Vóór ons ligt het treffende portret van Cornelius de Bie, aet. 81, 17081), naar een tekening van den Antwerpsen beeldhouwer Jan Claude de Cock2) gegraveerd door H.F. Diamaer. We aanschouwen een zwaar gebouwden man met een machtig hoofd, zich bevindend achter een schrijftafel en voor een half geopende boekenkast; de wenkbrauwen zijn gefronst, fel zien de ogen ons aan, om de mond is een grimmige uitdrukking; de ene hand houdt een extra puntige pen, de andere ligt boven een manuscript en getuigt van een sterke geestelijke gespannenheid bij den auteur. Zo treedt voor onze verbeelding de Lierse veelschrijver en veelrijmer met zijn verspaanste naam: Cornelio de Bie. Zo de man, zo zijn geschriften: fel en agressief, maar ook plomp en grof; tevens, en dat leert de beeltenis ons niet, middelmatig en slordig. Zoon van iemand die voor kardinalen schilderde (Adriaan de Bie), bleef hij in zijn lange leven (1627 tot 1710) een trouw en goed Katholiek3). Dat hij met zijn scherpe pen het Calvinisme niet met rust zou laten, spreekt haast vanzelf.
Cornelio is, hoe middelmatig ook, een wonder veelzijdig man geweest. Na zijn studie te Leuven heeft hij tal van ambten in zijn vaderstad Lier bekleed: hij was er o.a. notaris, deken van de lakenhal en zat soms in het stadsbestuur. Als literator heeft hij alle genres van letterkunde beoefend: het heiligenspel en allerlei andere soorten godsdienstige dramatiek, de tragicomedie, de klucht, het lied, moralistische en stichtelijke poëzie en proza; ook schreef hij een Schilderboek waarin ± 300 schilders e.a. kunstenaars besproken worden.
Zijn letterkundig oeuvre omvat meer dan een halve eeuw (± 1650-± 1710). Als we hem een ogenblik met Vondel mogen vergelijken, kunnen wij zeggen dat ook hij in zijn ouderdom het meest creatief was.
Zijn oudste mij bekende werkje is het liedboekje Den Groeyenden Lierschen Blom-hof beplant met veele jonghe Eycken. Inhoudende schoone vermaeckelijcke ende sticht-baere Liedekens, ghestelt op verscheyde nieuwe-voysen tot vermaeck der Jonckheyt. Te samen versiert ende ghepluckt by den altijt vloeyende Nethe tot Lier door Cornelis de Bie. T'Antwerpen, by Jacob Mesens op de Lombaerde Veste inden gulden Bijbel. Anno 16504). Het is
door den auteur, die zelf de zinspreuk ‘Waerheydt baert Nijdt’ voert, opgedragen aan het rederijkersgilde ‘Den groeyenden Boom’ te Lier met het devies ‘'t Dor wordt groeyende’, wier medebroeder hij blijkens een er in opgenomen lofdicht (eigenlijk Nieuwjaarsdicht) is. De collectie is bont van samenstelling, zoals de tijdsmaak eiste: arcadische en bucolische poëzie wisselt af met moraliserende, boertige en geestelijke; liederen en samenzangen met ‘gedichten’, klinkdichten en hybridische mengsels van lied en gedicht. Onze eindindruk is dat hij zich, wat de uiterlijke vorm betreft, nooit de tijd gunt om een gedicht behoorlijk af te werken, en wat aangaat de geest waaruit het ontstaan is, dat het met zijn vermaan-dichten aan jongemannen, jongedochters en gehuwden veel en veel te ouwelijk is voor iemand van drieëntwintig jaren. Een enkele keer worden we even getroffen, als b.v. door het vastelavondtafereel in een Nieuw-Liedeken, dat begint:
al ontaardt ook hier, gelijk later in zijn drama, het realisme in een al te stuitend naturalisme:
Kettersatire is in dit jeugdwerk nog niet te vinden.
In 1661 schreef hij zijn bekendste werk, het reeds genoemde ‘schilderboek’: Het Gulden Cabinet van de Edel Vry Schilder Const. Uit zijn later leven is een aantal moralistische werken - sterk, ja soms woordelijk beïnvloed door Poirters2) en door Vondel3), en zonder een greintje oorspronkelijkheid4) - tot ons gekomen, benevens een hele stoet drama's, die door hun veelal platvloers naturalisme zo goed die typisch barokke spanning demonstreren tussen een ascetische levenshouding, bevangen door de zucht tot moraalprediking, en een verlustiging in de vuilste hartstochten en de griezeligste bloederigheid, zoals we die ook aantreffen bij een Jan Vos en een Guilliam Ogier5).
Het Calvinisme wordt door De Bie gehekeld, zowel in dit moralistisch als in dit dramatisch werk. Wij behandelen ze afzonderlijk. Allereerst dus enkele zijner moraalverhandelingen.
In 1670 verscheen te Mechelen zijn prozawerk met ingelaste en toelichtende gedichten: Faems Weergalm der Nederduytsche Poësie van
Cornelio de Bie .... ghenoempt Werelts Sots-cap. Zonder enig systeem worden allerlei zedelijke en stichtelijke gedachten, in vijf hoofdstukken verdeeld, ten beste gegeven.
Reeds in de eerste bladzijden (9-10), n.l. in de Bemerckinghe op den Eygendom1) des Werelts krijgen Luther en Calvijn er van langs. De wereld, zegt hij, is als een dief in de nacht, die ons onze zielezaligheid rooft. Zo deed hij met Luther, wien ‘volgens het schryven van Joannes Cochlaeus2) tenslotte ‘van den duyvel is den hals gebroken’. Zo heeft zich ook door dien ‘nachtdief’ laten verleiden ‘den ketter Jan Calvinus die geleeft heeft anno 1540, oock te voren Priester en Canonick gheweest zynde, leerende dat-men de ontfanghen gratie noot3) meer en cost verliesen, den grouwel van de predestinatie ende verworpinge, den welcken in sijn doodt wanhopte van sijn salicheyt, heeft den dagh vervloeckt dat hy gestudeert hadde, en is eyndelijck van de wormen opgegeten.’
Zo zien we hier nog immer den volke opgedist het door Bolsec verzonnen gruwelverhaal van Calvijn's dood zoals men dat in schrille kleuren geschilderd kan vinden in Chap. XXII van zijn Vie de Calvin. Men vergeve mij het enigszins onpasselijk makende citaat: het was uit dit boekje dat vele geslachten (Bolsec schreef in 1577, de Bie in 1670)4), ondanks onpartijdige Roomse geschiedschrijvers als Thuanus (Historiae sui temporis) den groten Hervormer leerden kennen. ‘Pour retourner donques (aldus Bolsec) à la vexation de diverses griefves maladies desquelles miserablement fut affligé Calvin, voire iusques à la mort: outre celles que Theodore de Beze recite, il fut encores tourmenté d'un genre de maladie, duquel nous lisons avoir esté vexez par le iuste iugement de Dieu aucuns ennemies de Dieu, usurpateurs de sa gloire et honneur: C'est d'une mangaison de poux et vermine par tout son corps, et singulierement d'une ulcere trespuante et virulente au fondement, et parties vergongneuses où il estait miserablement rongé de vers.’ Hierna volgt een opsomming van vijanden Gods die op dergelijke wijze zijn gestorven. Beza zegt, gaat Bolsec voort, ten onrechte dat Calvijn als een kind Gods is gestorven. ‘Il mourut neantmoins invoquant les Diables, iurant, despitant, et maugreant pour les tres-griefves douleurs, et tres-apres afflictions, lesquelles il sentoit de la severe, et tres pesante main de Dieu sur sa personne. Et de cela ont tesmoigné ceux qui le servirent iusques à son dernier souspir. Et nie cela Beze, ou autre qui voudra, mais cela est bien verifié, mesme qu'il maudissoit l'heure qu'il avoit iamais estudié, et escrit: sortant de ses ulceres et de tout son corps une puanteur execrable, pour laquelle il estoit moleste à soymesme, et à ses serviteurs domestiques,
qui encores adioustent, qu'il ne vouloit pour ceste cause qu'on l'allast veoir.’
Dergelijke gruwelverhalen over de dood van tegenstanders waren destijds niet ongewoon; om één voorbeeld te noemen: men vergelijke eens de polemiek van den Deventersen dichter Jan van der Veen tegen vijf Antwerpse anonymi, die hij, weinig vleiend ‘knappers van Philippi luysen’ belieft te noemen; hij herinnert ze er n.l. aan:
Men ziet dat Roomsen en Calvinisten elkaar niet veel toegaven in felheid2).
Als de Bie het heeft over de wereld, die een schone bedrieglijke vrouw is, ziet hij kans in het voorbijgaan de Calvinistische predikanten even af te maken (blz. 28):
Het onkiese exempel van den krankzinnigen Spaansen dichter die ‘gepredestineerd’ meende te wezen om bij de kinderloze Aartshertogin Isabella een kind te verwekken (blz. 105-111) kunnen we gevoeglijk overslaan, om onze aandacht even te bepalen bij het Vijfde Hoofdstuk, waar de ketterij in extenso besproken wordt: Dat de Kettery den oorspronck is der Nederlandtsche Allenden. Hij gaat daarin van ketter no. I, Simon den Tovenaar, af de rij van genummerde ketters langs, tot hij komt bij de Hollanders: ‘gedoogende als openbare Ateisten ende Godt-logenaers dat de Mahometanen, de Joden, Heydenen en alle soorten van natien heel Hollandt vrijmoedelijck besitten en bewonen’ (blz. 318). Uitvoerig staat hij stil bij de Lierse Furie van 14 Oct. 1594, waarbij dit
stadje op één zelfde dag door de Hollanders bij verrassing ingenomen en weer verloren werd. Het meest verfoeilijk acht deze trouwe onderdaan van den koning en vereerder van St. Gommarus, den patroon van Lier, in de Calvinisten hun rebellie en hun verwerping der heiligenverering, zodat hij tenslotte verzucht: ‘Och oft volgens het schryven van Ovidius noch eens mocht gevonden worden eenen Vulcanus om blixems, lancien, en sweerden te smeden op dese aerde, en daer mede alle de kerck-schenders, booswichten, wettenbrekers, 't broetsel der ketteryen, beneffens de quaede en verkeerde gesinde met allen hun Goddeloos aenhanghsel te doen verdwynen, waer door soo veel goede Christenen en rustsoekende zielen verdolen in hun vervuylde paeden’ (blz. 356).
Een dergelijk werk is Echos Weder-klanck passende op den Gheestelycken Wecker .... door Cornelio de Bie tot Lier voor synen vrindelycken Adieu aen de Werelt anno 1706, Brussel. Van Faems Weergalm verschilt het echter, doordat hier de poëzie de boventoon heeft, en er drie toneelwerken in zijn opgenomen. Een bezwaar bij de bespreking van dit boek is dat alle bestaande exemplaren onderlinge verschillen vertonen. Mij stond ten dienste het Leidse exemplaar (Bibl. Mij. der Ned. Lett.)1): dit is een van de exemplaren die verlucht zijn met een paar portretten: o.a. van Luther en Calvijn, van de Persiaansche princerse Theocrina (waarvoor Anna Boleyn dienst deed) en Tersides coninck van het Persiaanse Ryck (d.i. de beeltenis van Hendrik VIII). Alle vier zijn ongesigneerd2). De gravure van Calvijn is die naar de bekende prent van René Boyvin: Calvijn op 53-jarige leeftijd, met baret en golvende baard, in ovaal, borstbeeld rechts.
Laten we het verband eens beschouwen, waarin dit portret een rol speelt. Op blz. 24 vinden we als § 6: Verweckinghe tot leetwesen van eenen Sondaer om dat hij Godt vergramt heeft. Aan het einde daarvan zegt de zondaar dat hij hoopt, standvastig te blijven in het geloof, anders dan de ketters. Door deze overgang worden we voorbereid op § 7, die in de inhoudsopgave wordt aangekondigd als: De Kracht van de gheloof-weerdighe en onfeylbare Waerheydt in 't Goddelyck Autaers geheym: en de Reden waerom dat men de Kettersche dwalingen magh verachten en weder-legghen. In ons exemplaar zijn vier bladzijden van deze paragraaf uitgevallen, welke vervangen zijn door zes andere, ondermeer met de bewuste portretten van Luther en Calvijn.
Boven Luthers portret staat het epigram:
boven dat van Calvijn:
Deze epigrammen hadden, op zich zelf genomen, ook uit de pen van een Calvinist kunnen vloeien. Men bedenke echter dat hier Gods Woord niet betekent H. Schrift, maar dat daarmee bij de Bie alleen bedoeld worden de woorden door Christus bij het Laatste Avondmaal gesproken: hoc est meum Corpus1). In het gedicht dat als bijschrift bij Luthers portret staat, vinden we o.a. de volgende regels:
Blijkens dit fragment heeft hij dus voor de geschiedenis van Calvijn ook geraadpleegd het R.K. Standaardwerk in zake de ketterij, geschreven door Florimond Remond, raadsheer te Bordeaux: Opgang, Voortgang en Nedergang der Ketteryen deser Eeuwe,.... nu in de Nederlantsche Tale overgheset, door A.I. v. K.P. en M.M., t'Antwerpen, 16902). Deze oordeelt over Calvijn als mens gunstiger dan over Luther3). De onzinnige laster van Bolsec wordt, na het bestuderen van deze ietwat objectievere bron, niet meer opgerakeld. Terwijl van Luther nog verteld wordt dat hij een dronkaard was en oneerbare vrouwen naliep, laat De Bie de gruwel-verhalen omtrent Calvijn nu achterwege; het bijschrift bij Calvijns portret spreekt alleen van diens verspelen van de zielezaligheid:
In een kort prozastukje Bewijs der Waerheit, dat op deze gedichten volgt, doet de dichter het nog eens dunnetjes over, om te concluderen: ‘Mis-geloof, zielen roof; Ketters broedsel, duyvels voedsel’.
Is Echos Wederklanck geheel uit het jaar 1706? Ik betwijfel het. De inhoudsopgave vóór in het boek geldt alleen voor de eerste 160 bladzijden. Het is in dat gedeelte dat de oude Hervormde ketters aangevallen worden. In het latere gedeelte horen we andere klanken: in de Verthooningen van het bitter Lyden Christi, die we daarin aantreffen, spreekt hij n.l. van een ‘nieuwgesintheyt’, waardoor de dwaze mensen, die al te diep de onbegrijpelijke Godheid onderzoeken, de onnozelen aan het twijfelen brengen. De nieuwgezindheid is niet de ketterij van twee eeuwen geleden, maar die welke in 1706 weer eens in het brandpunt van de belangstelling stond: het Jansenisme. De geschiedenis van deze in sommige opzichten aan het Calvinisme verwante, in andere sterk afwijkende, richting in Z.-Nederland, was er een van op- en neergang. De aartsbisschoppen van Mechelen waren nu eens op de hand van de Jansenisten (Boonen † 1655 en Alphonse de Berghes, 1670-1689), dan weer fel tegen hen (Précipiano, 1689-1711), sommige Spaanse landvoogden begunstigden hen (De Melo, Castel Rodrigo), anderen bestreden hen (aartshertog Leopold Willem en Don Juan van Oostenrijk). Hollandse zowel als Franse invloeden deden zich gevoelen, de laatste uitgaande van Pascal's Lettres Provinciales en de twee Franse emigranten Arnauld (sedert 1679 te Brussel) en Quesnel (sedert 1685). In 1700 leek de triomf van het Jansenisme verzekerd, maar in de periode van de Franse bezetting (1700-1706) werd het onderdrukt, om na de slag bij Ramillies (1706) tijdens de Ned.-Eng. bezetting (1706-± 1715) des te sterker geprotegeerd te worden, zodat het in 1713, toen de pauselijke bul Unigenitus de ketterse richting definitief veroordeelde, machtiger was dan in 1706. Het was in dat kritieke jaar 1706 dat de oude De Bie zijn stem tegen het Jansenisme ging verheffen. In zijn omgeving was het dan ook wel bijzonder sterk: de Universiteit van Leuven was er hevig mee besmet: pas in 1730 onderwierp ze zich volledig; het seminarie van Mechelen was een haard van Jansenisme1). Zijn volgend werk richt zich dan ook met kracht tegen de nieuwgezinden.
Het moraliserend boek dat de 81-jarige in 1708 te Antwerpen uitgaf, heette: Den Spiegel vande Verdrayde Werelt, het werk dat voorafgegaan werd door het dreigende portret, door ons in het begin van dit hoofdstuk beschreven. De Bie ziet hierin de verhouding tussen het Jansenisme en het Calvinisme anders dan de meeste Roomsen haar zagen en nog zien. Wegens haar geloof in de praedestinatie en haar leer van de vrije genade scheen de nieuwlichterij vele gelovige Roomsen een opgewarmd Calvinisme toe. En niet alleen daarom. Ook de strijd der Jansenisten tegen de lakse Jezuïetenmoraal en hun ‘rigoureusheid’ in zake het gebruik van biecht en communie, maakten hen als zodanig verdacht. ‘They bore the mark of the levelling, innovating and arid spirit of Calvinism’ zegt een modern Rooms beoordelaar van die ‘fins Jansénistes’2).
Overigens was hij als het ware voorbestemd, om tegen het Jansenisme waarschuwend de vinger op te heffen. In al zijn werken betoont hij zich een overtuigd aanhanger van de leer van de vrije wil, mits versterkt door Gods gratie, die men verwerven kan door het gebed, maar ook weer verliezen door de zonde; kortom hij was onvervalst semi-Pelagiaan1)
De bundel Spiegel van de Verdrayde Werelt getuigt nog niet van seniele aftakeling van De Bie, al zou men na het vrindelyck Adieu aen de Werelt anno 1706 niet veel goeds meer van hem verwachten; allerlei actuele kwesties worden er in besproken, o.a. de veel voorkomende schending van het biechtgeheim, belastering van de bisschoppen ‘door sommige infame apostaten (gheweken synde uyt hun plight van de Pauselycke ghehoorsaemheyt)’ (blz. 108) en de casus conscientiae2). De duidelijkste plaats voor de betekenis van het woord nieuwgezindheid = Jansenisme is blz. 109: ‘Ick vraegh: oft .... oock de gene die door hun nieuw gesintheyt de eendrachtigheydt van het Neerlandts Christendom ten opsicht van ons Rooms gheloof, soo beroeren en stooren, niet strafbaer en syn.’
De meest ‘artistieke’ bestrijding vindt het Jansenisme in de ons reeds zo bekende vorm van duivelsatire in de Helse Vertooninghe bestaende in een Duyvelse Vergaderingh (Verdr. Werelt, blz. 13-27): een samenspraak der duivelen, die ons een blik geeft in de zonden der mensheid, door welke de mensen hun in het hiernamaals in handen vallen. Lucifer treedt op en zegt: geen goddelozer kwaad dan wat tegenwoordig geschiedt, kan de hel zich wensen.
Sarcasmo valt onmiddellijk in:
Andere duivels weten nog van erger zonden te verhalen, die zij bewerken: Ronse-fax misbruikt de biecht voor achterklap, Borico zorgt voor tovenarij, Phapesmo verwekt onkuisheid, Montimegatti maakt de mensen dronken, Cnaptantino brengt een syphilislijder in de hel, Bora (naam die doet denken aan Luthers vrouw!) spreekt van ongelijke huwelijken b.v. van mensen die huwen met valse leraars, enz.
Opeens gebiedt Lucifer stilte: de helhond Carborus heeft geblaft. Daar nadert, studerend op een ezel, een nieuwe wijze, die een boek schreef dat duivelsdrek genoemd is: Doctoor Themostecles, ‘den Roomschen Uylen-Spiegel’.
Lucifer vraagt aan Ronse-fax, nadat deze heeft opgemerkt dat het de ezel van Bileam niet is: waaraan kent gij den ezel? Deze antwoordt:
Baralipton meent:
Themostecles
neemt nu het woord:
Baralipton zegt hierop, duivels plat:
Voor wie deze Helse Vertoning nog niet duidelijk genoeg mocht zijn, schrijft de auteur als narede nog een ‘Waer schouwinghe’ er achter. Atheïsten, zegt hij, ketters, sectarissen, geestdrijvers, twijfelaars en valse leraars verleiden vele onnozele en deugdzame zielen, die van de H. Kerk afvallen. ‘Reden dat sulcken falsarissen en bedriegers der waer-
heydt sijn te verghelijcken by monsters vande natuer, tyrannen van hun Predestinatie, en misbruyckers van de redelijckheydt en Godts bermhertighe goetheyt.’
Loochent De Bie dus het causaal verband tussen Lutheranisme-Calvinisme en Jansenisme om de al te simplistische reden dat de boeken van die oude ketters Luther en Calvijn immers allang verboden zijn, anderzijds scheert hij ze allen over één kam als praedestinatietyrannen.
Ook tegen de Hollandse ‘Jansenisten’ is De Bie te velde getrokken. In Holland woedde de strijd in die jaren hevig. In het jaar 1702 was de apostolische Vicaris Codde er door den Paus van zijn functie ontheven. iets waar het Utrechtse en Haarlemse kapittel zich niet bij neerlegden1), Doldriftig worden zulke van den Paus afvallige geestelijken gekapitteld:
Na deze theoretische bestrijding van het Protestantisme en het Jansenisme in zijn stichtelijke boeken beschouwd te hebben, kunnen we thans overgaan tot zijn bestrijding op de planken.
Het aantal toneelwerken van De Bie bedraagt 36 à 37. Achter verschillende tweede drukken, uitgegeven bij de Weduwe Thieullier te Antwerpen vinden wij opgesomd 21 Comediën en Treurspelen, benevens 18 kluchten, door den dichter in één handschrift gesteld om ze in vier delen te kunnen uitgeven2).
Dat dit werkelijk zijn bedoeling is geweest, blijkt ook uit een soort prospectus dat in 1707 uitkwam bij den uitgever J.P. Robijns te Antwerpen: Cornelii de Bie, Neerlans Schouburgh oft Speel-tooneel waarin gegeven wordt een cort begryp vanden geheelen handel raeckende de Comedien, Tragedien oft Treurspelen en Kluchten, die in vier delen zouden worden uitgegeven3). Dit beraamde werk is nooit tot uitvoering gekomen.
Voor ons onderwerp is het zeker jammer dat ze niet alle uitgegeven zijn4), want dan zouden we nog beter ingelicht zijn omtrent De Bie's volksvoorlichting inzake het Calvinisme, en over wat er op het Vlaamse volkstoneel al zo te berde werd gebracht omtrent die ketterse religie. Niet gespaard zullen de ketters zijn in De Comedie der Lierse furie op den naem vande Ketterse Veradery. Maar zeker zijn ze dat niet in De Klucht vanden bedroghen Duyvel der onkuysheyt en Deepmakenden5) Geusen Predicant in 't spelen met de kaert, dat zou moeten verschijnen in het derde deel van de grote editie, waarin zou worden aangewezen ‘dat
de valsheyt wel can becleedt worden met den schijn van vroomheyt’1)!
De aanvallen die Cornelio de Bie van het toneel af op het Calvinisme gepleegd heeft, zijn buitengemeen scherp. De naam Calvinist is bij hem met een zodanige weerzinwekkende gevoelswaarde beladen dat het een zijner ergste scheldwoorden is. In Jan Goedthals en Griet syn Wyf zegt quade Griet tot haar wederhelft:
en in De Kluchte vanden subtylen Smidt wordt den smid door zijn lieflijke ega toegevoegd:
Aan deze citaten proeft men reeds de grofheid van toon die in deze kluchten heerst. Jan Frans Willems overdrijft niet als hij zegt dat ze zijn ‘vol van de plompste, liederlijkste en ergerlijkste straetpraetjes’4). De Bie heeft blijkbaar ten volle het standpunt van den bekenden kluchtschrijver Ogier gedeeld, dat het beste middel om den mens van het kwaad af te houden, is, hem op het toneel het ongezondste en walglijkste te vertonen, opdat men er maar een afschuw van zal krijgen5). Hierbij wordt over het hoofd gezien dat diegenen, die zich overgegeven hebben aan zondige hartstochten, er in zullen smullen, en dat bij gezonde naturen dergelijke driften juist kunnen worden ontketend, omdat op de bodem van ieder mensenhart de zonde sluimert, die slechts dergelijke realistische voorstellingen behoeft, om gewekt te worden6). Beminnelijke naïeveteit overigens van die zeventiende-eeuwers dat ze althans naar een drogreden zoeken om het ongezonde en drabbige goed te praten; in de tijd van de romans der Nieuwe Zakelijkheid is dat niet meer nodig. En niet alle
auteurs doen aan het einde van hun leven zo publiek boete voor hun in letterkundig opzicht bedreven kwaad, gelijk De Bie in 17071). Hij vergelijkt zichzelf als dichter van ‘lichtveerdige Cluchten’ bij een schilder van naaktfiguren, waardoor deze onkuise bekoringen verwekt. Met klem van woorden herroept hij in het openbaar al zijn misslagen, onbedachtelijk in comediën en kluchten begaan.
Dit neemt niet weg dat we twee van zijn toneelwerken ietwat nader willen beschouwen in verband met ons onderwerp. Allereerst het heiligenspel De H. Cecilia, Treurspel, met de daardoorheen gevlochten klucht Vanden Subtylen Smidt, 1671, te Antwerpen: een zeer fraaie uitgave en een van zijn meest doorwrochte spelen. Behalve de personen uit de eerste tijd van het Christendom nemen vier duivels, één engel, één tovenares en twee allegorische figuren actief aan de handeling deel, welke telkens onderbroken wordt, hetzij door balletten en vertoningen, liederen en reizangen, hetzij door kluchtige intermezzo's, welke laatste tezamen de zoëven genoemde klucht vormen. Het geheel steekt Jan Vos' Medea naar de kroon.
Als op zekere keer tussen de duivelse personages grote ruzie heerst en Lucifer als scheidsrechter opdaagt, en vraagt naar de oorzaak van het gekijf, antwoordt Afgoderij ontwijkend - alsof ze zeggen wil dat alleen zulke lui van duivels geharrewar verstand hebben -:
De figuur van de Geuzerij zal zeker niet ontbroken hebben in de slotapotheose van het stuk: de Verschooningh, waardoor wordt uitgebeeld de Triumph van de H. Kercke die de ketterij met haren aen-hangh onder de voeten tredt.
Hoe gemakkelijk het schelden op de Calvinisten hem afging, blijkt heel sterk als men alle plaatsen waar de Geuzen genoemd worden in de kluchtige intermezzo's Vanden subtylen2) Smidt nagaat. Achtereenvolgens worden en passant gehekeld hun preken, hun bijbel en hun psalmen.
a. Uit een twist tussen den smid en zijn vrouw, die een tovenares is: Vrouw:
Smit:
b. Smit:
Vrouw:
c. Vrouw (hoort de knechten zingen in de smidse; als een furie toesnellend):
d. Vrouw (na alle knechten betoverd te hebben):
Al deze spottende gezegden zullen het zeker ‘gedaan’ hebben op het toneel. Belangrijker echter dan dergelijke losse passages is de afzonderlijke klucht die hij aan den blikken Geuzendominee gewijd heeft: Klucht van Hans Holblock, bestaende in een Waen-wyse Sottigheyt en laetdunckende Wysheyt, Brussel, 1702; 2e en omgewerkte druk: Vermakelycke Kluchte van Hans Holblock, den Geusen Predicant, z.j., Antwerpen. Om zijn visie op het Calvinisme duidelijk te doen uitkomen, lijkt het mij wenselijk, de inhoud van deze klucht weer te geven.
Hans Holblock (d.i. klomp), ‘eenen Laet-dunckenden Bottaert vol ydel glorie4), en konnende lesen noch schrijven’, ex-hondenslager van de kerk, houdt een alleenspraak, waaruit blijkt dat hij zich inbeeldt, zeer geschikt te wezen voor het ambt van burgemeester van Amsterdam. Godefroy, ‘eenen Mondt-sluyter’ (vleier), zijn buurman, versterkt hem in die opinie: Hans had no. 1 op de nominatie gestaan, weet hij te vertellen! Kortom hij slaagt er in, Hans zo te vleien dat deze hem wil tracteren op ‘roden Sol’5) en suikerkoeken in de kroeg van Moey Alleklap. Ze vinden die gesloten, want haar oom, de geuzenpredikant, is dood en zal die dag begraven worden. Een idee: is dat niet een mooi baantje voor Hans? Duizend gulden 's jaars. Godefroy ziet er wel perspectief in:
Maar hoe zal zijn vrouw Sibil6) daarop reageren? Enfin, deze, die ons wordt voorgesteld als ‘een Letter-wyse en Rycke Coopmans-Dochter’, is zó bijbelvast dat ze hem wel zal willen onderrichten. Godefroy wordt uit dankbaarheid voor zijn ‘tip’ alvast vereerd met het voorzangerschap. Een advocaat (Mr. Coenraedt) is wel bij de hand:
die zal een request aan burgemeesters voor hem opstellen. Godefroy kan de beste inlichtingen over Hans geven:
De waardin weet het baantje nog eens zo smakelijk te maken:
Maar daar komt ineens de feeks Sibil tierend binnenstormen. Hans moet een geweldig pak slaag incasseren, omdat hij niet bij de begrafenis van ‘onsen Dominé’ is. Als allen willen heengaan, eist de waardin dat Hans het gelag betaalt. Sibil weigert dit, waarvan een ontzettende kijfpartij het gevolg is. Coenraedt en Godefroy moeten de beide furiën vasthouden; anders zouden ze elkaar aanvliegen. De infaamste dingen verwijten ze elkaar: dat Moey verboden omgang zou hebben gehad met haar oom den dominee, en Sibil met diens knecht. Als het paar zich eindelijk verwijdert, roept de waardin hem nog na:
Het Tweede Toneel is nog vunziger dan het eerste. Godefroy en Coenraedt gnuiven na over alles wat ze van de wijven gehoord hebben: wie zou dat van de bijbelvaste Sibil gezegd hebben! En dan die dominee ook; dat was een hoerenloper!5)
Hij deed als verlopen kloosterlingen, die naar Holland de wijk nemen en dan nooit weerom durven te komen.
Als Hans opkomt, leest Mr. Coenraedt hem het request voor, waarin hij, zonder dat hij het merkt, wordt voorgesteld als een grote botterik. Nu moet Hans ondertekenen.
In het Derde Toneel treffen we Hans met zijn request aan voor het Amsterdamse Stadhuis. Hij biedt het een juist naar buiten tredenden burgemeester aan, die het halflachend stil voor zich zelf leest, en hem dan voor het volle college van burgemeesters en schepenen laat verschijnen. Hoewel bij het onderzoek blijkt dat Hans een afvallige Katholiek is uit de Kempen, wordt het college omtrent zijn zuiverheid gerustgesteld, als hij zegt dat zijn vrouw een Amsterdamse Bijbelzuster is. Maar ze willen hem toch ook eens examineren. Een schepen vraagt hem:
waarop onnozele Hans antwoordt:
De ‘Heeren’ worden nog kwaad ook. Enfin, op de tweede vraag:
blijft Hans eveneens het antwoord schuldig; maar dan geven de heren hem één dag om er over te studeren.
In het Vierde Toneel zien we Sibil in gesprek met haar dienstmaagd Lauretien. Sibil ziet de toestand donker in: die dolle man van haar zal nog in het kot geraken. Lauretien is veel optimistischer:
Hans komt thuis en vertelt, wat hem overkomen is.
Op die ene vraag zit het hem vast! Sibil moet hem maar gauw zeggen, in wat voor Psalm dat staat en wie het leven van dien Sebedeus heeft beschreven! Sibil heeft de zaak al gauw door:
Eindeloze moeite geven Sibil en haar meid zich nu om Hans uit te leggen, wat het juiste antwoord is. Een van hun voorbeelden is: hoe heet de vader van de kinderen van buurman Jaeck den Meulder? Eindelijk, eindelijk meent hij dat hij er achter is, en weggaand, repeteert hij:
Vijfde Toneel: Hans ten tweeden male voor het college.
Prompt antwoordt hij nu op de hem gestelde vraag: ‘hy heet ghebuereman Jaeck de Meulder.’ Zelfs voelt hij zich zo zeker van zijn zaak, dat hij op zijn beurt vragen begint te stellen: weet gij, o heren, wel, waarom de engel Adam uit het Paradijs verdreef? Maar nu gaat het de schepenen toch te ver. Met schade en schande moet Hans afdruipen:
Dat hij nu met zijn vriend Godefroy de zwarigheid gaat ‘afspoelen’ is begrijpelijk.
In het Laatste Toneel komt hij stomdronken thuis, brallend:
Daarna overlaadt hij Sibil met verwijten dat ze hem niet beter heeft voorgezegd. Met de gebruikelijke vechtpartij, waarbij vrouw en meid Hans tezamen geducht afranselen om ‘den iever die hy had' tot Preken wat te verkoelen’ eindigt de klucht. -
Overzien we het geheel, dan komen we tot de conclusie dat de held in deze persiflage van het Hollandse Calvinisme in wezen niet anders is dan een beklagenswaardige lijder aan grootheidswaanzin. In een tijd waarin het dolhuis een publieke vermakelijkheid was, is het begrijpelijk dat geesteskranken een voorwerp van spot waren op het toneel. Maar iets wat een anti-geusgezind publiek wel uitermate in het gevlij moest komen, was, dat deze megalomaan juist het domineesambt begeerde. Van het begin tot het einde speculeert dit stuk op de laagste instincten des volks. En van Gereformeerd geloof en van Gereformeerde levenspractijk heeft de, toch zeer ontwikkelde en notabele, auteur geen flauwe notie.
De Bie kende Vondel vrij goed: herhaaldelijk noemt hij hem vol lof in zijn werken1). Het is mogelijk dat Haen Kalkoen ‘de dronke plondergeus’, die ‘zijn wijf gesmeten’ heeft, enige invloed gehad heeft. Maar toch slechts voor een gering deel kan Vondel aansprakelijk gesteld worden voor deze mistekening van de Amsterdamse Calvinisten. Vondel leeft midden in Amsterdam: en hoezeer hij zijn tegenstanders ook door een sterk gekleurde bril bekijkt, hij ziet tenminste reële mensen. De Bie's Amsterdam heeft met het werkelijke Amsterdam alleen de naam gemeen. Hoe diep is de kloof tussen Noord en Zuid geworden! Geen sprankje begrip meer bij hem van Hollandse toestanden. Slechts te heftiger kan de volkshaat door een dergelijk stuk aangewakkerd zijn.