In de weinige verhalen van Potter die op nederlandschen bodem spelen, of Nederlanders tot hoofdpersonen hebben, vervult de fantasie eene veel ondergeschikter rol dan in de aangevoerde uitheemsche. Niet zedelijker of ingetogener, ademen zij bovendien minder vrolijkheid. In plaats van tragisch, waar het tragische pas zou geven, zijn zij zwaarmoedig.
Potter weet van den min of meer historischen moord, door een graaf van Clermont, bij gelegenheid van een door hem zelf aangelegd steekspel, op een graaf Floris van Holland gepleegd; - alleen omdat
de hooggeplaatste gastvrouw omtrent het uitwendig voorkomen van den hollandschen graaf, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot, zich eene vleijende opmerking veroorloofd had.1
Hij weet van eene welgeboren zuidnederlandsche dame die in een slecht huis te Gent haar zich misdragenden echtgenoot ging opsporen, en voor hare onvoorzigtigheid boette door zelve daarginds als eene zuster des gemeenen levens behandeld te worden.2
Hij weet van eene schiedamsche burgervrouw die bitter bedrogen uitkwam, omdat zij als plaatsvervangster harer dienstbode, aan welke door haar man oneerbare voorstellen gedaan waren, dezen een trek had willen spelen. De heugenis van dit laatste voorval was nog versch, beweert Potter; en hij noemt een gelijktijdig straatliedje dat er van gezongen werd.3
Doch die nationale herinneringen voeren ons van den goeden weg, en naderen te zeer de lompheid van het oudnederlandsch kluchtspel. Gelukkiger is Potter wanneer hij de antieke geschiedenissen van Procris of van de Danaïden4; gelukkigst van al wanneer hij onder den naam van Lympiose de middeneeuwsche en onsterfelijke van Griseldis berijmt.5 Lympiose's liefe-
lijk beeld treft vooral, omdat het tegelijk de galerij van den Decamerone zoo waardig besluit, en in die der Canterbury Tales zulk eene eereplaats inneemt.1 De loop van het verhaal bij den nederlandschen bewerker laat zich met twee woorden aanduiden.
Lympiose is de brave dochter van een braaf man uit het volk: ‘schamel eerbaar.’ De koning van het land begeert haar ten huwlijk, en zij toont zich hare verheffing waardig. Ten einde haar op de proef te stellen ontneemt hij haar achtereenvolgens hare kinderen; laat in den loop der jaren haar huiswerk verrigten; zegt eindelijk haar de belofte op; beweert dat hij gaat hertrouwen met eene naburige prinses van den bloede; en eischt dat zij voor de ontvangst harer jonge opvolgster alles in gereedheid brengen zal, - tot het uitkomt dat de nieuwe koningin hare eerbiedige en liefhebbende eigen dochter is, in den vreemde opgevoed. De gelukkige moeder, wier karakter geen enkele maal op den toets bezweken is, wordt door den koning in haar nooit verloochenden rang hersteld: fijngevoelde hulde der midden-eeuwen aan het alvermogen der vrouwelijke zachtmoedigheid.
Er volgt nogmaals bij Potter eene bevallige bladzijde, wanneer de koning Lympiose mededeelt dat de nieuwe koningin haar goedgunstig als kamerjufvrouw in dienst wil nemen; waaruit dan van zelf, als de bruid afgehaald en binnengeleid is, de herkenning en
de eereherstelling voortvloeit. Lympiose's antwoord is niet beneden den toestand: