terug  begin  verder

VIII [Johannes Murmellius. Het Rome der oudheid]

De nederige arbeid van Murmellius bewijst; schitterender getuigenissen uit denzelfden tijd staven evenzeer; dat in het eerste vierdedeel der 16de eeuw in Nederland en in Noord-Europa eene geestdrift voor de klassieke oudheid ontwaakt is, van welke bij de mannen der hervorming vóór de hervorming geen sporen aangetroffen worden. Uit dit tijdperk dagteekent te onzent eene vroeger ongekende vereering van het Rome der Consuls en der Caesars.

Men moet in 1527, wanneer de aan het muiten geslagen troepen van Karel V, tot besluit van een itali-

[p. 317]

aanschen veldtogt, de stad der steden geplunderd hebben;1 men moet in de akademische gehoorzaal te Wittenberg, bij monde van Melanchthon, of onder zijn voorzitterschap, den redenaar van den dag over dien gruwel hooren uitweiden.2 Met weemoed herdenkt hij het schenden van kerken, het verbrijzelen van praalgraven, het berooven van altaren. Met niet minder droefheid het vernietigen van boekerijen: ‘Zullen wij heilig en goddelijk noemen de gouden kelken van welke men zich bij de kerkelijke ceremonien bedient, en niet de boeken in wier bladen de hemelsche godspraken vervat zijn, de leer des geloofs, de lessen der aan het menschdom geopenbaarde wetenschap?’ Twaalf dagen hebben de woestelingen onbeteugeld huisgehouden in de heilige stad, en door het vieren van spotmissen de saturnalien van moord en diefstal voltooid! Het eenige wat Melanchthon troost is de gedachte dat spaansche soldaten van den keizer, geen duitsche voor het minst, de heiligschennis voor hunne rekening hebben.

Zoo weeklaagde de byzantijnsche Nicétas over het plunderen van Konstantinopel door de kruisvaarders. Het Rome der oudheid, voortlevend in het Rome der pausen, is ondanks den strijd over de godsdienst die aanvangt Europa in vlam te zetten, voor de mannen van dit tijdvak het eerwaardig vaderland van den

[p. 318]

geest. Parijs en de middeneeuwsche scolastiek hebben opgehouden de aandacht te boeijen. Aller oogen zijn op Italie gerigt. Zij spreken over de aan Rome gepleegde schennis als gold het de eer hunner moeder of hunner zuster.

‘Met hatelijken ijver’, wordt tot de duitsche studenten gezegd, ‘rakelen sommigen de ondeugden en de rampen op, welke door Rome over andere volken gebragt zijn. Doch een schelm is hij die het misdadige herdenkt, en het liefelijke vergeet! Ook werd door zulke bitsheden nooit één gebrek verholpen. Een vadermoorder noemen wij den man die, om zijn vader voor een misstap te tuchtigen, hem de oogen uitgraaft of de handen afhouwt. Of was het geen vadermoord, in naam van ik weet niet welke overtredingen, aan het vaderland zulk een gruwelijk vonnis te voltrekken? Aller tweede vaderland is Rome; allermeest van ons, akademieburgers, die Rome's taal spreken en aan Rome grooter verpligtingen hebben dan de schare. Met de schare hebben wij de wet gemeen, niet de studie; en deze gaat alle andere menschelijke voorregten ver te boven. Helaas, wiens hart bloedt niet bij den aanblik der verminkte Stad, door Virgilius het sieraad des heelals genoemd, pulcherrima rerum? Eenmaal was zij heerscheres over alle volken; zij alleen bezielde tot meer edele daden dan de overige natien te zamen.1 Uit haar zijn tot ons de wetten gekomen, de letteren, de godsdiensten, de beschaving, alle weten-

[p. 319]

schappen, alle levenswijsheid. Al ware het bewezen dat paus Clemens fouten heeft begaan,1 had het niet betaamd ter wille van zoovele en zulke diensten de stad te sparen? Doch daar komt een razend leger, en verhaalt op ons aller vaderland (herzeg ik) de schuld van den paus! Veel hebben wij aan onzen geboortegrond te danken; oneindig meer aan Rome. Zij is de vierschaar, voor welke alle volken hunne regten zijn komen bepleiten. Zij heeft in alle eeuwen op post gestaan als de schildwacht der godsdienst. Zij strekte te allen tijde de geleerdste mannen tot woning. Aan de balling geworden kunst en letteren van Griekenland opende zij een toevlugtsoord.2 Nog niet lang geleden werden binnen hare muren de vrije wetenschappen als voor de tweede maal geboren.3 Uit haar verbreidden zij zich over alle landen, niet anders dan door Triptolemus het tarwegraan is uitgestrooid, met de aarde tot zaaiveld. Harteloozen, indien zij geweten hebben wat zij deden en zij van zulk eene weldoenster zich de schuldenaren niet gevoelden! Zinneloozen, indien zij er geen besef van hadden!’

Dit gaat zoo voort, van bladzijde tot bladzijde.

1Klassiek verhaal der plundering in de Italiaansche Geschiedenissen van Guicciardini Sr. (1482-1540), ook afzonderlijk met den titel: Il sacco di Roma.
2Declamationes Philippi Melanthonis bij Bretschneider, 11de Deel, bladz. 130 vgg.: De capta Roma Ao 1527.
1Verschil tusschen dit oordeel over de Romeinen, en het oordeel van Montesquieu, van Gibbon, in de 18de eeuw, of in onze dagen van Mommsen.
1Bedoeld wordt Clemens VII, paus van 1523 tot 1534.
2Toespeling op de byzantijnsche vlugtelingen uit Konstantinopel in het laatst der 14de en het begin der 15de eeuw.
3De uitdrukking ‘palingenesia litterarum’ wordt ook in de l8de eeuw gebezigd, tot aanduiding der renaissance. Le Clerc's uitgaaf der brieven van Erasmus, voorrede.
terug  begin  verder