Het mag een stoute overgang lijken, zomaar van de literatuur uit de periode van de Pacificatie van Gent tot de val van Gent, Antwerpen en Brussel over te stappen naar het werk van een dichter die in 1587 geboren werd. Toch zal deze sprong begrijpelijk zijn voor wie iets weet van de staatkundige en culturele historie in de jaren tachtig en negentig der 16e en de eerste decade der 17e eeuw. Rond 1600, zegt Rombauts1), waren alle vooraanstaande schrijvers in het Zuiden overleden. ‘Bij den ingang van het Bestand was er bijgevolg geen enkele dichtersfiguur van beteekenis meer, welke de Nederlandsche letteren in het Zuiden luister bijzette.’ Ook Geyl2) heeft een dergelijke stilstand opgemerkt: ‘In Vlaanderen en Brabant lag in de jaren tachtig eerst door de oorlog, toen door de verovering en uitwijking, alle cultuurleven tegen de grond geslagen.’ Toen nu de Roomse kerk er eenmaal door het zwaard van Parma gezegevierd had, was er voor de Roomse bekeerders en andere werkers wel iets anders te doen dan pennevruchten, laat staan literair werk, te leveren. Het is hoogst merkwaardig, zich deze cultuurpauze in het leven van enkele geestelijke werkers te zien aftekenen. Daar had men allereerst den Benedictijn Cornelius Columbanus Vrancx. In 1572 had hij te Gent twee werkjes gepubliceerd: Den Troost der zielen in 't Vaghevier (latere drukken 1577, 1651 en 1664) en Den Troost der Siecken (herdrukken 1577 en 1677)3). Dan horen wij zijn stem nog weerklinken in een paar liederen, opgenomen in de bundel Politieke Balladen (± 1580). Een lange tijd merken we nu niets meer van hem, maar in 1598 begint hij ineens - hij is inmiddels omstreeks zeventig jaar geworden - een twintigtal werkjes binnen dertien jaar tijds, bijna alle in de landstaal, te lanceren: weliswaar later4) compromitterend voor het Katholicisme, maar toen blijkbaar, bij een minder critisch geslacht, toch gewild.
Tegen 1600 zien we nog twee andere, beter geharnaste strijders opkomen: de Jezuïeten Johannes David en Franciscus Costerus. Het eerste anti-ketterse geschrift, mogelijk zelfs de eerste publicatie, van Joh. David, Kettersche Spinnecoppe dateert uit 15961), toen de man 51 jaar oud was; het oudste Nederlandse werkje van den ‘ketterhamer’ Costerus, Bewijs der Ouder Catholicker Leeringhe - hij had toen reeds een aantal werken in het Latijn geschreven - stamt uit het jaar 15952), toen de auteur 63 jaar was. In de eerste jaren der 17e eeuw laten zij dan een ware hagel van geschriften op de ketters neerkletteren. J. David en Jan Coens schreven resp. in 1600 en 1598 hun weerleggingen op Marnix' Biencorf, terwijl dat twintig jaar vroeger reeds door den Amsterdammer Donckanus gedaan was. Alles bewijzen van de nu onder Aartshertog Albertus met kracht inzettende Contra-Reformatie. Al deze polemiserende theologen voeren ons langzamerhand naar de tweede top - de eerste was ± 1580 - van persiflerende bestrijding der Calvinisten in de literatuur, die is waar te nemen omstreeks 1620, en waarvan Richard Verstegen de grote man is. Voor we dezen aartspolemist gaan behandelen, even nog iets over een meer locale grootheid, die in dezelfde tijd leefde en werkte.
Claude de Clerck (1587-1645), bierkruier en befaamd rederijker te Ieperen3), van wien een verzameling meest nooit gedrukte gedichten door C.P. Serrure zijn uitgegeven voor de Maetschappij der Vlaemsche Bibliophilen (3e Serie no. 13, 1869), had het vooral op de psalmen begrepen. Bepaald ‘beschaafde taal’, zoals Te Winkel hem toeschrijft4), bezigt hij niet tegen ‘Calvynus snoo ghebroedt’. ‘Ziet ghy niet,’ zegt hij tot het ‘Satans aes’ van Holland, Zeeland en Friesland in een gedicht ter ere van de inneming van Breda door Spinola:
Gehoond als 't Guesen ghejanck werden de psalmen in een aldus betitelde samenspraak, waarin de Hollanders zich beklagen over de verovering van Schenkenschans door de Spanjaarden (1635)2). Nadat ze de omvang van dit inderdaad zware verlies breed hebben uitgemeten, zegt er een, Kees genaamd:
waarop Egbert toestemt:
Even later ‘kommen al droevig synghende’ Egbert, Kees en de vissersvrouw Langhe Lyse op. De Parodie op Psalm 130 die ze dan zingen, bevat verschillende caricaturiserende trekjes:
Misschien vraagt iemand zich bij het lezen van deze parodie wel af, hoe men in 1635 te Ieperen nog zoveel wist van Calvinistisch psalmgezang. Een merkwaardig Lied van denzelfden Claude de Clerck onthult ons het feit dat er ook toen nog geheime predikaties werden gehouden:
Hiermee wordt wel een treffend staaltje gegeven van het feit, dat Blommaert8) geconstateerd heeft: nadat Parma Zuid-Nederland bedwongen had, bleef de geest der hervorming nog in ontelbare huisgezinnen des lands voortleven. Tot op het einde der 17e eeuw was het bestuur werkzaam, deze uit te roeien; niet meer door brandstapels, maar door onderwijs, preken en geschriften. Uit andere bronnen weten we
dat de diocees van Ieperen zijn speciale moeilijkheden opleverde, door de nabijheid van Frankrijk n.l.1). Wel constateerde de pauselijke nuntius Bentivoglio in 1609, dat er maar weinig protestanten in die diocees waren, maar we weten niet altijd of de bronnen, waaruit zo'n nuntius putte, wel betrouwbaar waren2). In 1627 klaagde de promotor iustitiae (het Openbaar Ministerie) van het bisdom Ieperen er nog over dat de ketterij voortwoekerde langs de kust en in de kuststeden. Overdreven misschien, maar een kern van waarheid moet daarin geschuild hebben3).
Naast zijn ridiculisering van het Calvinistisch psalmgezang, heeft de Clerck mogelijk ook een bijdrage geleverd tot de zo geliefde kalver-allegorie. In 1619 dichtte hij een Nieu Liet van 't Kalf, dat kàn worden opgevat als een satire op de Dordtse Synode, waar ze Calvijn ‘eten’, maar ook een humoristische beschrijving van een armelui's bruiloft zou kunnen zijn. De inhoud is als volgt: in de Ieperse contreien zag de dichter onlangs een kalf lopen; tegen de prijs van 3½ pond werd het aangekocht voor een bruiloftsmaal. Het werd terstond geslacht en de slager kreeg de huid voor zijn moeite. Daarna werd het kalf ‘heel lanck en smal’ gebraden en - wat het vreemde van het geval was - de bruiloftsgasten konden niets anders te eten krijgen dan kalfsvlees met brood. Eerst werden de klauwtjes(!) opgediend, daarna de pens.
De schenkels van het jonge Kalf waren heerlijk!
Zo spijzigde het ‘al de bende’. Ten slotte bleef er nog wat over ook, een goed vierdepart, dat voor 8 stuivers, ‘korte meer noch mite’6), verkocht werd. Als de lezer zich nu nog eens vermaken wil, moet hij dit kalf maar weer laten blaten: