terug  begin  verder
[p. 233]

X [De Imitatio Christi en de mystiek]

De Imitatio Christi stelt in de noord-nederlandsche litteratuur hetzelfde vraagstuk als de Aanbidding van het Lam in de vlaamsche schilderkunst. Beiden zijn openbaringen der ‘moderne devotie’ in den boezem van het nationale leven der 15de eeuw. Beiden zijn uitingen van een bijzonderen vorm der middeneeuwsche mystiek.

Er is eene middeneeuwsche mystiek geweest die naar onafhankelijkheid ten aanzien van het kerkelijk leerstuk streefde, en van de kerkelijke hiërarchie zich poogde los te maken. Somtijds ging zij, gelijk bij de Albigenzen, in het dogme gepaard met klein-aziatisch pantheïsme; somtijds, gelijk bij de Valdenzen, met ebionitisme in de praktijk, en zocht herstel van een al dan niet denkbeeldig apostolisch christendom. Paus Innocentius III en de dominikanen hebben én Valdennen én Albigenzen met één slag verpletterd (1209).1

Eene andere middeneeuwsche mystiek koesterde politieke bijoogmerken. Arnold van Brescia gelukte het, onder den rook van het Lateraan, gedurende tien jaren (1145-1155) eene romeinsche republiek te doen handhaven, met een Consul en een Senaat.2 In Engeland

[p. 234]

zou onder aanvoering van Wat Tyler de sociaal-demokratie het hoofd opsteken (1381); Wiclef de verdenking van medepligtigheid te naauwernood ontgaan; en de stof der volksmennerij zich ophoopen, waaruit Shakespeare eenmaal, met het welgevallen zijner aristokratische minachting, het beeld van Jack Cade kneeden zou.1 In Boheme smeulde het vuur van den Hussietenoorlog (1419-1434).2 Geen dier revolutionaire bewegingen had het rationalisme of de scolastiek tot uitgangspunt. Alle wortelden in denzelfden mystieken bodem, waarop bij het aanbreken van den hervormingstijd in Saksen en Thuringen het rijk der Zwickauer profeten, in het Munstersche de theokratie van Jan van Leiden wassen zou.3

De Imitatio Christi is het uitvloeisel eener derde, aanvankelijk tot de kloosters en het persoonlijk gemoedsleven beperkte schakering geweest; de vrucht eener levensbeschouwing die in vervolg van tijd onder de roomschen de Jezuieten, onder de protestanten de Hernhutters zou doen opstaan. Haar ideaal is eene zoo volstrekt mogelijke wereldverzaking; haar beginsel blinde gehoorzaamheid aan de inwendige stem en het daarmede overeenkomstig kerkelijk voorschrift; haar voornaam hulpmiddel stichtelijke boekjes.

[p. 235]

De oudste proeve van zulk eene opzettelijke handleiding bij de oefening in het ‘schouwend leven’ zijn de Meditationes Vitae Christi van den Heiligen Bonaventura, eersten opvolger van Franciscus van Assisi als generaal der nieuwe orde.1 Dit werkje, geschreven omstreeks 1250 en opgedragen aan eene vrome romeinsche dame,2 bevat een honderdtal korte uitbreidingen (waaronder bewonderenswaardige) der evangelische geschiedenis, en doet telkens in één klein hoofdstuk het behandeld onderwerp af. Doch er is eene uitzondering. Wanneer de schrijver aan de nieuw-testamentische zusters van Lazarus genaderd is, dan opent hij een langen tusschenzin, en staat in dertien kapittels uitvoerig stil bij Martha, die de vita activa, en bij Maria, die de vita contemplativa vertegenwoordigt: het handelend en het schouwend leven.3

Men ziet hoever de oorsprong onzer nederlandsche devotie uit de eerste helft der 15de eeuw in de geschiedenis teruggaat, en dat wij haar geboorteland in Italie te zoeken hebben. Bij Dante, die in alles het jaar 1300 tot uitgangspunt neemt, is Bonaventura reeds een gevestigd hemeling; een met zooveel gezag bekleed gezaligde dat de dichter hem tot lofredenaar van den Heiligen Dominicus aanstelt.4 In Bonaventura's boek is de leer van het schouwend leven eene voltooide

[p. 236]

theorie, een organisme. Zij heeft hare deelen en hare onderdeelen. Er zijn drie soorten van schouwen.1 Het schouwen heeft vier belemmeringen.2

Van eene andere reeks modellen waarnaar Thomas a Kempis zijne Imitatio vormde is eene proeve bewaard gebleven in de insgelijks uit Italie afkomstige Troost der godgeleerdheid van Johannes di Tambaco.3 Weinig anders is van het leven des schrijvers bekend dan dat hij, geboortig van Tannbach, in den Elzas, opgevoed te Straatsburg, in 1348 tot rector der universiteit van Praag benoemd, en in 1366 als hoogleeraar naar Rome geroepen werd.4 Blijkbaar sleet hij in Italie zijne laatste levensjaren, die overvloedig waren, maar niet voorspoedig: kerkelijke of persoonlijke vijanden, schijnt het, beroofden hem ten laatste van zijn ambt. ‘Gelijk de voortreffelijke Boëtius indertijd (verhaalt hij in zijne voorrede), omdat hij aan de dwingelandij van koning Theodorik zich niet onderwerpen wilde, met ballingschap gestraft werd en in de gevangenis een boek over de Vertroosting der wijsbegeerte schreef; zoo ben ik in mijne ballingschap, nadat vijanden der regtvaardigheid

[p. 237]

en van den aan de Heilige Roomsche Kerk verschuldigden eerbied mij uit mijn wettig eigendom verdreven hebben, met 's lezers welnemen te rade geworden dit werkje zamen te stellen en daaraan den naam van Troost der godgeleerdheid te geven, als zijnde zelf niet zonder hope.’

Onder de stichtelijke geschriften des tijds is dat van Johannes di Tambaco het oudste waarin de door Bonaventura in zwang gebragte doorloopende overdenking of bijbeloefening losgelaten, en vervangen wordt door de bekende aaneenschakeling van spreuken; meestentijds, evenals in de Imitatio, zonder veel zamenhang, en slechts losweg onder zeker aantal hoofden gebragt. De Troost der godgeleerdheid bestaat bijna geheel uit eene bloemlezing van treffende citaten, bestemd in de eenzaamheid overwogen te worden door den peinzenden, de wereld afgestorven christen. Bij het kiezen is te rade gegaan met het korte, het zinrijke, en het zangerige.1 Zoo de schrijver onder zijne aanhalingen uit den bijbel en uit de kerkvaders een groot aantal fraaije gezegden van Cato, Seneca, of Boëtius mengt, dan beroept hij zich daarbij op de stelling van den Heiligen Augustinus dat ‘wij christenen de waarheden der heidensche wijsgeeren als hun onregtmatig verkregen goed te beschouwen, en van hen op te eischen hebben.’

In de Imitatio zal men eene enkele maal eene spreuk

[p. 238]

uit Aristoteles, uit Seneca, een versregel van Ovidius, een versregel van Lucanus aangehaald vinden1; doch de bijbelteksten hebben verweg de overhand en het rijk bijna alleen. Dit onderscheidt Thomas a Kempis van zijn onmiddellijken voorganger. Bij Thomas heeft de mjstiek hare zuiverste uitdrukking gevonden in den bijbel zelf, schier enkel in den bijbel, met name in het boek der Psalmen. De rhythmus der Imitatio is geheel die der geijkte latijnsche vertaling van den beroemden oudtestamentischen liederenbundel.2 Voor het overige zijn uit sommige handschriften van den Troost der godgeleerdheid enkele schoone plaatsen woordelijk in de Imitatio overgegaan.3

Thomas a Kempis had een ouderen vriend, Johannes van Schoonhoven, die als het koppelteeken beschouwd kan worden, eenerzijds tusschen Thomas te Zwol en Di Tambaco te Rome (want Johannes van Schoonhoven kende den man en zijn werk), anderzijds tusschen Thomas en den vermaarden Johannes Ruysbroeck; want Van Schoonhoven was onderprior van Groenendal.4 Langs dien weg kunnen wij het ontstaan der Imitatio, van Bonaventura tot Ruysbroeck, als voet voor voet volgen, en zoowel van den geest dien zij ademt als van hare inkleeding ons rekenschap geven.

[p. 239]

Thomas heeft Ruysbroeck gelezen: zijn latijn, waar hij uit zichzelven spreekt, is gevolgd naar het nederlandsch van Ruysbroeck.1 Thomas heeft den Troost der godgeleerdheid gelezen: hij citeert spreuken van Johannes di Tambaco, welke geheel in den toon der Imitatio vallen.2 Thomas heeft Bonaventura gelezen: hij haalt uit een geschrift van den italiaanschen mysticus een door dezen opgevangen woord van den Heiligen Franciscus aan, hetwelk den sleutel tot de Imitatio geeft.3

Als denker is Johannes Ruysbroeck een man van meer beteekenis dan Thomas a Kempis geweest.4 Aan hem, veeleer dan aan Thomas, dankt de italiaansche mystiek hare overzetting in het nederlandsch. Doch, habent sua fata libelli. Terwijl de grootere geest alleen voortleeft in eene onderafdeeling der middeneeuwsche kerkgeschiedenis en der midden-nederlandsche letterkunde, is het boekje van den kleineren een gemeengoed der christenheid geworden.

Na Thomas a Kempis zouden bij de verschillende volken van Europa de nieuwere nationale litteraturen ontstaan, of door de drukpers tot algemeen eigendom gemaakt worden. De verschillende landstalen zouden eene beteekenis erlangen, te voren ongekend. Door

[p. 240]

de herleving der antieke modellen zou men van de nationale letterkunde uit den middeneeuwschen voortijd, heldezangen, ridderromans, zededichten, rijmbijbels, historiespiegels, voor eene poos de heugenis verliezen, en alom tot eene nieuwe inspanning geprikkeld worden. Doch zoo ver was het toen nog niet gekomen. Voor het laatst kon nogmaals één geschrift, opgesteld in middeneeuwsch latijn, bij alle europesche volken een krachtigen weerklank vinden. Het succès der Imitatio was schitterend en duurzaam, omdat zij op een gelegen oogenblik in een aarden vat de godsdienstige beschaving van eeuwen bewaarde en aan de nakomelingschap overleverde.

1Zie hiervoor, bladz. 62-66.
2Victor Clavel, Arnauld de Brescia et les Romains du 12e siècle, 1868. - Giovanni de Castro, Arnoldo da Brescia e la rivoluzione romana del XII secolo, 1875. - Bonet-Maury, Un réformateur au 12e siècle. 1881.
1Over den opstand van Wat Tyler zie de Chroniques van Froissart, II 133 vgg. der uitgaaf van 1559. Overzigt bij Augustin Thierry, Conquête de l'Angleterre, IV 289 vgg. der uitgaaf van 1872. - Jack Cade, in Shakespeare's Hendrik de Zesde.
2Ernest Denis, Huss et la guerre des Hussites, 1878, tweede Boek, bladz. 173 vgg. Uit czechische bronnen.
3Boerekrijg en Wederdoopers, bij Quack, De Socialisten, 1875, I 137 vgg.
1S. Bonaventurae Opera, 1609, VI 334-401.
2‘Hoc opusculo spiritualem filiam S. Bonaventura instruit ut ad actuosas omnes luminosasque virtutes progressiones faciat.’ Voorberigt.
3De ministerio Marthae et Mariae, c. 45-57.
4Paradijs, XII vs. 31 vgg.
1Meditationes Vitae Christi. C. 51: De contemplatione humanitatis Christi. C. 52: De contemplatione coelestis curiae. C. 53: De contemplatione maiestatis Dei.
2C. 56: De quattuor impedimentis contemplationis: vel sensus egens, vel cura pungens, vel culpa mordens, vel irruentia imaginum corporearum phantasmata.
3Consolatorium Theologicum praeclarissimi viri magistri Johannes de Tambaco, sacrarum litterarum doctoris. - Nationale Bibliotheek te Parijs, wiegedruk van 1493.
4Plaatsen uit Tritheim en uit Ellies Du Pin bij Spitzen, Thomas a Kempis gehandhaafd, 1881, bladz. 267 vgg.
1Als voorbeeld diene de met liefde aangehaalde plaats uit Boëtius: ‘Gaudia pelle - Pelle timorem - Spemque fugato - Nec dolor adsit - Nubila mens est - Vinctaque frenis - Haec ubi regnant.’
1Imitatio Christi, 1ste Boek, c. 2, vs. 1; c. 13, vs. 56-57: c. 20, vs. 14, 15; 3de Boek, c. 24, vs. 21. Uitgaaf van Hirsche, 1874.
2Over rijm en rhythmus der Imitatio bij Hirsche, Prolegomena zu einer neuen Ausgabe, 1873. I 123-187, 215-264.
3Spitzen, bladz. 268 vg.
4Over Johannes van Schoonhoven bij Spitzen, bladz. 77 vgg.; bij Acquoy, Windesheim, 1875-1880, II 318, noot 3.
1Plaatsen uit Ruysbroeck bij Delprat, Fraterhuizen, bladz. 15, 16; bij Van Vloten, Nederlandsche Prozastukken, 1851, bladz. 22-80*; bij Spitzen, bladz. 71-74 vg., 133 vg.
2Imitatio Christi, 1ste Boek, c. 20, vs. 24-29, bij Hirsche.
3Imitatio Christi, 3de Boek. c. 50, vs. 97-99, bij Hirsche.
4Over Ruysbroeck zie Engelhardt, Richard von St. Victor und Johannes Ruysbroeck, 1838. - Monografie van Van Otterloo, 1874.
terug  begin  verder