terug  begin  verderprepost
[p. 229]

Hoofdstuk VIII.
Justus de Harduijn.

Een heel ander man dan de intellectualistische satirenschrijver Verstegen was de gevoelige, innig-vrome dichter Justus de Harduijn (1582-1641), geboortig van Gent, sedert 1607 pastoor van Oudegem1). Zonder twijfel is hij de grootste Zuidnederlandse dichter van de eerste helft der 17e eeuw, hetgeen trouwens maar een betrekkelijke lof is. Niet door oorspronkelijkheid trekt hij de aandacht. In zijn godsdienstige lyriek is veel Middeleeuws erfgoed, terwijl hij in zijn amoureuze èn religieuze lyriek beide in hoge mate afhankelijk is van de Pléjade. Deze constatering doet niets af aan het feit dat wij hem moeten bestempelen als een waarachtig dichter: door de zangerigheid van zijn vers, het vloeiende van zijn rythme, de aanschouwelijkheid van zijn stijl en het gans bijzondere, het opmerkelijke van zijn dichterstem.

Wie bij hem stekelige hekeling of effectbejagende geloofspropaganda zou willen aantreffen, zoekt tevergeefs. Zijn tegenstanders honend te striemen valt hem moeilijk; rustig met hen te disputeren zou hem evenzeer kwalijk afgaan. Evenwel, men zal vragen: waar zoveel lekendichters vóór en tijdens zijn leven de Hervorming aantastten, mocht men dan van dezen zielenherder, die tevens een begaafd dichter was, niet verwachten dat hij de aan hem toevertrouwde kudde gedurig wees op het gevaar van de Hervormde leer? De ketterij was immers ± 1610 nog lang niet uitgeroeid in de Zuidelijke Nederlanden. Men vergete echter niet dat de Hervorming haar grootste aanhang gekregen had in de steden: op het platteland had zij weinig ingang gevonden. Wel was het stille Oudegem niet ontsnapt aan de beeldstormerij, maar de buitenlui waren het oude geloof trouw gebleven2). Geen negatieve bestrijding van de nieuwe leer was zijn taak, wel positieve opbouw in het geloof. Hoe anders waren zijn uiterlijke levensomstandigheden dan die van Verstegen b.v., die als het ware door zijn levensloop was voorbeschikt, een groot ketterjager te worden. Anderzijds: dat de priester, die zijn vader wel vaak zal hebben horen vertellen van diens gevangenzetting door de Gentse Calvinisten in 15843), geheel over de ketterij zou zwijgen, was niet te verwachten: hij hééft het dan ook niet gedaan.

Overigens is de levensloop veelal van bijkomstig belang. Niet de

[p. 230]

omstandigheden alleen maken den mens. Waarom dicht die andere Roomse zielenherder, Johannes Stalpart van der Wielen, wel reeksen hekeldichten tegen de Hervormden? Alleen omdat hij te midden van de ketters woonde? Terwijl De Harduijn daar zo geen last van had in zijn afgelegen Vlaamse dorp? Des te vrijer had hij de dichterlijke wapenen der Contra-Reformatie tegen de vijanden van zijn geloof kunnen aanwenden. De diepste oorzaak van dit verschil ligt in hun karakter, hun innerlijkste wezen. Als de verontwaardiging Stalpart gaande maakt, grijpt hij naar zijn hekelpen. De Harduijn echter is in onze literatuur een van de grote zangers van de liefde, louter van de liefde, zowel van de wereldse als van de geestelijke. Men zou hem den Zuidnederlandsen, den Roomsen, Luyken kunnen noemen. Ook die had immers een later beweende bundel amoureuze jeugdpoëzie op zijn naam staan, en ook die zong later van zijn Jezusminne.

Het vruchtbaarst is misschien in onze samenhang een psychologische vergelijking met Anna Bijns. Zij kende de aardse liefde en wijdde zich later geheel aan het geloof. Zij schreef een aantal gloedvolle liefdesverzen, die ze nimmer het licht deed zien. Niet anders De Harduijn. In 1613 verscheen, zonder dat de dichter zelf deel aan de uitgave had, gelijk uitdrukkelijk in de voorrede wordt vermeld: De Weerliicke Liefden tot Roose-mond1), een dichtbundel, waarin we sonnetten aantreffen die zeker niet behoeven te worden gerekend tot de minste in het genre der minnedichten. Ik noem slechts de sonnetten die beginnen met de regels: ‘O blond-ghestruyvelt hair! hair dat de Sonn' beraeyt,’ ‘T' en is de blondheydt niet van u gestruyvelt hair,’ ‘Soet is den westen windt, die ruysschen doet en beven,’ ‘T' en sijn gheen ooghen, t' zijn twee Goden al veel eer,’ ‘Met dat den swarten nacht het sterren-radt laet schieten.’

Later heeft hij zich met nadruk van deze liefdespoëzie afgewend2). Was hij een teleurgestelde in de liefde, of riep de voorbereiding voor het te aanvaarden priesterschap hem tot zijn plicht? Wij weten het niet. Een feit is het dat hij in zijn volgende dichtbundel Goddelicke Lof-Sanghen (1620)3) zijn anonieme eersteling klaarblijkelijk verloochent en zijn voormalige wereldse liefdeuitingen in de krachtigste termen afkeurt: ‘Gods lof te singhen sal wesen een oirsaecke dat voortaen sal verschuyven alle windvol, ende sielquetsende Venus ghejancksel, dat een broose schoonigheydt ghevrocht heeft in een oncuysch, ledigh en dertel ghemoedt. Gods lof te singhen zal wesen een oirsaecke dat men niet meer en sal singhen dien verblinden God Cupido....4).’

De vraag is slechts of de distantie tussen 's dichters vroegere en latere poëzie werkelijk zo groot is als de dichter hier doet voorkomen. In het leven van Anna Bijns is er inderdaad sprake van een totale psychische omwending: teleurgestelde aardse liefde deed ook haar berouwvol

[p. 231]

toevlucht nemen tot Maria, Christus en de Kerk, maar de keerzijde van die hogere, geestelijke liefde was haat, bittere, alles verterende haat tegen de in den duivelsen Luther geïncarneerde haeresie. Wie aan Anna Bijns denkt, denkt aan haar anti-Lutherse haatrefereinen. - Bij De Harduijn is het geheel anders: zijn geestelijke liefdespoëzie ligt eenvoudig in het verlengde van zijn wereldse minnepoëzie. Zijn aardse liefde draagt hij, gelouterd, over op Maria de Moedermaagd, die hij met zinnelijk welgevallen beschouwt als zij haar kindje zoogt en kust, zijn hemelse beminde:

 
‘Kwill' in uw’ soet ooghe-lonck
 
Voortaen leven minne-dronck (blz. 55).

Vol extaze zingt hij van zijn liefde voor de Kerk als bruid van Christus en moeder der gelovigen:

 
Ghy sijt die Bruyt, met dat schoon hair behanghen,
 
Waer naer Gods soon nam lichtelijck zijn ganghen,
 
Soo haest van u een oogh' hadde door-wondt
 
O wonder cracht! zijn herte tot den grondt.
 
 
 
Ha schoone Bruydt! ha schoonste Coninginne!
 
Hoe haer verspreydt u moederlijcke minne!
 
Als ghy Oost, West, Zuyt, Noort op deser aerd
 
In alle deughd u kinderen God baert (blz. 59)1).

Tegenover den gekruisten Christus verliest de dichter zich in een zinnelijke omhelzing; zoals een wingerd zich slingert om een boom, zoals de klimop een steile muur beklimt, wil de dichter zich klemmen om het kruis, om Jezus' mond te kussen:

 
Ha Cruys! als ick u kuss',
 
Verwerd' ick dan aldus
 
Tusschen de aerems bloot
 
Van mijnen Schepper groot.
 
Al wierd' ick daer in doot,
 
'Twaer cleyn voor my,
 
Bleve ick maer slechts hem, mijnen Schepper, bij.
 
 
 
Iesu, my dogh eens jont
 
Uwen bebloedden mondt:
 
Ach! op dat my beclijf,
 
Cuss' ick u nu soo stijf.
 
Ach! ach! Siel, ende lijf
 
Schijnt my t' ontgaen,
 
Eer ick den brant van mijn Siel can versaen (blz. 104).

Een Calvinist staat vreemd tegenover dergelijke in de kunst der Barok zo veelvuldig aan te treffen erotische mystiek, die hem als profanatie van het heiligste moet voorkomen. Voor hem is het feit van 's Heilands zoendood eenmaal geschied: Goede Vrijdag, en, in eerste instantie, ook

[p. 232]

het H. Avondmaal, is voor hem een feest der gedachtenis. Nu is Jezus Heer des Hemels, Koning der gerechtigheid, de Middelaar Gods en der mensen, die zijn uitverkorenen verzamelt tot de dag des Oordeels; voor den Roomsen dichter in zijn mystieke vizioenen bloedt Christus nu nog aan het kruis, en hij mag, anders dan Maria, die door den Heiland weggezonden werd, diens wonden kussen; voor hem geldt niet het woord van den opgestanen Christus tot Maria Magdalena in de hof: raak mij niet aan. Voor den Roomse, volgens wien Christus' offerande aan het kruis millioenen malen herhaald mag worden, voor wien Christus' lichaam in talloze godshuizen lijfelijk tegenwoordig is, staat dit alles anders dan voor den Calvinist. Intieme omgang in een erotisch getinte mystieke unie met Christus' gekruisigd lichaam past in het kader van de Roomse geloofsbeschouwing, maar evenzeer in het kader van het aesthetisch gekleurde liefdesverlangen1). Wereldse en geestelijke erotiek liggen in één lijn: veertien minnedichten uit de bundel Roose-mond konden met geringe omwerking worden tot geestelijke gedichten in de Goddelicke Lof-Sanghen ter ere van Maria, Christus en de heiligen. Ook het boven ten dele geciteerde lied De Christelycke Siele verheught haer, in het kussen van 't Cruyce Christi is een omwerking van een Liedeken ter ere van Roose-mond:

 
Mijn lief als ick u cuss',
 
Verwerd' ick dan aldus
 
In uwe lipkens root,
 
En in u halsken bloot.
 
Al bleve ick daer dan doot,
 
T' waer cleyn voor my,
 
Bleve ick voor al u mijne liefste by, enz.

Deze lange inleiding was nodig, allereerst om aan te tonen waarom men van dezen dichter als troubadour der liefde geen felle, hatelijke satiren op andersgelovigen kon verwachten - Franciscus is tenslotte geen Ignatius -, ten tweede om het karakter van zijn spaarzamelijke uitlatingen tegen de ketterij beter te doen verstaan. Als de Calvinist de hem zo dierbare lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in de mis zou willen loochenen, maakt hij zich op tot een verdediging van het H. Sacrament in een gloeiend sonnet, waarin zijn anti-ketterse poëzie culmineert. Overigens neemt hij alleen terloops de kerk en haar heiligen in bescherming tegen aanranding door de ketters. In de Lof-sangh der H. Catholycke Kercke (blz. 59-60), waaruit boven reeds twee strophen zijn aangehaald, waarin de Kerk als moeder, bruid, dageraad, altijd-groene

[p. 233]

laurier, door-het-vuur-niet-aan-te-tasten-salamander wordt bezongen, vinden we ook de twee beelden van de sterke muur en de ark van Noach:

 
Den zelven God heeft wijsheydt u ghegheven,
 
En uwen naem boven de Locht verheven:
 
Als eenen muer heeft hy u oock ghestelt,
 
Om te weer-staen het kettersche gheweldt.
 
 
 
Wat hadde d' Arck' van Noë te bedieden?
 
Dan dat naer u oock ijgelijck moet vlieden,
 
Die van den vloedt der valsche ketterij
 
En d' helsche doodt wilt wesen los, en vrij.

In twee gelegenheidsgedichten1) verdedigt hij de heiligen, naar wie zijn jaloers verlangen uitgaat dag en nacht2). Beide zijn liminaria van hagiographieën: 1e. Ode tot den Eerweerden Heere Jan Schatteman, Beschrijvende 't leven van den H. Macarius (1622) en 2e. Ode tot den Eerweerden Heere, H. Joann. Chrysostomo Van der Sterre...., beschrijvende het leven van den H. Norbertus (1623). De tweede laten we hier rusten, daar ze precies dezelfde gedachten (op één uitzondering na) bevat als de eerste: alleen zijn de 2- en 4-voetige verzen van het eerste gedicht hier uitgerekt tot alexandrijnen. We laten hier nu van de eerste ode negen van de vijftien strophen volgen:

 
1.
 
Vervloect zy dan de Ketterije,
 
Die van oudts tije
 
Heeft uyt gespogen heur fenijn.
 
Martinisten, Anabaptisten
 
Haer schaedelijck ghebroetsel sijn.
 
 
 
2.
 
Gommaristen, Arminianen
 
Sijn als twee haenen
 
Deen teghen d'ander nu ghestelt.
 
Om Godts woordt ist dat sy vechten.
 
Al hun aen-rechten
 
Is moordery, roof en ghewelt3).
 
 
 
3.
 
Daer syn nu duyst ses hondert Jaeren
 
Alree vervaren,
 
Hoe dat den Hoeck-steen was gheleydt
 
Van d' alghemeyne Christen Kercke,
 
Die soo ick mercke
 
De weerelt door haer overspreyt.
 
 
 
4.
 
Die uyt de dese souckt te blijven
 
Sal henen drijven
 
Met den ghemeynen sonde-vloedt.
 
Die hem ontsien wilt te verdrincken
 
Sal overdincken
 
Dat hy dit schip aenreesen4) moet.
[p. 234]
 
5.
 
Christus ons Heyl, ons offerande
 
Seer goederhande
 
Door sijne doot is voor-ghegaen,
 
Soo naederhandt tot allen tyen
 
Door bitter lyen
 
Menigh goe mensch oock heeft ghedaen.
 
 
 
6.
 
De Martelaren, wiens ghedachten
 
Soo weerdigh achten
 
De Christenen van rechten aerdt;
 
De Maeghdekens, wiens suyver leven
 
Godt heeft verheven,
 
Sijn dit ghespuy noynt aenghepaert.
 
 
 
7.
 
Hieronimus, noch Augustinus
 
Sijn met Calvinus
 
Tot noch toe commen over een;
 
Noch onse Bischops of Doctoren
 
En haan te vooren
 
Met Beze1) of Luther iet ghemeen.
 
 
 
8.
 
Nochtans men hauwt dat dees verkeeren
 
Om hun goe leeren
 
In 't saeligh-rijck beloofde landt,
 
Langh eer Calvin het volck verdoofde
 
En uyt den hoofde
 
Een2) nieu onclaer gheloove vandt.
 
 
 
9.
 
Men hauwt oock vast dat dese Landen
 
Uyt s' vyandts banden
 
Tot onser welvaert syn verlost
 
Door Sint Amand en sinte Lieven,
 
Langh eer die dieven
 
Den sielen roof oynt haân begost.

Men ziet het, 't zijn de conventionele aantijgingen in middelmatige didactische verzen. Koel is dit alles, vergeleken bij zijn verdediging van het H. Sacrament des Altaars. In gedicht 33 van zijn Goddelicke Lofsanghen, getiteld: Bereydinghe tot het Heyligh-weerdigh Sacrament des Autaers, ter eeren van 'tbroederschap des zelfs, in de cathedrale kerck van S. Bavo tot Ghendt, vinden we in gedragen alexandrijnen een schone meditatie over het sacrament, in de vorm van een toespraak van den gelovigen communieganger tot zijn ziel. Verzen zijn er in die een Protestantse Avondmaalsganger tot de zijne zou kunnen maken3):

 
3.
 
Mijn Siel, heft dan om hoogh' uw' binnenste ghedachten!
 
Noch en laet die niet meer in vuylicheydt versmachten!
 
Maer met een goet ghepeys voert die ten Hemel in,
 
En desen langhen wegh en salse niet vermoeyen:
 
Jae sullen boven dien te wackerder hun spoeyen,
 
Ist dat zy sijn omlaeyt met 'tVier der hooghster min.
[p. 235]
 
4.
 
Helaas! mijn aerme Siel! mijn Siel, ick moet u vraeghen:
 
Waert ghy te voren niet als eenen nest vol plaeghen,
 
En eenen vuylen sack vol alder-hande quaet?
 
Maer 'tis ons wel verkeert: Godt wilt nu by u wesen,
 
En commen willighlijck in u ghewis1) gheresen2)
 
Quijt-scheldend' uwe schuldt, verghevend' u misdaedt.
 
 
 
5.
 
Wel aen, wilt dan u hooft met asschen over-decken:
 
En doet dijn hoovaerdij van stonden aen vertrecken.
 
Beweent u sonden vuyl, oirspronck van u verseer3)
 
En met dees' asschen louw zal uwe liefd' ontsteken:
 
Oock blyschap bringhen voort, die uwen druck zal breken,
 
En u oidmoedigh hert heffen ter hoogster eer.

Is de dichter zich bewust geweest dat de Protestant, ook zonder dat hij de Roomse transsubstantiatieleer aanvaardt, eveneens deel kan hebben aan deze blijdschap en zaligheid? Waarom anders ineens die abrupte afbreking van de vrome overpeinzing in de slotstrophe, waarin het sterke besef tot uitdrukking komt, dat dit heil alleen voor den ‘huisgenoot’ is weggelegd:

 
8.
 
Vliedt, Nieuw's-ghesinde, vliedt: want het en is gheen reden,
 
Dat ghy de schoone vrucht deser verborgentheden
 
Zoudt deylen neven ons; maer schrumt4) daer voor, en beeft.
 
En ghy-lien5), die God heeft met ‘toud’ Gheloof doen mercken,
 
Nutt' dicks dees spijs' en dranck, om u-lier6) Siel te stercken:
 
Want zy dogh nievers el dan by de dese leeft.

Geen ketter mag aan dit heiligste der heiligen deel hebben. Het onmiddellijk hierop volgende sonnet Van de Waerachtigheydt des lichaems Jesu Christi, in het Heyligh-weerdigh Sacrament des Autaers (no. 34) is een van de treffendste en hartstochtelijkste ontboezemingen die door Contra-Reformatorische dichters tegen de Calvinisten geschreven zijn. Let op het felle geloofsdispuut, de emphatische herhaling van de aanspreekvorm in de vijfde regel, het krachtig ‘neen’ in de aanvang van het tweede terzet:

 
Godt, die Locht, Zee en Aerd' het wesen ded' aen-vaeten,
 
Schiep al dit uyt niet7), segghende dat 't soo sy.
 
Christus, dien ick Gods soon en selve God belij,
 
Heeft ons door woorden claer zijn Lichaem hier ghelaeten.
 
 
 
Maer ghy, ghy Ketter valsch, sijt ghy niet weerd om haeten,
 
Die wilt datmen God's woord verminder en besnij!
 
Hy sprack: Dat's mijn Lichaem; sprack hy 't, hy bleeffer by.
 
Waer toe dient dan versiert sulck ydel-hoofdigh praeten?
[p. 236]
 
Ghy kent1) dat 't God vermoght, dat hy 't oock heeft gheseydt.
 
Dit segghende, nam hy doen eenigh onder-scheydt?
 
Soo niet? waer toe wilt ghy sijn moghentheijdt berooven?
 
 
 
Neen, God's waerachtich woord en kan gheen faute slaen.
 
Sprack hy 't, hy wild' het zoo; wilt hy 't, het wiert ghedaen.
 
Dat hy moght2), wild' en sprack, moet-men dan vast ghelooven.

Zulk een tegenstander is het waard, dat men aandacht aan hem schenkt.

1)Zie over hem de uitvoerige biographie van Dr. O. Dambre, De Dichter Justus de Harduijn, Gent - Parijs - 's-Gravenhage, 1926 en G. Knuvelder, Bouwers aan eigen cultuur, Den Haag, 1934, blz. 105-136.
2)Dr. O. Dambre, t.a.p., blz. 93.
3)Dambre t.a.p., blz. 62.
1)Opnieuw uitgegeven door Dr. Rob. Foncke, Antwerpen, 1922.
2)Soortgelijke ‘bekeringen’ kwamen toen meer voor. Zo werkte Otto Vaenius in 1615 op verzoek van Isabella zijn profane Minnebeelden (1608) om tot emblemen van goddelijke liefde. De Helleense Eros werd omgevormd tot Amor Divinus, de Anteroos (weermin) tot Anima (de ziel), zie Dr. J.B. Knipping, t.a.p., dl. I, blz. 67.
3)Opnieuw uitgegeven door Dr. O. Dambre, Antwerpen, 1933.
4)Dambre, Godd. Lofs., blz. 16.
1)Ik cursiveer de laatste regel. Hier verloopt de uitwerking van het Hooglied-thema in het alledaagse.
1)De onverenigbaarheid van Schriftuurlijk geloof en erotische mystiek is uitvoerig aangetoond door K. Schilder, Eros en Christus, in M.J. Leendertse en Dr. C. Tazelaar, Christelijke Letterkundige Studiën, dl. II, Amsterdam, 1926, blz. 130-218. Ten onrechte meent Dr. Rob. Foncke, Nieuwe Gids, 1917, I, 278 e.v. dat deze geestelijke erotiek on-Middeleeuws is en een triomf betekent van de Renaissance ‘met haar wulpse weelderigheid’ en ‘haar hang naar zinnelijke bekoring’. De Contra-Reformatie grijpt hierin terug op de Middeleeuwen. Dergelijke zinnelijke uitingen van godsdienstige verering - vgl. daarvan ook de moderne voorbeelden bij Schilder - treft men aan bij Roomse kunstenaars van alle tijden. Essentieel is er tussen de verschillende perioden geen verschil: formeel verschilt de erotiek van de barok met die der Middeleeuwen door de aanknoping aan heidens-antieke vormen.
1)De gelegenheidsgedichten van De Harduijn zijn uitgegeven door zijn biograaf Dambre in diens reeds genoemd werk, blz. 328-343.
2)Vgl. zijn lied Tot alle Godts Heylighen, Godd. Lofs., blz. 77, omwerking van een Roose-mondgedicht.
3)In de 2e ode is deze strophe weggelaten, als toen minder actueel.
4)Zich vastklampen aan.
1)De mening door Dambre in zijn biographie uitgesproken dat Den Val ende Opstand van David (1620) bewerkt zou zijn naar een dichtwerk van den ‘aartsketter’ Beza, bleek hem later op een misverstand te berusten. Tussenschakel tussen Beza en De Harduijn was Remy Belleau (zie zijn uitgave van Den Val ende Opstand, Antw. 1928, blz. X).
2)Tekst: En.
3)Men denke slechts aan de avondmaalsgedichten van den Calvinist Huygens.
1)Geweten.
2)Gedaald.
3)Droefheid.
4)Vreest.
5)Tekst: ghy-lier.
6)Tekst: u-lien.
7)Lees: ‘Schiep dit al uyt het niet’?
1)Erkent.
2)Kon.
prepostterug  begin  verder