terug  begin  verder

XIV [Beeldhouwkunst. Klaus Sluter en de Mozesput te Dijon. Beetekenis van Sluter]

Omtrent het eerste gedeelte van Klaus Sluter's leven gedurende de jaren van zijn verblijf in Nederland en zijne opleiding als beeldhouwer, is niets bekend.

In de bourgondische rekeningen van 1384 tot 1404, die op het bouwen der dijonsche chartreuse, het voltooijen der graftombe van hertog Filips den Stoute, het uitvoeren van den Mozesput betrekking hebben, wordt hij eenvoudig Klaus Sluter uit Holland genoemd. Onder zijne bevelen (blijkbaar had hij reeds een tamelijken leeftijd bereikt) is daar een jonkman werkzaam, een oomzegger, die Claes van Voorne heet; hetgeen aan het land van Den Briel doet denken.

[p. 495]

De oom is in deze rekeningen de persoon die alles ontwerpt, overeenkomsten sluit met leveranciers van materialen, en alles tot een goed einde brengt. Bij hertog Filips den Stoute (1342-1404), bij zijn opvolger Jan zonder Vrees (1371-1419), staat Sluter zoo goed aangeschreven dat hij en zijn neef met den titel van kamerdienaar vereerd worden. Na eene zware ziekte krijgt hij eene schadevergoeding. Heeft hij naar de meening van hertog Jan zich overtroffen, dan wordt hem een buitengewoon blijk van tevredenheid aangeboden.

Uit eene authentieke akte van 1404 weet men dat hij in dat jaar te Dijon zich in het klooster van Saint-Etienne begeven heeft, en de gezamenlijke bestuursleden dier inrigting met algemeene stemmen, en raison de ses agréables services, hem behalve eene eigen kamer en een eigen kelder al de regten en voorregten van een kanunnik toegekend hebben. Maar over zijne betrekking tot Nederland verder geen woord. Hij handelt en wordt behandeld als een genaturaliseerd Franschman of Bourgondier. Dijon is hem eene tweede geboortestad.1

[p. 496]

Aan den anderen kant bestaat er eene nederlandsche rekening van Augustus 1396, betrekking hebbend op eene leverantie van geschut ten behoeve der vloot waarmede de toenmalige graaf van Holland, de beijersche hertog Albrecht over wien hiervóór herhaaldelijk gesproken is, een aanval op Friesland ondernam.1 Dit is een officieel stuk, berustend op het haagsche Rijks-Archief. Het handelt over het uitkeeren van zekere som aan Dirc die Sluter als betaling voor gekochte bussen, kruid, vuurpannen, steen, schutte, en verder artilleriewerk voor de groote schepen. Misschien de oudste rekening van dien aard in de geschiedenis der nederlandsche marine.2

Het is niet verboden aan te nemen dat in de provincie Holland of de provincie Zeeland, of op de grens tusschen de eene en de andere,3 in de tweede helft der

[p. 497]

14de eeuw eene slotemakers-familie geleefd heeft, tevens geschutgieters, en dat Sluter de beeldhouwer een lid van dat geslacht geweest is, oudere of jongere broeder van een Dirc. Een Dirc die sloten maakte, kon ook kanonnen vervaardigen, evenals honderd jaren later Quinten Metsys, de smid, schilderijen en bronswerken. Klaus zou dan als jongeling in de vaderlijke werkplaats al de leermiddelen aangetroffen hebben, noodig voor de vorming van iemand met beeldhouwersgenie.

Echter is het de vraag of niet naar het spraakgebruik dier dagen met die Sluter der rekening van 1396 de schatmeester van hertog Albrecht bedoeld wordt; zoodat wij daarbij aan Dirc's ambt, niet aan Dirc's familie of aan het slotemakers- en kanongietersbedrijf te denken hebben.1 Er blijft in die onderstelling alleen over dat de beeldhouwer Klaus den naam Sluter voerde, evenals vóór hem de rijmkronijkschrijver Melis den naam Stoke, na hem of tegelijk met hem de zededichter Dirc den naam Potter. Deze voorbeelden zouden tevens als bewijzen kunnen dienen dat geslachtsnamen oudtijds onder de niet-adellijken minder zeldzaam waren dan veelal gemeend wordt.

Aan verdere gissingen omtrent Sluter's afkomst of opleiding waag ik mij niet. De voorgestelde zijn geregtvaardigd in zoover wij ons naauwlijks kunnen denken dat zelfs een geboren kunstenaar in de tweede helft van zijn leven iets volmaakts zou leveren, zoo

[p. 498]

hij niet in de eerste, gedurende zeker aantal leerjaren, zich gevormd had in eene goede school. Voor het overige kunnen wij met de wetenschap volstaan dat Sluter te Dijon voor een Hollander met hollandsche bloedverwanten gold; in geen andere taal dan het nederlandsch iemand in Europa destijds heette zooals hij; en zijn werk een onmiskenbaar nederlandschen stempel vertoont.

De levensgroote beelden (nog voorhanden) uit het portaal der overigens verdwenen dijonsche chartreuse; de veertig figuurtjes der rouwbedrijvende schaar aan de graftombe van Filips den Stoute, beneden, hebben een welverdienden naam. Ook indien de Mozesput niet bestond, Sluter's laatste en grootste werk, zouden zij in de europesche kunstgeschiedenis hem eene goede plaats verzekeren. Maar die put blijft zijn voornaamste eeretitel.1

In de oude rekeningen vindt men dit werk, waaraan acht jaren gearbeid is, steeds als het ‘kloosterkruis’ aangeduid. Werkelijk is de bedoeling geweest, ten behoeve van het groote binnenplein der chartreuse, op gelijken afstand van elk der vier zuilegangen, een kapitaal crucifix op te rigten, met de beelden van Maria, Johannes, en Magdalena, aan de voeten van den Gekruisigde. De vraag was alleen op welk piedestal men

[p. 499]

dezen Calvarienberg plaatsen zou, - voetstuk met beleid te kiezen, want het moest tezelfder tijd in het midden van het plein uit den waterput rijzen, en dezen als overwelven.1

Ziehier hoe de kunstenaar het vraagstuk oploste. In den bodem van den put, die vele meters diep en vele meters wijd is, plantte hij eene slanke veelhoekige zuil, wier kapiteel uit eene veelhoekige zerk bestaat, bijna even groot als de opening. Die zerk draagt eene steenmassa van vijf meters hoog en (zou men van een boomstam zeggen) derdhalven meter dik. In deze ‘pile’ zijn zes vlakke nissen uitgehouwen, door zes kolommen verbonden en gescheiden. Op het kapiteel van elke kolom rusten de voeten van een gevleugeld engelbeeld in voorovergebogen houding, en te zamen dragen deze engelen een gewelfden en vooruitspringenden bovenrand die, toen het werk nog ongeschonden was, glooijend opliep en een heuvel vormde, bodem van het groote kruisbeeld met de daar omheengegroepte nieuwtestamentische figuren.

Het voorname sieraad der zes nissen zijn: de daartegen aangebragte levensgroote, met de voeten op con-

[p. 500]

soles rustende beelden van Mozes, David, Jesaja, Jeremia, Zacharia, Daniel, allen met afhangende perkamentrollen in de hand, waarop in den tekst der Vulgata oudtestamentische profetien te lezen staan, naar de mystieke uitlegging der christenen betrekking hebbend op den lijdenden Messias: Zij hebben mijne handen en mijne voeten doorboord, - Zij hebben al mijne beenderen gebroken, - Dien avond zal door de kinderen van Israël het lam geslagt worden, en zoo voorts.1

Evenals daarna aan het plafond der sixtijnsche kapel door Michelangelo gedaan zou worden (met de groote bijbelsche tafereelen in het midden en de hen omringende beelden van profeten en sibyllen aan den rand), was de blijkbare bedoeling van Sluter op die wijze verband te brengen tusschen de gedachte van het crucifix en de gedachte van het piedestal. De put die naar dit denkbeeld, hetwelk door zijne nieuwheid verrassen moest, aanvankelijk de Profeten-put genoemd werd, heette in de wandeling weldra slechts de Mozes-put; ongetwijfeld omdat men het beeld van den hebreeuwschen wetgever, gelijk het door voorhoofd en baard (een langen en golvenden, uitloopend in twee

[p. 501]

punten) terstond de aan dacht boeide, als het treffendste der zes beschouwde.1

In zijn tegenwoordigen toestand vertoont dit voetstuk (van het crucifix dat er weleer bovenop stond, en hetwelk in den revolutietijd van 1789 en volgende jaren vernield is, zijn alleen nog fragmenten over) geen andere kleur dan de natuurlijke van den zandsteen waaruit het gehouwen werd, en van wiens herkomst uit de groeven van Asnières en elders de bourgondische papieren rekenschap geven.2 Dezelfde stukken bevestigen intusschen wat het gewapend oog van deskundigen ook nu nog staven kan, dat het geheele werk oudtijds rijkelijk verguld is geweest en overdekt met kleuren.3

De grondtoon van het voetstuk was eene ietwat sterker tint van grijs dan de natuurlijke. De bladvormige versierselen aan bovenrand en kapitelen waren verguld. De nissen hadden zwarte of donkerbruine

[p. 502]

achtergronden. Mozes droeg een rood onderkleed, en een vergulden mantel gevoerd met azuur. David een mantel van goudlaken gevoerd met hermelijn, en een met gouden sterren bezaaid azuren onderkleed. Jeremia insgelijks een onderkleed van azuur, en een mantel van goud met groen. De Magdalena, aan den voet van het crucifix, was gekroond met een diadeem van verguld koper, vervaardigd door een goudsmid te Dijon. Een boek, door Jeremia omhoog gehouden en met de regterhand ondersteund, had de kleur van het bindwerk der 14de eeuw. Bovenop lag een verguld koperen bril.1

Reeds in 1403 werd er, ten einde het schilderwerk tegen wind en regen zooveel mogelijk te beschutten en toen de put nog naauwlijks voltooid was, eene elegante stelling omheen gebouwd.2 De put bekwam eene buitengewone vermaardheid. Pauselijke legaten in Frankrijk, die in persoon hem gingen bezigtigen, spoorden (1418, 1432, 1445) door het verleenen van aflaten tot navolging aan; en wij moeten onderstellen dat de bedevaartgangers van het geloof talrijker waren dan die der kunst. Maar destijds werden zulke scherpe lijnen nog niet getrokken.

Het karakteristieke van Sluter's gewrocht als beeldhouwwerk zijn de gelaatstrekken en de standen zijner

[p. 503]

zes profeten, afzonderlijk en te zamen. De miniaturen in de gebedeboeken van het tijdvak, de heiligebeelden in de nissen der gothische kerkportalen, schijnen altegader naar één model genomen. De eenige uitdrukking der aangezigten is veelal die der devotie. Sluter's profeten zijn portretten naar het leven. Geen poging is aangewend hun een bovenaardschen familietrek mede te deelen. Uit Mozes' voorhoofd (hij is de eenige van de zes die niet als een gewoon mensch voorgesteld wordt) rijzen, kort en stomp, even aangeduid, twee knobbels, als op het zwellend voorhoofd van een jeugdigen stier.1 Jesaja, Jeremia, Zacharia, Mozes zelf, zijn grijsaards; maar allen van een verschillenden type, en als van verschillende nationaliteit. Het is alsof de beeldhouwer in zijne werkplaats eene verzameling gipsen maskers bezeten heeft, genomen naar ‘mooije dooden’ van overal, en hij die belangwekkende fysionomien weder levend heeft gemaakt. Zijn Daniel, nog jong, ziet er uit als een fraaije Spanjaard of Italiaan. Zijn David kon het portret van zijn eigen vader zijn, Sluter Senior in de kracht des levens. Nog op dit oogenblik worden in Nederland, op de vloot, bij het leger, in de handelswereld, een groot aantal mannen van middelbaren leeftijd gevonden, wier gelaatstrekken eene treffende gelijkenis met den David aan den dijonschen put vertoonen. Het dikwijls eentoonige en bijna altijd gelijkmatige der middeneeuwsche beeldhouwkunst is door Sluter met één slag verbroken. Bestonden de onwraakbare rekeningen niet, niemand zou gelooven dat dit een werk van het jaar 1400 is.

[p. 504]

De Mozes van Klaus Sluter is niet de Mozes van Michelangelo. Evenmin stamt hij uit de italiaansche ideaal-antieke school die, vóór Michelangelo, door Nikolaas van Pisa geopend was.1 Hij is een bijbelsch persoon in steen, gelijk tweehonderd vijftig jaren daarna Rembrand bijbelsche personen in olieverf geven zou: bloemlezing van karaktervolle figuren uit de werkelijkheid, van portretten naar lieden uit de amsterdamsche Jodebreestraat, naar merkwaardige vreemdelingen aan de amsterdamsche handelskade.

Ik geloof dat er op sommige détails in Sluter's beelden aanmerkingen vallen kunnen; maar het zijn aanmerkingen van dezelfde soort als waardoor Rembrand's farizeën en sadduceën, Rembrand's Christus- en apostel-typen getroffen worden. Men is genoodzaakt te erkennen dat de voorstelling aangrijpt door hare in het oog springende waarheid; Sluter's profeten ons nog heden toeschijnen te leven; en van hem en zijn werk het bijzondere in de geschiedenis der europesche kunst dagteekent hetwelk, in onderscheiding van andere werken en andere scholen, eenmaal naar Holland genoemd zou worden.

1Bij De Laborde: ‘Claux Sluter, ymagier, paraît dans les archives de Dijon dès 1384, comme sculpteur des tombeaux de la Chartreuse. Succède à Jean de Marville en 1390. Travaille activement cette année et la suivante aux tombeaux, aux chapiteaux de la chartreuse, et à la décoration du château de Germoles. Reçoit le titre de “varlet de chambre” en 1393; exécute en 1404 un crucifiement pour le grand cloître; reçoit une gratification de 60 écus pour ce travail et pour l'indemniser d'une maladie qu'il a eue en 1399. Fait marché de 3612 francs pour le tombeau de Philippe le Hardi en 1404; ce marché est ratifié le 11 Juillet de la même année par le duc Jean. Il se retire, en 1404, à l'abbaye de Saint Etienne de Dijon, et le chapitre du monastère réuni lui concède sa vie durant, en raison de ses agréables services, la chambre ensemble le cellier dessoubs. Dans cet acte il est ainsi désigné: Claux Sluter de Orlandes.’
De akte is gedagteekend 6 April 1404, en het kapittel van Saint Etienne verklaart daarin dat ‘Claux Sluter de Orlandes sera doresnavant féaulx à nous et à notre dict monastère.’ Tekst bij De Saint-Mémin, 68 vg.
De naam van den neef wordt in de rekeningen beurtelings geschreven: Claes Vandeverbe, de Werne, de Wrne, de Vuenre. De naam van den oom: Celoistre, Celustre, Celestre, Scluter, Slouter.
Met Orlandes wordt Holland, met Vuenre wordt Voorne bedoeld.
1Bladz. 109 vgg., 164 vg., 171, 194, 258.
2De Jonge, Ned. Zeewezen, I 21.
3Voorne, tusschen Zeeland en Holland, onder hertog Albrecht aan de hollandsche kroon gekomen, vormde daarvóór en nog lang daarna eene afzonderlijke heerlijkheid. Alkemade, Beschrijving van Den Briel, 1729, II 102.
1Woordenboek van Oudemans, VI 348, op Sluyter, en de daar aangehaalde plaatsen.
1De graftombe van Filips den Stoute bevindt zich in het departementaal muzeum te Dijon. Desgelijks de beelden van dien hertog en zijne gemalin, afkomstig uit het portaal der chartreuse. Fotografien in de verzameling der oudfransche kunstmonumenten. Houtgravure der tombe bij Witkamp, Zeventien Provincien, I 665, 684. Beschrijving bij De Saint-Mémin, bladz. 25 vgg.
1Bourgondische rekeningen van 1396, 1397: ‘Amyot-Arnaut, receveur-général du baillage de Dijon, rapporte sous l'an 1396 qu'il lui est ordonné de faire faire au milieu de la place du Cloistre un puits, et qu'au milieu il y ait une croix fondée sur une pile.’ - In 1397 worden uit de steengroeve te Tonnerre verschillende groote blokken ontboden: ‘1o pour la croix qui sera au grant Cloistre, 2o pour la flèche de la dicte croix, 3o pour la soubasse d'icelle.’ - In hetzelfde jaar: ‘Grant yveron [groote drilboor] de 23 pieds de long pour percer au long la flèche de la croix de pierre, ensemble le croison, que faict Claux Slustre.’ Bij de Saint-Mémin, bladz. 63.
1Bourgondische rekeningen 1401 en 1402: ‘Mettre en coffret de bois trois grant ymaiges de pierre faicts par Claux en son hostel, savoir: David, Moyse, et Jeremias. Les conduire à la chartreuse pour les mettre en place sur la pile de la croix.’ De Saint-Mémin, bladz. 64. - ‘Tiré de la carrière d'Ys (Is-sur-Tille) 19 grant pièces de pierre pour la maconnerie des margelles du puits du grant Cloistre, ensemble les angels qui sont autour de la pile de la dicte croix.’ Bladz. 63.
1De Mozesput bevindt zich op een der terreinen behoorend tot het dijonsch Hospice des Aliénés, waar voorheen de chartreuse der hertogen van Bourgondie stond. In 1840 is hij zonder veel moeite oordeelkundig gerestaureerd kunnen worden. Fotografien van den tegenwoordigen staat in de verzameling oudfransche kunstmonumenten. Afgietsel in het Trocadero te Parijs, muzeum van Vergelijkende Beeldhouwkunst.
2Bourgondische rekeningen 1397-1399: ‘Tiré de la carriere d'Asniere 9 grant pieces de pierre, dont 6 sont de 5 pieds et demi de long chascune, 2 pieds et demi de large, et d'un pied et demi de gros chascune, pour convertir en plusieurs ymaiges que Claux faict pour la croix qui sera sur le pilier estant au milieu du grant Cloistre.’ Bij De Saint-Mémin, bladz. 63.
3Bourgondische rekeningen 1403, 1404: ‘Sept cent feuilles d'or pour la peinture et dorure de plusieurs ymaiges de pierre faictes entour de la pile de la croix du grant Cloistre.’ Bladz. 64.
1Bourgondische rekeningen 1401, 1402: ‘Un dyademe de cuivre faict par Hennequin d' Att, orfèvre à Dijon, pour l'ymaige de la Magdelaine qui est sur la terrasse de la Croix, et un besicle pour Jeremias le prophète.’ Bladz. 64.
2Bourgondische rekeningen 1404: ‘Monin de Prenois, charpentier, faict la charpente tout autour de la croix du grant Cloistre afin de mettre icelle à l'essoute [à l'abri].’ Bladz. 64.
1Zelfde symboliek als aan den Mozes van Michelangelo.
1Over Niccola Pisano bij Vasari, I 258.
terug  begin  verder