervan: ‘Het staat niet vast of Londens Kerk ooit in haar gemeentelijk leven de Souterliedekens van Van Zuylen heeft gezongen; maar in allen gevalle hebben de wereldsche wijzen, waarop die waren getoonzet - in het vaderland dan nog te dulden, omdat ze de inquisitie op een dwaalspoor brengen konden [ik cursiveer] - in dat land der vrijheid, door hun weinig stichtelijk karakter, zich weldra onbruikbaar getoond7).’ Te ver echter gaat Kalff als hij zich afvraagt: ‘of sommige aanhangers der nieuwe leer werkelijk gedanst hebben bij het zingen der
op danswijzen gestelde Souterliedekens1).’ Dit is een miskenning van de zedelijke ernst der Hervorming en van de nood dier tijden. Ten bewijze hiervan zou ik hele stukken willen aanhalen van het Voorwoord dat Dathenus schreef vóór zijn Psalmberijming (1566). Alleen deze ene zin: ‘Dat 'er een groot onderscheidt is, tusschen dat lichtvaerdige singen, daermeede de wereldt omgaet, ende dat singen der Psalmen Davids, daerin men niet alleen de stemme uiterlyk hoort, maer de woorden verstaet, daerdoor dat herte ten Hemel opgeheven ende in den geloove, godtzaeligheit ende geduldigheid gesterkt werdt2).’
Juist dat psalmenzingen der Hervormden deed de oude kerk zo veel kwaad. Juist daarom richt men er de scherpste pijlen tegen. In een Echo vraagt de dichter3):
Die Duitse ruiter, van wien we zoëven iets citeerden, had nog een dichtenden Nederlandsen collega, ‘een goet Christen ruyter’6). Koekoek één zang:
Ook in deze bundel vinden we van die tendentieuze voorstellingen, die we al eerder aantroffen. In het bovengenoemde lied der Ieperse burgers heet het:
En bij een ander zeer sarcastisch:
Tot wat voor propaganda men in staat was, bewijze het volgende citaat uit een lied op den Prins van Oranje, toen hij Luik wilde innemen (1568) - overigens niet de schoonste bladzijde uit zijn levensboek7):
Om er een glimp van waarheid aan te geven voegt de ruiter die dit liedje gemaakt heeft, er aan toe dat de lansknechten op ‘sinte Margrieten poort’ het zelf gehoord hebben.
Wie studie maakt van dit tijdvak heeft zich wel te realiseren dat hij in de historieliederen niet de waarheid aantreft, maar slechts de door haat verwrongen voorstelling van den tegenstander. Het zijn bijdragen tot de geschiedenis der godsdienstige onverdraagzaamheid, niet tot de geschiedenis der Kerkhervorming in Nederland.
Hetzelfde geldt van de voorstellingen, gewekt door het pamflet Eenen poeetschen Dialogus genaempt Calvinus .... Ghemaeckt door Coppen Gielis van Utopia .... Gheprent int Jaer ons Heeren 1580 (Catal. Meulman-v.d. Wulp, no. 487), door Dr. Paul Fredericq uitgegeven in Het Nederlandsch Proza in de Zestiendeeuwsche Pamfletten uit den Tijd der Beroerten met eene Bloemlezing (1566-1600), Brussel, 1907. Het is kennelijk afkomstig uit Den Bosch2).
In 1579 was daar de Religievrede doorgedreven en de aansluiting bij de Unie van Utrecht afgekondigd. De Roomse partij was er echter sterk. Een oploop had plaats, waarbij 40 burgers gedood en 120 gewond werden. Twee Hollandse vendels waren door de stedelijke overheid niet toegelaten in de stad. Dit was voor de Protestanten het sein tot vertrek, en hiermee was de rol van de Statenpartij uitgespeeld in Den Bosch. De stad koos voortaan haar eigen koers. Hohenlo had nog eenmaal geprobeerd, de stad tot inneming van Staatse bezetting te bewegen, maar de 26e Sept. 1579 werd dit geweigerd. Wel had hij daarop de 3e Oct. de Maasdijk en de Demerse dijk doorgestoken, om haar van den vijand af te snijden, maar daar het tegen de winter liep was er toen van een geregeld beleg niets gekomen3). Zo stonden de zaken, toen bovengenoemd pamflet verscheen, blijkbaar gemaakt met de vooropgezette bedoeling om de bevolking op te hitsen tegen de Calvinisten, die vanuit het nabije Heusden permanent de stad konden bedreigen met verrassende aanvallen.
Het vermaant de Bosschenaren om zich toch niet te laten inpalmen door die Calvinisten, die zich zo mooi kunnen voordoen en zo zeldzaam actief zijn. Gespeculeerd wordt op het plaatselijke chauvinisme tegen het nabijgelegen Holland, waar veel van die Calvinisten immers vandaan komen, en waar men den Bosch maar een nest vindt vergeleken bij het ‘machtige’ Hollandse Heusden. Het loyale deel der bevolking wordt voorgehouden dat de Calvinisten revolutionnair-democratisch zijn, de rijken dat ze het op de geldkist voorzien hebben, allen tezamen dat ze conspireren in geheime nachtelijke vergaderingen. Ze praten van religie-
vrede en vrijheid des geloofs, maar menen er niets van. De sterkste troef van den pamfletschrijver is, dat een paar honderd van die lui tijdens de laatste Kerstnacht (dus 24 Dec. 1579) de stad hebben willen overvallen, en alle bidders in de kerk en alle gewapenden hebben willen vermoorden, en een Furie in de stad hebben willen teweegbrengen1).
Wie zich achter de naam Coppen Gielis van Utopia verschuilt? Met een vrij grote graad van waarschijnlijkheid is dat aan te geven. In 1582 n.l. verscheen er te Den Bosch een vertaling van onder de titel: Calvinus. Dialogus poeticus. Silvaed. Joan Schefferus, 1582, volgens Paquot2) ‘traduit de Flamand’ en van de hand van Joannes Vladeracken of Johannes Florager, een geboren Bosschenaar en goed thuis in het Latijn en het Grieks3), die later nogal naam maakte met Latijnse en Griekse poëzie4). Ik houd het er voor dat de geleerde en kunstvaardige schrijver van ons pamflet en de vertaler een en dezelfde persoon zijn5).
Verder acht ik het wel zeker dat het pamflet Meulman-van der Wulp, no. 492: ‘Vant Swingelsche Calff. Off Descriptie des Swingelsche Calff, waer inne bewesen wordt .... dat die Calvinisten predicanten Gods wordt noch Godts kercke niet en hebben, met sommige ander stuxkens .... Ghemaeckt doer eenen oprechten Patriot ende een waerachtich lieffhebber des gerechte ende lijsamighe wordt Christi Jesu. S.A. Gheprent Int Jaer ons Heeren, 1580, waarvan Fredericq twee fragmenten in zijn bloemlezing opnam, ook van dezelfde hand is. Ik denk daarbij niet in de eerste plaats aan de gelijkheid van spelling en de in beide geschriften enigszins oostelijk gekleurde taal6) - dat zou immers kunnen liggen aan den drukker - maar wel aan de stijlovereenkomst: ingewikkelde periodenbouw, verbuiging van vreemde woorden en vooral de wemeling van tautologieën,
verbonden door ‘ende’ en ‘off’, waarbij het ene lid meestal een vreemd woord is1).
Het thema van de dialoog Calvinus is een variatie op de gewone duivelsatire, zoals we die al enkele keren ontmoet hebben in het voorgaande, hetzij in de vorm van helse testamenten (zie boven blz. 124 e.v. over de beide Beelzebubs Testamenten), in die van helse redevoeringen (b.v. het boven blz. 122, besproken gedicht van Col. Vrancx) of in die van een door tegenstanders bevolkte hel (b.v. beide op blz. 132 besproken gedichten). Uit het Geuzenliedboek (K. no. 10, v.L. no. XII) kennen wij het verhaal van den Paus, die noch in de hemel noch in de hel werd toegelaten en vervolgens tevergeefs zijn vagevuur zocht. Hier hebben we een enigszins analoog geval, maar geheel op klassieke leest geschoeid: zelfs in de hel zijn de Calvinisten niet te gebruiken: ze zijn er al even staatsgevaarlijk als op aarde. Dit toneelstukje is merkwaardig genoeg om er uitvoerig bij stil te staan.
De in het stuk optredende sprekende personen zijn: Pluto, Proserpina, Charon, de rechters Minos, Aeacus en Rhadamanthus, de blinde profeet Tiresias en ‘Calvinus, met Swinglio ende de Consistorianten’.
Hoe commet, Charon, dat ghy overvoert ende ons hier brengt sulcke schadelijcken volck, die men de Calvinisten off ghereformeerden noempt, die opter aerden soo menigh coninckrijck in oproer ende uuterste bederffenisse ghebrocht hebben?
Ick heb se aenghesien, o Pluto, voor goede, vruntelijcke ende vrome lieden. Want, int compareren byden Martinisten, soo schenen sy te wesen edellyc courtoys, so2) se meest uut Vranckrijck ende Vlaenderen hier comen. Die Martinisten heb ick voor boeven off moffen aengesien. Die Mennonisten [waren] int overvoeren stil, recht offt waren phantastique3) hypocriten.
Aen Henrick Nicolaessen gesellen en weet ick niet wat ick hebbe4). Maer de ghereformeerden groeten my seer vruntelijck; sy spreken beleefdelyck; het is al van vrientschap, daer se aff seggen; ende int overvaeren syn se wonderlijcke actijff ende vlytich. D'een neempt terstont den riem ende royt; dander den oesser5) ende oset water uut, alsoo dat my dickwils getwijffelt heeft6), datter veel uut Holland van desen volck compt; ende soo myn auwe lere schuyte dickwils leck is of datter een gat in compt, terstont syn se doer een sonderlinge activicheyt daerby, en stoppen dat, daerinne stotende een Psalmboecxken off eenen Cattekidsmus7) off andere blasphemerende sermonen, die se al by haer nemen. Daerenboven sitten sy int vaeren en quelen met die Psalmen te singen, dat die schuyt met halven aerbeyt aen den oever des helsche rijcks is gearriveert.
O, Charon, ghy en kense noch niet te dege. Soo doen se overal; want, waer se yerst comen, daer synt lemmerkens off engelen. Maer, als men daer huys mede zal bestaen te houden1), ick sweer by den helschen vloet Stygem, dat het dan is het aldervuylste gedroch2) ende meeste schuym van alle rabbauwen, die myn broeder Juppiter opter aerden oyt heeft gehadt.
Proserpina zegt nu tot haar man, dat Juppiter en Neptunus, de eerste door brieven, de tweede door gezanten, hen waarschuwt tegen die bedrieglijke Gereformeerden. Pluto besluit, de drie rechters der hel te raadplegen.
Wy hebben oock im onsse rechterbanck clachten over dit volck gehoort; ende is ons voor gecomen, dat dit volck, daer se met alle soeticheyt yerst aencomen, terstont arbeyden om de justitie te beletten ende rusten niet; het schuym der rabauwen doet sonder straf, dat het wil; voorts dat zy int eynde soecken de hoocheyt als keizers, coningen, princen ende vorsten te verdrijven3), en sitten in haer plaetse selver, met aenhanck van alle boeven.
Oock houden sy heymelycke nachtvergaderingen, die se consistorien heyten, seer schadelyck alle ghemeynten. Daer sluyten sy alle bose4) ende bloedige raden, contrarie haer predicatien.
Ja, dat meer is, ons is te voren ghecomen, dat haer gemeynte in ons helsche rijck loopt knevelen, daer syt connen sonder yemant te sien, te weech brengen. Euclionem5) hadden sy den pot metten gelt genomen; maer, soo hy terstont (als een groot gier6)) maeckten groot gecrijs, soo lieten sy hem den pot noch houden.
Croesus was bijna het slachtoffer geworden; Midas en Crassus zijn ook al in angst voor hun geld, zegt Rhadamanthus:
Waerom, en wordt hier niet toe gedaen ende oock in tijts, het is geschapen, datter nauwelyck yemant in de hel eenen peckstock7) sal moghen houwen.
Onverwinnelijckste Coninc, my dunckt voor d'best, dat ghi hier liet comen Calvinus met Swinglio ende die vermaerste van der Consistorien, dat is gheseet de meeste8) muytmakers. Ende, soo Calvinus een voorspreeck9) geweest is (gelyck er oock veel van dat gheselschap aenhenckt), soo moet ghy u aen syn schoon praten ende geblankette redenen niet stoten, om te meynen waer
te syn, 'tgene hy tot synder excuse voort brengen sal. Want een Calvinist is van dien aert, dat hy alle andere beschuldigen sal van vele quaets, maer selver en sal hy niet willen lyden, dat hy een fautje off smetgen hebbende is, als hy nochtans soo cuys1) is als een hoenderkouwe, die in seven jaren niet geveecht2) en is. Siet, hier compt hy wel te pas aen met synen oproerigen hoop.
Pluto herhaalt nu de tegen hen ingebrachte beschuldigingen, waarop Calvijn deemoedig antwoordt:
Onverwinnelycke, hoochmachtige Coninck, gelieft uwer Majesteyt, dat u dienaer Calvinus, tot defensie van synder onnoselheyt, een woort spreckt.
Onverwinnelycke, hoochmachtighe Conick Pluto, men en sal nimmermeer bevynden anders dan dat wy, die zoo wel ghereformeert zyn, in alle obedientie ende observantie tegen onsen coninck gheleeft hebben, ende begeren alsnoch te leven; ende wat ons anders overseyt5) wordt, dat compt van de onwarachtige Papisten, Mennonisten ende diergelycke geselschap.
En wist ick niet wel, dat ghy een goet voorspraeck waert gheweest? Want ghi wel hebt onthouden den yersten regel uut haer boeck6); te weten, dat men terstont negeren sal ende lochenen, dat men u oock metter waerheyt opleet, als ghi, vuyl trauwant, hier hooren sult. Minos, leest den brieff van advertentie7), die my gesonden heeft myn broeder Juppiter.
Minos leest nu de brief, die, in geestige bewoordingen gesteld, Pluto vermaant goed op te passen, want Juppiter zal hem onder de aarde met zijn bliksem niet kunnen bijstaan. Calvijn krijgt hierop een neus ‘als een spiesse’ en kan geen stom woord meer uitbrengen. Minos raadt aan, hen een solemnele eed te laten zweren, dat ze zich voortaan rustig zullen houden.
Dat waer goeden raet, lief Minos, hielen sy haer woort. Maer wy crygen daghelycx tijdinge uuten rijcke van Belgio8), hoe dat die Calvinisten geen eeden en houden, ende segghen opentelyck, dat sy se niet houwen en dorven, die sy den Papisten off van haeren geloove niet synde, sweren, soo dat claerlyck blyckt uut het breken der Pacificatie van Gent, des Ewelycxs Edict, Unien ende andere verbonden, solemnelyck besworen, soo by die van Amsterdam, Haerlem, Antwerpen, Utrecht, Gent, Brug ende meer steden ghebleken is; waervan wy genoch geassuereert ende versekert syn, dat sy haer woort noch haeren eedt niet en houden.
Nu, zegt Pluto, dan maar geen eed; laten we dan maar een edict maken, hen goed bespionneren en eventueel flink straffen. Rhadamantus leest daarna het Edict tegen de Calvinisten voor: in even rake bewoordingen als het koninklijk schrijven van Juppiter. Maar nu staat er een nieuwe klager op: Tiresias, de profeet der hel. Het geeft allemaal niets, zegt hij:
Want met haer en is geen huys te houden. Sy sullen nu in d'ierste soo subject zyn ende ghelooven wonderlycke schoon; maer, als men meent, datter geen sorge en is, sullen sy al vorder practiseeren1), aencomende dan met een Religionsvrede2), diese met gheblankette redenen soo schoon aengeven3) sullen, dat oock de wijse des helsche Conincks raden daermede sullen bedroghen worden. Want sy en sullen dien niet langer houden dan als sy occasie ende bequamen tijt sullen gheprepareert hebben, den coninck Pluto met alle syn machtich hoff ende ondersaten uut te jagen, off ten minsten met briefkens uut te seynden off met armen uut te leyden4).
Rhadamantus stelt hem gerust: als er onraad te bespeuren is, zullen we er Briareus, den Hekatoncheir, op afsturen, die met tien grepen er duizend de keel kan dichtknijpen, en daarna zullen we de lijken in de grootste ketel der Furiën laten verkoken. Aan Charon wordt verboden, deze lui nog langer over te zetten. Hij mag alleen zielen overvaren, die door Donatus onderzocht zijn op hun geloof. Deze is een gezworen vijand der Calvinisten en dus behoeft men niet bang te zijn voor heimelijke verstandhouding tussen hen. Bovendien mag Charon, daar alles duurder wordt door die Geuzen, een hoger veergeld vragen: in plaats van een Hollandse penning5) mag hij nu een duit nemen. Minos maakt er nog op attent, dat men ook via ‘de kerck van Triphonio’6) in de hel kan komen: sommigen onder die Calvinisten kennen Grieks en zouden zo wel eens passage kunnen nemen over Griekenland, en als dan de wacht er niet was, en zij verstandhouding hielden met lui hierbinnen....
Want het is zeker, dat zy met die practycke in den morgenstont veele steden inghecreghen hebben, als de wacht sorgeloos smorgens off thuys gegaen was off qualijck beset. Dit souden sy hier connen beter te werck stellen, hadden sy enich verstant7) met die droghe Calissen8) van hier binnen, Menippus, Diogenes9), die de hel in soude laten nemen, plonderen, roven ende moorden, opdat sy vet mochten worden, gelyck wel te vermoyen is. Want ick hebbe onderlanghe Swinglium10) veele communicatie sien houden met dese twee Cynicis; oock somwyle met Socrates, die te Athenen om nieuwicheyt der religien, die hy daer inbrenghen wilde, cicutam11) moste drincken.
Bovendien gaan de Calvinisten om met Epicurus, en met Hannibal, den generaal der Carthagers, die driemaal hun eden braken. Vooral
tijdens kermissen en hoge feesten moet men op zijn qui vive zijn. Minos heeft nog onlangs gehoord van een Geuzensoldaat, die zich te bersten gedronken had, dat de Geuzen in de voorleden Kerstnacht van plan waren, 's-Hertogenbosch in te nemen, terwijl de kerken vol mensen waren: die zou men allemaal ombrengen, en
wat in huys noch waer gebleven, daer sol men mede gebruyken crychslieden1) ende besunder Guessen discretie2), dat is furie. Oock seyde hy daerby, dat omtrent de vyff ure smorgens eenen cappiteyn, vreesende de handen der vromer Boschenaren3), niet met syn volck gereyst synde, ende meynende dat voorseecker op die tijdt de stadt inghenomen solde wesen, driemael lustelyck rontsom spronck, segghende dese worden: ‘Hoe grynsen4) sy nu vast die Papistighe honden binnen den Bossche’ .... Als ick desen Calvinist off Gues voorts vraechden, wat Tshertogenbossche voor een stede was, soo antwoorde hy my, dat Bosch een cleyn steytgen (op syn Betekers5)) ende een vuyl nestgen was, gelegen by een groote machtige vermaerde coopstadt, gheheten Huesdinum6), waeruut ick merckte, al hadde hy van Lethe dat water des verghetentheyts ghedroncken, dat hy noch gunst tot den Calvinisten droech ende en dacht hier geen goet te doen.
Ten slotte worden nog verschillende veiligheidsmaatregelen door de hellevoogden besproken, maar Tiresias concludeert:
Siet thoe, ende doet wat ghy wilt; Calvinus met den zijnen sullen u int eynde die helle affnemen ende hauwen tryck alleen voor haer (blz. 88-102).
Een van de twee passages uit het pamflet Vant Swingelsche Calff, door Fredericq in zijn bloemlezing opgenomen, is ook merkwaardig genoeg. De gewoonte om den Calvinist als Kalf voor te stellen, vinden we, hetzij in korte aanduidingen, hetzij in meer uitgewerkte vorm, zeker wel gedurende een eeuw. Troffen we ze reeds aan in Hendrick Pippinck's voorrede voor de bundel van Anna Bijns, we zullen ze nog zien opduiken bij Daniel Bellemans. Het is trouwens niet alleen Zuidnederlandse, maar ook Noordnederlandse usantie7).
Holland is het land waar de kalvers thuishoren blijkens een Antwerps Lofdicht ter eeren van dat edele huys van Oostenryck8) (gemaakt in 1620 na de slag op de Witte Berg bij Praag):
Tot zelfs op spotprenten toe werden de Calvinisten als kalveren voorgesteld, zoals b.v. op de historieprent, die het Antwerpse pamflet
Treur-feest der Calvinisten (gemaakt na de val van Breda in 1625) siert1): kalveren met brandende kaarsen in de voorpoten omringen daar de stad Breda, voorgesteld als een turfschip, met een rouwkleed omhuld.
Is eenmaal zo'n satirieke naam in omloop, dan duurt het in die op allegorieën verzotte tijd niet lang of men gaat het thema uitwerken. Tot slot van dit hoofdstuk volge hier Vladeracken's allegorie.
My heeft dickwils in verwonderinghe ghebrocht die natuer van desen Calff. Want, yerst, als het jonck is, eest soo vruntelijk - ‘Pax erat in vultu, dat is vrede ende vruntelijckheyt was int aensien,’ seyt die Poëet, ooc van een calff; maer dat was beter van natueren -2); soo feestelyck3), soo blyde, dat alle man, die den aert niet wel en kenden, sin in dit Calff hadde. Het spronck, het dansten, het wispelden4); ja, het cost ook Spaens, het speelden Bese los manus5), leckende die vingers van denghenen, diet quamen besien. Het wilden al als een ander; ten was nyemants verdrot6).
Oock degene, die liever schapenvlees aten7) dan calfvlees, ende bescheten calveren niet veel ghehanteert en hebben8), en hebben dit Calff niet alleen gheen onduecht gedaen, maer oock duecht, vrienschap ende behulpelyckheyt, off by avontueren van alsulcken vrintelijcken Calff noch een goede melckoije solde hebben mogen comen.
Maer, eylacij, wat eest ghebuert? Doen dit Calff wat auder begost te worden, dan hevet, buyten meyninge van alle menschen, stierachtich ende varrachtich geworden, ende alle dage eyschelycker ende vreeschelijker horens gecreghen; verandert hebbende terstont, doer tdrijven der predicanten metter consistorien, zijne vrundelycke mijne. Ja, heeft in corten dagen gecregen alsulcken grouwelycke felheyt, dat het omvarre stiet met zijnen uutghewassenen horens den buystel9), den melcktob, die boterstand10), ja, dat meer is, alle die roomteylen; ende heeft, ten lesten, zijn eygen moeder11) uuten stal gejaecht, in alsulcken vreeschelijckheyt, dat die ganssche gebuerte met stocken ende staven, piecken ende knodsen, knoopmessen12) ende houwelen haer mosten teghen dit Calff wapenen. Want, waermen dat niet en dede, daer quampt al in angier13), gelijck men tot Harlem, tot Maestricht ende veele meer plaetse ghesien heeft.
Ten lesten, daer dit Calff wycken moet, off door de hant Godts, diet dickwils eenen schrick gheeft (want het is horenwoest14), ende heeft eenen grooten worm int voerhooft, waerdoor het altoos onrustich is), of met ghewelt, daer bedrijtet hem soo deerlijck int scheyden, dat het een soo vuylen stanck nalaet, dat het wonder waer om seggen, ende datter de locht rontsom mede ghevelst15) ende gheinfecteert wordt. Den stal van Augia, waerinne drie duysent ossen menighe jaren ghestaen hadden, sonder dat hy oyt ghemist off ghereynicht was, en heeft by deesen stanck niet. (blz. 102-104).