|
|
|
| |
VIII [Kennis aan de algemeene geschiedenis. Maerlant]
Nog veel langer dan Stoke's kronijk is Maerlant's Spiegel Historiaal, waarvan sedert niet vele jaren eene voor- | | | | treffelijke tekst-uitgaaf bestaat,1 een zoo goed als door niemand geraadpleegd handschrift gebleven. Eerst in 1784 begon het werk in druk te verschijnen,2 bijna vijf eeuwen na zijne voltooijing (1290), ruim drie sedert het invoeren der typografie in Nederland.3 Bij het aanbreken der 16de eeuw was onder de Nederlanders de herinnering van Maerlant in zulke mate uitgewischt, dat men op de onbeschaamdste wijze, in 1515, een gedeelte van den Spiegel Historiaal in herschreven proza heeft kunnen uitgeven zonder Maerlant's naam te noemen, en met de bijvoeging dat zijne taal onverstaanbaar geworden was.4
Ik zeide reeds dat dit verschijnsel, ook afgezien van den langen winternacht die bij het dagen der renaissance voor de midden-eeuwen aanbrak, niet geheel onverklaarbaar is. Voor de historische wetenschap, buiten de belangen der taalstudie, heeft Maerlant's Spiegel geen waarde. De geschiedvorscher van den tegenwoordigen tijd, die zich rekenschap wenscht te geven van de historische kundigheden der midden-eeuwen, raadpleegt Vincent van Beauvais die Maerlant vóórging, en wiens Speculum Maerlant deels vertaalde, deels verkortte, deels aanvulde. Evenzoo handelden de degelijke historici der nederlandsche renaissance, wanneer zij, gelijk Gerard Vossius en zijne zoonen, middeneeuw- | | | | sche geschiedenissen bestudeerden.1 Voor vreemdelingen gaf Maerlant te weinig nieuws, dan dat voor hun doel het aanleeren van zijn dietsch de moeite geloond zou hebben. Landgenooten verloren hem uit het oog, omdat in hunne behoefte aan kennis beter en overvloediger door het buitenland voorzien werd. De geheele Vincent van Beauvais, ettelijke folio deelen, werd reeds in 1473 te Straatsburg gedrukt, in 1494 herdrukt.2 Bij hem vergeleken was Maerlant eene afgeleide bron.
Maerlant verrast ons aangenaam door het veelzijdige zijner belangstelling en zijner kundigheden; zijne gemeenzame bekendheid met het latijn, het fransch, en het duitsch; het gemak waarmede hij in zijne moedertaal zich uitdrukt; de bedrevenheid in de versbouwkunde van welke zijne strofische gedichten blijk geven. Het is waar dat zijne algemeene geschiedenis slechts eene vertaling was, en hij in die overzetting halverwege is blijven steken. Zijn werk mishaagt ons, gelijk hollandsche vertalingen der wereldgeschiedenissen van Schlosser of Becker of Ranke ons mishagen. Maar zijn oogmerk strekt hem tot eer, en de keus van zijn model niet tot schande.
Vincent van Beauvais is een der middeneeuwsche veelweters geweest die tegelijk verbazen door hun gebrek aan kritiek, en eerbied afdwingen door den omvang hunner kennis. Bij Dante vinden wij de algemeene wetenschap van het tijdvak opgevangen in een dichterlijken; bij Vincent van Beauvais, overleden één jaar vóór Dante's geboorte, in een ondichterlijken spiegel.
| | | |
Vincent van Beauvais' drievoudig Speculum (Naturale, Doctrinale, Historiale) is als eene schoolsche inleiding tot de trilogie der Commedia. Men vindt er bijeen alles wat de 13de eeuw van geschiedenis, van wijsbegeerte, van natuurlijke historie wist.1 Maerlant klopte hier aan eene goede deur, al was het onvermijdelijk dat hij met de deugden van zijn voorganger ook diens gebreken overnam.2
Daar de midden-eeuwen, al zwoeren zij bij den bijbel en het christelijk dogme, onwillekeurig althans éénige aandacht aan de heidensche oudheid schonken, mengden zij met eene onbewustheid die ons vermaakt (zoo zullen om andere redenen volgende geslachten zich met óns vermaken) onder de gewijde overleveringen der Hebreën de ongewijde omtrent de eerste beginselen van het romeinsche rijk. Vincent van Beauvais laat al de volken van Europa afstammen van de Trojanen, voorouders der Romeinen; en Maerlant schrijft hem dit eerlijk na, of maakt alleen voor den vorm eenig voorbehoud. De Franschen zijn naar die voorstelling de naneven van zekeren Francio, een zoon van Hektor, den zoon van Priamus. Een kleinzoon van AEneas, Brutus geheeten, gaf zijn naam aan de Britten en aan Brittannie. Zijn medgezel Corineus nam een ander deel der latere britsche eilanden
| | | |
in bezit, en die provincie heet naar hem Cornwallis.1
Ofschoon bij Dante de vereering van het romeinsche rijk, stichting van trojaansche afkomst, allengs eene groote dichterlijke gedachte wordt, stuit men ook bij hem op de zonderlingste koppelingen. Al zijne christelijke personen, booswichten en braven, hebben een persoon uit de grieksch-romeinsche oudheid tot dubbelganger. Geen Griek vindt genade in zijne oogen, die een Trojaan weleer iets in den weg legde. De schier onbekende trojaansche Riféus smaakt, ondanks zijn heidendom, bij Dante de volle zaligheid der paradijsvreugde. De voortreffelijke grieksche Ulysses staat duldelooze hellepijnen uit. De schrandere en vaderlandlievende grieksche Sinon, die op Ulysses' aansporen, met gevaar voor zijn leven, den Trojanen het noodlottig houten paard smakelijk maakte, ziet in het oord der verdoemden zich op één lijn gesteld met een geschavotteerd valsch munter uit Florence.2
Men moet echter de hoofdgedachte der middeneeuw- | | | | sche algemeene geschiedenissen niet naar dergelijke buitensporigheden beoordeelen. De Spiegels Historiaal waren in zoover iets nieuws, eikels van een toekomstigen stam, dat men bij de historieschrijvers van Griekenland en Rome te vergeefs naar zulk eene breede opvatting omziet. Herodotus en Thucydides, Livius en Tacitus, stellen in de wereldgeschiedenis geen belang. Althans, zij boeken bij voorkeur hetgeen op de lotgevallen, oorlogen, omwentelingen, van hun eigen vaderland betrekking heeft; zijne opkomst en zijn bloei, of de oorzaken van zijn verval. In de Spiegels Historiaal vinden alle volken der aarde eene plaats, en voor het eerst ziet men hier eene poging aangewend eene geschiedenis van het menschelijk geslacht te schrijven, naar een leidend beginsel.1 Ten grondslag ligt de zoo men wil stoute stelling der hebreeuwsche profeten, nader uitgewerkt door den christenkerkvader Augustinus in zijn Goddelijke Republiek, en nog in de 17de eeuw door Bossuet in zijn Discours sur l'histoire universelle: dat er één ware God is, de God van Mozes en van Christus; de opkomst en de val der wereldrijken dienen moet om alle geslachten der aarde, voortgekomen uit den bijbelschen Adam en de bijbelsche Eva, tot één groot uitverkoren volk te vormen; en de roeping van elk mensch afzonderlijk bestaat in voor dien God te leven.
Op nieuw blijkt uit deze feiten hoe de denkwijze der Europeanen in de midden-eeuwen door den bijbel beheerscht is. Het staat niet aan ons te beslissen of
| | | |
de klassieke historieschrijvers, bij wier stijl vergeleken de stijl der middeneeuwsche ons toeschijnt naar stamelen of stotteren te zweemen, al dan niet ook eene betere methode van onderzoek gevolgd zijn. Wij staven alleen dat de algemeene geschiedenissen van welke wij spreken altegader geschoeid zijn op de leest des bijbels, die met eene wereldgeschiedenis aanvangt, allengs bij de geschiedenis van één volk zich bepaalt, en, wanneer de bestemming van dit volk geacht wordt zich vervuld te hebben, met eene wereldgeschiedenis eindigt.
|
1Door M. De Vries en Eelco Verwijs, 1858-1863.
2Uitgaaf van Clignett en Steenwinkel, 1784 vgg.
3Het Oude Goudsch Kronijkje, typografische eersteling onder de nederlandsche werken die over onze geschiedenis handelen, werd gedrukt te Gouda bij Gheraert Leeu in 1478.
4Over de proza-vertaling van 1515 bij De Vries en Verwijs, Inleiding, bladz. l vgg.
1G.J. Vossius, De Historicis Latinis, 1627.
2Verzameling wiegedrukken in de N. Bibliotheek te Parijs.
1Het Speculum Naturale van Vincent van Beauvais is het oorspronkelijk van Maerlant's Der Natueren Bloeme. Ten onregte hield. Maerlant dit voor een werk van Albert van Keulen.
2Over Vincent van Beauvais in Histoire Littéraire de France, 18 de Deel. - Monografie door Bourgeat, 1856. - Vergelijking met Plinius den Oude in Littré's studie over dezen; voorrede der fransche vertaling van Plinius' Natuurlijke Historie, 1850. - Inleiding van De Vries en Verwijs op Maerlant's Spiegel Historiaal, bladz. iv vgg.
1Vincent van Beauvais, Speculum Historiale, XVII, c. 5, 6; bij Maerlant P. III, B. I, c. xii, vs. 54 vgg.:
Corineus en liet ook niet
Hine hiet tlant naer hem noemen,
Dattem was in deele comen
Dat noch, alsemen wale weet,
Naer hem Cornuwaelge heet.
2Over de partijdigheid der midden-eeuwen ten aanzien der Trojanen, stamvaders der Romeinen, en over de laatste overblijfselen dier zienswijze in Ronsard's Franciade (1572) en Shakespeare's Troïlus and Cressida (1609), bij Aristide Joly, Métamorphoses d'Homère et de l'épopée gréco-latine au moyen-âge, 1870, en bij Paul Stapfer, Shakespeare et l'Antiquité, 1879, Première Partie, bladz. 138 vgg.
1Over middeneeuwsche historiografie bij Buckle, History of civilization in England, I 288 vgg. der uitgaaf van 1882. Bij Te Winkel, Maerlant's Werken, bladz. 333 vgg.
|
|