terug  begin  verderprepost
[p. 315]

Hoofdstuk XII.
Lambertus Vossius (?).

Na al deze auteurs die in meerdere of mindere mate de invloed van de internationale barok ondergingen, willen we een dichter behandelen, die dichter bij de Noordnederlandse literatuur staat. In 1679 verschenen te Brugge in één bandje Alle de Wercken van Lambertus Vossius, bestaende in seer Aerdige, ende Curieuse Dichten .... t' Saemen by een vergaedert door I. Bapt. ende M.C. [= Clouwet], ghedruckt by de Weduwe ende Erff-ghenaemen van Joannes Clouwet. Twintig jaar later is van dit bundeltje nog een tweede druk verschenen. De verzamelaars-uitgevers dragen de bundel van den inmiddels overleden notaris Vossius1) op aan hun vriend Mr. Pieter van den Driessche, ‘Bevel-hebber2) over het Godts-huys van Sinte Juliaens tot Brugghe’. In die opdracht noemen zij Vossius een zoetvloeiend poëet, ‘opghequeeckt ende gheoeffent in de letteren door de mildtheyt ende sorghe van den vermaerden Wredius,’ d.i. Olivier de Wree, bekend dichter en oudheidkundige, in 1643 burgemeester van Brugge. ‘Hij was beneffens dit door sijn practyck een bermhertigen Vader voor verdruckte Weduwen ende Weesen’. Tevens delen de uitgevers als een aantrekkelijke bijzonderheid mee dat dit werk ‘met groote moeyte gesocht, ende als een Vondelinck vande straet opgenomen is,’ treffende beeldspraak voorwaar, daar hun vriend Van den Driessche Commissaris is van ‘de Pagadorije3) der Vondelingen’. Tenslotte eindigt de voorrede met een aansporing aan den begunstigde om propaganda te maken voor het werk ‘van den ghonen, die ghy altydt, om sijn geestigh verstandt veel gheacht hebt, ende overal ghepresen’. Deze opdracht is gedateerd 25 Mei 1679.

Dit gehele geval nu is niets anders dan een bedrog, een boekhandelsspeculatie. Men doet het voorkomen of een groot dichterlijk oeuvre van onder het stof vandaan is gekomen, en nu voor het eerst gepubliceerd wordt, terwijl in werkelijkheid het werk van heinde en verre is tezamen geraapt. Het enige gedicht in deze bundel dat, op grond van de inhoud, met 100% zekerheid aan Vossius of De Vos kan worden toegeschreven, is een onbenullig en midden in een zin afgebroken gedicht: Brief van Lamb. Vossius aen syne Vriendinne. Zelfs zijn Vriendinne inspireerde dezen door De Wree ‘opgekweekten’ dichter nog niet tot een enigszins draaglijk gedicht.

Met zekerheid weten we dat ongeveer de helft van deze bundel (169 van de 336 bladzijden) gestolen is uit werk van anderen: n.l. vijf gedichten uit een reeds in 1625 verschenen dichtwerk van zijn beschermheer

[p. 316]

De Wree, en twee gedichten uit een in 1652 uitgekomen dichtbundel van Jacob de Clerc, Iprensis, niet te verwarren met onzen reeds behandelden dichter Claude de Clerck.

Reeds zouden we geneigd zijn de rest, bij gebrek aan beter, aan hem toe te schrijven, als we daarvan niet afgehouden werden door een merkwaardige vondst in de Brugse stadsrekeningen1): Rekening 1643, fo. 96v, no. 3. ‘An Petronella Keysers, huusvraauwe van Lambertus Vossius, de somme van drije ponden, xvj sch., over een gratuiteyt2), toegheleyt ter cause van de exemplairen van haere compositie van de Brughsche hemelsprake, anden collegie ghepresenteert bij ordonnantie ende quyctancie, sijn III £ XV sc.’ Hiermede is ook Vossius' auteurschap van de vier Brugse Hemelspraken, die behoren tot het beste uit zijn werk, op losse schroeven gekomen, want het karakter van die vier stukken is zo gelijksoortig, dat we - indien de derde hemelsprake van 1643 inderdaad van Petronella de Vos-Keysers is - met een gerust geweten ook de drie andere van 1641, 1642 en 1644 aan haar mogen toeschrijven. Merkwaardig is, dat alleen voor de derde hemelsprake een beloning in de stadsrekeningen is teruggevonden: immers 1643 was het jaar, dat Vossius' mentor De Wree burgemeester werd.

Er is nu tweeërlei mogelijk: òf Petronella wilde als dichteres onbekend blijven, en gaf voor het publiek de eer aan haar man3), òf de uitgevers hebben ook haar werk gelijkgeschakeld met het werk van Olivier de Wree en Jacob de Clerc, en mede toegeschreven aan den toch ook als dichter bekendstaanden en als mens misschien populairen Vossius4). Wie was die Petronella Keysers? Mogelijk iemand uit 's-Hertogenbosch, daar zij, zoals straks zal blijken, het Bossche dialect beheerst en toornt over de behandeling, de Bossche Katholieken aangedaan door de Calvinisten. We vragen ons in verband hiermee zelfs af, of ze familie was van Joachim Keysers, geboren in 1604 te 's-Hertogenbosch en overleden als abt van Berne (N. Br.) in 1676, bekend als Latijns dichter5). Opmerkelijk is ook dat haar werk zo Noordnederlands aandoet: ze kent blijkbaar Cats en Huygens6) en geeft ook staaltjes van Hollands dialect. Van haar man weten we bijna niets: noch zijn geboorte-, noch zijn sterfjaar is ons bekend. Het echtpaar moet wel voor 1679 overleden zijn7): anders was die mystificatie van die z.g. Verzamelde Werken toch wel niet bestaanbaar geweest.

Bezien we nu de Brugse Hemelspraken - want daar gaat het ons in dit verband om - eens nauwkeuriger. De Brugse Hemelspraken zijn

[p. 317]

korte toneelstukken of liever allegorische spelen, opgevoerd bij gelegenheid van de H. Bloedprocessie te Brugge op de eerste Maandag na 2 Mei, de processie waarbij ‘het legendarisch bloed van Ons-Heer door Brugge's straten gedragen wierd’1). Dat dit blijkbaar wagenspelen waren, valt op te maken uit de opdracht van het derde spel ‘aen het Wydt-vermaerde Landt van den Vryen’, waarin de dichteres dit spel noemt: ‘dit derde wiel van den Brughschen Hemelwaghen’. Vooraf werd dus waarschijnlijk meegevoerd een grote praalwagen, waarop zich bevonden Godt den Vader, Godt-Sone, Maria, enige engelen en allegorische figuren, zoals b.v. stedemaagden. Volgens het Ned. Wdb. moeten we hemelsprake omschrijven als: gesprek van hemelingen. Daar is geen bezwaar tegen, als men maar in het oog houdt dat naast die verheven gesprekken van hemelse personen ook kluchtige passages voorkomen, b.v. die waarin Vlaamse en Hollandse stedemaagden met elkaar aan het kijven zijn.

Het bevreemdt misschien iemand dat ± 60 jaar na de uitdrijving der Calvinisten nog openlijk in Brugge gewaarschuwd werd tegen de ketterij. Niet zo'n groot wonder trouwens, wanneer men bedenkt dat juist in die jaren de Staatse troepen herhaaldelijk in Vlaanderen opereerden; de geschiedenis vermeldt krijgstochten in Vlaanderen o.a. in de jaren 1643 en 1644 (verovering door Frederik Hendrik van Sas-van-Gent). Het gevaar van de ketterij was dus juist in die jaren en in die streek nog immer acuut2). De vinnigste hekeling van het Calvinisme vinden we dan ook in de derde, en vooral in de vierde, hemelsprake.

Centrale figuur in deze laatste hemelsprake is Neder-landt, die klaagt over haar innerlijke verscheurdheid. Aan de ene zijde zien we dan optreden de figuren van Ketterye, Hollandt en Sluys, aan de andere hun antagonisten Tgheloove, Vlaendren en Brugghe. Eerst wil Ketterij Nederland met een drankje vergiftigen, maar door de waakzaamheid van Geloof wordt dit verhinderd. Holland slaat nu alarm voor de nieuwe zomerveldtocht, dadelijk beantwoord door alarmkreten van Vlaanderen. Vervolgens slaan beide partijen aan het krakelen over de vraag, waarop de tegenstander nu eigenlijk zijn vertrouwen grondt. Nu, zegt Ketterij, wat ons betreft, dat is gauw gezegd:

 
Wy steunen op ongs3) macht, en op den blancken deghen;
 
En daar-en-boven oock op Godes waaren zeghen,
 
Die ongs belovet is, door Godes lauter woordt,
 
Door Bybel en Schriftuyr, en daar-op gaa-we voort.
 
Soo dat beschreven staat, in 't wit van desen boecke.

Blijkbaar wordt een boek getoond, want Brugge zegt honend:

 
Kyck 't is een tictac-bardt4); six-cincq5); 't is in den hoecke6).
[p. 318]

Geloof vraagt:

 
Is dit het Godes woordt, dat ghy u Broeders leert?....

waarna Ketterij in enkele verdienstelijke verzen de Schrift karakteriseert en zich zelf typeert:

 
Jaa; dat is Godes woordt, en dat 's den gheest des Heeren,
 
Die bybels wassen neus kan draayen ende keeren
 
Naar 't rechte reghel-snoer van mijn hoogh-diep verstant;
 
Die swart maackt van het wit, van wever Predikant.
 
Den Leeraar van ons Broers! den troost van onse Susjes!
 
Den grooten Dispensier1) van gheestelicke lusjes!

Ondertussen was, tot groot vermaak van de toeschouwers voorzeker, die Geest op het toneel verschenen, want Vlaanderen zegt:

 
Toch is dat uwen Gheest? hy is wel fraey van muyl',
 
Wel spits, en snaer2) van kop;
 
 
 
Brugghe:
 
Ma-mere, 't is een uyl.
 
 
 
Vlaendren:
 
Is dat u Susjes-troost? Dien leepen3) over-nachter4),
 
Hoe komt hy hier te zijn? Zijn nest die volght daer achter,
 
Daer is hy uyt ghebroet; de hell' is sijnen thuys.

Vlaanderen verzekert nu dat het steunt op het geloof, en Brugge dat het bouwt op 't Heilige Bloed. Steeds heftiger wordt de discussie, tot Ketterij uitroept:

 
Ghans-bloet, dat ick maer eens ontrent je konde raaken;
 
Ick sou van dat ghesnap wel haest een eynde maaken:
 
Jou Cruys, jou Sacrament, en dat Aff-godes-Bloet,
 
Sou' ick-je rucken aff, en trappen 't met de voet.

Hiermee is het psychologische moment aangebroken dat de Engelen van Vlaanderen en Brugge 's hemels bliksemen en donders kunnen inroepen, om dezen lasteraar te straffen. Onmiddellijk zetten David en vervolgens de H. Kerk psalm 72 en 78 in! En dan is de hemelsprake daar: Maria roept Gods hulp in over haar ‘Brughsche Mari-stadt’, hetgeen door Godt-Sone van Godt den Vader verkregen wordt.

Werd in dit stuk het Calvinistisch beroep op Woord en Geest publiekelijk aan de kaak gesteld, het jaar te voren had de ‘Geuse-tyranny’ het moeten ontgelden. In het 3e spel n.l. beroemen Ketterij, Sluis en Aardenburg zich tegenover Vlaanderen, Brugge en Damme op hun tegen Spanje verkregen vrijheid; maar ze begaan daarbij de tactische fout, het Roomse trio te willen lokken door het voorbeeld van 's-Hertogenbosch, die in boeien blijkt te zitten. Het tafereel is te merkwaardig om 't niet in zijn geheel over te nemen: mede om de poging tot weergeving van het Bossche en het Hollandse dialect.

[p. 319]
 
Ketterye:
 
Besiet s'Hertoghen-bosch, die ken-je tuyghe zijn:
 
Hoe ick' er heb verlost van alle Spaansche pijn.
 
 
 
s'Hertoghen-bosch:
 
Verlost? jae zoo verlost, dat ick het moet beklaaghen:
 
Zijn zulcke Ste'en verlost die dees coraalen draaghen?
 
 
 
Ketterye:
 
Jaa cronje, weet je niet, waarom dit is edaan?
 
Dat jy-je hangden hadt, je soudt ongs wel verraan.
 
 
 
s'Hertoghen-bosch:
 
Men hadde my belooft vry-onghestoort Gheloove;
 
En dat is veer van-daer.
 
 
 
Ketterye:
 
Jou arme slechte Sloove,
 
En weet-je gheenen raadt? ghelooft, ghelijck als wy,
 
Den Bybel en Schriftuer, dan sel je wesen vry.
 
 
 
s'Hertoghen-bosch:
 
Mijn Priesters zijn verjaaght: en ick en meach niet duchten;
 
Mijn Kercken zijn ghevelt: en ick en meach niet suchten;
 
Mijn oude Buerghery', helaes! wordt uyt-ghescheat1),
 
Ierst uyt hun haaf en erf, en daer-nae uyt de Steat.
 
 
 
Ketterye:
 
Wat sech je stout ghedrocht? je sel-me daar-of swijghen:
 
Of neen? je selt seer haast een necke-trappe krijghen.
 
 
 
s'Hertoghen-bosch:
 
Siet: zoo ben ick verlost; dit moet aen eal2) de Gojen
 
Gheklaagt zijn, dat my ooc het klaagen wordt verbojen3).
 
 
 
De H. Kercke:
 
Neemt hier een spieghel aen, ghy Catholycke steden4),
 
Dat dit de vruchten zijn van Ketterlicke zeden:
 
Een Ketter is een wolf, bekleedt met schaepe-vacht,
 
Mijn Schaepkens, maect dat gy u van sijn klauwen wacht.

Men ziet, er zijn wel eens gedichten van lager dichterlijk allooi door de overheid beloond. Er is alles voor en niets tegen, om voor Petronella Keysers als Rooms kampioene tegen de Hervormden een plaats te reserveren naast haar Antwerpse en Brusselse kunstzusters Anna Bijns en Katherina Boudewijns.

1)Over hem: J.G. Frederiks, Lambert de Vos, Brugsch dichter in de eerste helft der XVIIe eeuw, in Ned. Museum, jrg. 1887 (Overdruk: 21 blz.); M. Sabbe, Brabant in 't Verweer, Antw. 1933, zie de index; en J. Fr. Willems, Verhandeling over de Ned. Taelen Letterkunde, dl. II, (1820-'24), blz. 118-120.
2)Directeur.
3)Betaalkantoor.
1)Door den stadsarchivaris Gilliodts van Severen, zie slotnoot van het artikel van J.G. Frederiks.
2)Fr. gratuité; cadeau, gratificatie.
3)Voor deze veronderstelling pleit dat zijn poëzie werd opgehemeld door Erycius Puteanus (zie J. Stecher in Biogr. Nat., dl. V, 854), en in een drempeldicht voor het werk van den Brugsen dichter Jan Lambrecht (zie Sabbe t.a.p., blz. 190).
4)Misschien reciteerde De Vos wel eens de verzen van zijn vrouw. Het Lofdicht aen .... Br. Adriaen de Pelsmaecker bevat een passage over de ketterij, die vaak woordelijk verwant is aan de 2e Hemelsprake, en kennelijk van dezelfde hand is. Hierbij vermelden de uitgevers uitdrukkelijk: ‘ghedicht ende opgheseyt door Lambrecht de Vos’.
5)Zie voor hem: B. Glasius, Biographisch Woordenboek van Ned. Godgeleerden, 's-Hertogenbosch, 1853, dl. II, blz. 256-257.
6)Vgl. J. Fr. Willems t.a.p. en J.G. Frederiks, blz. 19-20.
7)Lambertus reeds vóór 1661, want het zoëven genoemde drempeldicht (zie Sabbe t.a.p., blz. 190) zegt dat de dood hem reeds het leven had afgesneden.
1)Jan Eekhout, Het Geuzenwijveke, in Opwaartsche Wegen, jrg. X (1932), blz. 48-53.
2)De stad Brugge zelf schijnt na 1584 weinig last van ketterij gehad te hebben, vgl. H.J. Elias, Kerk en Staat in de Z. Ned. onder Albrecht en Isabella, Antw. 1931, blz. 12 en 15.
3)Men lette op de hollandismen, ook in de spelling (aa in plaats van ae).
4)Tiktakbord, speelbord met schijven en dobbelstenen.
5)Six-cincq = op één na de hoogste worp, en dan heeft de tegenspeler weinig kans, ‘hij dobbelt tegen elf ogen’. Uitroep van verwondering, vgl. G. Ogier, De Gulsigheydt, vs. 158: sies-sinck inden hoeck.
6)Term uit het verkeersspel, vgl. Ned. Wdb. VI, 801.
1)Rentmeester, hier: uitdeler.
2)Scherp.
3)Met druipogen.
4)‘Ongewoon woord voor iemand die ergens overnacht,’ volgens Ned. Wdb.; misschien beter: die ‘over nacht’ in de weer is (met uilekop immers voorgesteld).
1)Uitgeschat; door belastingen verdreven.
2)Vgl. voor deze transscripties met ea het woord queacken voor het gekwêk van kikkers en de onomatopee tead-tead, keack-keack voor het spottend nabootsen van iemands woorden bij Boete A Bolswert (H.J.A. Ruys, D. ende W. Pelgrimagie, blz. 404, 408).
3)Vgl. voor die overgang van d tot j tussen twee klinkers in het Oostelijk Noordbrabants H.v.d. Brand in Onze Volkstaal, dl. I, 1882, blz. 172.
4)De behandeling van de Roomsen in Den Bosch deed de zaak van de opstand geen goed, vgl. Prof. Dr. P. Geyl, Gesch. van de Ned. Stam, dl. II (1934), blz. 117-120: de moed van de Zuidnederlandse bevolking om op te staan tegen de Spaanse overheersing werd er door verlamd; vgl. ook blz. 153.
prepostterug  begin  verder