Anna Bijns bestreed de ketterij, maar noemde Calvijn nog nauwelijks, Michiel de Swaen verfoeit de ketterij, maar noemt Calvijn en het Calvinisme niet meer. Zo geven deze beide auteurs de natuurlijke begrenzing van ons onderwerp aan. Michiel de Swaen, de grootste Vlaamse dichter der 17e eeuw, tevens de belangrijkste Zuidnederlandse representant van de internationale barokliteratuur, sluit een tijdvak in de Vlaamse letterkunde af: meer dan een eeuw zal deze na zijn dood voortvegeteren, om pas in Jan Frans Willems en zijn medestanders weer tot nieuw leven te komen.
Ook De Swaen, de innig-vrome Duinkerkse heelmeester (1654-1707), bekleedt in de meeste literatuurgeschiedenissen nog niet de plaats die hem rechtens toekomt. Een eenzijdige vormaesthetiek pleegt hem eenvoudig af te doen met de mededeling dat hij tot ‘de school van Vondel’ behoort en bovendien nog een klucht (lees: blijspel) schreef. Soms wordt daarbij nog de invloed van Cats vermeld1). Voor een deel is deze eenzijdige beoordeling ook aan een Noordnederlands gebrek aan belangstelling te wijten: onder de ± 150 intekenaren op de Werken van Michiel de Swaen2) waren b.v. maar drie Noordnederlandse particulieren. Kalff3) stelt hem niet veel hoger dan Vollenhove, navolger van Vondel als hij. Na lezing van het grote werk van Maurits Sabbe, Het Leven en de Werken van Michiel de Swaen4), dat hij als degelijk bestempelt5), had hij toch beter kunnen weten. Te Winkel daarentegen, die een geheel hoofdstuk aan hem wijdt6), toont dat hij met vrucht Sabbe's werk gelezen heeft; hij ziet dat De Swaen door zijn mystiek-katholieke geest zozeer van de Noordnederlanders, zelfs van Vondel ondanks sterke formele invloed, afwijkt, dat hij in het Noorden vermoedelijk nooit enige opgang zou hebben gemaakt, als men hem daar gekend had7).
Moet men Vlaming zijn om den Vlaamsen Westhoeker te kunnen waarderen? Jan Frans Willems vindt hem ‘onbetwistbaer een' der voortreffelykste Nederduytsche Dichters van zynen tyd, zelfs wanneer men de Hollandsche daeronder rekent’1). Prudens van Duyse2) beaamt dit oordeel en zegt van een zijner gedichten: ‘men vindt er ook dien balsemgeur van mysticismus in, die van het zinnelyke tot het ideale, van het aerdsche tot het hemelsche opklimt.’
De studie van Sabbe, ongetwijfeld een geest die voorbestemd was om die van De Swaen te begrijpen, is de beste die mij over de Vlaamse literatuur van de 16e en 17e eeuw onder de ogen gekomen is. Zonder de term barok te gebruiken, die hij in 1903, toen hij dit schreef, natuurlijk nog niet kende, en zonder nog een overzicht te hebben over de Contrareformatorische kunst van West-Europa, heeft hij in de analyse van zijn werk in hoofdstuk V, alle baroktrekken, alles wat hem met Vondel, Cats, Corneille e.a. verbindt en van hen scheidt, naar voren gebracht. Slechts kort wil ik hier iets van zijn beschouwingen weergeven, waarbij ik dan tevens gelegenheid heb, zelf enkele opmerkingen te maken.
Bij geen der besproken auteurs beter dan bij De Swaen kunnen we waarnemen dat de zeventiendeëeuwse barok slechts één verschijningsvorm is van een geregeld weerkerende kunstrichting, die men in haar variaties beurtelings gotisch, barok of romantisch genoemd heeft. Het werk van De Swaen wijst zowel vooruit naar de Romantiek als terug naar de kunst der Vlaamse primitieven, terwijl hij tevens als barok artist aan een Rubens soms duidelijk verwant is. Bijna zo naïef als de Middeleeuwers beeldt hij in zijn grote werk Het Leven en de Dood van Jesus Christus ons uit de geboorte van het kindeke Jezus in het winterse Vlaanderen3). Bijna zo naïef, want op het fijne Middeleeuwse prentje van Maria en Jozef die in de barre winteravond lopen te zoeken naar nachtlogies, volgt een heftige philippica vol vragen en uitroepen tegen het meedogenloze Bethlehem:
Onmiddellijk daarop herroept de dichter deze ganse strafrede weer; heel persoonlijk wordt hij opeens: ikzelf verjoeg de maagd zo dikwijls uit mijn woning:
Die serene liefelijkheid, die de Middeleeuwse vrome kunst kenmerkt, missen we in deze hartstochtelijker, meer persoonlijk-bewogen lyriek uiteindelijk toch.
Naast dit soort tafereeltjes treffen we soms een romantiek aan, die de
stoutste Byroniaanse schilderingen van een Adriaan van der Hoop overtreft. Men vergelijke maar eens De Swaen's beschrijving van Calvariënberg1) met het begin van de 3e zang van Van der Hoop's De Renegaat (1838), getiteld ‘Middernacht’: in beide huiveren we terug voor de ijselijke heksensabbath, de nachtuilen en de vleermuizen; wat bij v.d. Hoop de vampyr is, zijn bij De Swaen de raven en kraaien die de lijken der gehangenen verslinden. De laatste bezorgt den lezer intenser griezelingen dan de eerste. En toch, wie ook dit stuk leest in zijn verband, ziet dat De Swaen geen romantiek beoefent om de romantiek zoals Van der Hoop, maar slechts'om des te heviger met barokke contrasten te kunnen werken. Calvariënberg is woest, ja vervloekt, gehaat, vermaledijd, maar .... ineens breekt de dichter af:
En nu jubelt hij het uit: gebenedijde berg, minnelijke berg, vermaarde berg, goddelijke berg!
Zo, met ogen gescherpt door de internationale barokkunst, moet men de poëzie van den Duinkerksen dichter lezen. Naast de landschaps- (en zee)romantiek staat een ontbindingsromantiek, die ons door haar illusionnistische, weerzinwekkende schilderingen van rottende lijken met afgrijzen vervult2). De schelste kleuren van het palet worden gebezigd om gruwelijke wezens als Judas, Barabbas of Lucifer af te malen3), zodat men zich afvraagt of hier de grens van theatrale bombast niet is overschreden: na lezing hiervan4) kan men niet meer zeggen dat de gepassionneerdheid, de dynamiek, de overspanning van een Rubens, althans in intensiteit, in de Vlaamse literatuur niet is geevenaard5). Fel naturalistische marteltaferelen6) wedijveren in gruwzaamheid met een beschrijving van ‘Jesus nagelinge en oprechtinge aen het Kruys’ (W. IV, blz. 148 e.v.) die den lezer de adem moest benemen en het hart in de keel doen kloppen. Men leze ook eens de hartverscheurende uitbeelding der geseling (W. IV, blz. 99 e.v.), maar dan in haar geheel, met al die wisselende stemmingen van den dichter, die de engelen aanroept om met hun vleugelen dit teder lijf te dekken, die begeert om zijn bloed met dat van dien lieven Minnegod te doen samenvloeien, en die Sions maagdenrei aanroept om dit bloed huns bruidegoms te drinken:
Sabbe zegt: ‘De heerlijkste verzen werden De Swaen ingegeven door het half-mystische, half-erotische godsdienstgevoel’ (blz. 218). Het woord ‘heerlijk’ is niet geschikt om onze appreciatie adaequaat uit te drukken, daarvoor stuit ons dit soort mystiek om godsdienstige redenen te zeer tegen de borst: wel moeten we erkennen dat hij in zijn talloze mystiek-erotische verzen en versfragmenten zijn hoogste dichterlijke vlucht bereikt. Ook hij was oorspronkelijk, gelijk De Harduijn, Luyken e.a., een amoureus dichter geweest, maar op twee, in zijn hs. trouwens nog doorgehaalde gedichten (W. dl. VI, blz. 159, 163) na, is al die wereldse en pastorale poëzie verloren gegaan, en is ‘De Verliefde God’, ‘De Minnevorst’ Jezus in de plaats getreden van den heidensen Eros. Hoe zuidelijk is deze godsdienstig-erotische vervoering b.v. in de verzen, waarin hij de Communie bezingt, vergeleken met de noordelijke beheerstheid van een Vondel o.a. in zijn Altaergeheimenissen1). Het bezingen van de goddelijke liefde is zo essentieel voor dit werk, dat de aanhalingen voor het grijpen liggen. Ik citeer een zang op de wijs van een werelds minnelied (typerend!), als toemaat toegevoegd aan een Vreugdezang ter ere van Zr. Marianne van Meenen, die pas non geworden was (1695; W. dl. V, blz. 73).
In al dit werk bespeuren wij het product van een Franciscaanse geestesgesteldheid en een Jezuïetische geestestraining2): de liefde is
den dichter alles, de verbeeldingen zijner liefde zijn echter zo naturalistisch mogelijk. Zo is hij dan wel bij uitstek de dichter der Vlaamse Barok geworden, daartoe van meet af voorbestemd door zijn aanleg, en daartoe verder gerijpt door het culturele milieu waarin hij was opgegroeid en verkeerde. Hij is niet alleen een devoot van nature, maar evenzeer een romanticus. Zijn bolle Vlaamse kop met de doordringende, enigszins weemoedige ogen, en de fijne ronde kin wijzen reeds in die richting1). Romantisch is hij in de over-accentuering van zijn zonden (‘hoe heb ik .... uyt den geylen kelk van dertelheyt gesoopen!’), in de opschroeving van zijn zelfverwijten (‘wanneer ik om een kus, een dwase minnetocht, myn Godt heb afgegaen en myne ziel verkocht’), in de omstandige beschrijving van erotische visioenen die hem kwelden, en het berouw, in hete tranen uitgeschreid2). Romantisch is hij in zijn onstuimig verlangen naar het bijzijn van een wezensverwanten vriend (Sr. G.D.D.: misschien G. de Dons3)) en naar de eenzaamheid:
Romantisch is hij in het wisselende van zijn stemmingen, zijn licht beïnvloedbaar zijn en zijn ontevredenheid over zijn omgang met de mensen: hij wordt ingepalmd door een blij gezicht, door vleierij, door een zoet liedje; hij lastert, discussieert, windt zich op, schranst, drinkt te veel, al naar de omstandigheden zijn, en - zo gaat de tobber voort -
Dat deze amoureuze aanbidder van het H. Sacrament des Altaars, evenmin als De Harduijn en Bellemans, een kettervriend zou zijn, valt te verwachten. Veel reden om de ketterij aan te vallen bestond er overigens voor hem niet. In de Franse stad Duinkerken was de ketterij door Lodewijk XIV totaal uitgeroeid5). Maar er was het gehate Engeland, dat vier jaar lang Duinkerken bezet had gehouden (1658-1662): toen de Engelsen aftrokken was Michiel 8 jaar oud. Er waren de ketterse zeevaarders en vissers, die de haven binnenvielen. Er was
de geschiedenis van zijn eigenlijke vaderland, Nederland, waarin de ketterij zo'n grote rol gespeeld had.
Op 27 Oct. 1699 overleed de Duinkerkse priester Joseph de Bousy, eerste kapelaan van de Broederschap van het Allerheiligst Sacrament des Altaars, waarvan De Swaen lid was. Deze dichtte een Lyk-sangh1) op de uitvaart van dezen man - een vurig prediker, niet alleen in de stad, maar ook in de omgelegen plaatsen; in de kracht des levens weggerukt - waarin hij zegt:
Blijkbaar werkte deze priester dus onder de zeevarenden2), wier bekering door De Swaen evenzeer wenselijk werd geacht.
Of De Swaen iets van het wezen der ketterij begrepen heeft, we wagen het bij hem evenzeer te betwijfelen als bij De Bie. Op een vraag van de Brugse Rederijkerskamer De Heilige Geest (1703)3), welke deugd God het meest behaagt en welke ondeugd hem het meest mishaagt, is zijn antwoord op de eerste vraag natuurlijk: de Liefde, ‘soetste lust van een verliefden Godt’, maar dan volgt een pralerig-barokke beschrijving van de grootste ondeugd: de Hovaardij, waaruit ik citeer:
Een tipje wordt ons hier weer opgelicht van de gewone oppervlakkige ketterpsychologie, die we ons van twee eeuwen tevoren nog herinneren. In al haar uitgebreidheid treffen we ze nog eens aan in de uitlegging van het Raadsel dat De Swaen op 9 Januari 1689 op de rederijkerskamer De Carssouw-bloeme gesteld heeft en beantwoord. Het druipt van haat tegen de Engelsen, Willem III en de ketters, inzonderheid Kwakers en Brownisten. Voor een deel misschien gemeend, voor een deel misschien pour besoin de la cause: hij was in die jaren Raad der stad4) en toonde er zich ook bij andere gelegenheden niet afkerig van, de Franse machthebbers naar de ogen te zien5).
Het Raadsel luidt1):
De Uytleggingh begint als volgt:
Maar de Engelse soldaten zijn onwillig tot de strijd:
De koning is radeloos. Zijn gezin is in gevaar:
Heel Engeland valt af. De koning zendt eerst zijn gezin weg en trekt daarna zelf in ballingschap, als eertijds David, geplaagd door Absalom (Oranje), gesmaad door Simeï (het Engelse volk)6).
Een stuk waarin geregeld van de ketterij sprake is, is het historische drama De Zedighe2) Doot van Carel den Vijfden (geschreven vóór 1704), zijn laatste omvangrijke werk3) en volgens Jan Frans Willems (die toen De Mensch-wordingh nog niet kende) het beste toneelstuk van al de Vlaamse dichters der 17e eeuw. Het stuk is vooral hierom merkwaardig dat De Swaen zich verdiept in het nationaal verleden, wat in het Zuiden met zijn droeve historie van onderdrukking en achteruitzetting, uiterst zeldzaam was4). Hoe hij daartoe kwam? Karel V was voor kunstenaars der Contra-Reformatie als Poirters en De Swaen een figuur die uitermate imponeerde. Heerser te zijn over zulk een machtig wereldrijk en dan afstand te doen van al die heerlijkheid, vóór zijn tijd ‘aan eigen grootheid te willen sterven’ (II, 170), in een klooster zich te gaan voorbereiden op de lichamelijke dood, dat alles stempelde hem tot een heros der ascese en der versterving, zoals de Contra-Reformatie zich niet markanter kon denken5). Een stuk zonder spel-kwaliteiten, karakters zonder dramatisch belang, een werk zonder kleur of leven, zegt Sabbe afkeurend6), Ik kan met dit oordeel niet instemmen. Allereerst dient men dit stuk te zien als liggende in de lijn van zijn Mauritius en zijn Catharina, uitbeeldingen resp. van den Christenheld en de kruisheldin. Zij zowel als Karel V waren voor de barok-kunstenaars heroën, die hun leven opofferden aan Jezus: dat keizer Mauritius lichamelijk sterft en keizer Karel slechts sterft aan de wereld,
vormt geen essentieel verschil. Ten tweede mag men zich afvragen of De Swaen in dit soort spelen ter verheerlijking van de Christelijke triomf over dood en wereld niet bewust werelds-dramatische opsmuk uitschakelt. (Dat hij dramatische talenten bezat, bewijst toch duidelijk genoeg zijn Gecroonde Leersse, een blijspel dat tot in 1942 opvoerbaar bleek te zijn). Om de opzet er van te begrijpen moet men zijn omstreeks dezelfde tijd (na 1700) geschreven Neder-duitsche Digtkonde lezen. Volgens den dichter, die in dit werk vooral steunt op een of anderen vertaler van Aristoteles (Dacier, 1692?), zijn er twee soorten onderwerpen voor de tragedie: ‘eenvoudige’ en ‘'t samen gevoegde’; samengesteld is een stuk, waarin de anagnorisis volgt op de peripetie; ‘eenvoudig, die bestaet of in een enkele lyding, gelyk de treurige dood van eenen held, ofte in een enkele staetsverwisseling, gelijk eenen koning, die de kroon nederlegt om een verworpen leven te leijden’ [Ik curs.] (W. II, 259). Zo zijn er dan ook twee soorten treurspel: eenvoudige, ‘met een enkele knoop en ontdoening (b.v. Bérénice van Racine) en samengestelde. Een andere indeling is die in ‘beweeglijke’ en ‘zedelijke’ treurspelen. De eerste eindigen met ‘wonden, smerten, of ontlijving’. Zedelijk is die tragedie ‘die eenige persoonaedjen voorstelt, prijselijk door goede seden en deugdelijke werken’ (II, 265). Zo ziet men, dat er wel degelijk aanknopingspunten zijn tussen dit stuk en zijn theorie. Dat er een gapende kloof is tussen dit spel van Christelijke deugd en Aristoteles' opvatting van de tragedie, is iets wat men niet alleen aan De Swaen mag verwijten: Vondel's Maria Stuart beantwoordt ook allerminst aan de klassieke regels.
Thans bespreken we de inhoud van het werk. In het eerste bedrijf verheerlijken Egmond en Oranje, die hier nog goed Rooms is (blz. 110, r. 2), den groten keizer ten koste van zijn trotsen zoon, onder wien ze met profetische blik de vrijheid van de Nederlanders vertrapt en zichzelf veronachtzaamd zien. In een monoloog van Karel V horen we iets van zijn innerlijke strijd: moet hij nu alle grootheid opofferen voor een zoon, die misschien dadelijk zijn vaders ‘jonst en goetheyt’ zal vergeten, zodra hij hem is opgevolgd? (blz. 114). Alle tegenwerpingen van Philibert van Savoye, aan wien hij daarna zijn wens om afstand te doen kenbaar maakt, verwerpt hij: hij wil ‘ruimte tussen tijd en eeuwigheid’ maken. In extase roept hij uit:
In het tweede bedrijf wordt in een vertrouwelijk gesprek tussen Philibert en Philips door den auteur wel een schel licht op het achterdochtige karakter van den laatste geworpen. Als zijn vader valt, meent hij, zal ook zijn rijk bezwijken. Die gedachte bezorgt hem een ondraaglijk lijden: de Nederlanders zijn zo gehecht aan hun vrijheid, dat hun heerser meer een huurling lijkt dan een vorst. Wat Philibert er tegen inbrengt, zijn vader, meent Philips, had dit ‘wederspannigh rot’ veel meer met het zwaard hun moedwil moeten afleren. Vooral die Egmond en Oranje zijn gevaarlijk. - Met Maria van Hongarije, zijn tante, bespreekt hij vervolgens de toestand in Engeland. Zijn vrouw, Maria
Tudor, doet alles om er de ketterij uit te roeien, maar wat geeft het?
Hierop volgt een bittere klacht over de Engelse adel, die blijkbaar geen haar beter is dan de Nederlandse. Zijn tante tracht hem te sussen:
En Philips weet toch waarom de keizer dit huwelijk heeft tot stand gebracht: ‘den iever van Gods wet, de steun van syn vermogen’. Philips erkent dat dit zo is: daarvoor heeft hij alles over. Maar gemelijk merkt hij op dat het regeren dan toch wel ‘een last en swaere slavernije’ is.
In het derde bedrijf tracht Philips, die intussen over de a.s. troonsafstand is ingelicht, zijn vader tot andere gedachten te brengen. Er zullen maar rampen voor de staat uit voortvloeien: afval van allerlei volkeren, maar vooral afval van het geloof.
Tot nog toe heeft Karels naam die volkeren en die ketters doen beven. Maar Karel erkent nederig dat dat niet zijn eigen werk is; 't is Gods werk:
Die God van uw voorvaderen zal ook u helpen, zegt de keizer. Philips brengt nog vele argumenten te berde, maar zijn vader slaat ze hem alle uit de hand. Philips moet nu maar niet langer wederstreven. - Als zijn vader weg is, blijkt Philips nog niet verzoend met de gedachte dat zijn vader afstand zal doen: de strijd tussen het medelijden met zijn vader, dien hij dus niet begrijpt, en de eerzucht om zelf de macht te krijgen woelt in hem. Of het nu deugd of zwakheid van zijn vader is, deernis blijft hij voor dien man voelen. Philibert tracht
hem die gedachte uit het hoofd te zetten, maar praat, in dit opzicht althans, langs hem heen. Beiden verlaten het vertrek, juist als Oranje en Egmond binnentreden, vol argwaan over die twee vreemdelingen Philips en Philibert. Egmond slaakt de verzuchting (en ik meen te mogen aannemen dat het den nationaal-Nederlands voelenden en, gelijk wij straks zullen zien, den vrijheid beminnenden De Swaen uit het hart gegrepen is):
Het 4e bedrijf begint met een gesprek tussen 's Keizers zuster Eleonora, weduwe van Frans I, en Egmond. Egmond heeft respect voor de zielegrootheid van den keizer, maar zou zo graag zien - om de gevolgen: het doen waggelen van zijn rijken - dat de keizer de kroon bleef dragen tot zijn dood. Eleonora kan echter het besluit van haar broer volkomen billijken. Maria van Hongarije, die zich bij Eleonora voegt, kan die vrees van Egmond wel begrijpen: ook zij ziet zwarte wolken aan de horizon opdoemen, vooral als Philips straks met de Inquisitie gaat werken:
Maar toch, misschien zal God genadig zijn. De daad van Karel blijft goed: haar ziel verlangt er naar, maar haar harte beeft. - De keizer en een stoet van edelen komen op. Voor het laatst doet nu Oranje nog een welsprekend beroep op den keizer: een beroep op zijn hart, dat den keizer nog het meest treft. Deze verzekert hem, dat hij niet het afscheid van de kroon zich het meest aantrekt, maar dat van Oranje, Egmond en de anderen. Egmond verzekert, dat hem bij dit afscheid het meest ontroert de kranke ouderdom des keizers, die hem dit besluit deed nemen. Karel verklaart echter goedjonstig, dat deze krankheid, die hem eindelijk zijn rust bezorgt, hun juist een bron van vreugde behoort te zijn. Geheel dit toneel ademt oprechte wederzijdse liefde.
Het 5e bedrijf toont ons Maria van Hongarije weer in gesprek met Egmond. In tegenspraak met haar eigen vroeger in een vertrouwelijk gesprek met haar zuster geuite bezorgdheid, tracht zij Egmond gerust
te stellen omtrent Philips' karakter. Vergeefs. Het ganse volk vreest voor den Spanjaard, zegt deze. Een verzoek van hem aan Maria om als landvoogdes aan te blijven, slaat zij af: ook zij heeft genoeg van de aardse grootheid en wil het voorbeeld van haar broer volgen. Dit maakt de maat der rampen vol, meent Egmond:
Nu volgt nog de plechtige afstand ten aanschouwen van het ganse hof. De keizer, ondersteund door Oranje, spreekt hen allen voor het laatst nog toe. In zijn terugblik verklaart hij dat
Hij zet de motieven voor zijn afstanddoen uiteen en zegt tot zijn onderdanen:
Daarna spreekt hij zijn zoon toe, wien hij nog eens op 't hart bindt, te zijn ‘een schroom den ketter, een troost den onderdaen’. Gelijk gewoonlijk bij dergelijke plechtigheden vinden nu de gebruikelijke plichtplegingen en toespraken plaats. De tekenen der koninklijke waardigheden worden overgegeven. Muziek weerklinkt. ‘Hier soude mogen gedanst worden’. Karel spreekt daarna nog een gebed uit, eindigend:
Het geboden overzicht moge volstaan, om te doen zien, dat wij hier met een edel vaderlands historiespel te maken hebben van een dichter, bezield door vurige drang naar een ascetisch leven, tevens treurend om het verlies van de vrijheid der Nederlanden. Pleitbezorger en voorvechter van het geloof is Karel V - en niemand, ook de dichter niet, neemt hem dat kwalijk - evengoed als Philips, maar hoe steekt overigens de laatste als donkere figuur tegen de lichtende gestalte van Karel af. Zijn Spaanse hoogmoed, zijn achterdocht, zijn haat tegen de inlandse groten, maar ook zijn onverstand om de Spaanse Inquisitie hier in te voeren, zullen Nederland niet alleen van zijn dierbare vrijheid beroven, maar ook het hele staatsbestel aan het wankelen brengen. Ten slotte treft ons ook hier, evenals bij een Everaert twee eeuwen te voren, bij alle positief vasthouden aan het Roomse geloof, diezelfde echt-Nederlandse trek van gematigdheid, die we b.v. missen bij den Engelsman Verstegen.
Voor de interpretatie van dit drama is ook van belang een der allerpersoonlijkste gedichten, die De Swaen gemaakt heeft, in zijn handschriften te vinden: Aen den Heer van Heel2), my onbekent, over
syne clacht op myn vertrek uyt Hollant (W. dl. VI, blz. 181). Blijkbaar had de dichter een bezoek aan zijn oudsten zoon gebracht, die te Rotterdam gevestigd was1); daarna moet hij dit mooie elegische sonnet gemaakt hebben:
De laatste regels zijn aangrijpend. Het is wel een wondere speling der geschiedenis, dat de laatste grote dichter der Contra-Reformatie op zo persoonlijke wijze zijn liefde voor het vrije Holland uitte, een land, dat, vooral door het Calvinisme gestaald, zijn vrijheid op den Spaansen dwingeland bevochten had: in de landen, waar de Contra-Reformatie had gezegevierd, genoot men nergens van een dergelijke vrijheid.
Bezien we nu nog eens De Zedighe Doot in het licht van deze persoonlijke gedachtenuiting van De Swaen, dan bespeuren we er naast de peripetie in den persoon van Karel V, die als keizer vrijwillig het lot verkiest van een vergeten burger te worden, nog een tweede staat-verwisseling, n.l. van het volk der Nederlanden, dat door de troonsafstand uit een toestand van geluk gestort wordt in een zee van rampen: beroving van zijn vrijheid, tweedracht, scheuring. Maar dan is het ook niet toevallig dat De Swaen dien goeden keizer tweemaal ten tonele heeft gevoerd, eens als den populairen volksvriend in De Gecroonde Leersse, andermaal als den wijzen, beminden en beminnelijken landsvader in De Zedighe Doot. Dan is daar in die idealisering een romantisch verlangen naar het verleden, gelijk bij Potgieter naar dat van de Gouden Eeuw der Republiek, een verlangen naar die schone tijd, waarin, volgens de visie van dezen onder het Franse juk zuchtenden dichter, één godsdienst vorst, volk en adel tezamensnoerde, en waarin de Nederlanden nog niet door onverstandige volksonderdrukking in drie delen verbroken waren. Dat deze romantisering van de geschiedenis, geboren uit heimwee naar een gelukkiger verleden, de historische werkelijkheid van het tijdvak van Karel V wel enigszins geweld aandoet, vergeven we dezen nobelen mens volgaarne.