terug  begin  verder
[p. 36]

‘Lotti Fuehrscheim’

Raats analyse van ‘Lotti Fuehrscheim’ laat hem met gemengde gevoelens achter, geplaatst als hij zich ziet ‘voor talloze raadsels die, eenmaal min of meer opgehelderd, de futiliteit van zijn inspanningen tonen’. Hij meent dat ook de abstracte lezer gedwongen wordt zinloze woordenspelen te ontrafelen, en dat diens activiteiten aanvechtbaar zijn. Daarmee, vindt Raat, wordt ook het verhaal tot een verhaaltje: ‘Het vernietigt zichzelf’. Met deze bevindingen wordt Raats opvatting van de in de tekst besloten lezersrol m.i. definitief ongeldig. Als je er zo niet uitkomt moet je een andere manier zoeken, want de zingeving geschiedt wel op basis van de tekst, maar door de lezer - de werkelijke.

Inderdaad zijn de katagorieën waarmee mensen in de werkelijkheid gebeurtenissen en zaken trachten te ordenen, zoals tijd, ruimte, personen of eenheden, volgorde, oorzaak en gevolg, dood of levend, onbruikbaar in ‘Lotti Fuehrscheim’. ‘Lotti Fuehrscheim’ is een ik-verhaal, verteld in de derde persoon, zoals ook Lotti over zichzelf in de derde persoon spreekt. Dit hoef ik niet te bewijzen, want Raat heeft reeds aangetoond dat de visies van de vertelinstantie en van Bernard nauwelijks uit elkaar te houden zijn. Het is een autobiografie in hij-vorm, verteld door iemand die gestorven is, overlangs ontschedeld door een wentelwiek, zoals Mabette door een zaag (‘Het is onzinnig om te zeggen, dat zij dood is’).

Wat wij lezen is wat rest van een eens levende, het enige wat van alle levenden overblijft: het verhaal, de woorden waarin zij zichzelf hebben opgeslagen, en/of die waarin de nabestaanden hen overleveren. Zo'n tekst zal, uitzonderingen daargelaten, steeds veranderen en steeds minder worden. Zo'n tekst is ook enkel nog op basis van andere, gesproken of geschreven, tèksten te verifiëren, want nergens anders bestaat er nog een existentieel correlaat van. Deze wetenschap reduceert het belang van het existentieel correlaat aanmerkelijk: ‘de betrekkelijke ordening van (het, IB) organisme zou niet de minste betekenis hebben bezeten in dit alles’. Het lijf is een confectiekostuum. ‘Lotti Fuehrscheim’ suggereert dat iemand die pas dood is, zich nog als ‘straling’

[p. 37]

kan manifesteren, of als ether, en dat hij in contact kan treden met andere stralingen in de ether (radio). Het blijkt dènkbaar, ‘Daarom gaat hij niet onmiddellijk dood, daarom weet hij telkens wat nieuws’.

Als verhaal is ‘Lotti Fuehrscheim’ aanvankelijk een uitzonderlijk geval; niet dat geval waarin het verhaal tot een legende, dus vast en/of groter wordt, maar het geval dat ‘twee verhalen bij het overschrijven door elkaar geraakt’ zijn. Ons, lezers, steunt geen enkele pilaar van de werkelijkheidsconceptie op het niveau van de gebeurtenissen (al kunnen we gevoeglijk aannemen dat Bernard ligt opgebaard in het ziekenhuis waar hem de stilte van de dood overviel toen hij een rij confectiekostuums zag passeren: vandaar de ziekenhuissinaasappellucht en de politiesirenes die ambulances zijn); over blijft het niveau van de tekst en zijn pilaren: de woorden. Welke woorden worden ons aangereikt? Absalom-kapsalon, en Lotti Fuehrscheim.

Lotti Fuehrscheim is geen persoon, maar de voorschijn van het lot; het lot dat toeslaat zodra Bernard voor het eerst zijn aanschijn waarneemt en het bezegelt met een kus: amor fati. Natuurlijk slaagt Bernard er niet in, de betekenis van de woordcombinatie ‘Lotti Fuehrscheim’ te ontcijferen, en aldus te achterhalen waarom deze naam ‘hem niet los liet’, ‘beklemmend’ is. Hij slaagt er niet in omdat hij de analogie Absalom-kapsalon verkeerd inschat, omdat hij de gegevens die deze associatie hem levert onjuist en onvolledig interpreteert. Hij erkent ‘de hachelijke assonatie’ van Absalom-kapsalon, maar meent desalniettemin dat ‘schijn’ niet te rijmen is met ‘Scheim’. Geheel ten onrechte veronderstelt hij dat de naam Lotti Fuehrscheim een teken is, dat dus buiten zichzelf verwijst, en nog wel naar een andere persoon dan de drager, nl. naar hemzelf, terwijl hij in het geval van Absalom meent dat de naam een teken is voor degene die hem draagt.

Maar ‘Lotti Fuehrscheim’ is geen teken, ‘Lotti Fuehrscheim’ verwijst enkel naar zichzelf, Lotti Fuehrscheim betekent en is de voorschijn, de voorafspiegeling, de projectie van het lot. ‘In Lotti zit lot, het noodlot. Maar de eerste lettergreep boeit mij nauwelijks in vergelijking met de laatste, ti’. Het lot van noodlot boeit hem natuurlijk wel; per definitie zelfs, maar dit lot boeit hem inderdaad niet, want dit is het lot van lotto, of van loterij: geen noodlot maar toeval, een kansspel ‘zodat hij zijn kansen berekenen kon’ - ware het niet dat zijn inzicht ‘door toeval, niet door berekening’ is verkregen. Hoe jammer, dat hij ook ti verkeerd interpreteert: niet als ‘te’, of als genitivus, maar als tweede persoon: jij. ‘Was het maar ti met ie of y, dan zou ik haar onmiddellijk vergeten’: inderdaad, want dan wàs het een naam, en meer niet.

Haar, haar zou hij onmiddellijk vergeten, maar nu wordt zijn hoofd door haar niet losgelaten, totterdood zit hij aan zijn haar vast, zoals Absalom aan zijn haar, en Samson aan de/het zijne. Niet op het Nederlandse woord kap-

[p. 38]

salon moest Absalom wachten om zijn lot te kunnen voorzien, maar op het Nederlandse woord ‘haar’, met zijn dubbele betekenis. Absalom en kapsalon rijmen, niet via assonantie, maar via haar; Absalom en Samson rijmen niet via de letters, maar via haar, in beide gevallen in dezelfde dubbele betekenis als in Bernards noodlot, voorafgespiegeld in Mabette, wie met haar haar haar kracht ontnomen wordt, zoals ook Bernard de zetel van zijn (denk)-kracht ontnomen zal worden.

Omwille van een vrouw, zijn door zijn broer Amnon verkrachte zuster Tamar, zal Absalom aan zijn (hoofd)haar door een eik worden vastgehouden en sterven; omwille van een vrouw, Delila, zal Samson zijn haar verliezen en zijn noodlot tegemoet gaan. Bernard haalt deze twee verhalen door elkaar (wat niet gek is, zie noot 27): Absaloms haar wèrd ieder jaar geknipt (een overvloedige oogst, net als bij Mabette), hij hoefde dus in geen enkel opzicht op het woord kapsalon te wachten. Het is Samsons haar dat niet geknipt mocht worden; hem werd juist noodlottig dat dit wèl gebeurde.

Ach, hoeveel mooie intertekstuele relaties ziet de lezer die de Bijbelverhalen overleest27, maar uiteraard is de gebeurtenissen niet automatisch zin verleend door deze relaties. Wat deze interpretatie evenwel wèl aantoont is, dat Bernard wel degelijk een verklaring, een zin zou kunnen vinden. Hij zou achter ‘haar’ kunnen komen, en zich realiseren dat het feit dat Lotti Fuehrscheim hem niet loslaat een tautologie, en geen analogie is. Wellicht zou hij dan ook inzien dat hij niet verder hoeft te zoeken, en begrijpen dat wat aanvankelijk een logische stap lijkt, het onderzoek van zijn eigen naam namelijk, inderdaad overbodig is, omdat het hem niet in de naam zit (hoewel er het een en ander te zeggen zou zijn over Bernard - Ben/nie, ‘Waar ben je Ben?’ - van der Beek, die per definitie uiteindelijk naar de zee moet, en dus niet kan tonen dat hij kan vliegen).

En hiermee blijkt de lezer dat niet Bernard, maar de hooggeleerde heer zich verstrikt in een analogieredenering, dat de woordcombinaties van Bernard zich wel degelijk op een sluitend systeem van tautologieën laten betrekken, en dat woorden zich wel degelijk ‘tot kristallen, tot zinvolle samenstellingen’ laten rangschikken. De hooggeleerde diagnose is overigens treffend juist: Bernard behoort tot het waarzeggerstype, maar wordt niet erkend omdat hij van de gebaande wegen afwijkt. De vorm van zijn mededelingen is grammaticaal correct, maar hun betekenis ontlenen zij aan ongrammaticale relaties. (terzijde: Gezien Bernards gelijk28 is ‘Lotti Fuehrscheim’ eerder dan met Wittgenstein te associëren met de psycho-analytische invalshoek van Lacan29 en consorten, die bij hun interpretaties van teksten de interpunctie opheffen, en op het talig in plaats van op het inhoudelijk niveau afgaan (een prachtige persiflage vinden we in de kersepit-episode); die poneren dat het subject voor een belangrijk deel geconstrueerd is in de verhaal- en vertoog-

[p. 39]

constellatie waarin het geboren wordt; voor wie het subject gedeeld en gespleten is (ik onderschrijf Raats hypothese dat Bernard een stadium is van Gerard. Of is het andersom? Of zijn ook hùn verhalen door elkaar geraakt?); voor wie de derde persoon almachtig, en de taal de nieuwe God is. Een bij-de-tijds werkje dus, ‘Lotti Fuehrscheim’, dat ook herinnert aan literaire werken die nog komen moeten: om het Niet ik aan het gelijknamige toneelstuk van Beckett; om het taalspel (in niet-Wittgensteinse zin) aan Ada or ardor van Nabokov).

Hermans' belangrijkste constructieprincipe in ‘Lotti Fuehrscheim’ is Lotti Fuehrscheim, d.w.z., de projectie van de lotgevallen. Raat onderkende het belang van de projectie, en behandelde de filmische en psychologische betekenis. Minstens even belangrijk dunkt mij de projectie van de gebeurtenissen, de anachronische spiegelingen waar ik reeds op wees: niet geëxpliciteerde lotgevallen worden gerepresenteerd door analoog gestructureerde gebeurtenissen die hun schaduw vooruitwerpen. Een ‘meetkundige’ betekenis dus, die maakt dat in ‘Lotti Fuehrscheim’ de grammaticale of zinvolle relaties een ondergeschikte rol spelen. Projectie is een afbeeldingsrelatie, die tijdelijke en ruimtelijke grenzen kan overbruggen. In de projectieve meetkunde worden die eigenschappen der figuur onderzocht die bij herhaalde projectie behouden blijven, en ook dat aspect kunnen we in ‘Lotti Fuehrscheim’ terugvinden als we Absalom, Samson, Mabette en Bernard als projecties van één figuur beschouwen. Ook de filosofische betekenis van projectie is vertegenwoordigd: het feit dat wij aannemen dat de stimulansen voor onze waarnemingen normalerwijze van buiten ons waarnemend lijf komen, en niet in de zintuigen zelf zetelen. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat Bernard zich van deze normale veronderstelling bedient in gevallen waar de basis van de prikkels niet buiten hem bestaat, zoals bij Lotti en Gerard, die beiden de neiging vertonen te verdwijnen zodra hij hen wil aanraken.

Een verteller die niet aan lijf of leven, tijd of ruimte gebonden is weet natuurlijk ook niet meer wat voor en achter, onder of boven is. Hij kan alles door elkaar gooien en omkeren, omdat alles relatief wordt (of eigenlijk dus juist niet), zodat ‘dwaasheid slechts een letteromzetting van de wijsheid’ wordt, toekomst verleden kan zijn, een deel een geheel, niet weten vergeten of nooit geweten; zodat een perzikpit in een kersepit past en je je dood kunt leven (niet beleven); zodat steden sterk omhoog hellen en rails weer op het plaveisel komen te liggen.

Het constructieprincipe projectie ondermijnt iedere zekerheid omtrent tijd, plaats, volgorde en subject; het maakt het verhaal schuldig aan anachronismen en is de causa in re voor de verwording van het verhaal tot een verhaaltje: in de receptie wordt het onbegrepene aangepast, het onnavolgbare ingepast, het schijnbaar zinloze toegepast.

27‘Wat vraagt ge naar mijn naam? Die is onbegrijpelijk’ zegt Rechteren 13, 18 en ‘Ik zal u eens een raadsel opgeven’ (Re 14, 12). Heet Bernard Van der Beek omdat God een bron maakte voor Samson? (Re 15, 19). Samson worden de ogen uitgestoken, en ‘in de gevangenis moest hij de molen draaien’ (Re 16, 21). Bij Samsons laatste voorstelling zitten er op het dak drieduizend mensen naar hem te kijken (Re 16, 27). Heel sterk is in dit verhaal het motief aanwezig van de onzekerheid of er liefde dan wel haat in het spel is: tot twee maal toe (Re 14, 16 en 16, 15) krijgt een geliefde Samson aan de praat met de beschuldiging dat hij eigenlijk niets om haar geeft (‘je houdt niet van me’), terwijl tevens betwijfeld mag worden dat zij van hem houdt.
Uit Absaloms verhaal stamt natuurlijk de verwijdering tussen de broers; Raats vermoeden in noot 35 ‘dat de verwijdering tussen de broers verband houdt met een meisje in Bernards leven’ is dus geheel correct. Het is evenwel geen psychologische verklaring waarvan zich de contouren aftekenen, maar een tekstuele; zekerheid is dus te verkrijgen, in het boek der boeken nog wel, maar het verandert verder niets. Uit 2 Samuel 13, 22 blijkt, dat Absalom sindsdien geen woord meer met Amnon wisselde. Uit 14, 11 komt ook de dwaze nicht, in de gedaante van een wijze vrouw, die de toenadering tussen Absalom en zijn familie moet regelen. ‘Wij sterven allen en zijn dan als water dat op de grond is uitgegoten en niet meer kan worden opgevangen’ zegt 14, 14. De beek Kidron speelt een rol, en ook in dit verhaal vinden we een dak waarop Absalom ‘voor de ogen van heel Israël’ een voorstelling geeft. Ook hier het liefde-die-haat-is motief: Amnon, die ziek was van verliefdheid, kreeg na de verkrachting onmiddellijk een hevige afkeer van Tamar (13, 15). Zouden de loshangende kabels van de trams hier vandaan komen? Samson wist steeds zijn koorden te slaken, en Absalom denkt men te kunnen vangen met een zeer merkwaardig plan, waar kabels bij betrokken zijn (2 Sa 17, 13). Heeft Mabette voldoende letters gemeen met Batseba, de vrouw van de vader van Absalom, die Salomo baarde?
28Zo zie je maar weer, dat je literaire teksten niet zomaar met niet-literaire moet vergelijken. Pas na grondige interpretatie kun je betekenissen van losse uitspraken vaststellen en dus vergelijken. M.i. vervallen, na mijn analyse van Bernards gelijk, grote stukken van de verhandelingen over de relaties tussen ‘Lotti Fuehrscheim’ en Wittgenstein, zowel in die van Stolk (in het in noot 1 genoemde Spektator-artikel) als in die van Vermeiren 1986, die Stolk merkwaardigerwijs niet vermeldt. Vermeirens bewering (in zijn samenvattend artikel in Literatuur 1986/4, p. 234) dat Hermans de onzinnigheid van Bernards pogingen aantoont, is onhoudbaar.
29Lacans dissertatie van 1932 handelde over de relaties tussen paranoia en persoonlijkheid. Zijn ‘manifest’ voor de lacaniaanse psycho-analyse ‘Fonction de la parole et du langage en psychanalyse’ dateert overigens van 1953; Lacan ging pas vanaf 1949, dus ná ‘Lotti Fuehrscheim’, deze kant uit. Tot 1949 hield hij zich voornamelijk bezig met het spiegelstadium, dat ook in zijn nieuwe gedachtengangen een elementaire rol speelt. Hermans kent de theorie van het spiegelstadium zeker (mogelijk pas later, en mogelijk niet in Lacans opvattingen), gezien Alfreds bespiegeling in hoofdstuk/paragraaf 7 van Nooit meer slapen. Heel interessant is, dat Alfred het derde stadium van de geschiedenis van de mens (en de opkomst van de psychologie) laat beginnen met de fotografie, waar Lacan de taal neemt.
terug  begin  verder