terug  begin  verderprepost
[p. 155]

Hoofdstuk VII.
Richard Verstegen.

§ 1. Inleiding. Zijn levenswerk.

Moeilijk konden de Engelse Jezuïeten van het einde der 17e eeuw meer blijk geven van hun geschiktheid om het Calvinisme te bestrijden dan toen ze aan hun landgenoot Richard Verstegen toestemming verleenden, verboden ketterse boeken te lezen. Een dergelijke toelating werd n.l. op 31 Januari 1590 door den Jezuïetenpater Henry Walpole, die te Brussel tijdelijk de belangen van de Engelse emigranten behartigde, gevraagd aan den Jezuïet Creswell, rector van het Engelse college te Rome: ‘I pray you, do for him. I cannot tell to what secular man of our nation it may more to Gods honour be imparted.’

Op 11 October 1590 herhaalde hij het verzoek: ‘I doubt not it would be to gods glory.’ En Verstegen kreeg de toelating1). Op 30 April 1593 verzekert hij immers, niet zonder een zweem van arrogantie: als ik niet zo gekweld werd door geldzorgen, ‘me thincks I could oute of sundry our late english hereticall books .... drawe forth very espetiall matter to move any indifferent protestant to become doubtfull of the truthe in either the puritaine or protestant religion.’ Die gelegenheid, om de Calvinisten met wapens uit hun eigen tuighuis te bestrijden, zou niet op zich laten wachten. Alleen, door onvoorziene omstandigheden zouden niet de Engelse Calvinisten het voornaamste doelwit worden voor deze lekenaanval, maar de Hollandse. Vandaar dat Verstegen een plaats opeist in dit werk; een ruime plaats tevens, want deze polemist kwam beter toegerust ten strijde dan de meeste andere leken.

Sedert enkele jaren beschikken we in het doorwrochte werk van Dr. Edward Rombauts Richard Verstegen, een polemist der Contra-Reformatie (Brussel, 1933), aan wien we ook bovenstaande gegevens ontleenden (blz. 66-67, 71), over een uitnemende biografie van dezen schrijver. Alles wat vroeger door Engelsen of Nederlanders over hem gepubliceerd is, is in Rombauts' boek verwerkt of, zo nodig, herzien en uitgebreid met veel materiaal, aan eigen nasporing te danken. Voordien had men, inzonderheid in Noord-Nederland, slechts vage noties over dezen auteur. Het is voor een goed begrip van Verstegen's satirisch werk nodig, hier in kort bestek zijn levensloop, en zijn werkzaamheid,

[p. 156]

vóór hij compareert in de Nederlandse letterkunde, te beschrijven. Ik steun hierbij op het feitenmateriaal dat Rombauts biedt: in de interpretatie daarvan wijk ik soms van hem af.

 

Richard Verstegen werd geboren omstreeks 1550 in Londen. Veel is er te doen geweest over zijn adellijke afkomst. Zijn vrienden noemden hem wel ‘vir nobilis’. Zelf schijnt hij in een onbekend gebleven pamflet zijn adeldom verdedigd te hebben1). Later wordt hij blijkbaar voorzichtiger en spreekt hij over zijn voorgeslacht als zijnde een oude en eerbiedwaardige, niet een adellijke familie. In zijn archaeologisch hoofdwerk, A Restitution of Decayed Intelligence (Antwerp, 1605), lezen we n.l. het volgende: ‘For albeit my grandfather Theodore Rowland Verstegan was borne in the duchie of Geldres (and there descended of an ancient and woorshipful familie) whence by reason of the warres and losse of his freindes hee (being a yong man) came into England about the end of the raign of king Henry the seventh, and there maried, and soone after dyed; leaving my father at his death but nyne monethes old, which gave cause of making his fortune meaner then els it might have bin.’ (Citaat uit het ex. in de Amst. Univ. Bibl.). Even voorzichtig drukt hij zich achter in hetzelfde boek uit, wanneer hij onder de afbeelding van een paar wapenschilden2) schrijft: Insignia vetustae (ik cursiveer) familiae Versteganorum, ex Geldria, olim Sicambria oriundae. Met zovele andere3) adellijke aanspraken mogen we ook deze wel naar het rijk der legenden verwijzen.

Verstegen is dus gesproten uit een aanzienlijke Gelderse (oorspronkelijk Rijnlandse) familie. Zijn grootvader verliet tegen 1509 zijn land: dus in de tijd dat hertog Karel van Egmond grote successen behaalde in zijn strijd tegen de Bourgondiërs (1508: Inneming van het kasteel Poederoyen en Vrede van Kamerijk4)). Mogelijk is hij een aanhanger geweest van de Bourgondische partij en moest hij, toen die de nederlaag leed, vluchten. Zou grootvader Verstegen dezelfde onnationale politieke theorieën en pro-Habsburgse sympathieën gekoesterd hebben als, mutatis mutandis, zijn kleinzoon5)?

[p. 157]

Zijn vader was kuiper ‘at S. Katherine in London’1). In 1565 werd Richard als student te Oxford ingeschreven onder de naam Richard Rowlands, ‘servant to Mr. Barnard’: blijkbaar was hij onbemiddeld. Hij studeerde Engelse Geschiedenis, Angelsaksisch en Gotisch. Als overtuigd Rooms-Katholiek moest hij, zonder examen te mogen doen, de universiteit verlaten. In 1576 vertaalt hij een soort reisgids uit het Duits, in 1577 vinden we hem twee dagen ‘ffor religion’ inde gevangenis. Omstreeks 1580, een jaar van zeer scherpe decreten tegen de Roomsgezinden, moest hij ‘cum uxore’ uitwijken. ‘One Verstigan, who broke out of England, being apprehended’ noemt een tijdgenoot hem. Hij vestigt zich in Parijs, waar hij met een anderen Engelsman in 1583 gevat wordt op last van den Engelsen gezant bij een overval op een drukkerij, waar Verstegen een pamflet liet drukken tegen de Katholiekenvervolging van Elizabeth. De gezant wil deze ‘vainglorious persons’, deze ‘fasteux’ streng laten straffen. De koning, de koningin-moeder en de pauselijke nuntius komen er aan te pas. Einde Januari 1584 wordt hij op vrije voeten gesteld, en, voordat er gevolg kan worden gegeven aan een tweede arrestatiebevel, ontsnapt hij door tussenkomst van den nuntius. In Rome gearriveerd, klopt hij om steun aan bij den kardinaal-staatssecretaris, maar treedt daar blijkbaar nogal brutaal op. Op geïrriteerde toon schrijft deze n.l. aan den nuntius: ‘Venne qua il Verstegen Inglese stampatore ec..... et subito è entrato a pretender provisione, et trattenimento come se S.B.ne fosse tenuta di nutrir tutti li Inglese che stanno fuori d'Inghilterra2).’ In het voorbijgaan merken we op dat blijkens dit schrijven zijn voornaamste werkzaamheid te Parijs dus blijkbaar die van drukker was geweest.

Het pamflet waarvan de uitgave te Parijs verijdeld was, verscheen nu in 1584 te Rome onder de titel: Descriptiones quaedam illius inhumanae et multiplicis persecutionis quam in Anglia propter fidem sustinent Catholici Christiani. Het bevat vijf gravures, afbeeldend de vervolging der Engelse Katholieken met uitleg en Latijnse verzen. Reeds hier klinkt het thema van dit ganse leven luid uit in een hoogdravende oproep tot alle Roomse en Lutherse (sic!) volkeren tegen het Calvinistische gevaar:

 
O populi quicunque Europae regna tenetis,
 
Hispani, Germani, Itali, Gallique, Polonique,
 
Et Suevi et Dani, vestris latissime3) ab oris
 
Hanc Calvinismi sceleratam avertite pestem4).

Dergelijke (of dezelfde?) prenten als Verstegen zijn lezers bood, lieten de Guises als propagandamiddel tegen Hendrik van Navarre, in het godsdienstige immers een geestverwant van Elizabeth, openlijk te Parijs tentoonstellen, om de bevolking een afkeer in te boezemen tegen het vervolgzieke Protestantisme. In 1585 werden gelijksoortige taferelen op een groot schilderij te Parijs geëxposeerd.

[p. 158]

Over de jaren 1585 en 1586 weet Verstegen's biograaf niets mede te delen1). Was hij toen nog te Rome of reeds in Antwerpen? Slechts één levensteken hebben we van hem uit die tijd: twee interessante gravures, getekend R.V. 1585, onder de opschriften: Typus Ecclesiae Catholicae et signa quibus ea cognoscitur, en Typus Hereticae Synagogae et eius proprietates2). Elk bestaat uit vijf voorstellingen. Centrum van de eerste is de Roomse kerk, uitgebeeld als een schone vrouw in een vorstelijke zetel, met de sleutels van St. Pieter en een boek in de handen, dragend de tiara en bestraald door de H. Geest; in het midden van de andere zien we de Ketterij, een vrouw met wild hoofdhaar, naakt bovenlijf, verslenste borsten, in de ene hand een momaanzicht, in de andere vlammen vuurs, zittend voor een spelonk. De vier bijvoorstellingen van de eerste beelden de ‘kenmerken’ der Kerk uit: haar antiquitas (de H. Communie, eerbiedig door knielende vromen ontvangen), haar successio (een rij bisschoppen), haar universalitas (een predikdienst in de kerk met een schare aandachtige toehoorders), haar concordia (een kerkvergadering). Daartegenover staan de ‘eigenschappen’ der ketterij: haar novitas (een jolig Avondmaal, genoten door werelds geklede lieden), haar intrusio (wolven die een kudde schapen overvallen binnen de ommuring der kerk), haar particularitas (een eenzame uil in een boomtronk met op de achtergrond een schuurkerkje) en haar discordia (een bijeenkomst waar dominees schermen met bijbels en zwaarden).

't Is 1587, voor we weer iets van hem horen. In dat jaar werd Maria Stuart terechtgesteld, en dit was voor den hartstochtelijken emigrant een gerede aanleiding om een dergelijk, maar veel uitvoeriger, werk in het licht te geven: het beruchte Theatrum Crudelitatum Haereticorum nostri temporis, te Antwerpen, waar hij toen reeds gevestigd was3).

In zijn voorrede tot de Roomse vorsten en volkeren blijkt de bedoeling van den auteur: een geïllustreerd R.K. martelaarsboek te geven om de snoodheid van Calvijn en Beza, Hendrik VIII en Elizabeth, de Hugenoten en Oranje, voor immer te brandmerken. Alle lasterpraatjes gelooft hij: ‘Et maintenant qu'il faut qu'elle (n.l. de kerk) soit reformee par ceux qui êtans rempliz d'une infinité d'oultrages et sales pechez, l'ont iniquement quitté et delaissê (comme Calvin et Bese, hommes abondants en iniquitez et vices abominables, lesquelles ont faict imprimer au doz de l'un par feu la fleur de lis, et à la vie de l'autre la note d'infamie4)) pour faire une tant triste division soubs le nom de pieté et reformation5).’

[p. 159]

Van den Geuzenleider Oranje heet het: ‘homme cruel et de coeur double, qui à l'imitation de la vipere, à recompensé le benefice par cruauté. Il a soubs umbre de liberté, ou plutost servitude pleine de fraude et tromperie, introduit au pays les François et apres les Anglois, pour tout renverser et gaster.’ Hebben de Protestanten ook geen martelaars? Duizendmaal neen! Hij hoopt dat de ketters zich bekeren op de aanblik van de door hen bedreven wreedheden: ‘ne nous representans plus leurs martyrs, qui ne furent iamais condamnez pour la religion, mais pour cause d'impieté; non pour innocence, mais pour crime; non pour saine doctrine, mais pour erreur; non par constance, mais par obstinacité; et ce par les loix anciennement ordonnees par les Empereurs. C'est une sentence vulgaire, que la peine ne fait pas le martyre, mais la cause1). Or ne peut il advenir à l'Eglise chose plus dolente et contre son gré, que quand toutes autres medecines étant reiettees par les hereticques, elle est forcee par effusion de sang remedier aux pestes pernicieuses et dommageables à l'Eglise Chrétienne2).’

De Lutherse en Anabaptistische richting is in zijn ogen maar kinderspel vergeleken bij de Calvinistische. Door de actie van Calvijn trilt de wereld op haar grondvesten! ‘Entre toutes lesquelles la plus hideuse et detestable secte de Calvin a precipité une infinité des ames des Chrétiens aux enfers, et million des corps cruellement occis, et a introduit la perturbation de plusieurs Royaumes de la Chrétienté, et machiné quasi l'entiere ruine de cest univers.’

Om dat te bewijzen volgen vier series gravures, volgens de kenners gemaakt door Joan Wiericx3), met wrede, vaak obscene, martelscènes. De eerste serie, bestaande uit vier gravures, beeldt af de wreedheden der Schismatieken onder Hendrik VIII. De tweede reeks (twaalf gravures) geeft weer de door de Hugenoten in Frankrijk bedreven gruwelen. De volgende serie schetst de barbaarsheden en de wandaden van de Calvinistische Geuzen onder leiding van Oranje: in hoofdzaak zijn dit de sadistische gruweldaden die bedreven werden door de woeste soldateska van Lumey4) en Sonoy in de eerste opstandsjaren. Plaat I betreft de Gorcumse martelaren (1572), II de martelaren van Roermond (1572)5),

[p. 160]

III geestelijken uit Oudenaaerden1) e.a. plaatsen in Vlaanderen, IV Cornelius Musius van Delft, een der martelaren van Alkmaar en twee priesters uit Gouda (1572-'73), V de slachtoffers van Sonoy's Bloedraad in Noord-Holland (1575)2) benevens een paar Roomse vrouwen uit Haarlem (1573). - De vierde serie bevat acht gravures over de martelaars onder de regering van Elizabeth met als slot de terechtstelling van Maria Stuart.

Beoordelaars als Ruelens en Rombauts erkennen de eenzijdigheid en de onjuiste vorm van Verstegen's pamflet. Toch prijst Ruelens het als ‘un sanglant manifeste lancé contre les Réformateurs, un miroir terrible où l'on fait voir aux peuples les maux que l'hérésie traîne à sa suite3).’ Lees in de laatste zin in plaats van het woord ‘ketterij’: elke toenmalige oorlog, en de opmerking is juist. Ook - zegt hij - mogen we niet de maatstaf van onze tijd aanleggen: gematigdheid kon toen misschien uitgelegd worden als ‘pusillanimité’ en het werkje getuigt in elk geval van moed4). Rombauts spreekt ook in vergoelijkende en verzachtende termen: ‘Alhoewel Verstegen zelf zijn afkeer voor de hervormden en zijn sympathieën voor de Ligue en hare aanvoerders niet verduikt .... is hij toch veel bezadigder in zijn bewoordingen en heeft zijn oordeel een grootere objectieve waarde’ (dan dat van den Fransen koopman die de tweede Franse vertaling bezorgde)5). De apologie die in deze beschouwingen ligt opgesloten is niet te aanvaarden. Ten volle beamen we wat Fruin zegt: ‘Wij betreuren en eeren de weinige katholieke martelaars niet minder dan de talrijke slachtoffers der inquisitie’6), maar dat neemt niet weg dat de tendentieuze en immorele inkleding het werkje stempelen tot navrante gruwelliteratuur. Zoals we gezien hebben sluit het zich aan bij de typisch barokke martelaarsscènes, zoals Verstegen die tijdens zijn verblijf te Rome op de gruwelijke fresco's van Pomarancio in het Engelse Jezuïetencollege te aanschouwen had gekregen7). Groot was de indruk die het sensationele boekje gemaakt heeft. Het grote aantal drukken getuigt er van. In een Ned. pamflet uit het jaar 1589 (Cat. Muller-Tiele, 353), dat de oorzaken bespreekt waarom een Engelse expeditie Spaanse schepen genomen had in de mond van de Taag (30 Juni 1589) vinden we nog de weergalm van het beruchte boekje. We lezen er: de Jezuïeten en hun trawanten willen beweren dat de ter dood gebrachte hoogverraders waren martelaars om het geloof: ‘daertoe sy niet alleen uutgheven beruchtige boecxkens, maer oock schilderijen, die vertoonende zijn ick en weet niet hoedanighe vreemde monstren te kennen gevende eenighe barbarische wreedtheydt aenghedaen, als sy hunselven valschelick versieren ende roepen, den voorsz. Jesuiten ende seminairen, dat is die schuldighe van

[p. 161]

crijm van lese-majesteyt1).’ Verschillende Roomse historiographen uit die dagen hebben er bovendien uit geput2).

In 1588 kreeg Verstegen door bemiddeling van Parma een Spaans pensioen van dertig kronen per maand, dat echter lang niet altijd op tijd werd uitbetaald. In 1590 wordt hij vermeld als Antwerps agent van den Engelsen kardinaal Allen; hij was toen tussenpersoon voor de geheime briefwisseling tussen de Roomsen in Engeland en de Engelse emigranten. Vooral voor de jaren 1592 tot 1595 zijn we bijzonder goed over hem ingelicht. Hoe hoog Verstegen in de gunst stond blijkt wel uit het feit dat hij een tijdlang, toen de schatkist weer was uitgeput, op bevel van Philips II persoonlijk zijn steungeld kreeg uitgekeerd uit de geheime legerfondsen. Geen wonder trouwens: feitelijk was hij de leider van de Spaanse spionnagedienst in Engeland. Hij ontving, copieerde of resumeerde de brieven en de rapporten van de missionarissen in Engeland, zorgde voor hun veilige overtocht, verschafte hun valse paspoorten.

In 1592 schreef hij een heftig anoniem pamflet tegen den Engelsen staatsman Burghley, wat zoveel opspraak verwekte, dat niemand minder dan Francis Bacon een uitgebreid verweerschrift opstelde en uitgaf. Ook mengt hij zich in die jaren als politiek agitator in de Engelse erfopvolgingsstrijd. Er was n.l. onder de Roomsen een ‘Schotse’ partij die Jacobus VI van Schotland na Elizabeth's dood op de troon wilde zien, en een ‘Spaanse’ partij voor welke Isabella de uitverkoren vorstin was. Hij verdedigt de denkbeelden van de laatstgenoemde groep in een geruchtmakend geschrift: A Conference about the next succession to the Crowne of England (1594), uitgegeven onder het pseudoniem R. Doleman. Verstegen was niet de enige auteur: hij maakte slechts het ontwerp. De schrijvers werden al spoedig door de Schotsgezinde ballingen ontmaskerd, die er zo verontwaardigd over waren dat ze de Engelse regering van dit ‘intolerable piece of Jesuitical intrigue and Spanich statecraft’ in kennis stelden. Zij wilden slechts den wettigen erfgenaam als troonopvolger erkennen, ook al was hij Protestant, Verstegen c.s. redeneerden in de geest der monarchomachen: het volk, het gemenebest mag om bepaalde redenen (b.v. ‘religion’) een vorst als onbekwaam tot de regering beschouwen3).

Een felle strijd brak nu uit tussen de Spaansgezinde partij der ‘Jezuïeten’ en de Schotsgezinde der ‘edelen’. Verstegen verdedigde zelfs zo vurig de Jezuïeten in een ons onbekend, waarschijnlijk niet gedrukt, pamflet dat hij door de tegenpartij voor het gerecht gedaagd

[p. 162]

werd. Het proces werd echter stopgezet. In 1602 schreef hij nogmaals een ons onbekend geschrift, waarin hij zo heftig te keer ging tegen een wereldlijken priester dat een zekere Anthony Copley hem in een pamflet, getiteld Another Letter of Mr. A.C. to his Disjesuited Kinseman (1602) beschuldigde van ‘Percussio Cleri in the highest degree’1). Hoe durft iemand, zo roept hij uit, zo'n salvo van invectieven af te schieten op een gezalfde des Heren! ‘Oh infinite corruption in holy Church when such spirits are suffered, nay nurtured therein; when a religious Societie, and that of Jesus can beget such brats’: koningen vermoorden ze, priesters smaden ze2).

Is deze felle veroordeling van drijverijen, waarop hij blijkbaar niet geantwoord heeft, het einde geweest van zijn politieke agitatie? De twisten en complotten onder de emigranten duurden voort, maar zijn naam wordt er niet meer in genoemd. De Spaanse spionnagedienst was intussen bij gebrek aan geld te gronde gegaan. Nog tot 1601 schijnt hij zijn rol als bemiddelingsagent gespeeld te hebben: in datzelfde jaar horen we echter ook al van een ander die deze functie uitoefent.

Onderwijl was hij ook begonnen, stichtelijke werkjes uit te geven, o.a. in 1599 The Primer or Office of The Blessed Virgin Marie in Latin and English, en in 1601 Odes in imitation of the Seaven Penitential Psalmes, with sundry other Poems and ditties tending to devotion and pietie. Zelfs hierin kon hij Calvijn niet met rust laten. In een ‘Complaint of Church Controversy’ lezen we:

 
Must now an upstart Martin or a John
 
In question call the firme fidelitie,
 
Of her whose pallas on a rock of stone,
 
Presents the picture of her chastitie?
 
Who was of heav'n, and earth long heiled in grace,
 
Ere ought was heard of this new-risen race3).

In diezelfde jaren had hij zijn archaeologische studie weer opgevat. Als resultaat daarvan verscheen in 1605 te Antwerpen: A Restitution of Decayed Intelligence: in antiquities, Concerning the most noble and renowned English nation. By the studie and travaile of R.V. Van dit zijn wetenschappelijk hoofdwerk verschenen van 1605 tot 1673 zes drukken: ongeveer 50 jaar lang was het 't voornaamste werk op het gebied van de Engelse oudheidkunde.

Later gaf hij nog een archaeologisch werkje uit: Nederlantsche Antiquiteyten, T' Hantwerpen, 16134), doch dit is slechts een uittreksel uit het Engelse standaardwerk met enige bijvoegingen betreffende Nederland,

[p. 163]

o.a. de bekering van een deel der Nederlanden door Willebrord. In het zesde hoofdstuk betoogt hij ondermeer dat het geloof, dat hier 900 jaar geleden door Willebrord geplant is, geen reformatie nodig heeft. Het Protestantse Holland wordt in dit wetenschappelijke werkje als volgt getypeerd: ‘Hier sietmen dagelijckx de schaepen teghens de schaepherders met schriftueren stryden, de vrouwen teghens haere mans met schriftuere kyven, den knecht tegens synen meester met schrifture argueren, ende de reysende liedens te waegen oft te water malcanderen met schriftuere altemets om de ooren slaen’ (blz. 101).

Met dit werkje zijn we reeds terecht gekomen in Verstegen's Nederlandse periode. In Oct. 1610 was de toen ongeveer zestigjarige hertrouwd met een Antwerpse dame, Catharina de Sauchy1). Na dit huwelijk gaat hij zich blijkbaar geheel inleven in de Nederlandse volksgemeenschap. Hij moet wel over een bijzondere vitaliteit beschikt hebben; anders is het niet te verklaren dat hij omtrent zijn zestigste levensjaar nog een nieuw leven begon en sedertdien tot aan zijn negentigste jaar tenminste zeventien Nederlandse geschriften kon publiceren2): een feit zó frappant dat vroegere Engelse biografen het bestaan van twee Verstegen's aannamen, een Engelsen en een Nederlandsen3). Het merendeel van deze werkjes bevat anti-Calvinistische satire en wordt in de volgende paragrafen besproken. Twee er van evenwel dragen een historisch en politiek karakter en dienen derhalve in deze oriënterende inleiding afzonderlijk vermeld te worden.

Allereerst De Spiegel der Nederlandsche Elenden, getoont Door een Liefhebber der Waerheyt ende der Nederlanden welvaert, Tot Mechelen, By Hendrick Iaye, 1621. Dit werkje is een beknopte Geschiedenis van het tijdvak 1559 tot 1621, bekeken door een Zuidnederlandse Spaansgekleurde bril. Voor een uitvoerig résumé van de inhoud kan men terecht in het werk van Rombauts4). Enkele details evenwel mogen in verband met het onderwerp dat ons bezighoudt, terloops vermeld worden.

Zijn hele geschiedbeschouwing is ten sterkste beïnvloed door zijn godsdienstige opvattingen. ‘Hij laat geen gelegenheid voorbijgaan om aan z'n dubbelen afkeer op godsdienstig en politiek gebied tegenover de gereformeerde heerschende klasse uiting te geven. In de jonge en krachtige Hollandsche republiek ziet hij den ouden vijand, het Calvinisme, dat hij immer op zijn weg heeft aangetroffen en dat hij niet nalaten zal te bestrijden, zoolang zijn krachten hem niet ontzinken’ (Rombauts, blz. 282). Dat blijkt reeds terstond uit de geo- en sociographische beschrijving van Holland, waarmee het boekje opent.

Dit land, oorspronkelijk zee, is niet door God bestemd voor menselijke bewoning. 't Weinigje grond dat er in dat vlakke land nog is, moeten de Hollanders verbranden wegens gebrek aan hout en kolen. Gras is er de enige rijkdom, getuige boter en kaas. Er zijn zeven ketterse religiën. Bijna elke schoenlapper is daar een ‘Duytschen Doctor in der Godtheyt.’ Zonder de naam van inquisitie te gebruiken, stellen zij een inquisitie in

[p. 164]

het werk om twee religies te verdrukken, te weten de oudste (de Roomse) en de nieuwste (de Arminiaanse). Enz.

Na in hoofdstuk II-IV de politieke verhouding van Holland, Engeland en Frankrijk te hebben onderzocht, betoogt hij in het 5e hoofdstuk, dat er geen reden is voor Engeland om de Hollanders te steunen. Er is immers maar weinig overeenstemming tussen de religies van die beide landen. De Gomaristen komen wel met de Engelse kerk overeen in zake het leerstuk der praedestinatie, maar er is 1o. verschil in kerkregering (zij erkennen geen koning als hoofd der kerk en willen niet van bisschoppen weten), 2o. verschil in ritus. Het rituele onderscheid is tweeërlei. Ten eerste willen de Gomaristen het H. Avondmaal niet knielend ontvangen. ‘Ick gheloove sy souden hen daer toe thoonen met knien alsoo styf als de knien van Oliphanten, liever dan sy die souden booghen om het Nachtmael knielende te ontfanghen.’ Deze broeders zouden liever hun leven lang zonder nachtmalen zijn dan dat ze éénmaal knielden voor een nachtmaalstafel1). - Ten tweede: bij de H. Doop maken ze niet het teken des kruises, want dat houden zij voor ‘het merck vande beest, meynende den Paus. Maer door soo te spreken, mach de werelt bemercken wat sy voor beesten syn’ (blz. 92).

Het is dan ook onbegrijpelijk dat het op de Synode van Dordt niet gekraakt heeft. ‘Tis om te lachen hoe die Rabbinen die wt Enghelandt quaemen om met de Calviniste Gomaristen te sitten in de Synode van Dort over de Arminianen die sot soo heel stillekens inde mouwe costen houwen, sonder eenige mentie van eenige differenten tusschen hun beyde te maecken’ (blz. 94).

Wel zijn er in Engeland een zeker soort van ‘ghereformeerde quanten’, die men Puriteinen noemt, en die ongeveer met de Gomaristen overeenstemmen. Net zulk goed: ‘Van hunne arguatien, disputatien, crackeelen, kyvagien ende schandaleuse pasquillen d'een teghen d'ander, daer van is ghenoech te vinden in de winckels van de Boeckvercoopers te Londen’ (blz. 97). Ze erkennen z.g. de autoriteit des konings in kerkelijke zaken, maar dat doen ze slechts om huns levens wil. Veel liever zouden ze Jacobus I kwijt zijn, den Paltsgraaf als koning huldigen en dan genieten van ‘eene consistorie regieringh vanden eersamen Kerckenraet, daer de grootste bottericken soo veel in spreecken moghen als de verstandichste mannen’ (blz. 101). Meteen goed voor verscheidene Nassause familieleden van den Paltsgraaf: die zouden dan een goede positie in Engeland kunnen verkrijgen, b.v. door het confisqueren van kerkelijke goederen2)!

In het 7e of laatste hoofdstuk bespreekt hij o.a. de pretentie der Hollanders dat ze een Gereformeerde religie hebben. Uitvoeriger weidt hij daarover uit in het tweede historische werkje dat we nu nader zullen beschouwen.

De volledige titel van dit geschriftje luidt: Oorloge Ghevochten met die wapenen van die waerheydt, en van die Reden, in twee bataillien. Teghen Twee valsche pretentien van de rebellighe Hollanders. Te weten: 1. Dat

[p. 165]

sy zijn getrouwe Patriotten, oft liefhebbers van hun Vader-landt. 2. Ende dat sy hebben een ghereformeerde Religie, uitgegeven te Antwerpen, 16281). Het eerste gedeelte is een politiek tractaat, vooral gericht tegen Willem van Oranje, in wien de geuzen als in een afgod geloven, en die in waarheid is geweest de oorzaak van al de ellende die over Nederland gekomen is. Waarom sloot de Prins zich eigenlijk bij de Calvinisten aan? Uit politieke overwegingen natuurlijk. De Calvinisten ‘hem toonden te wesen van een andere oproerighe furie dan de Lutherianen, daer hy hem soo wel mede niet en bevondt, door dien dat sy liever een ghelas wijns in die handt hadden dan een bloot gheweyr; ende hy bevondt dat die Doopers liever sochten heymelijck ende stillekens te schuylen, dan hen bloot ende in 't openbaer te gheven, met die wapenen inde hant’ (blz. 22).

Het is in dit tractaatje dat hij ‘als in passant oft als tot wat recreatie vanden leser, vanden lustighen lof-sanck’ spreekt ‘welcken eenen woorden-dienaer2) van hem ghedicht heeft, ter wijlen hy noch leefde, ende die broeders met alsoo groote devotie noch singen in hun herberghen, als sy eenige van hun Datheensche dichtekens (die sy de Psalmen Davids noemen) in hun kercken doen.’ Met hautaine minachting spreekt Verstegen, met zich zelf ingenomen als beoefenaar van nieuwmodische poëzie, over ‘desen tammen dichter (die niet en weet wat scherpsinnighe concepten3) te segghen zijn)’ (blz. 164)).

De Tweede Battaillie, een gewoon theologisch tractaatje overigens, is daarom zo belangrijk, omdat het met veel ophef het program van de Contra-Reformatie onthult. Hij wil n.l. inzonderheid de Calvinisten of Geuzen te lijf gaan ‘om dat de Calvinisten willen soo veel snaps5) hebben, en soo veel den meester maken, als oft sy meer respect meriteerden dan die andere...., tot meerder confusie dan van de geusche hartneckicheydt, ende op hope dat eenighe van de ghene, die door hunne valsche Leeraers verleydt zijn, souden daer door moghen tot den rechten wech der waerheyt geinstrueert worden’ (blz. 61).

Gelukkig echter, is er al een kentering ingetreden. ‘Sy meynen dat het hen-lieden ghenoech is, dat sy een deel arme Idioten konnen paeyen met protestatie te maken van6) het predicken van Godts woordt, daer sy by een van Godts woorden hanghen wel hondert van hun eyghen woorden, ende latent al voor Godts woordt door-loopen: maer Godt zy gheloeft, dat de werelt soo wijs gheworden is, datmen dese Calvinische quac-salvers nu beter na die vingeren siet, danmen hier voormaels pleegh te doen7), doen die nieuws-giericheydt ende die liberteyt het onachtsaem ghepuffel8) hen dede met menichte na-loopen’ (blz. 95).

[p. 166]

Hij meent, de opgang van het Calvinisme psychologisch te kunnen verklaren uit de zucht nieuwerwets te willen wezen. Hij vindt echter (wel wat voorbarig!) het Calvinisme maar een ephemere verschijning: overal keren de mensen al weer tot het oude geloof terug. De Gereformeerde predikanten ‘en waren in voorgaende tijden in rerum naturae (sic!) niet, maer nu eerst omtrent onsen tijdt uyt-ghekipt1) door de hitte van de sonde der werelt, om de werelt quellagie aen te doen. Nochtans Godt sy gheloeft, al en hebben sy maer eenen korten tijt in het wesen gheweest, sy beghinnen alreedts over al seer uyt request te wasschen2). Men moet weten dat altoos als daer eenighe nieuwicheydt op-kompt, die eenighen schijn heeft om iet te willen wesen, veel lichtsinnighe ende onberaden menschen daer na loopen, maer als de nieuwigheydt beghint wat over te gaen, ende dat menschen van meerder consideratie3) die te deghe insien, soo wordt het subtijl bedroch datter onder schuylende is, altoos ontdeckt. Hier door is 'tghekomen dat veel persoonen, zoo wel van groote qualiteit als anders, soo in Vranckryck, Enghelandt, Duytslandt, ende andere plaetsen, deze Kalfsteerterije gheabandonneert hebben’ (blz. 102-103).

Hoe zelfbewust is Verstegen als strijder van de Contra-Reformatie, hoe zeker is hij van de overwinning, met hoeveel vertoon wijst hij op de buitenlandse successen! Wij mogen hem gerust beschouwen als den meest karakteristieken vertegenwoordiger van het lekenapostolaat ten tijde van de Contra-Reformatie in de Nederlanden.

Ondertussen was het dezen roerigen propagandist in deze jaren wel naar den vleze gegaan. In 1629 blijkt hij met zijn vrouw eigenaar te wezen van drie huizen op de Meir, dus in het toenmaals meest aristocratische deel van de stad4). Een Engels pamflet van 1630 gaf hem dan ook na dat hij die rijkdom aan zijn tweede vrouw te danken had. Op 26 Februari 1640 maakt hij zijn testament: daarin wordt zijn vrouw verklaard tot universeel erfgenaam. Nog in datzelfde jaar overleed hij, ongeveer 90 jaar oud.

Een veelbewogen leven, typisch voor een veelbewogen tijd, had hij achter de rug. Zelfs na de diepgaande onderzoekingen van Rombauts blijft er veel raadselachtigs in deze persoonlijkheid. Rijkbegaafd was hij zeker, maar op geen enkel gebied heeft hij zich onvergankelijke verdienste verworven. In allerlei rollen zien we hem optreden: als archaeoloog, politiek agitator, leider van een spionnagedienst, dichter, pamflettist, graveur, schilder, goudsmid5) en drukker6). Hij is van alle markten thuis.

[p. 167]

Artistieke aanleg heeft hij zéker gehad. Ook als literator was hij uiterst veelzijdig; allerlei soorten literair werk geeft hij uit: epigrammen, epitaphiën, karakterschetsen, gefingeerde courante nouvellen, piëtistische verzen, oden, sententiën, spreekwoordenstudies, dialogen enz. Het feit dat hij zo bij voorkeur den Calvinist uitbeeldt, typeert, boetseert, karakteriseert, meen ik in verband te mogen brengen met zijn beeldend vermogen op ander gebied (‘to paint’ en ‘to grave any holy figure’).

Zijn literair werk is verstandelijk van aard. Vlijmscherpe satire ligt hem het best. Rombauts wijst m.i. terecht op zijn ‘Engelsche, humoristische geaardheid’ (blz. 293), al zou ik niet van ‘gulle gemoedelijkheid’ in Verstegen's humor willen spreken. 't Is met die humor meer zo als Maurits Sabbe zegt (naar aanleiding van Verstegen's Exercitien van verstandt): ‘Soms weet hij een geestige “pointe” te vinden, die ons de lectuur van al dat schelden en schimpen zonder veel elegantie niet al te zeer doet betreuren1).’ Die hardheid en bitterheid in zijn toon is niet goed te praten door het geleden onrecht en de doorgestane misère: duizenden werden in die roerige tijden van huis en hof verdreven en namen getroost het juk der ballinschap op zich.

We respecteren 's mans beginselvastheid, maar de toon van zijn polemieken en satiren is in de regel bijtend-scherp, te fanatiek, en zijn niets ontziend geschrijf doet den tegenstander, en dan inzonderheid den Calvinist, geen recht wedervaren.

§ 2. De Characteren.

Met zijn Characteren oft scherpsinnighe Beschrijvinge vande Proprieteyten oft eygendommen van verscheyden persoonen (1619) bekleedt Verstegen een niet onaanzienlijke plaats in de reeks der karakterbeschrijvers die geopend is door Theophrastus met zijn ᾿Ηϑικοι Χαρακτηρες (± 319 v. Chr.). Dat Verstegen dezen klassieken grondlegger van het genre rechtstreeks heeft nagevolgd en diens werk in een Vlaams kleed heeft gestoken, zoals H. Sermon meende2), is niet juist; en dat hij in de algemene letterkunde met Theophrastus en La Bruyère in dit soort werk alleen zou staan, is geheel bezijden de waarheid. Engeland b.v. telt in de eerste helft der 17e eeuw een groot aantal karakterbeschrijvers, zoals Hall, Overbury, Earle, Breton e.a.3). Van Verstegen als geboren Engelsman mocht men verwachten dat hij in dit genre door die auteurs beïnvloed werd. Die verwachting wordt zekerheid wanneer men een onderzoek instelt naar

[p. 168]

een eventueel Engels voorbeeld1). Immers, toen onze auteur in 1619 zijn Characteren uitgaf, was in Engeland reeds de tiende druk verschenen van de befaamde Characters or witty descriptions of the properties of sundry persons (men vergelijke de titels) van Sir Thomas Overbury (1e druk 1614)2). Hun faam hebben ze ten dele te danken aan het tragische levenseinde van hun auteur, een edelman die in de Tower vergiftigd werd, omdat hij zich verzette tegen het huwelijk van een gunsteling des konings (1613).

De overeenkomst tussen Overbury en Verstegen is in velerlei opzicht treffend. Allereerst in karakter- en geestverwantschap: wordt Overbury ons beschreven als ‘intriguing, braggart and insolent’ (Saintsbury, Short History), van Verstegen moet zelfs de Catholic Encyclopedia3) getuigen: ‘exile and other hardships embittered his pen.’ Maar ook in anti-Puriteinse, of zo ge wilt anti-Calvinistische, gezindheid gaven ze elkaar niets toe, al was de Anglikaanse edelman dan ook sterk gekant tegen de Jezuïeten en Verstegen een hunner agenten. De verwantschap openbaart zich echter ook in uiterlijke dingen: in stilistisch opzicht is Verstegen volstrekt een nabootser van Overbury, ja, hoe nauw hij zich wel bij zijn voorbeeld aansluit, blijkt uit het feit dat hij - bewust of onbewust - hele zinsneden van Overbury met huid en haar overneemt. Als stilist is Overbury wel een van de markantste vertegenwoordigers van de gemaniereerde, euphuïstische stijl. Hij heeft daarvan de spitsvondige antithesen, stoute hyperbolen, gezochte vergelijkingen en puntige zegswijze. Juist de karakterbeschrijving in Theophrastus' zin, als herhaalde variatie op één thema, leent zich bijzonder voor een gekunstelde stijl. En om haar inhoud en om haar euphuïstische vorm kan de volgende definitie van Overbury, van wat een karakter is, dat duidelijk maken: ‘it is a picture (reall or personall) quaintly drawne, in various colours, all of them heightned by one shadowing. It is a quicke and soft touch of many strings, all shutting up in one musicall close: it is wits descant on any plaine song.’ Hoewel Verstegen's stijl minder welverzorgd is, bezitten zijn karakters datzelfde pikante en puntige. Toch maakt zijn werk een door en door Nederlandse indruk en is het geheel gebaseerd op Nederlandse toestanden.

Veel meer dan Sir Thomas geeft hij godsdienstige karakters. Ook van het godsdienstige karakter is Theophrastus de vader: een van zijn bekendste en meest verdienstelijke karakters is immers dat van de Δεισιδαιμονια (de bigotterie, zoals Prof. Dr. W.E.J. Kuiper het vertaalt4)).

Bij Overbury vinden we in dat speciale genre o.a. a Puritan, a Hypocrite, a Precisian, a Jesuit, a Button-maker of Amsterdam. Bij Verstegen zijn het er, zoals gezegd, meer. Reeds in de eerste uitgave van 1619 die nog

[p. 169]

maar 72 karakters bevatte, waren er ± 12 van zuiver religieuze aard. Het hele werkje trouwens ademt een echt anti-Protestantse, bepaaldelijk anti-Calvinistische geest. Bij verschillende typeringen wordt het Calvinisme er als het ware met de haren bijgesleept. Zo heet het van het Heywijf1) (no. 34): ‘Haere Religie treckt seer op de Gommaristerij om dat sy de menschen segghen can waer toe dat sy gheboren sijn.’ De Jood (no. 49) bemint de Geuzen het meest omdat zij de meeste kerken geschonden en de meeste kruisen afgebroken hebben. Het werk van den Munter oft geltmaecker (no. 61) ‘heeft oock seer groote cracht teghen valsche opinien, want den sotsten Purityn en soude niet dorven sustineeren dat Beelden en Af-goden alleveleens waeren als hij dat aenschouden.’ De Fiel (no. 97) beroemt zich er op dat hij van Gereformeerde familie is: ‘dat nochtans comt alleenlijck door des naems wil, om dat fiel in Nederlandts soo veel te segghen is als Geus in Francois.’

We gaan nu over tot een uitvoeriger bespreking van de Calvinistische typen in de strikte zin des woords. Daarvoor raadplegen we de tweede, volledige druk: Scherp-sinnighe Characteren oft subtijle beschrijvinghe van de proprieteyten oft eyghendommen2) van verscheyden persoonen. In desen tweeden druck veel vermeerdert, Door den Autheur R.V., t' Hantwerpen, By Guilliam Lesteens, 1622. Elk karakter bestaat uit een à twee bladzijden proza, gevolgd door een conclusie in een zesregelig versje.

De rij der godsdienstige karaktertypen wordt geopend door den Ketter in 't generael (no. 38). Deze speelt den baas over de H. Schrift en legt die uit, alsof hem daartoe de autoriteit expresselijk in de H. Schrift was gegeven. Hoe vaak zijn opinie ook verandert, zij accordeert altijd met Gods Woord, omdat hij de inwendige verlichting van de H. Geest heeft. Bovendien verwerpt hij nog gehele boeken van de Bijbel. Hij weet ‘dat als hij maer aenden Bijbel can gheraeken, dat hij van d'een text op d'ander can springhen, ghelijck een eeckhoorenken van den eenen boom op den anderen int bossche.’ Deze eerste typering is door zijn te grote algemeenheid nog vrij tam. De ketter solt met de Bijbel, hij moet schrift zien: zonder handschrift zou hij Christus, wanneer Hij wederkwam op aarde, niet eens geloven.

Volgend geval is de Beldt-stormer oft Kerck-schender (no. 39). Daarmee zijn we al op specifiek-Calvinistisch terrein, want ‘hy is altoos den eersten acteur in de geusche reformatie.’ Vol bijtende spot is de volgende caricatuur; ‘Geen dingen en spijt desen cloecken kerle meer, dan dat hy geen leer lanck ghenoech en can vinden om inden hemel te gheraecken, niet om dat hij daer soeckt te blijven, want het gheselschap dat daer is en dient hem niet, maer om dat hy verstaen heeft, dat daer eenen gouden Autaer is, met goude candelaeren daer op, ende datter oock gouden wierooc-vaeten zijn, welcke dienende maer als tot Roomsche Afgoderije en superstitie, behoorden (zoo hem dunckt) van daer ghenomen te worden, ende datmen in plaetse vanden gouden Autaer, een houten tafel3) zoude stellen, ende daer neffens een preeckstoel, waer op eenen treffelijcken Geus-gereformeerden Predicant mocht ons Lieve Heer te kennen

[p. 170]

gheven, hoe de Broeders vande Geus-ghereformeerde Kercken in susdanighe Papisten gheschandalizeert zijn.’

Karakter 40 handelt over een uytgheloopen Monick. Deze komt natuurlijk terecht bij de Calvinisten ‘om op 't leste in den Hemel te gheraecken, daer den calfsteert de clinck is.’ Bij deze ene woordspeling blijft het niet. Hij is blij, gevlucht te zijn uit Babel, ‘maer hy meynt van 't geluyt van de bel die hem plach snachts op te wecken om in de Metten te comen.’ Volgens zijn ordonnantie moet hij een vrouw nemen en hij krijgt dan ook ergens ‘een Bibel-sloorken by de cladden.’

Van den Martinist oft Lutheraen (no. 41) heet het: ‘hy haet de Herdoopers, om dat sy zijne eerste controleurders waeren, ende de Calvinisten om datse waren zijnen tweeden kancker.’

Na den Weder-dooper (bedoeld worden de Doopsgezinden)(no. 42) komen we tot den oprechten Calvinist (no. 43). Deze karakterbeschrijving begint al dadelijk met een stokpaardje van Verstegen. ‘Hy en can’, zegt hij, ‘van gheene doorluchtighe afcomste wesen, want hy seyt selver dat hy ghesproten is uyt onsichtbaere donckerheyt.’ Dezelfde ‘aardigheid’ vinden we in no. 55 (Van eenen Wtstrijcker)1): deze zou wel graag invisibel wezen, maar ‘de geusen die nu segghen datse eertijts onsichtbaer in de werelt zijn gheweest’ willen die kunst niet kwijt wezen. - In zijn Ned. Antiquiteyten (blz. 83) vraagt hij zich af of soms onzichtbare predikanten ons land in de tijd van Willebrord hadden kunnen bekeren. En elders (Ned. Antiq. blz. 102): de H. Schrift kent geen kerk ‘die veel honderden van iaren onsichtbaer in eenen hoec heeft gesteken’; eigenlijk moesten de ketters ‘brieven van octroy van onsen lieven Heer’ bezitten, om te bewijzen dat ze zich zelf zo lang niet behoefden te laten zien. - Al deze geestigheid (die we ook in vele van zijn andere werken vinden) berust op een verkeerde opvatting van de Calvinistische leer der ‘onzichtbare’ kerk, d.i. de kerk als het lichaam van Christus, de gemeenschap van alle uitverkorenen van alle eeuwen, in tegenstelling met de ‘zichtbare’ kerk, d.i. de kerk als instituut en als organisme, waarin niet allen uitverkorenen zijn en waarin dus ook de hypocrieten schuilen. De onzichtbare kerk, zo leert Calvijn2), is alleen openbaar voor de ogen Gods; zij bevat al de heiligen die op aarde wonen en die reeds gestorven zijn; van het begin van de wereld af is er nimmer in het bestaan van deze kerk één onderbreking geweest. Ook onder de heerschappij van het Pausdom - toen er geen ware, zichtbare kerk was - bezat Christus die leden die tezamen de onzichtbare kerk vormen. - De telkens weer terugkerende ‘aardigheid’ van Verstegen schuilt nu hierin dat hij de onzichtbare kerk opvat als onzichtbare Geuzenkerk, Calvinistenkerk.

Daar waar de Calvinist de mystieke, geestelijke unie met Christus' heilig lichaam ervaart, n.l. bij het H. Avondmaal, daar ziet Verstegen in hem slechts een volslagen rationalist. Christus heeft wel gezegd bij het Laatste Avondmaal: dit is mijn lichaam, maar volgens hem gelooft de Calvinist dat niet ‘om dat hy hem niet en heeft gheseyt, hoe dat hy dat cost te weghe brenghen.’

Door zijn praedestinatie is hij ‘zoo seker van zijn plaetse inden hemel

[p. 171]

dat hy met onse Lieve Vrouwe (die daer alreets een plaetse heeft) zyn plaetse niet en soude willen wisselen, ten waer dat zy hem wat wilde toe gheven.1).

Hij heeft zichzelf de naam Gereformeerde toegedacht, maar niemand wil hem zo noemen: Luthersen en Herdopers ‘dencken alle beyde datmen Lumphals behoorden eer keyser te maecken dan hem te nemen voor eenen reformeerder.’ Waarom heeft hij dan toch de stoutmoedigheid gehad, zich die naam aan te matigen? Omdat hij de wetenschap had, ‘buscruyt onder zijn reformatie te mengelen en zijn woort Gods uyt te donderen tegen de mueren van steden, die hem niet toe en hoorden.’

‘Een reformeerder van ghereformeertheyt’ is type no. 44: de Arminiaen. Diens sterkste tegenstanders zijn de duivel en de Gomarist: de duivel krijgt van hem alleen die zielen, die de hel verdiend hebben: de Gomarist is tegen hem, omdat die gepraedestineerd is om hem te plagen, en geen vrije wil heeft om hem met vrede te laten.

Na den Libertijn (no. 45) in het zonnetje te hebben gezet, laat hij den Hollantschen Sect-looper (no. 46) volgen: een ex-katholiek, die eerst Bijbelwijs is gemaakt bij de Luthersen, dan bij de ‘goede gheusen’ met hun ‘moye Godts woordt’, en tenslotte terechtkomt bij de Dopersen, waar hij van de ene secte naar de andere overloopt, vijftienmaal gedoopt en evenveel maal gebannen wordt, tot hij komt bij hen ‘die alle afvalselen op raepten, te weten, den dreck-waeghen2), die oock niet sonder Bijbels en sitten, en roepen met den mont vol schriftuer, Comt tot ons al die belast ende beladen zijt.’

De meest plastische uitbeelding van den Calvinist in deze beeldengalerij vormt no. 47: de Hollantsche Bijbelsuster oft Schriftuervrouwe. Zij is even knap in het uitleggen als in het lezen van de H. Schrift. Zij loopt altijd met haar Bijbel onder de arm; in de kerk te komen zonder Bijbel zou haar sacrilegie toeschijnen. ‘Haeren Bijbel comt haer oock daer wel te pas om te proeven oft den gheest vanden Predicant van Godt is, om dat by alsoo verre dat sy bevont dat hy misten het recht ghetal van een capitel oft verse te noemen, sy mocht hem kennen voor eenen valschen Leeraer.’

Als zij een man geweest was, zou zij gepraedestineerd zijn geweest om predikant te wezen, maar nu zij een vrouw is, bevindt zij dat zij gepraedestineerd is om een predikant te trouwen. Maar niets heeft groter kracht tegen de praedestinatie dan de liefde, want daardoor had zij bijkans als man genomen een schoenlapper; en dan had ze hem tot voldoening van de praedestinatie moeten onderrichten, opdat hij geschikt werd voor het predikambt; maar gelukkig, die moeite werd haar gespaard, want zij trouwde een predikant, ‘die sy nochtans niet genomen en hadde, hadde hyse niet geweten met schriftuer te vrijen, ende zijne minne brieven uyt d'Epistelen Pauli te trecken.’

Zij en haar man leven nu in heilige onvrede over de uitlegging van Gods Woord, ‘waer door dat hy dickmaels een sermoon t'huys moet hooren, als andere zijn sermoon in de kerck hebben ghehoort.’

[p. 172]

Hoewel zij helaas in de kerk niet spreken mag, kan zij daar ‘Dathenus dichten’ zingen. ‘Infin, haere cloeckheydt is ghesproten uyt haere boeckheydt’, en ‘uyt Abacuc in 't vijfste’1) weet ze haar man te bewijzen dat de mannen door de vrouwen behoren onderricht te worden.

Aanschouwelijk is ook het beeld dat ons wordt opgehangen van eenen Weerdt van Amsterdam (no. 56): ‘Hy leest altoos t'ghebedt, alsmen aen de taefel gheseten is, met sijnen hoet heel dicht voor zijn ooghen, het welck soo eenighe meynen, is, om te kennen te gheven, dat hy weet door sijn predestinatie totter salicheydt den wech te vinden naer den Hemel blindelingh2): maer dit niet teghenstaende de principaelste oorsaeck is, de vreese die hy heeft dat alle de schotelen met spijse daer hy zijn ooghen op soude moghen slaen, ter wijlen dat hy las, souden terstondts veranderen in Afgoden.’ Het eindigt: ‘gheen dinghen en misprijst hy meer als cleyn3) bier, ende de Spaensche inquisitie4).’

Het laatste Calvinistenkarakter uit dit boekje is de ghepredestineerde Dief (no. 95), die veel gelukkiger is dan andere dieven omdat hij zeker is van zijn zaligheid. Door de praedestinatie is hij een exceptie geworden op de algemene regel, waarbij stelen nu eenmaal verboden is. Als hij gearresteerd is, is zijn consciëntie er het meest ongerust over dat de Gereformeerden hem niet uit Gods Woord zullen kunnen aantonen dat hij gehangen moet worden. Eigenlijk is hij een halve martelaar omdat hij sterven moet uit kracht van menselijke inzettingen die niet met Gods Woord overeenkomen. ‘Had hy stemme inde consistorie soo wel als op de leer, hy soude teghens de broeders protesteren, dat hunne ghereformeertheyt om dit punts wil niet gheheel volmaeckt en is.’ Toch is de beul zijn beste vriend, want door het toehalen van het koord, brengt hij hem sneller dan anders het geval geweest zou zijn, naar zijn gepraedestineerde hemel.

Deze terechtstelling zal wel bedoeld zijn als een waardige finale voor Verstegen's niet altijd van geest ontblote revue der Calvinistentypen5).

[p. 173]

Mogen we Rombauts geloven, dan is dit laatste karakter ‘het beste voorbeeld van geestige satire tegen het leerstuk der praedestinatie’: ‘zijn meesterstukje van fijne ironie en zacht-belachelijkmakende satire heeft hij geleverd in het karakter van eenen ghepredestineerden dief1).’ De schrijver houde het mij ten goede: de titel, reeds niet origineel (ontleend aan een pamflet van Slatius2)), is bovendien onjuist. ‘De gepredestineerde dief’ zou moeten betekenen: dief, die krachtens voorbeschikking, stelen moet. Maar zelfs, als men het woord ‘gepredestineerd’ laat slaan op de staat van den dief in het hiernamaals, blijft het onduidelijk, want er is tweeërlei praedestinatie: verkiezing en verwerping. Bedoeld wordt door Verstegen: een door God uitverkoren dief. Met deze interpretatie wordt echter het hele ‘karakter’ zuiver fictief en onwezenlijk, en vinden we er niets in van ‘nauwkeurige en fijne opmerking en diepe beschouwing’, waarvan dit boekje volgens Rombauts de vrucht zou zijn; het staat immers met dieven zó als het Avondmaalsformulier het zegt: dat ze ‘geen deel in het Rijk van Christus hebben’. Als staal van caricaturale kunst aanvaard ik b.v. de Hollandse Bijbelzuster, omdat zij, om met de klassieke, dramatische kunstleer te spreken, een zekere mate van ‘waarschijnlijkheid’ bezit; zo'n uitverkoren dief die tot zijn dood toe onbekeerlijk blijft, is, zelfs als caricatuur, ‘onwaarschijnlijk’, en uit een oogpunt van karakterbeschrijving mislukt.

Wij zouden hiermee de bespreking van de Characteren kunnen beëindigen, als het werkje in later tijd geheel in vergetelheid was geraakt. Maar gelijk het in origine terugwijst naar Engelse Puriteinencaricatuur, zo voert het ons bij de beschouwing van de invloed die het heeft uitgeoefend, naar achttiende-eeuwse fijnenbespotting. In 1705 toch verscheen er een derde druk van onder de titel: Aardige Characteren, ofte Geestige Uytbeeldinghe van Hondert verscheide Persoonen, Voor deese in Brabant geschreeven Door R.V. In dezen derden Druk 't kromme Brabants door iemant wat verschaaft, en de Vaarsjes op ieder Character, (als te veel stootende) geheel uitgelaten, en weder andere, zoo veel lyden kan, in der zelver plaats gemaakt. Door D. Schelte. T'Amsterdam, By Hendrik Schelte, Boekverkooper, 1705.

In een voorwoord verklaart Dirk Schelte3) dat een ongenoemde, na de spelling van het origineel wat gewijzigd te hebben, bij hem gekomen was, om hem te vragen of hij er nu nieuwe versjes bij wilde maken. Schelte had bezwaar gemaakt ‘wegens de bezondere voorwerpen die my (als van een Roomsgezinde geschreven) daar wat strydig tegens myn geloofs gewoone taal gehandelt zyn.’ Tenslotte had hij toegegeven mits hij ‘des Autheurs spreeuwende4) steeken (dien aengaende)’ niet behoefde op te volgen.

De bezwaren van Schelte kan men zich indenken als men weet dat hij lidmaat was van de Gereformeerde Kerk, ja zelfs het ouderlingschap in de Amstelkerk te Amsterdam bekleed heeft5), en zich in zijn puntdichten (Dubbelzinnige en Oneygentlyke Spreekwyzen) ontpopt als een fel

[p. 174]

antipapist1). Voor het proza neemt hij dan ook geen enkele verantwoordelijkheid op zich. Wij vragen ons af of niet op zijn instigatie de uiterst grove en profane passage in deze 3e druk gecoupeerd is, waar Verstegen de familierelatie tussen een fielt en een Calvinist wil aantonen in zijn karakterschets van den Fiel (no. 97): ‘Om te meer apparencie van alsulcken maeghschap te thoonen, soo singht hy altemets als hy erghens in een mottighe2) herbergh droncken is, het Geusche Psalmdicht:

 
O Heere hoe synder soo menichfout,
 
Mijn vijanden fel ende stout,
 
Staen teghens my, etc.

Dit mach hy wel singhen want hy is altoos midden onder sijn vyanden als hem sijn luysen stoutelijck in sijn vlees bijten.’

Anderzijds moest Schelte toch ook verwantschap voelen met Verstegen. Die godsdienstige caricatuur trok hem zeker wel aan, want ook hij hekelt gaarne alle richtingen die de zijne niet zijn. Blijkbaar heeft hij met animo aan de opdracht voldaan, maar daarbij heel handig het accent van de satire verlegd, n.l. van de ‘Calvinisten’ tot wier kerk hij zelf behoorde, naar de fijnen van allerlei schakering, die hij als vrome huichelaars haatte. Als men weet dat hij zeer intiem was met Ds. Balthazar Bekker, zal men dat enigszins kunnen begrijpen. Spot hij niet ergens met ‘Kerke-zusjes van 't fijn soort, met Bourgonje musjes,’ die in het kerkruim op verhuurde stoelen gaan zitten, omdat die immers zijn voor de eige-naars3)?

Het is hier tevens de plaats om te spreken van Verstegen's zesregelige versjes. Tot nog toe hebben wij ze buiten beschouwing gelaten: ze zijn vrij tam en voegen aan het scherpe beeld dat in het proza geboetseerd was, feitelijk niets toe. Schelte's versjes zijn interessanter, omdat ze geheel anders georiënteerd zijn4).

Direct al bij het versje op den Ketter omzeilt hij alle Roomse klippen door het in de vraagvorm te kleden: is iemand die de Geuzenbijbel aanvaardt, kerkgezag en mirakels verwerpt ‘by 't Tyber-volk geen Ketter, en geen sot?’

Het uit het klooster weglopen der monniken wordt vergoelijkt:

 
d'Uitwiller schijnt alleen zijn lastig juk te haten,
 
Dog is hem ligter last door klaarder ligt beduit,
 
So bant hem 't Klooster ook met regt voor eewig uit.

De huichelende ‘fijne’ treedt voor het eerst op in het versje op den Wederdoper, zonder dat daarvan iets in het origineel te vinden is: daar is een Doperse leraar een botte idioot, een blinde leidsman van blinden.

[p. 175]

Bij Schelte:

 
Vroeg noemt me'r Christenen, dog werden laat ge-eykt,
 
't Gewaat schijnt neederig, dog 't zyn doorsopte kruimpjes,
 
De flikker glants van 't geld door fijne sakjes keykt,
 
Fijn, daarom ligt gescheurt, dog nemen 't vry wat ruimpjes,
 
Verstrikkig meer met tong als openbaar geweld,
 
Sy zyn wel graag beschermt, maar zelfs nooit te veld.

Van eigen geloofsgenoten, de Calvinisten, zegt hij niets kwaads:

 
Wil hy op Hooft der Kerk, nog Kerk-ciraden roemen,
 
Soo laat ik 't Hooft de(r) Kerk hem voor een Ketter doemen,

om onmiddellijk Verstegen bij te vallen als het tegen de Bijbelzuster gaat. Verstegen's versje luidt als volgt:

 
Mach een vrouw inde geusche Kercken singhen,
 
Waerom en sal sy daer niet moghen spreken?
 
Mach zy daer spreken, wie sal haer bedwinghen
 
Van stoel te blijven, om daer niet te preken?
 
Want hebbende Godts woort en oock veel woorden,
 
Hoe mochtmen segghen, sulckx dan niet en hoorden?

Schelte's satire is scherper. Zag Verstegen alleen de overmatige ijver van het zusje, Schelte misprijst tevens haar eigenwaan.

 
Dit Bybel-Sustertje, schijnt, heeft de Schrift door kropen;
 
Soo 't loutre liefde was tot Gods-dienst, 'k roemden 't hoog.
 
Door waen-wijs o(n)verstand, waer in Sy schynt versopen
 
Soo is een wijsman dwaas, een dwaas, wijs in haar oog.
 
En meent, geen ken als Sy, zoo net na reden spreken,
 
Dies spijt haar geen ding meer, als dat Sy niet mag preken.

Nog groter verschil in beoordeling valt op bij de behandeling van den Hypocriet (no. 48), een figuur dien ik tot nog toe kon laten rusten, doordat Verstegen hem geheel onpartijdig, zonder enige hatelijkheid, getekend heeft: hij beklaagt hem omdat hij zichzelf zoveel moeite berokkent door het voortdurend huichelen. Bij Schelte is het de fijne1):

 
Siet deze Fijnert2) eens, dog voor onkund'ge oogen:
 
Hy sugt, en steent, dog nooit of imant isser by.
 
Syn hand moet op zijn borst, zijn hooft als riet gebogen.
 
Sta van my (denkt hy), want 'k ben heiliger als gy.
 
Verniste Schijn-deugt, die een Mensch in slaap wil wiegen,
 
Gy sult' er veel, u Self, maar nooit u God bedriegen!

Ook de achttiende-eeuwse tolerantie komt bij Schelte reeds om een hoekje gluren, zonder dat het origineel daar ook maar iets van heeft. Bij het karakter van den Brandstichter (no. 96) dicht hij:

 
Die brand sticht, 't zy in Staat, in Stad, in Huis, of Kerken,
 
Zyn Duivels amptenaars: en als hun Heer gehaat.
[p. 176]

Tot zover Schelte. Doch we kunnen de lijn van deze godsdienstige caricatuur nog verder vervolgen. Begonnen bij den anti-Puritein Overbury, voortgezet door den Calvinistenbestrijder Verstegen en den fijnen-hater Schelte, eindigt ze bij den rationalist Bernardus Mourik, boekverkoper te Amsterdam, die in 1735 een 4e druk uitgaf van Verstegen's Characteren. De tekst van Verstegen-Schelte is van spelfouten gezuiverd en wat beschaafd, maar tevens vindt men er voorin een klinkdicht met aansporing om het boekje te kopen: ‘hier leert men zuivre deugt, en zynen plicht beminnen,’ en een gedicht, getiteld Een Wonder Zevental, waarin van Erasmus, Hobbes, Brown, Descartes, Bekker, Spinoza en Leenhof wordt gezegd:

 
‘Dees' zeven wonderen, zo groot oit d'aarde gaf,
 
Rukt ieder op zich zelf vooroordeel 't masker af.’

Hier beluisteren we nog slechts de verwaten toon van een 18e-eeuwer en is van de oorspronkelijke bedoeling van het werkje weinig meer overgebleven.

§ 3. Epigrammen en Epitaphiën.

Als tweede belangrijke bijdrage van Verstegen tot de Contrareformatorische letterkunde in de Zuidelijke Nederlanden dienen wij nu te bespreken zijn epigrammen, de enige soort poëzie die hij op grote schaal beoefend heeft: zijn andere poëzie, hetzij de reeds genoemde Engelse, hetzij de nog te bespreken Nederlandse, valt wat de omvang betreft daarbij geheel in het niet. We vinden ze verzameld in drie bundeltjes. In 1617 verschenen Tot Mechelen, Bij Hendrick Jaey de Neder-duytsche Epigrammen Op verscheyden saecken, soo wel om te stichten, als den geest te vermaecken. Blijkbaar vielen deze bij de liefhebbers in goede aarde, want enkele jaren later werd een gelijksoortige collectie uitgegeven onder de titel: Nederduytsche Epigrammen ende Epitaphien Van verscheyden persoonen en differente saecken, Soo wel om te stichten, als den geest te vermaecken Van nieuws ghecomponeert Door R.V. Noyt te voren in druck wtgegaen. Tot Brussel, By Ian van Meerbeeck, in de Putterye. In S. Anna. Anno 1624. Toen deze beide bundeltjes uitverkocht waren en men om nieuwe epigrammen van zijn hand bleef vragen, meende de dichter aan die roepstem gevolg te moeten geven en maakte hij een derde verzameling voor de druk gereed. De verschijning er van heeft hij niet meer beleefd, hoewel de opdracht van het boekje gedateerd is: ‘Uyt Antwerpen in de maent van Meert, Anno 1641. Den seer dienst-willighen Dienaer van V.E. Richard Verstegen’. De titel luidt: Exercitien van Verstandt In varieteyt van scherpsinnighe Epigrammen ende Epitaphien Eenighe tenderende tot stichtinghe, ende eenighe tot recreatie vande goedt-willighe Lesers. Ghecomponeerdt door R.V. t' Antwerpen, By Godtgaf Verhulst, inde Cammerstraet inden witten Hasewint. 1641.

Alle middelen die Verstegen ten dienste stonden heeft deze vurige polemist gebruikt om de gehate Calvinisten te bestrijden. Ze aan te vallen met stekelige epigrammen, dat was nieuw. Niet in de laatste plaats hebben zijn tijdgenoten hem geëerd om de toepassing van deze nieuwe strijdwijze. Zo zijn vriend, de bekende humanist Erycius Puteanus

[p. 177]

(Eerrijk de Putte), die hem in een drempeldicht voor de eerste bundel noemt een ‘Mars Phoebusque novus, sed incruentus et fortis, sapiens et eruditus’. In hooggestemde bewoordingen prijst hij hem:

 
Sic Deae1) galeam, et Deae2) sarissam
 
Sicamber3) quatiens, pio furore
 
Fudit carmina: fudit hos acutos
 
Et falsos Epigrammatum libellos:
 
Falsos, sed liquidoque Belgicoque
 
Succo, rore, mari, lepore Acutos.

Puteanus is blijkbaar een van de velen geweest die hem hebben aangespoord op de ingeslagen weg voort te gaan: ‘Effunde Epigrammatum libellos, funde Carmina, proeliare versu’. Laat hij met deze ‘nova arma’ maar voortgaan te bestoken de ‘horridamque saecli barbariem, impiosque mores’. Nieuw moge echter het epigram als strijdwapen tegen de Hervormden geweest zijn, het genre zelf, het satirische puntdicht, was dat allerminst. Het was al lang in de mode, en van meer dan één voorganger kan Verstegen de kunst hebben afgekeken4). Eigen wegen gaat hij niet: hij sluit zich aan bij de algemene regels die voor dit genre bestonden en die teruggaan op de practijk van den als model beschouwden Romeinsen epigrammatist Martialis. Deze toch is meer dan iemand anders het grote voorbeeld: ‘der einzige Klassiker des Epigramms nicht nur in der römischen, sondern in der Weltliteratur geworden5).’ Groot was zijn invloed op de epigrammendichters der Italiaanse Renaissance. Twee soorten werden door de Italiaanse Neo-Latijnse dichters vooral beoefend: het epigraphische en het satirische genre6). Het epigraphische epigram, het epigram in de oorspronkelijke en engere zin, opschrift op kunstwerken en graven, bewees goede diensten voor de mateloze mensverheerlijking die het tijdperk der Renaissance kenmerkt; het satirische daarentegen leende zich door zijn geconcentreerde en gemakkelijk te reproduceren vorm uitstekend voor het bespotten en vernietigen van gevreesde tegenstanders. Het eerste, al of niet op monumenten ingegrift, was gecondenseerde roem, het tweede, gaande van mond tot mond, was gecondenseerde hoon7).

Ook buiten Italië maakte het Latijnse epigram opgang: de Nederlander Erasmus, de Fransman Du Bellay en de Engelse bisschop Owen beoefenden het genre. Een groot aantal drukken van Martialis (de eerste in 1470) vonden aftrek. Zo verscheen er in 1559 en 1566 te Amsterdam

[p. 178]

een uitgave door den Hoornsen medicus Hadrianus Junius, in 1602 te Frankfort een van Janus Gruterus1), in 1618-1619 te Leiden door Petrus Scriverius2).

Een hele reeks schrijvers beoefenden het epigram in de landstalen: o.a. Marot en Du Bellay in het Frans, Turberville en Samuel Rowlands in het Engels, Logau in het Duits. Bij ons volgde Roemer Visscher hem zo gelukkig na, dat Van der Does hem een ‘tweeden Martiael’ noemde3). Een aantal epigrammen van Martialis werd onder de naam Grillen vertaald of nagevolgd door den Zeeuw Simon van Beaumont4).

Verstegen nu tracht, zij het van verre, de klassieke regels te volgen. Het meest typerende kenmerk van het satirische epigram is de ‘pointe’, zonder welke het laf en zouteloos is. Voortreffelijk zijn de pointes van Martialis gekarakteriseerd door H.J. Izaac: ‘Avec quel amour il la prépare, l' aiguise et la cisèle! Le lecteur y est insensiblement conduit sans le savoir, même quand le poète a l'air de s'amuser en route; et soudain elle s'échappe de la gaine du vers, preste et lumineuse, comme l'éclair sort du nuage qu'il illumine tout entier5).’ Welk een verschil met Verstegen! Wel bezit zijn epigram soms een zekere puntigheid, maar in welk een vloed van woorden verdrinkt vaak zijn luim. Slechts zelden is de laatste regel werkelijk ‘de punt’ van het gedicht.

De taal van zijn epigrammen is vaak grof, dubbelzinnig, scatologisch; telkens loopt er iets van St. Anna onder. Maar dat behoorde toen tot de kenmerken van het genre6). Thalia was niet alleen de muze van de comedie, maar ook van het epigram7): de overeenkomst zit vooral in het soort taal dat in beide gebruikt werd. Voor dartele taal vraagt Martialis dan ook geen excuus: ‘lascivam verborum veritatem, id est epigrammaton linguam’ decreteert hij (Epistola vóór Lib. I), maar hij zegt er bij: ‘lasciva est nostra pagina, vita proba (I, 4, 8).

Het aantal epigrammen dat één boek van Martialis bevat, bedraagt in doorsnee honderd8). Verstegen fixeert dit getal op precies honderd: in zijn eerste twee bundels geeft hij twee maal honderd epigrammen en twee maal honderd epitaphiën. Dat de derde slechts 75 epigrammen en 36 epitaphiën bevat, zal wel zijn oorzaak vinden in het feit, dat hij er niet meer had liggen, toen hij ging bundelen, en hij te oud was om er nog meer te produceren.

Verstegen wijdt hele reeksen epigrammen aan één onderwerp, b.v. de gepretendeerde onzichtbaarheid der Calvinisten, hetgeen vaak

[p. 179]

ongelofelijk taai is en volstrekt zinloos. Ook Martialis had soms op één thema verschillende achtereenvolgende epigrammen gemaakt, maar bij hem had het zin: zijn gedichtjes werden vaak publiekelijk voorgelezen: ‘ses auditeurs ne voyaient peut-être là qu' une agréable ingéniosité et une heureuse fertilité d' invention dans le détail de l' expression1).’

De lengte van Martialis' epigrammen is ongelijk, maar ze moeten niet met lang nat overgoten worden, zoals een onbekende Latijnse dichter reeds voorgeschreven had:

 
Omne epigramma sit instar apis: sit aculeus illi;
 
Sint sua mella; sit et corporis exigui2).

Verstegen neemt een vaste lengte aan voor zijn epigrammen, maar in zijn epitaphiën is hij vrijer. Elk epigram heeft 10, meestal 10 à 11-lettergrepige regels (met het rijmschema ababcdcdee).

Overeenkomst tussen Martialis en Verstegen is er in de houding tegenover doden en levenden. De rijken der aarde moeten gevleid worden. Zo komen er in het begin van het tweede bundeltje niet minder dan 15 lofdichten voor op de Commiezen en Griffiers van de Koninklijke Domeinen en Financiën: één voor hen allen tegelijk en telkens één voor elk van die heren in het bijzonder. Maar nooit tast hij - dan in zeer bedekte termen - og in leven zijnde machthebbers aan, ja zelfs geen mindere goden. De voorzichtige Martialis was al zijn navolgers ook hierin voorgegaan:

 
‘Hunc servare modum nostri novere libelli:
 
Parcere personis, discere de vitiis’ (X, 33).

Hij schertst ‘salva infirmarum quoque personarum reverentia’ (Epistola, Lib. I). Daarentegen nam hij geen scrupules in acht tegenover belangrijke historische personen die reeds overleden waren: Nero, Antonius enz. Evenzo striemt Verstegen overleden Protestantse vorsten, staatslieden en kerkleraars. Om de gebreken van zijn tijd te hekelen grijpt hij naar hetzelfde hulpmiddel als Martialis: fictieve namen. Zo ontmoeten we in zijn werk de Calvinisten Wouter van Wijck, Ian Calf, Tanneken, Hans Gosens, Cluts, Cornelis de Kemel, den sectariër Swermerius. Soms volstaat hij ter aanduiding met enige initialen.

Als laatste punt van overeenstemming noem ik dat beiden een loopje nemen met de lezers die hen met ergernis zullen lezen. Zo kittelt Martialis herhaaldelijk al te preutse mensen: ‘Si quis tamen tam ambitiose tristis est ut apud illum in nulla pagina latine loqui fas sit, potest epistola vel potius titulo contentus esse’ (Epistola, Lib. I). Hij geniet bij voorbaat van de uitwerking van zijn gedichten:

 
Ecce rubet quidam, pallet, stupet, oscitat, odit.
 
Hoc volo: nunc nobis carmina nostra placent (VI, 60).

Hetzelfde plezier-bij-voorbaat vinden we mutatis mutandis herhaaldelijk bij Verstegen, b.v. in de voorrede van de eerste en tweede bundel: ‘Onse geusche ghereformeerde vrienden sullen moghelijck door eenige

[p. 180]

van dese Epigrammen tot gramschap verwect worden segghende datmen hun daer mede is beschimpende, maer hier in zijn sy verabuseert, want ick soeckse maer te vermaecken ende ghenuechte aen te doen, ende omdat sy souden moghen segghen dat sy sulcx niet en ghelooven om dat het nerghens gheschreven staet1), daerom staet het nu hier gheschreven dat het soo is2).’ En in het laatste epigram van de derde bundel (blz. 44):

Aengaende de gramschap van de Geusen tegen dese Epigrammen.
 
De Geusen sullen moghelijck hun vergrammen,
 
Om datse hier en daer sijn ghetouceert,
 
In eenighe van dese Epigrammen
 
Daer sy civil genoegh sijn ghetracteert,
 
Want de intentie anders niet en is,
 
Dan hun te stichten en te recreeren,
 
Geen spijtige woorden sijn daer in gewis,
 
Om hun expres tot gramschap te moveren.
 
Ick wensch het wel magh sijn van hun genomen
 
Tot hunlie deught, wel magh het hun bekomen.

Zo werd dus het klassieke epigram gesteld in dienst van de Contra-Reformatie, en Puteanus had wel gelijk toen hij sprak van nova arma. Nog in een ander opzicht wilde Verstegen dat deze wapenen nieuw waren. Kalff3) wees er reeds terloops op dat hij in dit genre de uit de Italiaanse literatuurgeschiedenis bekende ‘concetti arguti’4) tracht na te volgen. Wij moeten Verstegen dus in verband brengen met het internationale verschijnsel van het Marinisme, het euphuïsme, het Gongorisme, het ‘culteranismo’, het ‘conceptismo’ of hoe men dit streven naar een vernuftige, gezochte en gewrongen uitdrukkingswijze ook moge noemen.

Verstegen noemt deze ‘concetti arguti’: ‘scherpsinnighe concepten’. Reeds in zijn Voorwoord Tot den Leser zegt hij: mocht een ander epitaphiën maken ‘die noch meer verscheyden ende van meer acuyt oft scherpsinnighe concepten zijn’, ik zal hem niet benijden, maar prijzen en zoeken te imiteren. Vooral in de tweede bundel komt hij geregeld op die concepten terug (o.a. in de opdrachtverzen 2 en 6). De inleidende epigrammen (1-7) zijn daardoor niet van belang ontbloot voor de litetaire theorie van die dagen, want in Verstegen hebben we te doen met een

[p. 181]

geprononceerd voorstander van intellectualistische poëzie naar de vorm, van moralistische naar het doel. In epigram no. 2 (Wat de Poesie is) definieert hij als volgt:

 
Door dese const van maetelijck accoorden1)
 
Men stellen can concepten van de zin,
 
Onder een lieflijck harmonie van woorden,
 
Daer wijsheyt dickmaels leet verborghen in,
 
Alsmen subtijlheyt2) bruycken can te wijlen,
 
Schoon deughdens lof, en vuyl ondeuchts misprijsen.

Dat het bij hem vooral gaat om de vernuftige gedachte en niet om de mooie vorm (die hij door zijn zeer gering dichterlijk vermogen ook onmogelijk zou kunnen geven) blijkt ten overvloede uit epigram no. 6:

Aenden verstandighen Leser.
 
Leser, ick toon u hier mijn Epigrammen,
 
Om dat ghy die kont lesen en verstaen.
 
Lesen alleen dat connen alle tammen
 
Die na de meyningh niet en connen raen,
 
Maer u die wel concepten kont in-sien,
 
En wat verborghen in de zin mach wesen,
 
Ick met eerbieding extimeer en dien,
 
Om t' wel verstaen veel meer dan om t' wel lesen,
 
Want ick den leser aldermeest bemin,
 
Die minst de woorden acht, en meest de zin.

Het zal den lezer uit het vervolg duidelijk worden dat Verstegen zich hier wel heel wat kan verbeelden, maar dat hij er allerbedroefdst weinig van terecht brengt. Wie scherpsinnighe concepten wil lezen, leze Huygens. Verstegen's conceptisme is slechts een bleke schim van het internationale verschijnsel. Het enige aanwijsbare verband tussen Verstegen en het euphuïsme, afgezien van de theorie, is het verstandelijke van zijn poëzie, en dat vloeit voor wat hem betreft voort uit een verstandelijke aanleg. Deze aanleg èn zijn polemische bedrijvigheid moesten hem wel drijven tot de meest intellectualistische en polemische vorm van poëzie: het satirische epigram. Was hij nu een groot dichter geweest, dan had hij een onzer voornaamste euphuïsten kunnen worden. Nu echter moeten we de wil maar voor de daad nemen.

Het euphuïsme moet wel gezien worden als een typisch verschijnsel van de Barok. Dr. J. Brouwer3) zegt b.v.: ‘Dit “cultismo” en “conceptismo” is een wezenlijke trek van de Barok: uiting van onbeheerschte zucht om zich van de groote massa te onderscheiden; van invidualisme en ostentatie, de overlading door zwierige geste en krullen; behoefte aan symboliek.’ Die zucht om op te vallen is bij Verstegen zeker aanwezig, al laat de verwezenlijking van deze begeerte vaak veel te wensen over. Effectbejag, pralerigheid, overdrijving is in zijn satiren op te merken: op de meest cynische wijze vermeit hij zich in het bedenken van laag-

[p. 182]

hartigheid bij de Calvinisten. Er is hier een duidelijke overspanning van critiek en satire aanwezig, die verwant is aan het imponerende theatrale vertoon van het herboren Katholicisme en zijn kunstuitingen.

 

Hoofddoel van Verstegen's epigrammenbundels is de bestrijding van Calvinisten of Geuzen. De rest, gewone anecdoten en kwinkslagen, is maar bijzaak. Ageert hij meestal bepaaldelijk tegen de Calvinisten, soms heeft hij het ook gemunt op ‘sectariërs’ in het algemeen. Het was toen juist de tijd van de strijd tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten. Van deze nieuwe scheuring onder de Gereformeerden werd door de Roomse geloofspropaganda handig gebruik