begin  verder
[p. 5]

Het laatste woord heeft het eerste

In 1944 voltooide Hermans zijn verhaal ‘Manuscript in een kliniek gevonden’; in 1948 het verhaal ‘Paranoia’, dat in hetzelfde jaar in het tijdschrift Criterium werd gepubliceerd; in 1949 het verhaal ‘Lotti Fuehrscheim’, dat in 1952 in het Nieuw Vlaams Tijdschrift verscheen, en in 1950 ‘Het behouden huis’, dat in 1952 afzonderlijk werd gepubliceerd. In 1953 bundelde hij deze vier teksten onder de titel Paranoia met twee andere, nog niet eerder gepubliceerde, in 1953 voltooide verhalen, getiteld ‘Glas’ en ‘Preambule’.

De bundel opent met de laatst geschreven tekst ‘Preambule’. Door degenen die er over schreven is deze tekst altijd gelezen als de preambule van de bundel, dus niet als een verhaal, maar als een inleidende beschouwing van de schrijver W.F. Hermans zelf. Dit blijkt uit De vervalste wereld van W.F. Hermans, de in 1985 verschenen dissertatie van G.F.H. Raat, die handelt over de bundel Paranoia1. In 1983 deelde Hermans zelf mee dat ‘Preambule’ een verhaal is2. Raat neemt deze mededeling serieus in overweging, omdat hij weet dat Hermans vaker herstelwerkzaamheden verricht als hij zich verkeerd begrepen voelt, maar komt toch tot de conclusie dat zelfs Hermans niet per se de ultieme wijsheid in pacht heeft als hij over zijn eigen werk spreekt. Hij houdt het erop dat ‘Preambule’ een essay is. Ik ben het met Hermans eens; in dit opstel zal ik uitleggen waarom, en welk verschil het maakt.

 

Hermans geeft zelf als argument bij zijn stelling dat ‘Preambule’ een verhaal is, dat niet gezegd is dat hij de ik-figuur is, vooral omdat deze dingen zegt waar hij het niet mee eens is. Raat (1985, 15) ontzenuwt dit argument als oncontroleerbaar en dus niet toepasbaar, en acht het bovendien ontoereikend: ‘De overeenstemming (met de werkelijkheid, IB) of het ontbreken daarvan, indien al vaststelbaar, vormt echter geen voldoende voorwaarde voor de ene of voor de andere leeswijze’.

Als we hierin meegaan, dan betekent dit nog niet dat Hermans' stelling onjuist is. Het bewijs is onjuist, en bij gebrek aan bewijs blijft de stelling onbewezen: haar juistheid is inderdaad niet bewezen, maar haar onjuistheid

[p. 6]

evenmin. Bovendien doet het in dit verband wat merkwaardig aan, dat Raat, die ‘Preambule’ leest als ‘de bondige uiteenzetting van een filosofie, toegespitst op het schrijven’, net als de andere literairwetenschappelijke Hermanslezers, wijst op de overeenstemming in opvattingen van de ik-figuur van ‘Preambule’ (door hem systematisch in het kader van de werkelijke auteur, en niet in dat van de abstracte auteur besproken) en de opvattingen over schrijven, die Hermans in een drietal, als zodanig onmiskenbare essays heeft neergelegd, te weten ‘Tegen de historische roman’, ‘Experimentele romans’ en ‘Antipathieke romanpersonages’. Hermans' argument moge ontoereikend zijn, oncontroleerbaar is het kennelijk niet.

Als eigen argument voor de onjuistheid van Hermans' stelling voert Raat aan, dat ‘Preambule’ zich niet laat lezen als een verhaal, dit is, volgens zijn door Oversteegen aangereikte definitie, als ‘een serie gebeurtenissen die in een relatie van ontwikkeling tot elkaar staan’. Volgens deze definitie van verhaal is ‘Preambule’ inderdaad geen verhaal, maar dat zegt niets, want volgens Hermans' definitie van verhaal is het dat wel. Het sadistisch universum heeft óók geruime tijd een bundel ‘esseejs en verhalen’ geheten, maar toch treft men er niet één verhaal volgens de definitie van Raat/Oversteegen in aan3. Hermans spreekt dus kennelijk over iets anders, en kan dus nog steeds, zoals altijd, gelijk hebben. Dat zijn definitie - welke dat ook zijn moge - bij voorbaat slechter is dan die van Oversteegen is niet zonder meer aan te nemen, want die is op zijn zachtst gezegd ongelukkig: zij is op zoveel méér dan alleen verhalen van toepassing, èn zij is op zoveel (misschien wel àlle monologische en experimentele) literaire prozateksten van geringere omvang nièt van toepassing.

Nu is het onwaarschijnlijk, dat Hermans een literairwetenschappelijke definitie van verhaal hanteert; zeer waarschijnlijk bedoelt hij niet méér dan: ‘het is niet echt, het is literatuur’ of: ‘het is wel echt, maar verliteratuurd’. Ontegenzeggelijk verschilt ‘Preambule’ van de overige vijf verhalen in dit opzicht, dat de vijf volgende verhalen overheersend een handelingsstructuur hebben, omdat er gebeurtenissen in worden gestructureerd, terwijl de eerste tekst een voornamelijk informatieve structuur heeft, omdat er mededelingen, eventueel argumenten, in worden gestructureerd. Maar ook dàt zegt niet zoveel, omdat (of: als) ‘Preambule’ een verhaal is dat de fictie ‘inleidende beschouwing’ volhoudt. Daarom (of: dan) voldoet het ook aan alle andere kenmerken van het teksttype ‘inleiding’, door Raat op bladzijde 14 van zijn dissertatie opgesomd, en gebruikt als argument voor zijn niet-literaire leeswijze.

Het laatste argument is, dat de ik-figuur zegt de vijf volgende verhalen van de bundel geschreven te hebben, terwijl algemeen bekend is dat ze door Her-

[p. 7]

mans geschreven zijn. Dit is in feite het door Raat zelf afgewezen overeenstemmings- of waarheidsargument, en ook hier is het inderdaad geen reden om de leeswijze te bepalen. Kiest men er immers voor, de tekst literair te lezen, dan zou men hier een mooie, omgekeerde variant van de in de literatuur gebruikelijke topos van de op zolders en kelders gevonden teksten kunnen aantreffen: terwijl anderen zeggen de teksten niet zelf geschreven, maar gevonden te hebben, claimt de ik-figuur van ‘Preambule’ ze niet gevonden, maar zelf geschreven te hebben, mèt hetzelfde, bij de topos behorende effect: de lezer weet in beide gevallen dat het niet waar is. Niet voor niets heet het eerstvolgende verhaal ‘Manuscript in een kliniek gevonden’, en niet voor niets deelt de ik-figuur mee, alleen op gebruikt papier te kunnen schrijven.

 

Uiteraard heb ik hiermee nog niet bewezen dat ‘Preambule’ een verhaal is; ik heb slechts aannemelijk gemaakt dat de redenering waarmee Raat Hermans' mededeling verwerpt, niet uitsluit dat ‘Preambule’ tòch een verhaal is. Maar het is niet eens nodig te bewijzen dat ‘Preambule’ een verhaal is; het feit dat Hermans het zo noemt is afdoende bewijs. Waarom?

Ten eerste omdat het onmogelijk is, te bewijzen dat een tekst literair is. Dat is onmogelijk, omdat de literatuurwetenschap er tot op heden niet in geslaagd is, een sluitende definitie van literatuur te produceren. Dat is niet voor niets zo moeilijk; de literariteit van een tekst blijkt lang niet altijd een aan de tekst of aan zijn abstracte lezer (= het geheel van tekstuele aanwijzingen bestemd voor de werkelijke lezer, die daardoor te weten kan komen hoe de tekst gelezen moet worden) inherente en aantoonbare eigenschap te zijn. Veeleer is literariteit een geïnstitutionaliseerde vorm van gedrag, aan welks spelregels alle deelnemers gehoorzamen vanaf het moment dat een tekst als literair te boek staat of wil staan. De literaire status wordt dus vooraf aan de tekst meegegeven; daarmee wordt ook de literaire leeswijze in eerste instantie niet door de tekst zelf gedicteerd, maar vooraf, door de naamgeving, en de daaruit voortvloeiende plaatsing in het literair vertoog (dit is het geheel van spelregels rond en in de literatuur). Wel kan voor de literaire leeswijze in de meeste gevallen bevestiging gevonden worden in allerlei tekstuele eigenschappen. Foutieve leeswijzen doen zich meestal dáár voor waar de eerste, aan de tekst voorafgaande aanwijzing is gemist, en waar de tekstuele signalen zwak zijn - en dat is vaak het geval als de teksten de vormen van niet-literaire teksttypen naäpen, zoals Orson Welles' hoorspel The war of the worlds, of Hermans' ‘Preambule’.

Ten tweede: literariteit heeft daarmee een sterk taalhandelingsachtig karakter. Omdat in de taaltheorie het handelingsaspect van taaluitingen in eerste instantie wordt gesitueerd bij de intentie van de spreker, of in de context van

[p. 8]

de taalgebruikerssituatie, en slechts zelden bij de luisteraar, verdient het aanbeveling, het oordeel van de spreker in dezen te volgen. Als Hermans zegt dat zijn tekst een verhaal is, dan is het een verhaal, zodra er iemand in slaagt het als een verhaal te lezen; en zolang niemand poogt dat te doen zit de duider, en niet de spreker, als taalhandelaar verkeerd. Juist wat dit aspect van zijn taaluitingen betreft heeft Hermans de ultieme wijsheid in pacht.

Nu heeft de auteur uiteraard méér middelen ter beschikking om het taalhandelingsaspect van zijn teksten te differentiëren dan een mondelinge mededeling achteraf, zoals benoeming, plaatsing, of een ander lettertype. De keus uit de grote hoeveelheid woorden waarmee openingsteksten worden aangeduid zegt al veel: zo wijzen woorden als ‘preambule’, ‘avant-propos’ of ‘woord vooraf’ op teksten die zijn afgezonderd van de volgende en een andere status hebben, terwijl het woord ‘proloog’ daarentegen wijst op een tekst die traditiegetrouw deel uitmaakt van het literaire werk, zoals een ‘hors d'oeuvre’ wel degelijk tot het diner behoort.

Maar zekerheid is moeilijk te verkrijgen. Wordt een tekst met de naam ‘Proloog’ vóór het titelblad van een roman geplaatst, dan lijkt dit een indicatie dat hij niet bij die roman behoort. Toch wordt ‘Proloog’ het eerste deel van Blamans roman Eenzaam avontuur genoemd, en het stuk achter het titelblad heet het ‘middendeel, dat evenals de roman Eenzaam avontuur heet’4. ‘Bericht’, de openingstekst van Een tevreden lach, wordt tegelijk gelezen als een uitspraak van Andreas Burnier en als het eerste hoofdstuk van de roman, als ‘een soort inleidend hoofdstuk’5, maar ‘Voorbericht’, de laatste tekst in het terugtellende Het jongensuur wordt uitsluitend literair gelezen6. Is het tekenend voor de onzekerheid, dat ook bij een literaire leeswijze steeds wordt gesproken van het Voorbericht, of van de Proloog, en dat er geen titelverklaringen worden ondernomen? Men vat dergelijke woorden kennelijk op als aanduidingen van teksttypen, als soortnamen dus, die als zodanig voor zichzelf spreken. Er zijn weinig tekstuele eigenschappen waarmee keihard bewezen kan worden dat een dergelijke tekst een onderdeel vormt van een literair werk, of er een niet-literair aanhangsel bij is7. Een tekstuele eigenschap als ‘stijl’ is kennelijk niet doorslaggevend, want ik heb ‘Preambule’ juist op grond van de stijl altijd als een verhaal gelezen. Het kwam zelfs niet bij me op dat het anders zou kunnen, zó pertinent signaleerde de stijl dat de tekst geen Hermans-essay is8.

Nu is deze kwestie uiteraard niet interessant om de vraag of Hermans gelijk heeft als hij zijn ‘Preambule’ een verhaal noemt; interessant is de vraag wat de ene en wat de andere keuze betékent. Heel in het algemeen gesteld betekent het, zoals gezegd, dat de ene opvatting een andere leeswijze, dus een ander proces van betekenistoekenning met zich meebrengt dan de andere.

[p. 9]

Hermans weet dit net zo goed als Raat - vandaar dat hij zijn tegenargument zo formuleert als hij het doet. Hij zegt in feite: ‘“Preambule” is niet gelezen als een verhaal, het is gelezen als een essay, en wel als de andere essays waarin ik iets over schrijven zeg. Dit is niet de enig mogelijke leeswijze van “Preambule”, want het is niet gezegd dat ik die “ik” ben’. En hij wijst een (of de) literaire leeswijze als een even of meer adequate aan: ‘het is een verhaal’.

Het is niet onmogelijk, dat Hermans met deze bewering geen ander oogmerk heeft dan eens te meer te wijzen op de mogelijke geldigheid van een andere dan de communis opinio; maar het is evenmin onmogelijk dat hij de literaire leeswijze béter acht, bijvoorbeeld omdat deze meer recht doet aan zijn tekst. Zelf vind ik niet alleen ‘Preambule’ maar de hele bundel Paranoia veel ‘mooier’ als ik de eerste tekst als een verhaal lees, dus wil ik het geval aangrijpen als case-study voor de explicitering van de verschillen tussen een literaire en een niet-literaire leeswijze.

1Raat 1985, p. 14 en noot 19 op p. 45. Daar niet expliciet genoemd zijn bijvoorbeeld Rodenko 1959, 73; Bersma in Raam, maart 1972, p. 64; Verhoeven in Bijna niets, p. 151; Vermeiren 1986; Janssen in Bzzlletin mei 1985, en het feit dat ‘Preambule’ volgens Calis geen toelichting behoeft en ‘Manuscript in een kliniek gevonden’ wel, bij de uitgave van ‘deze prozateksten’ in de Cahiers voor Letterkunde. Overigens leest Oversteegen al in 1963 en in 1967 in ‘Preambule’ uitspraken van Hermans zelf, in Kort geding en in Literair Lustrum. Naast Kouwenaar is eventueel als uitzondering te noemen Stolk in Spektator 3 (1973-1974) nr. 7, die steeds zorgvuldig van ‘de ik-figuur van “Preambule”’ spreekt.
2Hermans had herhaaldelijk eerder de gelegenheid zulks mee te delen, maar liet dit na, zoals uit Janssen 1979, 51, 233, en 234 is af te leiden.
3Oversteegen noemde de ‘Kleine protokollen’ uit Het sadistisch universum overigens zelf ‘novellen’ (Literair lustrum 19682, 160).
4Henk Struyker-Boudier, Speurtocht naar een onbekende, Amsterdam 1973, 19782, 136.
5Siem Bakker en Theo Vos, Over Een tevreden lach van Andreas Burnier, Amsterdam 1981, 10 en 11.
6Theo Vos en Siem Bakker, Andreas Burnier, Nijmegen-Brugge z.j., noot 70 en 71.
7Op basis van tekstuele eigenschappen meent Mitterand 1980, Benvenistes onderscheid tussen ‘discours’ en ‘récit’ hanterend, de préface als vorm van discours te herkennen. Het vaststellen van de (niet-) literariteit van een prefaciale tekst gaat daaraan vooraf, zoals ik hiervoor reeds stelde. Bij een literair hernemen van een teksttype hoeven immers de eigenschappen van het teksttype niet te verdwijnen - integendeel.
8Het verschil tussen mijn Hermans-essayist en mijn Hermans-novellist zit hem in ‘Preambule’ in het feit dat de stijl te omslachtig, te ‘mooi’ is; dat de ik te weinig uit is op zijn gelijk en geen omlijnde tegenstanders heeft; dat het woord ‘confidenties’ waarmee hij zijn tekst in de laatste paragraaf benoemt voor Hermans zelf volstrekt ‘out of character’ is, en last but not least: de tekst bezit de in de slotwoorden opgeëiste toets van krankzinnigheid die ik Hermans noch zijn abstracte auteurs in zijn essays toeschrijf. Voor iemand wiens enig houvast logisch denken is (Janssen 1979, 307) is de tekst te onlogisch.
 begin  verder