Een van de meest aantrekkelijke propagandistische middelen van de Kerkhervorming was wel geweest het gemeenschappelijk zingen der psalmen tijdens de godsdienstoefeningen. Wijduit over de landen had het plechtig psalmgezang geklonken tijdens de hagepreken; alle nieuwgezinden waren mede daardoor bezield met kloeke geloofskracht; de Christelijke gemeente was door deze gezamenlijke deelneming aan de eredienst in hoge mate geactiveerd.
De leiders der Contra-Reformatie zagen dat zij tegenover dit geduchte geestelijke wapen iets gelijkwaardigs stellen moesten. Wel bleef men vasthouden aan de oude Latijnse hymnen, die voor, en niet door, de gemeente gezongen werden, maar daarnaast begreep men aan de leden der kerk ook het geestelijk en kerkelijk lied in de eigen taal te moeten meegeven: ook haar kinderen moesten op de catechisaties en de zondagsscholen uit de schat der oude en nieuwe kerk leren zingen; ook voor haar had het geestelijk lied, althans in die streken die met ketterij besmet waren, propagandistische waarde. De gewoonte werd ingevoerd dat er op de catechisaties driemaal, bij het begin, in het midden, en aan het einde der lessen, door de kinderen gezongen werd1). Geheel zonder strubbelingen kwam deze hervorming niet tot stand. Tweemaal (in 1599 en 1618) hebben b.v. de Nederlandse Provincialen der Jezuïetenorde er een stokje voor willen steken, maar het achterwege laten van de zang had een gevoelige terugslag op het catechisatiebezoek ten gevolge, zodat het zingen maar spoedig weer in ere werd hersteld.
Vooral in de eerste decenniën der 17e eeuw is er op dit terrein veel gepresteerd door de Zuidnederlandse dichters der Contra-Reformatie. Verschillende gezangenbundels treffen wij aan in die tijd, die niet alleen dogmatische en mystieke liederen benevens zangen over de heilshistorie bevatten, maar ook apologetische en polemische liederen. De haat jegens de ketterij moest op alle mogelijke manieren in de harten der kinderen ‘ingestampt’ worden, zoals het zo kernachtig wordt uitgedrukt in het door pater Poirters vertaalde Jezuïetische jubileumboek Afbeeldinghe van d'eerste eeuwe der societeyt Iesu, 1640: ‘Vanden rotten appel en komt doch gheen deught, 'ten zy men de kerne daer uyt neemt, ende in eenen goeden grondt plant, om daer van een iongh spruytjen op te queecken, 'twelck, door de sorghe vanden boogaerdtman gade gheslaghen, allenghskens opwasse, en sijne vruchten nae der handt in groote menighte aen
de stadt bedeele. Den aerdt der ouderlinghen1) was voor het meerder deel in Nederlandt verdorven: groote vruchten hier af te verwachten, scheen te vergheefs: dus heeft ons goedt ghedocht hunne kinders, als de kernen ende het saet vande naekomelinghen, t'onswaerts te nemen, die in kercken en capellen ghelijck in eene goede aerde te planten, de selve inden Heere te beherten2), met goede vermaeninghen te besproeyen, inde Christelycke leeringhe t'onderwijsen, ende de vreese Godts, met den haet der sonden ende der ketterijen, daer in te stampen: met een woordt, vruchtbaere boomen tot welvaeren vande Republijcke daer van op te queecken. Met wat vernoeghen des volcks en profijt der sielen dit werck over al, tot dien dagh ongheploghen, wy bestaen hebben, gaf niet alleenlijck den grooten toeloop te kennen, voor den welcken nu de kercken soo enghe vielen, datmen t'alle kanten in vensters ende op lederen klom’ (blz. 558-559). We krijgen hierdoor tevens een kijkje op het effect dat deze Contrareformatorische catechisaties gehad moeten hebben3). Ook over de catechisatieliederen wordt er gesproken: ‘Men hadde de hooft-punten des gheloofs in rijm ghestelt, de welcke alsse nu, tot verlustinghe t'saemen en leersaemheyt vande kinderen, ghesonghen wierden, soo wierden eensweeghs4) onder de meyssens ende ionghedochters in winckels ende op straete de vuyle liedekens uytghebannen, ende in plaetse van die, gheestelijcke, diemen inden Cathechismus hoorde, inghebraght’ (blz. 559).
Vele van de liederen die aan de kerkelijke hoop der toekomst geleerd werden, waren van oudere datum: veelal zijn het gemoderniseerde Middeleeuwse liederen of vertalingen van de traditionele kerkhymnen. Vele nieuwe werden er aan toegevoegd, gelijk juist uit ons onderzoek gemakkelijk aan het licht gebracht kan worden. Overal waar een antihervormde tendenz aanwezig is, hebben we te doen met liederen van na-Middeleeuwse oorsprong. Nu is het ondoenlijk in het raam van deze studie alle Rooms-Katholieke, Zuidnederlandse liedboeken van na de Hervorming te onderzoeken. We beperken ons dan ook enerzijds tot enkele die zo menigmaal herdrukt zijn dat ze tot de meest representatieve gerekend kunnen worden, anderzijds tot enige die door Kalff reeds als belangrijk gesignaleerd zijn. Als criterium nemen we het voorzien zijn van een Zuidnederlands drukkersadres. Daarmee weten we niet altijd of de auteurs van de meestal anonieme liederen Zuidnederlanders waren, ja niet eens of het wel werkelijk Zuidnederlandse drukken zijn. Bij het lied kan men de grenzen tussen Noord en Zuid niet zo precies trekken. Het lied is niet aan plaats of tijd gebonden. Er zal bij de bespreking voldoende gelegenheid zijn om vermoedens omtrent plaats van herkomst of tijd van ontstaan te opperen.
We beginnen dan met enkele liedboekjes, waarvan het niet zeker is dat het Zuiden ze voor zich kan opeisen, maar die blijkens het drukkersadres onderaan op de laatste pagina in 1616 en 1618 gedrukt zijn bij Jan Maes (Jan Masius) te Leuven. Kalff1) heeft ze in het voorbijgaan even besproken. Er is nog meer reden, ze vooraan te plaatsen, daar het zeker is, dat ze liederen bevatten van oudere datum dan het begin der 17e eeuw. Den lezer springt al spoedig in het oog een sterk verschil met de andere liedboeken uit de tijd van het Twaalfjarig Bestand. Daar telkens de ietwat schelle en triomfantelijke toon der Contra-Reformatie, hier gematigdheid, berusting onder de druk, bemoediging en vertroosting vanwege de nood des tijds. Deze tonen zou men eerder verwachten uit een gemeente onder het kruis dan uit het kamp der strijdbare en ten dele zegepralende kerk der Contra-Reformatie.
De titel van het eerste boekje luidt: Een Geestelijck Liedt-boecxken, inhoudende nieuwe Liedekens, nu anderwerf ghedruckt, verbetert ende vermeerdert met eenige nieuwe Leysenen, na geleghentheyt der Hoochtyden2). Volgens de titel is het dus een tweede druk. Op de laatste pagina staat onderaan: Vidit et approbavit S.O. Ghedruckt tot Loven, by Jan Maes. Anno 1616. De voorrede is ondertekend: Deucht wint.
Een lied, echt uit de tijd der verdrukking, verwant aan de poëzie van Katherina Boudewijns, is Een gheestelick Liedt op de voys: Een Ridder of een meysken jonck, oft, O Heer wie sal in uwen tent. Ps. 14, oft, Van Gerrit van Velsen3):
Een satiriek trekje schuilt er in de tekening van de ontgoocheling der ketters, als zij de gesmade Katholieken hiernamaals in de eeuwige heerlijkheid zullen zien. Sympathiek is het slotgebed voor de tegenstanders, zoals we dat ook wel in het Geuzenliedboek vinden, b.v. aan het slot van een fel gedicht tegen den Paus (van Lummel no. XLV, Kuiper no. 11):
Het tweede boekje draagt als titel: Een Nieu Geestelijck Liedt-boecxken, inhoudende veel nieuwe Liedekens, die welcke noyt in druck en zijn gheweest (.?.) (.?.) (.?.). Op de laatste bladzijde onderaan vinden we de toevoeging: Ghedruckt tot Loven, by Jan Maes. Anno 1618. Scheurleer1) vermeldt nog meer drukken, n.l. een van 1620, een van 1623 en een van 1631. Op de titelpagina van deze laatste uitgave lezen we nog: ‘Men vintse te coop by Tomas Pietersz. Baart, Boecvercooper ende Drucker, woonende tot Alckmaer, inde Langhe-Straet, inde Conincklijcke Propheet David.’ Zowel in de eerste als de laatste druk vinden we dialectvormen als: aenranght, rijmend op: vyant, cant (fo 19 v.o.); verlienen, rijmend op dienen (fo 23 r.o.); wiet = wijd (fo 18 v.o.). Deze kunnen wijzen op Noordhollandse herkomst. De mogelijkheid erkennend dat het een Noordhollandse nadruk is van een oorspronkelijk Zuidnederlandse uitgave, dunkt het ons toch waarschijnlijker dat dit boekje, evenals het
vorige, niets met het Zuiden te maken heeft en dat het Leuvense drukkersadres zuiver fictief is1). Een vijftal van deze kleine dertig liederen zijn ondertekend met B.M.I.H., één draagt het onderschrift: M.I. Verdel fecit (= Delver?).
Sommige van deze liederen zijn kennelijk van oudere datum, uit het begin der beroerten. Zo b.v. Een gheestelijck Liedeken, vant Heylighe Sacrament des Outaers, een verdediging van de transsubstantiatie, waarin deze roep om vrede ons treft:
Nog duidelijker is deze oude herkomst in Een nieuw Geestelijck Liedeken van aenbidden der heyligen:
De eerste vijf liederen, waaruit ook het bovenstaande werd geciteerd, hebben, gelijk veel vroeger werk, Bijbelteksten als bewijsplaatsen in margine.
Veel anti-hervormde uitlatingen staan er niet in dit boekje. Opmerkelijk is de allegorische aanhef van het 12e lied:
Een roepen tot den Here om hulp tegen de verwoede ketters:
Eén lied, met reminiscenties aan het Wilhelmus, citeer ik in zijn geheel:
In zijn van ouds bekende beschuldigingen van geldzucht, hovaardigheid, zucht tot ongebondenheid en schijnheiligheid is dit lied nog 't scherpst van het hele bundeltje.
Geheel zonder titelpagina, drukkersadres, jaartal en approbatie verscheen een liedboekje van slechts zestien pagina's onder de titel: Sekere Nieuwe Liedekens, by een vergadert, die door (lees: voor) desen noyt meer in Druck en zijn gheweest4). Geen enkel van de er in opgenomen liederen draagt een ondertekening met naam, initialen of zinspreuk. Evenals de hiervoor besproken boekjes heeft het ex. van de Nat. Bibl. deel uitgemaakt van de z.g. bundel van Bogaers5), die later uit elkaar gehaald is. Scheurleer6) voegt aan de titelopgave toe: [Antwerpen, G. Lesteens, c. 1623? of Alckmaer, Jacob Cornelisz.?] Ik acht het exemplaar mede om het ontbreken van de gebruikelijke approbatie, een Noordnederlandse nadruk: de toon van sommige dezer liederen was veel te scherp dan dat een uitgever er in dìe dagen enig risico mee kon nemen. Een Zuidnederlandse druk verscheen in 1623 bij H. Wouterszoon te Antwerpen, terwijl later ook een Noordnederlandse uitgave verscheen bij Corn. Dircksz. Cool, z.j.
Een voor ons doel belangrijke beurtzang vinden we in dit boekje onder het opschrift: Een nieu Liedeken: Op de Wijse: Ghelijck als de witte
Swane, etc.1). De dialoog wordt gevoerd door de Reformeerde en die Catholijcken. Wij vinden er een samenvatting in van vele argumenten die door beide partijen in de geloofsstrijd te berde gebracht werden. De Reformeerde wil een nieuwe leer ingang doen vinden, die, volgens zijn zeggen, eigenlijk identiek is aan het oude Evangelie. Ze schelden elkaar uit voor papist; de term antipapist was blijkbaar nog niet uitgevonden! Wie verlopen papen gelooft, is kort en goed een papist, decreteert de Katholiek, wie goede priesters gelooft, blijft Katholiek. Maar gij hebt de kerk besmet met menselijke inzettingen, zegt de Gereformeerde. Neen, antwoordt de Katholiek, gij zijt van ons geweken door Uw kerkvernieling, uw valse evangelieverkondiging en uw vrije levenswandel. Ook dit argument kan teruggekaatst worden: zie maar eens naar de levenswandel van uw monniken en papen: ‘droncken drincken ende by-slapen, dat doen sy meest altemael.’ Geheel in de geest van Anna Bijns luidt het antwoord der Katholieken:
Nu begint de argumentatie van den Gereformeerde te verzwakken. Alles goed en wel, zegt hij, maar men zou toch gaarne zien dat de priesters een goed voorbeeld gaven. Dit is het puntje waar de Katholieken hem weten te vangen: sedert het Concilie van Trente is er immers in de levenswandel van de geestelijken zoveel verbeterd. Dit is de sterkste stelling van de Contra-Reformatie. Onvervaard antwoorden de Katholieken hem dan ook:
Dit moet de Gereformeerde wel toegeven:
Of deze ketter zich nu ook werkelijk bekeerd heeft, meldt de historie niet, maar voor den Katholiek is het pleit beslecht. Het gedicht eindigt met hun gebed:
Behalve een onbeduidend liedeke van Sinte Paulus bekeeringhe, een Rooms schriftuurlijk-lied met polemische strekking, vinden we hier nog een lied dat blijkbaar bedoeld is als verweerdicht tegen een Geuzenlied: Een nieu Liedeken, Op de Wijse van de Babilonische Hoere. De aanhef is vrij fel:
Een hele reeks geschilpunten wordt nu weer opgehaald: dat de Roomse kerk gebouwd is op de steen Petrus, het eren der beelden, het houden der vasten, het gezag der H. Schrift, het gebruik van kaarsen bij de
beelden, de leer van de Engelbewaarder enz. Twee coupletten wil ik er tot slot nog uit citeren, beide van ongemene scherpte:
Nauw verwant aan de reeds besproken liedjes zijn de niewe Liedekens en Letanien om te singen, die we vinden in een Antwerpse druk, waarvan de volledige titel luidt: Drie Vraegh-liedekens van sommighe Catholijcke personen dickwils uytghegeven aen alle Ghereformeerde ofte andere nieuwe Predicanten, waer op noyt grondelijck ofte bescheydelijck2) gheantwoort is, door H. Frederick Reyniersz van Cranenburgh. Met noch Eenighe andere niewe Liedekens en Letanien om te singen, gecomponeert door verscheyden Autheuren, sommige noyt voor desen gedruckt, met de Acht Catholijcke Propositien tegen alle nieuwe gesinden door P. Franciscus Costerus, Priester der Societeyt Jesu. t'Antwerpen. By Guilliam Lesteens, Boeck-vercooper inde Hooghstraet, inde vergulden Pellicaen, Anno 1643.
Het eigenlijke pièce de résistance, de drie vraagliedjes, laten we voorlopig even buiten beschouwing, om eerst de andere liederen te bespreken. We treffen er in aan: De Litanien van onse L. Vrouwe; liederen voor de zielen in het vagevuur; Vijfthien Liedekens op de 15. misterien des H. Roosecrans, waarvan 13 ondertekend zijn met de spreuk Semper Certamen en waarvan ik één in de Inleiding van dit boek (blz. 49) als voorbeeld van barokpoëzie reeds heb aangehaald; enkele liederen voornaamste feestdagen, enige specifiek anti-geuse gezangen, benevens in proza de Acht Catholijcke propositien tegen alle Nieuw-ghesinde ende Sectarissen door den bekenden ketterbestrijder pater Costerus. Genoeg om te doen zien dat deze uitgave bedoeld en opgezet is als propagandageschrift, met het lokaas: varietas delectat. Men lette op het jaar van uitgave: 1643, een jaar waarin de militaire actie van Frederik Hendrik tegen Vlaanderen een nieuwe bedreiging vormde voor het Katholieke geloof, en waarin we dan ook verhevigde polemische activiteit zullen opmerken (o.a. van Lambertus Vossius).
Allereerst vallen ons op twee liederen op de wijze van het Wilhelmus. Het eerste, een uit dichterlijk oogpunt niet zo kwaad vers, heet Een nieuw Liedeken van de heylighe Kerck en vangt aan:
Het andere draagt geen opschrift. Het dateert uit de tijd van de Arminiaanse twisten en bevat een aansporing tot Holland om weer onder de vleugelen van de moederkerk terug te keren. Welk een tegenstelling: Holland vroeger en Holland nu!
Dat geloof is het geloof van St. Willebrord. Houdt daaraan vast, zegt de dichter. Heeft Calvijn ooit mirakelen gedaan?
Hierop volgt het felle lied dat we ook vinden in de liedbundel van Van Haeften, die we straks zullen bespreken, met de stokregel: Want Godts Kerck en is daer niet’. Een gedicht waaruit een zekere mate van kennis omtrent de Gereformeerde kerkgebruiken blijkt heet Apenspel ende menschen insettinghe, en gaat op de wijze: ‘Gheeft my te drincken nae mijnen dorst’. Het heeft de vorm van een vraaglied; de volgende inleiding gaat aan de vragen vooraf:
Dan volgt een serie vragen over de meest uiteenlopende kwesties: theologische geschilpunten in de trant van: waar staat in de Bijbel dat er geen vagevuur is, èn onbelangrijke practische aangelegenheden. Hier volgen enige voorbeelden:
Het slot luidt:
Een standpunt, waarbij de Traditie feitelijk niet alleen naast, maar ook boven de Bijbel geplaatst wordt. De Protestant daarentegen aanvaardt niet de Bijbel als Gods Woord, omdat de Traditie dat zo leert, maar hij leert dat ieder die door Gods Geest verlicht is, de Schrift als zodanig herkent door het testimonium Spiritus Sancti.
Op deze satire volgt een lang onbeduidend dogmatisch gedicht Christelijcke Leeringhe, Op de Wijse: Maximiliaenus de Bossu: bedoeld zal wel zijn het populaire1) Geuzenlied van die naam, dat we zowel in het Geuzenliedboek (v. Lummel no. LXXIV, Kuiper no. 72) als in Valerius' Gedenck-Clanck (blz. 58), vinden; het geuzenlied heeft echter strofen van 7 versregels van 7 à 9 lettergrepen, het onderhavige lied strofen van 10 regels met meer lettergrepen; blijkbaar is hier dus een vergissing in het spel bij den Zuidnederlandsen dichter; of is er nog een lied dat zo begint, b.v. een loflied op Bossu? Smakeloos is het van een dichter, die ondertekent met F.H.H., dat hij in een lofzang ter ere van Maria: De Eerste blyde misterien ter eeren De Bootschap van Maria en passant de ketters een veeg uit de pan geeft:
Iets dergelijks zullen we niet in de hierna te bespreken bundels van Van Haeften en de Brugse Jezuïeten aantreffen.
Na het bijwerk uit dit Liedboek te hebben besproken, komen we thans tot datgene wat niet uit poëtisch, maar wel uit cultuurhistorisch oogpunt de hoofdzaak is: de drie vraagliederen; interessant wegens alles wat er omheen is voorgevallen, en om hun betekenis voor de Roomse geloofs-propaganda. Uitvoerig worden we daaromtrent ingelicht door een Calvinistisch verweerschrift, opgesteld door Ds. Hieronymus Vogellius, predikant te Hem, later te Enkhuizen2). De titel van dit verdedigingsschrift (Catal. Knuttel, 2134) luidt: Grondelijcke ende bescheydelijcke Antwoorde op drie Papisten Vraech-Liedekens aen den Ghereformeerden ghesonden, die onlangs uyt het Hoochduydtsche in het Nederduytsche zijn overgheset, door den Rhijm verciert, ende in druck uytghegheven, Door Heer Frederick Reynaerts van Cranenburch. Ghestelt door H.V. eenen van den Aldergheringsten Predicanten der Ghereformeerde Kercke. Ghedruct tot Enchuysen. By Jacob Lenaertsz Meyn, Boeckvercooper op de nieuwe Straet, int vergulden Schrijfboeck. Anno. 1614. Kort na de tweede druk der Vraag-liederen verscheen ook van dit werkje een tweede druk (1644) met de volledige auteursnaam op de titelbladzijde (Catal. Knuttel, 5139).
In de Inleiding Totten Christelijken Leser (in de 2e uitgave iets uitvoeriger dan in de 1e) deelt hij mede dat deze drie vragen oorspronkelijk in 1608 zijn uitgegeven onder de titel van Predicanten-Latein (‘misschien
om dat, ghelijk, ogh arm! de Gereformeerde Predicanten geen Latijn konnen verstaen ende uytleggen: sy even so weynigh dese drie Vragen souden konnen verdouwen ende wederleggen!’)1).
Op de Frankfortse Mis werden ze ‘als een weerdigh Iuweel ende cieraet der selver voortghedaen’ (te koop aangeboden). Door de Hoogduitse Gereformeerde predikanten is het beantwoord in Kurtze und bestendige Antwoort der Predicanten auff das genandte Praedicanten-Latein: gestellet durch Gratianum Vermelium Latipratensim, einen der geringhsten unter ihnen, 1608. Deze heeft dit Latijn op de Mis uitgelegd, en 't afdoende weerlegd zodat ‘het selve (ofte aldaer niet meer geldende; ofte den schamelen Nederlantschen Papisten daer door te verrijken, te vercieren, ende tegen d'ongeleerde Predicanten al hier te wapenen, ja haer te bespringen, ende (wat raet?) schaemroot te maken; ofte den Landtloopenden Almanach-verkoopers noodigh, om te beter d'een fraeyheyt metten and're te verkoopen, daer toe de forme des Pampiers met een open vel seer bequaem was, om mette andere nieuwe Liedekens ook door dese Gesanten uyt-getrompet te worden; ofte om yets anders (wie weet waer toe?)) nederwaerts is gesonden gheworden. Hier zijnde, ende omtrent den Bosch ende elders wat hergroent zijnde, is van den Heer Frederick Reynaerts van Cranenburch door oversettinghe ende Neer-duytschen Rijm ook op de Voyse des Gereformeerden (Onse Vader in Hemelrijck) gesangk ghepast, ende met dubbele Approbatie der Roomscher Kerke, als seer weerdigh ghelesen ende gesonggen te worden, bekraghtight, door den druck uytgegheven. Ende zijn die Vragen haestelijk aen een der Lidtmaten van de Vergaderinghe, daer my God over ghestelt hadde, toe-ghesonden, ende met eenen Brief seer aengepresen ende aengheraden. Door wiens versoek aen my ghedaen, in Maent van October, omtrent, ik beweeght ben, tot verdeedingge der Waerheyt de selve te beantwoorden’ (Dec. 1613). Deze hele historie heb ik opzettelijk daarom uitvoerig gereleveerd, om te doen zien, hoe de Roomse geloofspropaganda werkte door geschriften, vergezeld van begeleidende aanbevelingsbrief, en dat 's-Hertogenbosch toentertijd uitvalspoort was van het Katholicisme. Daar ter plaatse is ook Vogellius' antwoord in het jaar 1614 door de geestelijkheid verbrand, gelijk hij in de 2e druk meedeelt.
Wie die Reynaerts van Cranenburch is? Vogellius schijnt het niet te weten. Vermoedelijk is het een schuilnaam: de Jezuïeten schreven in die jaren wel eens pamfletten tegen de ketters onder de deknaam van een hunner leerlingen2). De approbaties zijn gegeven door Egbertus Spitholdius, plebanus Antwerpiensis, 12 Aug. 1613, en door Gijsbrecht Coeverincx, deken van 's-Hertogenbosch, 17 Aug. 1613.
De Bossche brandstapel was wel in schril contrast met de wijze van uitgave door Ds. Vogellius, die het geschrift van zijn tegenstander in extenso had afgedrukt, vergezeld door zijn antwoordlied en kanttekeningen in proza. Beide rijmsels (gedichten kan men het amper noemen)
ontlopen elkaar niet veel in kreupelheid. In twee kolommen worden ze door Vogellius naast elkaar afgedrukt. Alle verzen zijn op de wijze van: Vader ons int Hemelrijck.
Het eerste vraaglied begint als volgt:
De vrager gaat voort: wie van de 230 Pausen is afgevallen? Wat heeft hij in het Evangelie veranderd? Heeft niemand dien Paus bestreden: zwegen de wachters op Sions muren, en waarom verstoorde Christus zijn werk niet? Hoe kan de Kerk verleid zijn, als de H. Geest met haar is? Als het niet uit God is, waarom gaat 's Pausen werk dan niet ten onder? Integendeel, de ketters zijn ten onder gegaan. Geen Paus zou hen bevochten hebben, als hun leer oprecht was geweest.
Het antwoordlied vangt aan:
Inderdaad zijn er van tijd tot tijd trouwe herders geweest die de afvallige Pausen bestreden hebben, maar velen er van zijn gedood en de meeste anderen zijn tot andere gedachten of tot zwijgen gebracht. Christus en de H. Geest bleven waarlijk bij de Kerk. (Hier is natuurlijk een overgang van het begrip der zichtbare naar dat der onzichtbare kerk, zodat het hele debat een langs elkaar heen praten blijft). Eenmaal gaat 's Pausen werk te gronde.
De discussie over het strijdpunt, in lied II aan de orde, is het belangwekkendst. De opponens vraagt: ‘of die nieuwe Predicanten oock met recht moghen Catholijck ghenoemt worden?’
Waar was uw kerk, waar is ze nu? Waar blijft gij met uw ‘successioon’? De apostolische kerk vindt men in alle landen, het is een stad boven op een berg.
De defendens is zeer uitvoerig in zijn antwoord. Alleen op het eerste couplet antwoordt Vogellius met 70 coupletten. Hierin kan hij zich geheel laten gaan, niet meer gebonden als hij nu is aan de rijmwoorden en de vraagstelling van den opponens. Hij begint als volgt:
en beschrijft dan achtereenvolgens datgene waarin Rome van de oudste kerk afwijkt. Door toon en inhoud herinnert dit stuk soms aan de antipauselijke Geuzenliederen:
Scherp tekent hij 't contrast Roomse kerk: Christelijke kerk:
Wat is daar Katholiek, roept hij uit, dan 't kwaad!
En over de kleinheid der Gereformeerde Kerk merkt deze late Limburgse geuzendichter op:
‘Het derde Vraech-liet of oock yemant door het nieu Evangelium saligh gheworden is’ begint met een tendentieuze voorstelling van wat de Gereformeerden leren:
We vinden hier uitingen van het hevigste kerkisme:
Het antwoordlied is veel minder exclusivistisch, doordat het zich op het zuiver schriftuurlijke standpunt stelt: niet Rome maakt zalig, maar Christus:
Het beroep op Sint Jan wordt spottend afgewezen met een wel wat armzalig argument:
Met dit alles nog niet tevreden, laat Ds. Vogellius in de tweede druk nog volgen een uitvoerige documentatie uit de Kerkvaders van de eerste vier eeuwen, een betoog waardoor dit werkje gerangschikt kan worden onder de polemische literatuur die uitgaat van de historische methode (vgl. Inleiding van dit boek, blz. 56-64).
Als klap op de vuurpijl volgt in de tweede druk ook nog een vers van I.P. Siecke-trooster2) ‘Tot bedengkinge der Papisten tegen de 3. Vraegh-liedekens, etc.,’ dat eindigt:
Tot nog toe bespraken we het polemische geestelijke lied zonder meer; met Benedictus van Haeften betreden we het terrein van het reeds in de aanhef van dit hoofdstuk genoemde catechisatielied: het geestelijke lied, dat speciaal geschreven werd ten dienste van de kinderen der kerk, dat
deze hun meegaf voor hun later leven1). Benedictus van Haeften2) stamde uit een bastaardlinie van een Betuws riddergeslacht; werd geboren te Utrecht en heette oorspronkelijk Jacob van Haeften, werd in 1618 proost van de abdij te Afflighem, waar hij in 1627 een kloosterhervorming invoerde3). Hij schreef een reeks veelgelezen stichtelijke werken in het Latijn, o.a. Schola cordis, sive aversi a Deo cordis ad eundem reductio et instructio, Antv. 16234); Panis quotidianus, sive meditationes sacrae in singulos anni dies distributae, Antv. 1634 en Regia via crucis, Antv. 1634. Onder zijn nagelaten handschriften bevinden zich ook opera poetica met epigrammen, raadsels e.a. gedichten. In 1648 is hij overleden. Aan zijn Latijnse werken gaat vooraf zijn Nederlands liedboek: Den Lust-hof der Christelycke Leeringhe, beplant met gheestelycke Liedekens, Tot verklaringhe vanden Catechismus des Artsbischdoms van Mechelen: Door Benedictum van Haeften, Proost van Afflighem. Tot Antwerpen, By Hieronymus Verdussen, A. MDCXXII. Met Gratie ende Privilegie5).
In de opdracht aan Jacob Boonen, aartsbisschop van Mechelen en prelaat van Afflighem, gedagtekend 25 Jan. 1622, deelt hij mede dat hij bij de inkomste van dezen aartsbisschop een aantal geestelijke liederen door de jeugd als wellekom had laten zingen. Hij zou deze liedekens (‘die ick, als verworpelingen, nu ettelijcke jaeren hadde in een hoecksken laeten schuylen’) niet hebben durven uitgeven, indien Boonen hem daartoe niet dikwijls had aangespoord.
In de Voor-reden Tot de Godt-vruchtighe ende Eerbaere Ionckheyd des Arts-bischdoms ende stadt van Mechelen zet hij de redenen uiteen die hem er toe hebben aangezet, de catechismus op rijm te brengen. Ten eerste is het leren van een gedicht aangenamer en gemakkelijker dan het leren van een les. Ettelijke auteurs deden het. ‘In der selver maniere heeft oock int jaer ons Heeren 1587. den hoogh-gheleerden ende wijdt-vermaerden Heere Guilielmus Lindanus6), eerste Bischop van Rure-