Een zielkundige verklaring voor Poirters' ketterbestrijding is niet uit zijn uitlatingen, voorzover ze op de ketters betrekking hebben, af te leiden: we hebben eenvoudig te constateren dat hij de ketters haat. Deze hartgrondige afkeer kunnen we met een zekere graad van waarschijnlijkheid gronden op zijn afkomst uit een door en door Roomse familie, op zijn studie aan het Bossche Jezuïetencollege, en mogelijk ook op persoonlijke ervaringen, opgedaan tijdens de jaren die hij in Maastricht heeft doorgebracht (1631-'34)1), waar hij als leraar aan het Jezuïetencollege en bestuurder van de sodaliteiten zeker wel eens in minder aangenaam contact met de Staatse bezettingsautoriteiten zal zijn geweest.
Heel anders is het gesteld met den jonggestorven geestelijken dichter Daniel Bellemans (1640-1674)2), bij wien we de bron, waaruit zijn ketterhaat geweld is, verscholen tussen het liefelijk en welig gewas van zijn teergevoelige poëzie kunnen ontdekken. Ook zijn dichterlijk talent is te waarderen binnen het kader van de barokstijl: hij behoort tot die mystieke dichters, wier geestelijke erotiek, wier zwelgen in smelterige gevoelens, wier aan de aarde onttogen quiëtisme een van de bijzonderste openbaringsvormen van de Barok is: een soort mystiek die zo zinnelijk wordt, dat ze ons afstoot. Zo b.v. wanneer hij God eert in het Brood in zijn bundeltje Het Citherken van Jesus (1e druk 1670):
De tranenromantiek vinden we in een liedje uit Den Lieffelycken Paradys-vogel (1670), getiteld: Tranen van Liefde:
Een onaards quiëtisme in hetzelfde bundeltje:
Soms stijgt zijn mystiek tot een extatische verrukking als in het gedicht Soetigheydt uit Het Citherken:
Maar in het werk van dezen zo vaak zoetvloeienden dichter beluisteren we ook wel eens andere tonen. Niet dat hij nog met de Calvinisten gaat disputeren over allerlei dogmatische geschilpunten: daar was hij de man niet naar. In een lied op de Predestinatie (Paradys-vogel, blz. 166-169) horen we zelfs geen verre naklank meer van de beroeringen die er over dit leerstuk geheerst hadden een vijftig jaren geleden. Zuiver Rooms vat hij het leerstuk op: hij hoopt dat hij Gods kind is en dus zalig zal worden; penitentie is niet voldoende om het hart te zuiveren van de smet; slechts deugdsbetrachting geeft zekerheid omtrent het eeuwig heil.
Neen, slechts om één, voor hem allerteerst, geloofspunt, een stuk van zijn ziel, moet hij de ketters haten. Zijn liedbundeltje Het Citherken van Jesus, Spelende sestigh Nieuwe Liedekens op het Groot Jubilé van het H. Sacrament van Mirakel te Brussel, Gecomponeert door den Eerw. Heere Daniel Bellemans, Canonick Norbertien van Grimberghen, is - gelijk de titel aangeeft - gemaakt ter herinnering aan het feit dat driehonderd jaar tevoren (in 1370 dus) op Goede Vrijdag het Lichaam des Heren in de gestalte des broods opnieuw was doorstoken, door een aantal Joden te Brussel. De beschadigde hostiën werden, nadat de schuldige Joden levend verbrand waren, in een processie omgedragen en sedertdien bewaard in de St. Goedele, waar ze vele mirakelen bewerkten. ‘Dese open Wonden stoppen de Geusen hun monden1), en dat Miraculeus Bloet roept krachtelyk, dat den Heere met Vleesch en Bloet daer tegenwoordigh is. Ick magh nu seggen van de steken, staende in dit H. Sacrament, gelyck van 't breken des broots in Emaus, Cognoverunt Dominum in fractione Panis, sy hebben den Heere gekent in het breken des broodts, sy hebben den Heere gekent in de steken des broodts.’ In een hele reeks liederen worden nu deze wonderdoende hostiën bezongen. In een lied, getiteld Gheloof, vertelt de dichter eerst in vier strophen de geschiedenis van Thomas, om dan te eindigen:
In een toemaatje bij een gedicht Minne-voedsel vinden we de oude woordspeling weer eens:
Maar de eigenlijke psychologische verklaring voor zijn afkeer van de ketters ligt in het toemaatje van Een Cananeeuws Hondeken:
Ziedaar dan waarom deze devote, zoetelijk-mystieke priester-dichter wel verfoeien moest. De uitverkoren en gewijde priester, die zelf het afgodisch vereerde Lichaam des Heren telkens opnieuw mocht offeren, hij moest, hoe barmhartig, mededogend en verdraagzaam hij misschien ook voor het mensdom mocht zijn, tot in het diepst van zijn ziel die Christenen, die in de hostie slechts een broodgod zagen, verachten, en ze met godslasterlijke Joden (zijn voorrede is fel tegen de Joden) in één vonnis veroordelen. Dogmatisch en apologetisch aangelegde naturen mogen eindeloos disputeren en polemiseren over de waarde der Traditie, over het een- of meerhoofdig kerkelijk gezag, over de betekenis van de biecht; de mensen met het grote en liefdevolle hart, de zachtmoedige gevoelsmensen, ze ontmoeten elkander op dit ene punt: de hostie is Christus' dierbaar lichaam zelve, in de hoogste zielsextase Gode opgeofferd, terwijl aanranding daarvan de gruwelijkst denkbare Godslastering is, - of: Christus is slechts eenmaal als de Heiland der mensheid aan het kruishout geofferd, en het Misoffer is een verloochening van die enige offerande, en ‘een vervloekte afgoderij’, zoals onze altijd zo waardige en beheerste Catechismus het noemt. Pas daarna en daardoor (òm het Lichaam van Christus, daar aanwezig, wil Bellemans als een hond voor de kerdeur liggen) komen de andere geschilpunten (b.v. de opvatting van de kerk) voor deze mensen aan de orde.