terug  begin  verderprepost
[p. 311]

Hoofdstuk XI.
Daniel Bellemans.

Een zielkundige verklaring voor Poirters' ketterbestrijding is niet uit zijn uitlatingen, voorzover ze op de ketters betrekking hebben, af te leiden: we hebben eenvoudig te constateren dat hij de ketters haat. Deze hartgrondige afkeer kunnen we met een zekere graad van waarschijnlijkheid gronden op zijn afkomst uit een door en door Roomse familie, op zijn studie aan het Bossche Jezuïetencollege, en mogelijk ook op persoonlijke ervaringen, opgedaan tijdens de jaren die hij in Maastricht heeft doorgebracht (1631-'34)1), waar hij als leraar aan het Jezuïetencollege en bestuurder van de sodaliteiten zeker wel eens in minder aangenaam contact met de Staatse bezettingsautoriteiten zal zijn geweest.

Heel anders is het gesteld met den jonggestorven geestelijken dichter Daniel Bellemans (1640-1674)2), bij wien we de bron, waaruit zijn ketterhaat geweld is, verscholen tussen het liefelijk en welig gewas van zijn teergevoelige poëzie kunnen ontdekken. Ook zijn dichterlijk talent is te waarderen binnen het kader van de barokstijl: hij behoort tot die mystieke dichters, wier geestelijke erotiek, wier zwelgen in smelterige gevoelens, wier aan de aarde onttogen quiëtisme een van de bijzonderste openbaringsvormen van de Barok is: een soort mystiek die zo zinnelijk wordt, dat ze ons afstoot. Zo b.v. wanneer hij God eert in het Brood in zijn bundeltje Het Citherken van Jesus (1e druk 1670):

 
Mocht ick met den ouden
 
Weerden Simeon
 
U in d'ermen houden
 
Hemelschen Mignion,
 
'k Soud u duysent keeren
 
O aldersoetsten Heere
 
Drucken aen myn hert,
 
Om soo te vermeeren
 
Die reyn Minne smert3).
 
..............
[p. 312]
 
'k Wou wel Hemelschen Messia,
 
Dat ick naer uw Tafel gongh
 
Met de Liefde daer Maria
 
U med' in haer Lyf ontfong1).
 
..............
 
Als den Mensch is wel beschoncken
 
En voelt hy geen Lyden meer,
 
't Lyden leydt in wyn verdroncken,
 
't Lyden en doet dan niet seer.
 
Om uw lyden te vergeten,
 
Moet g' u met een reyn gemoet
 
Droncken drincken ende eten
 
Van dat heyligh Vleesch en Bloet2).

De tranenromantiek vinden we in een liedje uit Den Lieffelycken Paradys-vogel (1670), getiteld: Tranen van Liefde:

 
Weenen is een soete vreugt,
 
't Aldersoetste van mijn leven,
 
Soeter als de soetste jeught
 
Aen een jeugdigh hert kan geven.
 
Weent dan, schreyt dan myn gesicht,
 
Totdat Godt u hert verlicht3).

Een onaards quiëtisme in hetzelfde bundeltje:

 
Hoe wort ick verstroeyt van alle kant
 
Met alderley nieuw maren van de Princen van het lant?
 
Geen maren van de faem
 
En zijn mij aengenaem,
 
Tenzy die my verklaren
 
Hoe Jesus liefde brant.
 
'k En hoor naer geen nieuw' maren
 
Als van 't Hemels vader-landt.
 
Studeer ick oft lees ick somtijdts iet,
 
Tenzy ick lees van Jesus, soo en smaeckt die les my niet.
 
'k En lees geen brieven meer
 
Als brieven van den Heer,
 
In d' uijt-gelesen boecken
 
Van d' Heylige Schriftuer
 
Gaen ick nieu maeren soecken:
 
Daer staet Jesus Signatuer4).

Soms stijgt zijn mystiek tot een extatische verrukking als in het gedicht Soetigheydt uit Het Citherken:

 
O Heer, uw dierbaer Bloet, Dat is soo soet en goet,
 
Dat eenen Drup van diën soeten douw
 
De hel tot eenen hemel maken souw:
 
Den Autaer is 't beloofde Lant,
 
Daer melck en honingh vloeyt seer abondant.
 
O Jesu ghy zyt in uw Schepsels soet,
 
Maer 't aldersoetste is uw dierbaer Bloedt.
[p. 313]

Maar in het werk van dezen zo vaak zoetvloeienden dichter beluisteren we ook wel eens andere tonen. Niet dat hij nog met de Calvinisten gaat disputeren over allerlei dogmatische geschilpunten: daar was hij de man niet naar. In een lied op de Predestinatie (Paradys-vogel, blz. 166-169) horen we zelfs geen verre naklank meer van de beroeringen die er over dit leerstuk geheerst hadden een vijftig jaren geleden. Zuiver Rooms vat hij het leerstuk op: hij hoopt dat hij Gods kind is en dus zalig zal worden; penitentie is niet voldoende om het hart te zuiveren van de smet; slechts deugdsbetrachting geeft zekerheid omtrent het eeuwig heil.

Neen, slechts om één, voor hem allerteerst, geloofspunt, een stuk van zijn ziel, moet hij de ketters haten. Zijn liedbundeltje Het Citherken van Jesus, Spelende sestigh Nieuwe Liedekens op het Groot Jubilé van het H. Sacrament van Mirakel te Brussel, Gecomponeert door den Eerw. Heere Daniel Bellemans, Canonick Norbertien van Grimberghen, is - gelijk de titel aangeeft - gemaakt ter herinnering aan het feit dat driehonderd jaar tevoren (in 1370 dus) op Goede Vrijdag het Lichaam des Heren in de gestalte des broods opnieuw was doorstoken, door een aantal Joden te Brussel. De beschadigde hostiën werden, nadat de schuldige Joden levend verbrand waren, in een processie omgedragen en sedertdien bewaard in de St. Goedele, waar ze vele mirakelen bewerkten. ‘Dese open Wonden stoppen de Geusen hun monden1), en dat Miraculeus Bloet roept krachtelyk, dat den Heere met Vleesch en Bloet daer tegenwoordigh is. Ick magh nu seggen van de steken, staende in dit H. Sacrament, gelyck van 't breken des broots in Emaus, Cognoverunt Dominum in fractione Panis, sy hebben den Heere gekent in het breken des broodts, sy hebben den Heere gekent in de steken des broodts.’ In een hele reeks liederen worden nu deze wonderdoende hostiën bezongen. In een lied, getiteld Gheloof, vertelt de dichter eerst in vier strophen de geschiedenis van Thomas, om dan te eindigen:

 
Ongeloovige Thomisten,
 
Ketters vol hertneckigheydt,
 
Lutheranen, Calvenisten,
 
Die noch ongeloovigh zijt,
 
Komt naer Brussel, siet de Wonden
 
Van het heyligh Sacrament:
 
Jesus die wort daer gevonden,
 
Jesu die is daer present.
 
...............
 
Die Thomam hebt ghevolght in ongeloovigheydt,
 
Volght Thomam nu oock naer, als hy 't Geloof belydt2).

In een toemaatje bij een gedicht Minne-voedsel vinden we de oude woordspeling weer eens:

 
Den Os heeft sijnen Godt in eenen Stal ghekent,
 
Den Esel heeft ghekent de Kribb' van sijnen Heer,
 
Calvinus loochent Godt in 't heyligh Sacrament,
 
Den Os weet meer als 't Calf, jae d' Esels weten meer3).
[p. 314]

Maar de eigenlijke psychologische verklaring voor zijn afkeer van de ketters ligt in het toemaatje van Een Cananeeuws Hondeken:

 
Gelycker eertydts Honden zyn gevonden,
 
Die met hunn' Meesters liepen in het Graf,
 
Die met hunn' Meesters liepen in de Wonden,
 
En leyden hunnen Dienst met 't Leven af:
 
Soo wil ick voor het Lichaem Christi stryden,
 
En voor sijn Kerck-deur liggen als een Hondt,
 
Om dat voor alle Ketters te bevryden,
 
Al wird' ick totter Doodt daer voor gewondt1).

Ziedaar dan waarom deze devote, zoetelijk-mystieke priester-dichter wel verfoeien moest. De uitverkoren en gewijde priester, die zelf het afgodisch vereerde Lichaam des Heren telkens opnieuw mocht offeren, hij moest, hoe barmhartig, mededogend en verdraagzaam hij misschien ook voor het mensdom mocht zijn, tot in het diepst van zijn ziel die Christenen, die in de hostie slechts een broodgod zagen, verachten, en ze met godslasterlijke Joden (zijn voorrede is fel tegen de Joden) in één vonnis veroordelen. Dogmatisch en apologetisch aangelegde naturen mogen eindeloos disputeren en polemiseren over de waarde der Traditie, over het een- of meerhoofdig kerkelijk gezag, over de betekenis van de biecht; de mensen met het grote en liefdevolle hart, de zachtmoedige gevoelsmensen, ze ontmoeten elkander op dit ene punt: de hostie is Christus' dierbaar lichaam zelve, in de hoogste zielsextase Gode opgeofferd, terwijl aanranding daarvan de gruwelijkst denkbare Godslastering is, - of: Christus is slechts eenmaal als de Heiland der mensheid aan het kruishout geofferd, en het Misoffer is een verloochening van die enige offerande, en ‘een vervloekte afgoderij’, zoals onze altijd zo waardige en beheerste Catechismus het noemt. Pas daarna en daardoor (òm het Lichaam van Christus, daar aanwezig, wil Bellemans als een hond voor de kerdeur liggen) komen de andere geschilpunten (b.v. de opvatting van de kerk) voor deze mensen aan de orde.

1)Over deze periode: Rombauts I, blz. 61; II, blz. 67-73.
2)Over hem: Rombauts I, blz. 222-223, waar nog meer literatuur over hem wordt opgegeven. Ook Kalff, Gesch., dl. V, blz. 395-396 en Te Winkel, Ontwikkelingsgang, dl. IV, blz. 18. Bij een auteur als Bellemans moet men altijd oppassen, dat men niet het slachtoffer wordt van zijn letterdieverij. Hij is niet alleen een plagiator van Poirters, zoals Rombauts heeft aangetoond. Van Duinkerken bouwt een reeks conclusies op zijn gedicht Amoureuse Boetveerdigheyt, dat echter, gelijk we hiervoor gezien hebben (blz. 276) al stond in Maillart's Gheestelijcken Nachtegael uit het jaar 1634, toen Bellemans nog geboren moest worden (vgl. Dichters der Contra-Ref., blz. 94 en 310). Het is een mooi voorbeeld van geestelijke erotiek, maar kan ons niets zeggen omtrent 's mans dichterlijke kwaliteiten. De specimina uit zijn werk geef ik dan ook onder voorbehoud omtrent de geestelijke eigendom.
3)Druk van 1739, blz. 83. De oudste drukken van zijn werkjes stonden niet tot mijn beschikking.
1)id. blz. 86.
2)Blz. 91.
3)Blz. 59 uit de VIIIe druk.
4)VIIIe Druk, blz. 119.
1)De conclusie van Van Duinkerken (t.a.p., blz. 95): ‘hij zingt, alsof de Reformatie daar nooit was geweest’, is dan ook onjuist.
2)Het Citherken, blz. 32.
3)t.a.p., blz. 50.
1)t.a.p., blz. 77. Cursivering van mij.
prepostterug  begin  verder