Van Adriaen Poirters (1605-1674) weten de meeste schrijvers van beknopte literatuurgeschiedenissen niet veel meer te zeggen dan dat hij genoemd moet worden: de Roomse, de Brabantse of de Oisterwijkse Cats. Wie Poirters zegt, zegt Cats; wie Cats zegt, zegt Poirters; het is zo ongeveer een letterkundige Siamese tweeling geworden. De meesten, die zo spreken, hebben alleen maar Poirters' Het Masker vande Wereldt afgetrocken gelezen, dat ontegenzeglijk zijn meest Catsiaanse werk is1). Wie zijn andere boeken ook leest, moet zien dat Poirters en Cats door werelden gescheiden worden. Gewoonlijk stelt men ze echter eenvoudig broederlijk naast elkaar. Reeds Jan Frans Willems2) zeide: ‘Pater Poirters is by my zoo wel een waeren volksdichter, als den Raedpensionaris, dien hy zeer dikwils op zyde komt.’ N.G. van Kampen3) noemt hem ‘volkomen de(n) Brabandsche(n) Volksdichter, omdat hij den trant van Cats volgde’: dit omdat is veelzeggend. Snellaert4) en Van Vloten5) deden het evengoed als moderne leerboekenschrijvers gelijk Greshoff en De Vries6), Bastiaanse7), Tazelaar8), de Vooys en Stuiveling9), Meyer Drees10).
Sommigen stellen den navolger in meerdere of mindere mate boven den voorganger: zo vinden Van Schothorst en Moormann11) dat hij ‘geestiger, meer goed-rond Brabants schreef’ (zoals hij sprak). Voor Prinsen12) stond hij ver boven Cats: ‘Hij was niet iemand, die het nu eenmaal wel aardig vond ongeveer als Cats te doen. In hem zat dezelfde drang als bij Cats, die drang tot leeren, tot verbeteren, tot opheffen, tot zorgen voor de zaligheid, minus de gebreken van Cats, minus Cats' deftigheid en pedanterie, minus Cats' schijnvroomheid en baatzucht.’ Men voelt dat Poirters hier alleen rijst, doordat de auteur Cats zo ver
mogelijk naar beneden haalt. Geyl1) vindt den Jezuïet een veel minder belangrijke literaire verschijning, maar als mens veel sympathieker dan ‘den Zeeuwsen burgerheer’, een veel zuiverder en ook vuriger leraar en prediker. Ook een oude Roomse bewonderaar als Alberdingk Thijm verheft Poirters' naam boven die van Cats: de eerste toch overtreft volgens hem den laatste ‘in reinheid en keurigheid van beelden, en in kieschheid van uitdrukkingen’2).
Tegenover deze hogere waardering van Poirters staat een liberale of anti-clericale afkeer van Cats en Poirters beiden, zowel in de Zuidelijke als in de Noordelijke literatuurgeschiedenis: de Zuidelijken richten zich natuurlijk fel tegen den Jezuïetenpater, de Noordelijken tegen den Gereformeerden volksdichter. Snellaert3) rekent Poirters tot de voornaamste schrijvers van de school der kloosterliteratuur: ‘eene koude, kleingeestige, hartelooze letterkunde, misdeeld van verheffing, de schoone zyde van het leven opofferende aen eene overdrevene gestrengheid. Het was deze letterkunde vooral die op enkele uitzonderingen na, de ontwikkeling der natie tegenhield, terwijl zy den mensch tot de dooding des geestes, tot de geestdrijvery, zelfs tot het bygeloof aenzette.’ In al zijn werkjes ‘ziet men de poging doorstralen, om het geluk te doen bestaen in de versterving van zich zelven, in de verwelking der ziel, indien ik my zoo mag uitdrukken.’ Al tezamen passages die uitermate geschikt waren om een vurig Katholiek als Allard tot uitingen van bittere ergernis te brengen4).
Max Rooses5) geeft een breedvoerige vergelijking tussen Cats en Poirters, waarin beiden een veer moeten laten. Poirters heeft, meent hij, meer dichterlijke aanleg dan Cats, maar door zijn milieu kon deze niet tot ontwikkeling komen. Cats heeft een verzorgde, Poirters een te losse vorm. Cats is vaak plechtig en statig, Poirters te plat. Pater Poirters is ‘kinderlijker rein dan Cats’! Cats is diesseitig, zonder de hemel uit het oog te verliezen; Poirters jenseitig, zonder de aarde uit het oog te verliezen. Toch, uiteindelijk, werpt hij Poirters net zo ver van zich als vroeger Snellaert. De leer der ascese is zo oud als de Katholieke kerk. ‘Deze oude, kloosterlijke leer werd door Pater Poirters en andere Jezuïeten in zooverre uitgewerkt, dat zij met eene vroeger ongekende kracht en kleurrijkheid den angst der dood, de gelukzaligheden des hemels en de ijselijkheden der hel wisten af te schilderen.’ Met kennersblik toont de schrijver hier dus, zonder termen als Contra-Reformatie of Barok te gebruiken, het specifieke van dit Katholicisme aan. Zo spreekt de fijne kunstkenner die Rooses was. De liberale ethicus in hem moet echter fel tegen dergelijke kloosterlijke opvattingen polemiseren: ‘Zeker, wanneer men de wereld verdeelt in twee groote klassen, de godvruchtige lieden en de kwezelaars aan den eenen kant, en de modepoppen en andere ijdeltuitige lui aan den anderen, dan zou de
vergelijking tusschen beiden, ten nadeele der laatsten kunnen uitvallen; maar neemt men buiten hen ook eene klas van menschen aan, die, zonder hunne dagen in kerk of gebed te slijten, ze toch ook juist niet in de kroegen en in liederlijkheid doorbrengen, dan zou de ontmaskerde wereld misschien dien luiden schimplach of dit schamper gegrinnik niet verdienen, die den grondtoon van Pater Poirters' verzen uitmaken.’ Hoe voelt men in de laatste woorden nawerken het verschil in levensbeschouwing met de Roomse beoordelaars, die juist altijd van den goedlachsen pater spreken!
Jonckbloet1) verwerpt hem natuurlijk al even hard als ‘den Zeeuwsen rijmer’. Hij wil slechts een enkeling van al die middelmatige navolgers, die in België bij de vleet opschoten, behandelen. Hij meent ‘dat hij niet zelden platter dan plat is, en in 't bijzonder als dichter niet hoogstaat.’
Te Winkel2) vindt wel iets te waarderen in de vorm van zijn zedepreken en in de handigheid van zijn stijl, maar daarnaast meent hij dat ‘het kleinere publiek van fijner beschaafden misschien meermalen aan de platheid der taal aanstoot genomen (zal) hebben en er zeker zijne aesthetische behoeften niet in bevredigd (zal) hebben gezien.’ Een mening die niet juist is: datgene waar wij nú misschien aanstoot aan nemen, vonden fijnbeschaafde humanistische geesten ten tijde van de Barok daarom nog niet plat. En bovendien, als zij mogelijk in dit werk geen bevrediging van hun aesthetische behoeften hebben gevonden, dan kwam dat alleen doordat het in de volkstaal en niet in hun taal, het Latijn, geschreven was.
In het Roomse literaire kamp van de huidige dag is de waardering verdeeld. Van Duinkerken en Oomes bevinden zich hier in zekere zin tegenover Vercammen en den Poirtersbiograaf Rombauts. Van Duinkerken3) bespeurt in Poirters het beginnend verval van de Contra-Reformatie: ‘Hier werd ze voor het eerst een bedachtzaam voorbehoud. En dit was wel de gevaarlijkste wending die ze kon nemen. Want van nu af aan verloor ze geleidelijk haar eigen karakter om steeds meer te gaan lijken op een strengheidswedstrijd tegen dominees.’ De verderfelijke invloed van het Calvinistische puritanisme ziet deze Jong-Katholiek hier als de kiem des bederfs. De Contra-Reformatie ‘is ten onder gegaan, toen haar leiders in gestrengheid van zeden gingen wedijveren met de voorgangers van puriteinsch gezinde sectes’ (blz. 75). Merkwaardige omkering van de feiten! Terwijl Poirters' ascetisme een zuivere facet is van de Franciscaanse levensversterving, wordt immer en altijd door deze jonge Katholieken aan het Calvinisme, dat toch alle terreinen des levens in wereldveroverende drang voor Christus opeiste, een bekrompen en benepen ascetisme toegeschreven. Terwijl Poirters als rasechte Roomse monnik de jongedochters vermaant, dat men in de helse stank niet zal vinden ‘de lieffelijcke blommekens, dickwils aen de neusen ghesteken’ en hen wijst op ‘de Saelighe Victoria, die veel iaeren tijts haer verstorven heeft van noyt voet in den bloem hof te stellen, daerse nochtans van nature weghen seer toe wierdt getrocken’4), putten
deze auteurs zich uit om een dergelijke verzaking van door God gegeven schoonheid aan het Calvinisme toe te schrijven. Voorbeelden te over: J.C.M. Pollmann1) schrijft over het Calvinisme b.v.: ‘Al het geschapene en iedere daad van den geschapen mensch gaat gebukt onder het “Deo placere non potest” en daarmee is het oordeel geveld over alle cultureele uitingen, omdat deze uitingen òf van de bedorven zinnen uitgaan òr zich langs den weg van het gevoel tot die bedorven zinnen richten. Het pure, kinderlijke genieten van al die kleine levensvreugden, die het leven van den mensch tot een genot maken, is daarmede verworpen.’ Wanneer zal het met deze legenden toch eens uit zijn! Weten deze schrijvers niet, dat de Calvinist eenvoudig leeft uit de gedachte, die Gods Woord hem leert, dat alle gave Gods, met dankzegging genoten, goed is?
P. Oomes2) ziet onzen Pater als een wat verburgerlijkt persoon. Hij vindt geen reden aanwezig om zijn werk te hoog aan te slaan. ‘Hij blijft al te zeer de populaire moralist. De deugd zowel als de ondeugd mist in zijn werk al het grootse. Er ligt in zijn moraal iets braaf-burgerlijks; hij past zich al te gemakkelijk aan bij de levenssfeer der kleine Roomse burgerij.’
Lijnrecht daartegenover staan de dithyramben van Vercammen3) die over het dichtwerk van een Poirters en een Stalpart v.d. Wielen, die hij in één adem noemt, spreekt als ‘de bezielde woorden van wijsheid en vroomheid der in nederigheid dienende priesters-kunstenaars.’
Bezadigder, en ook meer welgefundeerd, spreekt Rombauts zijn waardering uit over den man, aan wiens leven en werken hij twee boeken gewijd heeft4). Zijn moralisaties in verzen beschouwt hij als rijmelarij, met enkele geestige rijmpjes er tussen. Raak zijn soms zijn satirische verzen. Het best zijn zijn religieuze gedichten: deze geven vaak blijk van een zuiver gevoel, ja zelfs wel van hogere ontroering. Bovenal leeft hij echter voor ons door zijn proza, dat door frisheid en ongekunsteldheid nog altijd aantrekkelijk blijft5).
Even breed behandelt hij de verwantschap met Cats, en diens invloed op hem6). Onomwonden erkent hij, dat Poirters, ook voor hem de Brabantse Cats, veel aan dezen groten volksdichter verschuldigd is. Aan het begin van zijn beschouwingen hierover vat hij kort Cats' invloed samen: ‘de populaire trant, het model voor zijn gedichten, de maat van zijn vers en eigenaardigheden van zijn stijl, met hier en daar een brokje dat hij zich zonder blikken of blozen toeëigende.’ Zonder ook maar ooit zijn naam te noemen, maakte hij zich zelfs wel eens schuldig aan letterdieverij: men weet dat de zeventiendeëeuwse denkbeelden over literaire eigendom anders waren dan de onze. Ruiterlijk erkent Rombauts dan ook dat Cats de voorganger en Poirters de navolger was. Oneindig veel
is hij aan zijn leermeester in poeticis verschuldigd. In allerlei opzichten is Cats zijn meerdere: in rijkdom van productie, in mensenkennis, in verzorgdheid van zijn stijl, in de gave om boeiende lange verhalen te vertellen; in andere is hij echter zijn mindere: in religieus gevoel en in zijn gave om beeldrijk proza te schrijven. Ik stel daartegenover dat inzake dit proza een vergelijking met Cats onhoudbaar is. Cats schreef uit principe bijna geen proza: de poëzie maakt immers, meent hij, veel meer indruk op de toehoorders, ‘ghelyck het gheluyt door de engte van eenich trompet ofte schalmeye veel scherper uyt-schettert, als off het in de opene lucht los daer henen wierde uyt-gheblasen.’ Mag men nu het weinige, dat we van hem hebben, vergelijken met het vele van Poirters? Wil men dit toch doen, dan geloof ik te mogen zeggen dat Poirters b.v. een stuk als de Voorreden voor de ‘Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tydt’ niet had kunnen schrijven. Schilderachtigheid en levendigheid is niet de enige verdienste van proza.
Te betreuren is dat ten slotte ook Rombauts meent, denigrerend te moeten spreken over Cats: diens grootvaderlijke en pedante toga wordt weer voor de dag gehaald; kortom, Poirters is voor hem ‘een veel sympathieker figuur dan de uit de hoogte redenerende Zeeuwsche aartsvader.’ Waarschijnlijk onder invloed van de kritiek, juist op dit punt uitgebracht door den Noord-Nederlander Vercammen is de beschouwing over Cats' invloed in Rombauts' tweede boek ingekrompen tot enkele zinnetjes waarin we o.a. te horen krijgen: ‘Zijn echt volksche aard behoedt hem echter gedeeltelijk voor de zoo typisch Catsiaansche gebreken, met het gevolg dat de Jezuïet al zijn frischheid en natuurlijkheid behoudt, waar de Raadpensionaris ons vormelijk-stijf en pedant voorkomt’1). Dergelijke passages ontsieren het zo objectieve werk van Rombauts, betekenen een breuk met de weergaloze waardering van Cats door de Zuidnederlanders gedurende een paar eeuwen2) en vormen een aanklacht tegen alle voorname geesten in zijn land, niet het minst Poirters zelf, die zich door zo'n bekrompen pedant zou hebben laten inpalmen en beïnvloeden. Onpartijdiger dunkt mij het oordeel van Kalff3): ‘de geest van Cats, geënt op een Roomschen stam, heeft dien boom vrucht doen draeen van eigen kleur en geur en smaak’; ‘zoo Poirters veel aan Cats dankt, hij heeft zich een waardig leerling van dien meester getoond.’
Toch is met een juiste waardeschatting van Cats en Poirters beiden het probleem van hun onderlinge verhouding nog niet volledig opgelost. Er is veel overeenkomst in prosodie, in stijl, in moralistische strekking, enz., maar wanneer men dat alles haarfijn heeft aangetoond, heeft men het verschil van hun diepste wezen, van hun persoonlijkheid, nog niet uitgebeeld. Allard tipte reeds aan een dergelijke karakteristiek, door even de grote geestelijke afstand tussen deze mensen te meten4): ‘Gelijk de Brouwershavensche dichter van top tot teen aan 't strenge Calvinisme behoort, waarom de Catsiaansche kwartijnen of in-folio's de Bijbel zijn geworden onder de profane boeken onzer Dordtsche grootmoeders -
zoo is de Oisterwijker geheel en onverdeeld van 't Roomsch-Katholicisme doortrokken, en kan hij derhalve slechts door Katholieken in zijn volle waarde geschat worden.’ Allard zette hiermee de eerste schreden op de goede weg naar het wezenlijk begrijpen. Hij werd gevolgd door Vercammen, die echter uitgleed in het moeras van zijn ontzettende afkeer van Cats. De gebruikelijke, en ook bij Rombauts weer opduikende naam van Brabantse Cats, stuit hem tegen de borst. Hoe graag had hij gezien dat Rombauts nu eens en voor goed met die naam had afgerekend en tot een geheel nieuwe kijk op beider verhouding gekomen was1). Vercammen put zich uit in denigrerende beweringen over Cats2), die culmineren in de zinsnede (men vergeve mij de spelling): ‘Het breken met de tradisieonele gelijkstelling wordt, meer nog dan door de enkele essensieëele verschillen in hun werk, gerechtvaardigd door hun geheel verschillende geest. De burgerman in het kwadraat die Cats heet, met zijn vaak laag-bij-de-grondse, soms vulgair-sexuële, aardigheden, met zijn eeuwige bekrompen betweterij, verdient niet in gezelschap te blijven van, laat staan gesteld te worden naast, zelfs boven, de in trouwe liefde dienende priester, die immer naar Hoger schouwt en zich nimmer om een lonk en een lach van zijn publiek tot een goedkope piekanterie zal laten verlokken3).’ Deze doldrieste aanval op Cats, met de bedoeling, de grootheid van Poirters des te meer te doen uitkomen, kunnen we laten voor wat hij is. Maar nadat we deze ontboezeming met gepast stilzwijgen hebben aangehoord, willen ook wij, zij het op totaal andere basis, n.l. met volle waardering van beide dichters in hun soort, afrekenen met de naam Brabantse Cats. Zoals Cats de volksdichter der zeventiendeëeuwse Gereformeerden is, zo is Poirters bij uitnemendheid de dichter, niet van het Katholicisme zonder meer, maar van het zeventiendeëeuwse Zuid-nederlandse barok-katholicisme. Formele overeenkomsten tussen beiden achten wij ondergeschikt in betekenis aan het essentiële verschil in wezenskern van beide persoonlijkheden, en aan de onderscheiden vrucht, die hun werk voor hun eigen geloofsgemeenschap gedragen heeft. Enerzijds werk der Reformatie, geschreven voor het gezin als bouwcel der maatschappij, anderzij der werk der Contra-reformatie, geschreven tot levensheiliging van bagijnen en klopjes in het bijzonder, en van Roomse vrouwen in het algemeen4). Zo diep en wijd als de kloof gaapt tussen literatuur der Hervorming en literatuur der Barok, zo diep en wijd is de kloof tussen Cats en Poirters. De oorzaak dat men altijd wees op het Catsiaanse in Poirters was, dat men te uitsluitend lette op het zo uiter-
mate populair geworden Masker, en te weinig de devote geschriften in zijn beschouwingen betrokken heeft: dit was onjuist. Weliswaar vertoont ook het Masker barokke trekken, maar het is lang niet zo dóór en dóór barok als zijn mystieke en ascetische werkjes. Om dit aan te tonen willen we wijzen achtereenvolgens op de vorm van zijn geschriften, de verwantschap met de beeldende kunst en de inhoud van zijn poëzie.
Bezien we allereerst de uiterlijke vorm van zijn werkjes. Reeds in het Masker wordt ons oog vermoeid door de kaleidoscopische wirwar van beelden, die Poirters ons voortovert. Eerst geeft hij ons een emblema te zien met een dichterlijk bijschrift, daarna volgt de ‘aenspraeck’ in proza voor Philothea, bestaande uit een mengelmoes van vermaningen, wijze levenslessen, exempelen en ingelaste gedichten; vervolgens komen de ‘Toemaetjens’ en ‘Byworpjens’: een bont allerlei van anecdoten, spreekwoorden en raadseltjes, die los staan van het in de aenspraeck behandelde. In meerdere of mindere mate vinden we hetzelfde ook in zijn andere werken. Het Leven van den H. Franciscus de Borgia is volgens de titel: ‘verciert met sedelijcke op-merckinghen, printjens en dichtjens’: dat zijn dus vier samenstellende elementen: hagiographie, moralisatie, emblemata poëzie. Het Heylich Hof van den Keyser Theodosius is evenmin een biografie van Theodosius II (408-450) en zijn zuster Pulcheria zonder meer maar ook dit werk is (evenals trouwens al zijn werken) ‘verciert met Sinnebeelden, Rymdichten en Sedeleeringen’. Versierd is het juiste woord. Het is een bonte lap: allerlei historietjes en moralisaties worden door het hoofdmotief heengeweven: vermoeiend voor onze geest, zoals de voorgevel en het inwendige van een barokke kerk vermoeiend is voor ons oog. Zelf vat Poirters aardig samen wat er in zijn ‘kieskeurige’ eeuw zoal in een letterkundig werk geboden moet worden: ‘Ick weet wel datter over dit mijn Boexken soo roemweirdighe aessemen niet en sullen vlieghen, want om het minste deel van die te bekomen, soude ick moeten ten toon voor-stellen verheven stoffe, leer-saeme spreucken, bondighe redenen, aerdighe en waerdighe ghelijckenissen, ghedenckweirdighe Historien, gheestighe antwoorden, door-knede snel-dichten, spits-vinnighe versieringhen, bloemighe rymerijen, en dierghelijcke stoffagien en kokernagien1) om aen onse laeck-suchtighe en verseeuwde2) eeuwe smaeckelijk te wesen’3). Ziedaar het ideaal der Barok, waar hij zelf niet al te zeer onder is gebleven. Al de genoemde ornamentiek immers treffen we bij Poirters aan. Max Rooses, die deze versieringslust ook heeft opgemerkt, beziet het verschijnsel te eenzijdig Poirteriaans, niet als algemeen tijdsverschijnsel. Poirters zelf wijst in de goede richting: zijn eeuw eist literaire stoffering. Terecht zegt Rooses: ‘de overvloed wordt dan overdaad, de vindingrijkheid wordt spitsvondigheid, en de belezenheid begint aan praal- of praatzucht te gelijken .... Bij het sluiten van het boek moest eerder de uitroep “waar haalt hij het vandaan!” dan wel “wat is het juist en waar!” op de lippen van den lezer komen4).’ Beter dan Rooses hier het z.i. typisch Poirteriaanse demonstreert, kan men niet de typisch
barokke praalzucht, het effectbejag en de overspanning van de vorm typeren.
Als tweede punt noemden we de invloed van en de verwantschap met de barokke schilderkunst van zijn tijd. Enkele voorbeelden daarvan willen we noemen. Het is heel verstandig, zegt de dichter in zijn Nieuwe Afbeldinghe van de Vier Uytersten (blz. 8), om in uw bidcel of slaapkamer een doodshoofd te plaatsen: ‘edoch om dese lesse ons dieper in te scherpen, soo ist datter hedensdaeghs veel schilderijen worden ghevonden daer een wijs man onder sijn boecken sittende wijst op een doots-hooft en seght: Memento mori.’ Inderdaad een zeer geliefd motief der barok. Ruiterlijk erkent hij hoe hij geïnspireerd is door de eigentijdse schilderkunst in Het Leven van den H. Franciscus de Borgia. De eerste zin van zijn ‘Voor-reden aen de Godt-vreesende Philagie’ luidt: ‘Ick moet bekennen o Philagie dat ick een besonder behaegen somtijts heb genomen in een aerdighe en sin-rijcke schilderye, die ick1) hier niet met coleuren, maer met woorden u sal stellen voor ooghen’ (blz. 4). Soms handelt hij alsof hij op een schildersatelier zit. In hetzelfde werk (blz. 68) lezen we: ‘Eer ick u, ô Philagie, dese droeve geschiedenisse gae beschrijven, soo moet ick eerst een gordijn schuyven, om u een schilderye voor ooghen te stellen, want het bedietsel daer van slaet t' eenemael op 't ghene ick hier gae verhandelen.’ En dan zien we een barok stukje: een helse furie met een smokende, brandende fakkel in de ene hand, en met beschreven papieren op het voorhoofd, op het hart en in de andere hand. Het Heyligh Herte (1e druk, 1659) bestaat feitelijk uit niets dan dichterlijke en prozaïsche toelichtingen bij een aantal gegraveerde tableau's. Hoofdbestanddeel van elk tableau is een groot, traditioneel voorgesteld, meestal overdwars doorgesneden hart, dat bijna de gehele tekening vult en overal omringd is door op wolkjes zwevende engeltjes. De titels der hoofdstukken, hier ‘Vertooningen’ geheten, duiden aan wat de gravure voorstelt. 1. Het hart wordt bestookt door Wereld, Duivel en IJdelheid, maar beschermd door Jezus; 2. Jezus klopt aan de hartepoort; 3. Jezus verlicht het hart met een lantaren en ontdekt daar allerlei monsters, slangen e.a. giftige beesten; 4. Jezus veegt al dit ongedierte met een bezem uit het hart; 5. Jezus plaatst er vier schilderijen van de Vier Uitersten in; 6. daarna plaatst hij er de instrumenten van Zijn passie (kruis, leer, spons, roede enz.); 7. Jezus zit in het hart met een open boek voor zich, ter onderwijzing. 8. Jezus schiet het in brand met Zijn liefdepijlen; 9. Hij speelt in het hart op de harp om het te verheugen; 10. Hij versiert het met palmtakken, laurieren, en kroont het. Genoeg om te doen zien, welk een nauw verband er was tussen Poirters' werk en de barokkunst. De prentjes van Fruytiers2) zijn van dezelfde naturalistische mystiek als de bijschriften. Hoe drastisch-realistisch wordt hier voorgesteld de liefde, die men Christus moet toedragen met zijn ganse ‘hart’, Christus' woning maken in ons hart, Zijn reiniging van ons hart van vuile zonden. Christus zelf schildert, we zouden bijna zeggen als een barokkunstenaar,
dood, oordeel, hel en hemelse glorie in het H. Herte: ‘Hadt ghy ô Siel sulck een gheschildert Herte, ghy en soudt voortaen nimmermeer het hert hebben van uwen Rechter, en Godt te vergrammen. Laet dan eene ghedurighe meditatie u voor schilder-const dienen, om dese Vier Uytersten in u Hert te verbeelden’ (blz. 87). Blijkt ergens sterker, welk een inspiratiebron de barokke schilderkunst was, zowel voor Poirters' religie als voor zijn kunst? Het geestelijke wordt geconcretiseerd en veruitwendigd: mystieke liefde wordt getransponeerd in bijna kinderlijk-concrete beelden: innige mystiek paalt hier aan de meest banale hartjesromantiek.
Hiermee zijn we reeds genaderd tot ons derde punt: materieel is zijn werk eveneens opentop barok. Ook dit heeft een der vroegere onderzoekers reeds opgemerkt, zonder dat deze het toen nog als een tijdsverschijnsel kon determineren. Ik bedoel Endepols in zijn artikel over Poirters' Masker van de Wereldt Afgetrocken1). Hij legt sterk de nadruk op het Middeleeuws-Katholieke karakter van dit werk, maar tevens ziet hij het verschil met de Middeleeuwen. De lugubere schildering van de doodsverschrikkingen bij Poirters herinnert aan Middeleeuwse dodendansen, maar zijn realisme daarin overschrijdt de grenzen van de goede smaak. Endepols erkent zelfs een zekere juistheid in de woorden van Jonckbloet: Poirters immers heeft een ontegenzeglijke voorliefde voor het drakerige. Als voorbeeld van zulk een platitude en wansmaak haalt hij dan ook een passage aan over de droevige en gruwelijke dood van een echtbreekster: ‘De lichte-kooy doet hy (de bedrogen man) metselen in eenen donckeren kercker, en sluyten tusschen vier mueren. Den Pol poigneerdeert hy, treckt hem de huydt af, van 't geraemt maeckt hy eenen setel voor Mevrouw om op te sitten, het beckeneel dient haer voor een schroef2) om uyt te drincken; 't vel boven haer hooft gespannen is 't pavilloen3) by dage, en by nachte het decksel van haer bedde.’ Dit niet alleen: Poirters mist ook het naïeve der Middeleeuwen, hij is gewild zoetelijk en spreidt in zijn mystieke beschouwingen geleerdheid ten toon: ‘Bij zijn innigste, godsdienstige uitboezemingen hindert ons dikwels iets, dat wij misschien niet dadelik onder woorden kunnen brengen, maar dat wij dan instinktmatig voelen als iets vals of gewild zoeteliks’ (blz. 372). De lezer die zich Hoofdst. II van onze Inleiding herinnert, ziet onmiddellijk dat we hier met wezenstrekken van de barok te maken hebben.
De hier gesignaleerde naturalistische mystiek, en het welgevallen in het griezelige en het huiveringwekkende, benevens de belustheid op schrille contrastwerking, treffen we buiten het door Endepols besproken Masker in nog veel sterker en overvloediger mate aan. Wie bespeurt in Het Duyfken inde Steenrotse, dat is een medelijdende Siele, op die bittere Passie Iesu Christi mediterende (1e dr. 1657) niet de intensieve invloed van de, de gehele mystiek van die tijd beheersende, Exercitiën van Ignatius de Loyola! De mede-lijdende ziel, wat is voor haar de eigenlijke navolging van Christus, vraagt de dichter: ‘En peyst niet o Siel dat ghy u ten vollen hebt ghequeten als ghy alleen .... het bitter lijden Christi
handeloos1), met een bloote ceremonie by manier van spreken, zijt overdenckende ende eerende, neen seker dat en is niet ghenoech; ghy moet hem al naerder komen .... Ghy moet treden soo hy ghetreden heeft, lijden soo hy geleden heeft; droefheydt des herten voelen, ghelijck hy ghevoelt heeft; van u eyghen vrinden verlaeten worden, ghelijck hy verlaeten is; valsche beschuldinghe hooren, ghelijck hy ghehoort heeft; begeckt, beschimt, bespot worden, ghelijck hij begheckt, beschimpt, en bespot is ....’ De ware navolging van Christus is te vergelijken met de handelwijze van den schilder, die den lijdenden Christus schildert: ‘Ghy moet u passen op Christus, u handen op sijn handen, u voeten op zijn voeten, u zijde op zijn zijde, u hert op zijn hert, u siel op sijn siel, ende overdenckende, en doorgrondende soo zijn wtwendighe pijnen, als sijn inwendighe smerten, sult ghy in u ghebedt een kloeck en sterck opset maecken om dien dach in u wt te beelden dat ghy door uwe Meditatie in Christo aenschouwt hebt’ (blz. 1-5). Een dergelijke extatische geesteshouding, voor welke de hoogste gelukzaligheid feitelijk slechts bereikt kan worden in de stigmatisatie, staat wel in onverzoenlijke tegenstelling met de klare en pure blijdschap van de Reformatie, die in onwankelbaar vertrouwen zich beroept op en verblijdt om het eenmaal en definitief voor ons volbrachte zoenoffer van Christus op Golgotha.
Welk een barokke verlustiging in griezelige martelscènes in een passage als deze, ook ontleend aan het Duyfken (blz. 82-83):
Typisch barok is ook het overvloedige tranenvergieten van boetvaardige Magdalena's e.a. zondaars. In Den Spieghel van Philagie (1e dr. 1673) vinden we het b.v. in de ‘wee-moedighe siel-suchten’ van den kluizenaar Macarius:
Dit waeren de wee-moedige suchten van Macarius, die aen den sondaer leert datmen behoorden heele brandt-eemers met tranen-water uyt te gieten om sijn sondich herte af-te-spoelen’ (blz. 212 in de 4e druk). Het toppunt van onsmakelijk tranenrealisme vinden we wel in een afbeelding op blz. 230 van Den Spieghel van Philagie, die we Poirters zelf zullen laten beschrijven: ‘Het printjen hier van, om u wat licht te geven, is eene ooghe inde locht, stortende over-vloedighe traenen, die op het radt van een waeter-meulentjen vallen, het selve doen gaen, en omdraeyen, waer door het sondich herte gemaelen, en gebrieselt wordt, onder knielt de wee-moedighe Siele, die het meel in haeren schoot, als in eenen sack is ontfanghende.’
Naast de tranerigheid staat de bloederigheid: gruwelijk naturalistisch is het, als hij in het Heyligh Hof vanden Keyser Theodosius (blz. 21) zich indenkt dat hij, als God het niet verhoed had, een rauwe Indiaanse menseneter had kunnen zijn, die zelfs zijn eigen vader niet spaarde:
Een navrant contrast tussen beroemdheid in dit ondermaanse en verrotting in het graf vinden we in meditaties als deze1): op het graf van Salomo:
en op het graf van Helena:
Nergens vinden we meer verlustiging in dergelijke doodsbespiegelingen dan in zijn naar het Engels van Guilelmus Stanihurstus omgewerkte Nieuwe Afbeldinghe van de Vier Uytersten2): ‘Het graf is den hof van alle deuchden, het kerck-hof is de schole vande Christelijcke Philosophie ende wetenschappen’ (blz. 40). ‘Ghy siet in dit graf vier plancken van slecht houdt, een versleten slaepelaecken, en daer in een verrot lichaem ligghen, eenen uytersten schrick voor den reuck en voor het ghesichte. Ah wat blaeuw-ghestreepte serpenten sie ick in sijn hooft? wat dicke padden op sijn ooghen? wat al swadderighe3) en afgrijselijcke wormen in en uyt sijnen verrotten buyck krielen? t'is al-te-mael soo vol etter, en stanck, en af-gryselijck datter de af-gryselijckheyt selver af soude gaen loopen, en voor schroomen’ (blz. 47).
In dezelfde schelle kleuren worden natuurlijk ook de smarten der hel geschilderd: de versulferde duisternis, de pestilente stank, het eindeloos geween, de nijpende honger, de knagende wormen, enz.
Het tegenbeeld van deze helse taferelen vormt de sensualistische schildering van de hemelse vreugden: ‘Soo veel belanght den Reuck, die sal sijn vreught scheppen uyt den soeten geur vande saelighe Lichaemen, en besonderlijck van dat van de alder-heylichste Maeghet ende Moeder Godts Maria, die in haere Hemelvaert de baen onder-weghen, en den Hemel vervult heeft met onghelooffelijcke soete geuren, daer gheenen muscus, noch civetten iet by en konnen haelen, verre overtreffende de aen-ghenaemste speceryen van het gheluckich Arabien, en de soete aessemen vande violetten ende roosen’ (blz. 249). Men merke wel op dat dit barokke sensualisme veel geraffineerder is dan het enigszins naïef-realistische, ik zou haast zeggen, primitieve in de hemel-schilderingen van een Pater Brugman en van een Boethius à Bolswert1), die hierin nog echt Middeleeuws is. Bij dezen is de zintuiglijke genieting er een van heerlijk eten en drinken, bij Poirters hebben we met een meer verfijnde zinnelijke genieting te doen: ‘Den Smaeck sal oock sijn besonder vermaeck hebben, het welck nochtans niet bestaen en sal in spijsen ghesoden of gebraeden, noch in leckernyen, ofte kloecke wijnen; maer in eene aenghenaeme soeticheyt die den mondt, de tonge en het gehemelte sal bevochtighen’ (blz. 250).
Als we over de hemelvoorstellingen van de contrareformatorische kunst spreken, denken we aan der zielen triomfante hemelreis: juichende engelenstoeten die op luchtige wolkjes de verheerlijkte zielen der heiligen en gelovigen van de sombere aarde ten lichten hemel voeren: de gloria, zulk een geliefd thema voor den heroïsch gestemden barokkunstenaar, die hunkert naar de zalige Godsaanschouwing der triomferende kerk. Ook Poirters voert zijn gezaligd Heilig Herte opwaarts tot de hemelse ‘triomf-en-croondach’2):
Zwevend tussen aarde en hemel, mediteert de ziel over de kleinheid der vergankelijke dingen:
De wereld raakt uit het gezicht:
Weer de bekende antithesis. Maar juist dit contrastbeeld werkt uit aesthetisch oogpunt storend: wat in de schilderkunst een goed effect kan geven, bederft hier het beeld van het storeloos geluk; op een schilderstuk omvat men het clair-obscur in één blik, hier valt de voorstelling in beurtelings lichte en donkere beelden uiteen. Dat wil nog niet zeggen dat het niet mogelijk zou zijn uit de antithesen een nieuwe synthese in de literaire voorstelling te scheppen. Synthese der contrasten vinden we b.v. in de schildering van de vreselijke druipsteengrot, waarin de H. Rosalia, eertijds hoofse dame, gaat wonen: ‘daer geen beesten sich en souden hebben connen onthouden, daer gaet een teerste menschke vande gantsche werelt binnen woonen1).’
Nergens beter peilen we de afstand van de Middeleeuwen en de toch zo verwante Barok, dan in de volgende passage, waarin de zuivere ingehouden beeldende taal van Bonaventura opzettelijk wordt opgeschroefd, om maar een record aan effect te kunnen bereiken2): ‘Den H. Bonaventura seght, dat het gheschrey der verdoemde sal soo overvloedigh wesen, dat by aldien de tranen van elck een bewaert wierden, daer van eens een zee soude ghemaeckt connen worden, hoe groot men die soude willen
nemen: ende noch en seght hy niet, ghelijck de saecke is: daerom mooght ghy daer by voeghen [ik cursiveer!] soo veel tranen, als, niet alleen den Rijn, of de schelde, maer oock alle andere vloeden vande gheheele werelt, niet alleen op eenen dagh, maer in alle voorgaende eeuwen, hebben druppelen waters inde zee ghesonden: alsser druppelen regens van 't beginsel des werelts sijn op d'aerde gevallen: voeghter noch bij soo veel druppelen tranen, alsser waters is gheweest in d'onghemete diepte van Godt den eersten dagh des wereldts gheschaepen: ja, want [lees: wat] ghy wilt, voeghter noch by thien-mael, hondert-mael, duysent-mael, of soo veel meer, als t'u belieft: t'en sal al niet wesen by de traenen, de welcke elcken verdoemde, voor alle eeuwigheydt, sal storten.’
Genoeg om den lezer te doen zien dat Poirters echt een kind van zijn tijd en zijn volk was. Plat moge men veel van zijn werk vinden, men hone Poirters er niet om. Het verschijnsel is internationaal zeventiendeeeuws.
Deze beschouwing van Poirters wijkt af van die van Rombauts. Wel spreekt hij, handelend over Poirters' meditatieve werken (o.a. Het Duyfken) over ‘een diep gevoelige, meditatieve en contemplatieve geest, die zijn godsdienstige ontroeringen en de innigheid van zijn Godsverlangen uitzingt in verzen, waarin de gevoelsintensiteit van de Barok zich paart aan laat-middeleeuwsche Franciskaansche emotiviteit’1), wel meent hij dat de barok althans aan de oppervlakte zijn wezen heeft beroerd2), maar de eigenlijke kenmerkende eigenschappen van deze Europese tijdgeest zijn hem, volgens Rombauts, vreemd: de echt barokke tegenhangers van Rubens, Cobergher en Duquesnoy in de literatuur vindt hij slechts in de persoon van Neolatijnse dichters als Herman Hugo, Sidronius Hosschius, Wallius en Becanus3). Dit is te verklaren doordat Rombauts de kenmerken der Barok zoekt in dramatische verscheurdheid, getourmenteerde onrust, daverend rhythme en superieure gekunsteldheid4), kenmerken die Poirters inderdaad niet vertoont, terwijl hij bij Poirters alleen een zwak afschijnsel daarvan bespeurt in: vals vernuft5), versieringsmanie6), mythologische opsmuk7). Wij hebben echter reeds gezien dat met gepassionneerde, dynamische en maniëristische kunstuitingen het programma der Barok niet was uitgeput. Meer dan Poirters zelf misschien weten wil, heeft hij geofferd aan de modestroming van zijn tijd: anders dan in het Noorden, waar het Franse pseudo-classicisme in zijn tijd begon op te komen, was dit in het Zuiden de Barok.
Er is echter nòg een onoverbrugbare kloof tussen Cats en Poirters. Niet alleen staan hun wereld- en levensbeschouwingen tegenover elkaar, niet alleen is - bij gelijkheid van dichttrant - hun kunstopvatting verschillend, ook in hun karakters is een diepgaand onderscheid. Cats is
de grote, algemeen geliefde en gewaardeerde dichter in het Zuiden geworden. Had Poirters ooit zulk een figuur boven de Moerdijk kunnen worden? In werkelijkheid was de Noordbrabander daar vrijwel een onbekende; maar dat kòn ook niet anders. Terwijl we in den Zeeuwsen dichter te doen hebben met een irenisch piëtist, die voor ons gehele taalgebied, ondanks verschil in heersende godsdienst, een figuur van betekenis kon worden, - is Poirters een strijdbaar Jezuïet. Cats heeft zo weinig gestreden voor het Calvinisme, dat geen onzer dichters zo populair is geworden bij de Katholieken als hij1). Als Cats ooit iets dergelijks tegen de Roomsen geschreven had, als Poirters (alleen in zijn Masker al) tegen de Gereformeerden, dan was hij weg geweest in hun ogen: men had hem als aartsketter moeten verfoeien.
Over deze zijde in zijn werk, n.l. zijn strijdbaarheid tegen de ketters, is, voorzover ik weet, slechts eenmaal opzettelijk gesproken, en wel in het reeds geciteerde artikel van Endepols. Dat zijn kijk daarop onjuist is, hoop ik te kunnen aantonen door een bespreking van de aan de ketters gewijde passages. Endepols behandelt alleen Poirters' hoofdwerk Het Masker vande Wereldt afgetrocken (eerste druk 1646, definitieve zesde druk, 1649). Hoewel chronologisch niet het eerst in aanmerking komend, zal ik dit derhalve allereerst bespreken.
Volgens Endepols is de lach een hoofdkenmerk van het Masker. ‘Is het deze vrolikheid, welke hem verhindert in het Masker blijk te geven van de in de 17e eeuw zo gewone onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied? Wat staat hij in dit opzicht, in zijn Masker tenminste, ver af van de steilheid en bittergrimmige spot van zijn tegenvoeters in geloofszaken uit het Noorden! Het is niet meer dan natuurlik, dat hij, het hebbende over de Hervorming of de verdedigers er van, geen lofdicht zal schrijven. Maar van “de scherts van een haai” is zijn Masker ver verwijderd. In vergelijking met het slijk, waarmede Jeremias de Decker de papen en kloosterhommelen bestrijdt, in vergelijking met de hoogmoedige hoon en platte ruwheid, waartoe de heer Van Ockenburgh meent te moeten afdalen, als hij tegen Rome van leer trekt, steekt het werk van deze Jezuïet gunstig af’2).
De lezer oordele nu zelf. Reeds in de ‘aenspraeck’ bij het tweede emblema Niemant en heeft twee Hemels, komt de schrijver op Luther. Wie hier op aarde in weelde en wellust leeft, zegt hij, zal in 't hiernamaals niets bezitten. ‘De ongestadigen kans moet voor een yeder eens keeren, en naer het blijdste leven volght het droevighste sterven. Was dit niet 't gene de conscientie van Marten Luther soo dede drevelen3), als of hy alreets op heete kolen hadde geseten? kloppende somwijlen op sijnen buyck, als hy die met spijse ende dranck hadde gevult. Martine, Martine, seyd'hy, nu gaet het wel, maer hoe sal 't daer naer afloopen? Eylaes! So veel als geweest is in wellusten, soo veel doet (men) hem aen en [lees: in] pijnen4).’
Veel scherper is de passage bij het emblema Ongerustigheyt van een beswaerde Conscientie, waarin Luther wegens zijn leven als een beest, gelijkgesteld wordt met Atheïsten en Macchiavellisten. Een deel hiervan luidt: ‘Maer wat sal ick seggen van de gheene daer den Apostel Paulus af schrijf(t) in deser voeghen: In de laetste tijden sullen sommige af-treden van den geloove, luysterende naer de geesten der doolingen, en leeringen der duyvelen, in geveynstheydt logenen sprekende, hebbende hunne Conscientie met een brandt-yser geteekent? Dese zijn't die haer ghewis onderdrucken en vermoorden. Ick en sal, hoop ick, aen Martinus Lutherus geen ongelijck doen, als ick hem onder diergelijcke stelle: want hy plagh selver te seggen, dat, gelijck de Griecken tien jaren langh, de stadt Troja belegert hadden, en ten langen lesten door een houten peerdt hadden overwonnen, soo had hy oock tien jaren langh sijn wederspannighe Conscientie beoorloght, en ten langen lesten door een peerdt, dat was sijn lichaem, soo hy seyde, oock overwonnen. En wat isser van diergelijcke anders te verwachten als dat sy naer de uytgebluste reden voortaen leven als beesten’ (blz. 266-267).
Lang niet mals, zouden wij zeggen. Endepols echter meent dat hij over Luther veeleer ‘boertig-spottend’ dan ‘hatelik’ spreekt (blz. 373).
Bij het volgende ‘Toemaetjen’ vraagt Endepols: ‘Is het zelfs niet een soort spot met geloofstwisten, welke wij horen opkomen in het verhaal van “een jongh Knechtjen”?’ (blz. 373).
Noch een onnosele, maer snedige beantwoordinge1).
Een jongh Knechtjen gevraeght zijnde in de Christen leere, welcke het beste Geloof was, dat van Luther of Calvinus etc. of het Roomsch? hy antwoorden, Het beste Geloof is gereet gelt2). Den Lecker die treftender sommige, die meer houden van het Kisten Geloof, als van het Christen geloof.
Er zit niets hatelijks in dit pastoorsmopje, een leuke woordspeling met het woord geloof; maar opkomende spot met geloofstwisten? Ik kan het er met de beste wil niet in lezen. Minder leuk is het volgende toemaatje:
Een vraegje nopende de Gereformeerde Predikanten3).
Waerom hadden de Predikanten sulcken grooten toeloop in de eerste scheuringe van Nederlandt? jae meerderen als die het Roomsch Apostolijck Geloof predickten.
Ick antwoorde daer op met een andre vraeg: Waerom komen de menschen meer geloopen om een Eclips te sien, als wel de Son of Mane alsse hel schijnen?
Ghy seght: hun uytwendigh is soo zeeghbaer4), stichtigh, etc. Ick en wil niemandt oordeelen; maer het verrot licht-hout schijnt in 't duyster oock wonder dingen te wesen.’
Hieromtrent merkt Endepols op: ‘De indruk van onverdraagzaamheid maakt het niet in die tijd, toen geloofsvervolging, als een soort gewettigd beginsel, door bijna alle gezindten werd beschouwd’ (blz. 373). Deze
formulering is niet te aanvaarden. Onverdraagzaamheid kan een deugd wezen, n.l. tegenover bepaalde beginselen die men uit den boze acht. Was Poirters in die zin onverdraagzaam geweest, we zouden hem er geen verwijt van maken. Iets anders wordt het, wanneer men ongemotiveerd een smet werpt op de goede naam van de dragers van dat, naar men meent, verwerpelijk beginsel; en dat doet Poirters toch als hij zegt dat de Gereformeerde predikanten schijnheilige lieden zijn (verrot lichthout). Tussen Vondel en Poirters is in dit opzicht slechts een gradueel verschil: beiden insinueren; Vondel deed het met naam en toenaam, omdat hij de predikanten althans van horen zeggen kende, Poirters, toeschouwer van verre, smaadt deze categorie van mensen, zonder ze te kennen. Te meer valt dit op omdat Poirters alleen tegenover Luther en de Calvinistische predikanten zijn eigen programma ontrouw wordt, zoals hij dat ontvouwd had in zijn ‘Wit en Oogmerck van den Schryver’, n.l. dat hij niemand wou ‘raecken’, dat hij slechts ‘de sonden in het generael ende gemeen’ wilde behandelen, en daarom alleen van willekeurige namen als Claesjen e.d. gebruik maakt. De beminnelijke en gemoedelijke pater ontpopt zich hier dus wel degelijk als een strijdbaar Jezuïet, wiens hekelpen, gelijk we trouwens verder zullen zien, niet in honing gedoopt was. En eens en vooral moet er dus ook vastgesteld worden, dat er maar niet zonder meer van ‘Seelenverwandtschaft’ tussen Cats en Poirters gesproken mag worden: het is eenvoudig ondenkbaar dat Cats zo over den Paus en de Roomse geestelijken geschreven zou hebben, als Poirters over Luther en de Calvinistische dominees.
Overzien we nu het oeuvre van Poirters. Hij was zijn dichterlijke loopbaan met twee gelegenheidsgedichten begonnen: anti-ketters, anti-Hollands en anti-Frans. Hoewel ze anoniem waren verschenen maakte hij er grote naam mee, en vormen ze het begin van zijn dichterlijke roem1). Lang zijn ze onvindbaar geweest, tot ze door Sabbe ontdekt werden. Deze heeft ze uitvoerig besproken en geciteerd in zijn Brabant in 't Verweer (blz. 383-403).
In 1638 dan verschenen van Poirters' hand, ter ere van de Spaanse overwinningen op de Hollanders bij Calloo en op de Fransen bij St. Omaars de volgende triomfdichten: Den Hollantschen Cael-af van Calloo. T' samenspraeck tusschen eenen Hollandtschen Borgher ende Schipper. Ghedruckt 's Graevenhage inden ghequetsten Orainge-appel, en Den Franschen Kraem-op van S. Omer. Herrebeckerye2) Tusschen eenen Fransman ende eenen Hollander, Referijntie Pertinentelyck verhaelende soo hoe de Geusen uit Calloo, als de Franschen van S. Omer verdreven syn met allen t'gene datter gepasseert is. Ghedruckt inden grooten Nyt, Daer den meester den knecht beschyt. Vooral het laatste is geestig. In het eerste worden ‘ons gereformeerde Broers’ duchtig over de hekel gehaald. En ze hadden er nog wel zo op gerekend dat er een grote zege zou worden behaald:
Maar 't was alles anders uitgelopen:
En dat alles te wijten aan de dapperheid der Spanjaarden, die vochten ‘voor eer, voor 't Pausdom ende Roomsche leer’. Psychologisch verklaarbaar dat hij juist in die tijd anti-geuse gedichten maakte: was hij niet in die jaren te Duinkerken werkzaam in de missie ter zee? Op 20 Maart 1638 tot priester gewijd, was hij daarna benoemd tot zielzorger voor de geduchte kapers, die de Hollanders zoveel afbreuk deden2). Na die tijd schijnt hij echter geen historieliederen gemaakt te hebben. De oorlog - men denke slechts aan de namen Duins, Rocroi, Sas van Gent, Hulst, Duinkerken - bood de Zuidnederlanders waarlijk niet veel stof meer voor zegezangen!
Een tweede gelegenheid om de ketters te bestrijden, maar nu op een ander terrein dan dat der oorlogspropaganda, bood zich aan in de honderdjarige herdenking van het bestaan der Sociëteit van Jezus in 1640. Dat jubileum kon niet onopgemerkt voorbijgaan; en dat zeker niet in de Zuidelijke Nederlanden, waar mede door haar invloed een zo groot terrein voor de Kerk was herwonnen. Zouden de verwaande Luthersen, zo vroeg men zich af, wèl het eeuwfeest van hun goddeloze secte mogen vieren, en zou de Jezuïetenorde, die zich als voornaamste kampioen tegen hen had opgeworpen, niet haar honderdjarig bestaan luisterrijk mogen herdenken3)? Het plan uitspreken was tegelijk het ten uitvoer leggen: gedurende acht dagen werd het Jezuïetenjubileum met de grootst denkbare pracht en praal gevierd4). De geestdrift uitte zich ook via de boekdrukpers in de Imago primi saeculi Societatis Jesu a provincia flandrobelgica eiusdem Societatis repraesentata, Antv. 1640, een foliant van een kleine duizend pagina's, waarin de geschiedenis van de orde, inzonderheid van ‘de Duyts-Nederlantsche’ provincie, wordt behandeld. De leiding van de onderneming was in handen van den bekenden hagiograaf pater Bollandus, terwijl de promotor er van de reeds door ons besproken Pr. Joannes de Tollenaere was: de toenmalige provinciaal van de Vlaams-Belgische provincie5). Het werk was geïllustreerd met 126 emblemata, voorzien van dichterlijke bijschriften van de hand van Sidronius de Hossche (Hosschius) en Jacob van de Walle (Wallius)6).
Niet door iedereen werd deze magistrale Plantijn-uitgave met ingenomenheid begroet: velen pasten op haar het bekende ‘eigen lof riekt’ toe. De onpartijdige historicus van de orde, Alfred Poncelet, erkent dat
de dithyrambe werkelijk de perken te buiten ging (t.a.p., blz. 547).
Een beknopter jubileumboek, slechts met een deel der emblemata verscheen in hetzelfde jaar onder de titel: Af-beeldinghe van d'eerste eeuwe der societeyt Iesu, voor ooghen ghestelt door de Duyts-Nederlantsche Provincie der selver societeyt. T'Antwerpen, inde Plantiinsche Druckeriie, 1640. De prozavertaling naar het Latijn van de Imago was van Pr. Laurentius Uwens, de gedichten, op één na oorspronkelijk, waren van Poirters1). Alleen het voordicht (blz. 13-31) - in de vorm van een Vizioen van Loyola, waarin de Goddelijke Liefde hem vertoont de voornaamste mannen die zich onder zijn banier zullen scharen - is een vrije vertaling naar het Latijn2).
In dit voordicht wordt waarschuwend de vinger opgeheven tegen het ketterse Engeland:
Met welgevallen worden de geschriften tegen de ketters gememoreerd:
Van de emblemata bespreken we er drie. Allereerst Den Nijdt lasterende de Societeyt beschaedight syselven (blz. 392-393). De plaat stelt voor een slang, die een ridder aanvalt, maar door speersteken wordt afgemaakt. Die slang is Momus en diens gezellen zijn de Gereformeerden (Broeders, zegt Poirters, en dat zijn alleen de Calvinisten, niet de Protestanten in het algemeen, zoals Rombauts meent):
Het tweede heet: Het Schuylen vande Hollandtsche Seyndinghe (blz. 688-689), gebaseerd op de gezochte woordspeling: Holland, Hol-land, land met holen, waarin zich 't meeste wild laat vangen. Het emblema stelt voor dieren die op elkaar jagen: een valk op een reiger, een fret op konijnen. De er boven geplaatste spreuk luidt:
Vele jagers en vissers behalen maar weinig buit, zegt de dichter:
Ten slotte noemen we in verband met het onderwerp dat ons bezighoudt, nog het emblema over de missio hollandica: De Hollandtsche Seyndinghe (blz. 686-687). De gravure stelt voor Arion, gezeten op een
dolfijn en spelend op een luit; door zijn spel lokt hij andere dolfijnen te voorschijn.
Ik heb dit gedicht in zijn geheel afgedrukt, eensdeels om een specimen te geven van deze emblemata - ze hebben alle gelijke lengte: 1½ bladzijde druks -, andersdeels om te laten uitkomen wat ook deze, toch hoogstaande Zuidnederlandse dichter nog geloofde: de Calvijn-legende; de gewaande Dordtse slavernij, zo schril afstekend bij de vrijheid die men genoot in 's konings landen; de dagelijkse beroering, verwekt door allerlei nieuwlichters.
Aan het einde van het jubileumboek heeft Poirters een idylle toegevoegd, die het origineel, althans op die plaats mist. Toch was er gerede aanleiding, ook een idylle op te nemen, aangezien het Latijnse werk verschillende idyllia bevat - trouwens ook: elegiae, exercitationes poeticae e.a. gedichten. Al is er niet een bepaald voorbeeld voor Poirters' herdersdicht te vinden, evenwel zijn er in de Imago aanloopjes voor aan te wijzen, zo b.v. in Alexis, Idyllion (p. 444): ‘Corydoni gregis sui calamitates, agrorum sterilitatem, luporum insidias, luem grassantem deploranti, Galesus omnia ab Alexi filio suo in melius commutanda praedicit. Allegoricè significatur, populum Christianum haereticorum insidiis et perniciosa lue oppressum, Societatis ab Ignatio institutae doctrinâ in melius restituendum.’ In dit gedicht zijn vier herders, niet twee zoals bij Poirters: Lycidas, Galesus, Corydon en Alexis. Ook hier is het Corydon die klaagt over de herfst en de schrale weiden. ‘Quid meruistis oves placidum pecus?’ roept hij herhaaldelijk uit. Galesus voorspelt echter betere tijden, als de winter eens voorbij is. - Een ander aanloopje vinden we in Loiola, Idyllion (p. 447): ‘De frequenti usu Confessionis et Eucharistiae .... ab Ignatio et Societate Iesu revocato.’
Het gedicht van Poirters is een uit compositorisch oogpunt vrij dwaas gedicht, bestaande uit een herderskout, die overgaat in de beschrijving van een allegorische schilderij. Het heet: Herders-spraeck tusschen Corydon en Tyter, Wenschende de Societeyt eeuwighen voorspoedt en gheluck over het menighvuldigh ghebruyck der H.H. Sacramenten, ende bevechtinghe der ketterijen: diese door de vette weyen en wolven-iaght verstaen (blz. 704-712). Het is herfst in de natuur: de weiden zijn dor en schraal. Waaraan heeft het vee dit verdiend? zo vraagt Corydon aan Tyter. Daar is niets aan te doen, antwoordt deze, de winter is zo'n machtig vorst. Maar ik weet, vervolgt hij, een veld waar nu nog de schaapjes in het malse gras lopen. Voor het fluitje, ‘de ruys-pijp van u sy'’ wil hij het Corydon wel vertellen. Hij was dan eens aan de Tiber, toen er een scheepje voorbijkwam; dit volgend, kwam hij in een grote stad. Daar was juist feest; veel mensen stonden langs de weg geschaard; een Opperhoofd trok met grote staatsie voorbij. Achter de stoet aan kwam hij in een kerk, waar veel schilderijen waren opgehangen. Op een van die doeken nu zag hij een malse wei, die haars gelijke niet heeft in vruchtbaarheid: vette schaapjes graasden er vreedzaam, kortom
Dit alles geeft aan Corydon nieuwe hoop, zodat hij nu een betere toekomst tegemoet durft zien.
In de latere werken van Poirters wordt de ketterij niet opzettelijk, wel als het zo te pas komt, bestreden. Het Masker (1646), met zijn prototype Ydelheit des Werelts (1645)2), kunnen we, na wat er over gezegd is, gevoeglijk laten rusten. In Het Duyfken in de Steen-rotse (1657), meditatief als het is, komt geen karakterisering van ketters voor; alleen wordt Franciscus van Sales er genoemd ‘dien heylighen bisschop van dat boos Geneve’ (blz. 77), een betiteling die we bijna in dezelfde bewoordingen terugvinden in Het Leven vande H. Maeghet Rosalia (1658) (blz. 25)3). Het Heyligh Herte (1659) werd opgedragen aan den Poolsen Jezuïet, den zaligen Stanislaus Kostka, wiens hart door de goddelijke liefde dikwijls zo ontstoken was, dat men natte doeken op zijn boezem moest leggen om de brand van zijn hart te blussen. Poirters wil niet over zijn levensgeschiedenis spreken:
Verborgen pijlen op de Protestanten schiet hij af in een mooi gedicht op den Jezuïetenzendeling Xaverius (blz. 134-138). Deze komt ook in de Molukken:
Wat voor verschrikkingen doorstaat men al niet om een handvol gouds; maar vraag nu eens:
Naklanken van Verstegen, maar op een minder hatelijke toon. In de Nieuwe Afbeldinghe van de Vier Uytersten (1662) treffen we het volgende exempel aan: ‘Uyt dese selfste fonteyn schepten oock haeren troost die noyt ghenoech gheroemde Mevrouwe Middelton, kloeckmoedighe Marteleresse van Enghelandt in onse tijden, als sy (niet anders aen hebbende als een lijnwaeten kleedt) plat ter aerden is gheleet, en op haer eenen serck-steen van ontrent seven of acht hondert ponden, door den welcken haere ribben niet allen (lees: alleen) in stucken ghemorselt en wierden, maer oock door haer vel en vleesch uytstaeken.’ Ondanks de ondraaglijke smart legde ze openlijk getuigenis af van haar hemelverlangen. Haar laatste woorden waren: Jezus, Jezus, ‘O wat een mannelijck ghemoet had dese vrouwe als sy vande ketterye veronghelijckt wierde, ende als sy niet alleen van alle genaede (want sy was bevrucht) maer van allen recht wiert versteken; maer dien grooten Rechter die oock de rechtveerdigheden sal oordeelen, wat en sal die niet te rechten vinden by die bloet-suchtighe Tyrannen?’ (blz. 227-228 in de 3e dr., 1681). Gruwelijk genoeg, deze martelscène. Maar ook geheel overeenkomstig de waarheid? Margaret Clitherow, geboren Middleton, ‘de parel van York’, werd, wegens het herbergen van Jezuïeten en het laten bedienen van de mis in haar particuliere vertrekken, veroordeeld tot de ‘peine forte et dure’, d.i. tot het doodgeperst worden, ‘although she was probably with child’, zegt the Catholic Encyclopedia1). Dat ze verstoken was van recht, heeft ze zichzelf te wijten, daar ze, uit vrees dat haar kinderen en dienaren dan tegen haar moesten getuigen, zich niet wilde verdedigen2). En wat er in het geheel niet bij verteld wordt, is, dat de Puriteinse predikant Wigginton alle moeite gedaan heeft om dit wrede vonnis gewijzigd te krijgen ‘telling the judge that he might condemn her to it by the queen's law, but not by the law of God’3).
Te midden van al dit onder eigen naam uitgegeven werk komt dan zijn dichterlijke bijdrage aan het grote in vier kwartijnen uitgegeven historiewerk van zijn ordegenoot Pr. Cornelius Hazart S.J., die in zij