Het land van Rembrand


auteur: Cd. Busken Huet


bron: Cd. Busken Huet, Het land van Rembrand. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw (2 delen in 3 banden). H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1882-1884.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

IV [Stevin en Maurits]

Het kristalhelder verstand waarvan deze door niet één bastaardwoord ontsierde taal getuigt, is Stevin's voornaamste aanbeveling bij de tijdgenooten geweest. Bij Hugo de Groot, die hem te Leiden leerde kennen toen hij nog bijna een knaap was en Stevin reeds naar de vijftig liep. Bij prins Maurits, wiens liefde voor de wiskunde hem in het gezelschap van den geboren mathematicus behagen deed vinden. In het buitenland, waar het de aandacht niet ontging dat sommige van Stevin's denkbeelden vatbaar waren voor regtstreeksche toepassing in de praktijk.

Wij hoorden hem het gevoelen ontwikkelen dat, zoo de vorsten slechts wilden medewerken, de gouvernementen de gebrekkige boekhouding der rentmeesters met vrucht door de koopmansboekhouding zouden kunnen vervangen. De hertog De Sully hoorde hiervan, en op zijn verzoek bezorgde Stevin van zijne Vorstelicke Bouckhouding eene fransche uitgaaf die hij den voortreffelijken minister van Hendrik IV opdroeg1.

[p. 20]

Bij het aanbreken der 17de eeuw, toen in verschillende landen van Europa door het langdurig oorlogvoeren de vorstelijke schatkisten uitgeput waren, en het in een land als Frankrijk te vreezen stond dat de burgers, het sloopen der openbare financien door trouwelooze rentmeesters moede, geen nieuwe belastingen zouden willen opbrengen, was het invoeren eener verbeterde staatsboekhouding eene zaak van dadelijk en overwegend belang1.

Ook in Nederland zelf kwamen, ten gevolge der hooge waarde welke Maurits aan des Bruggenaars doorzigt hechtte en door Maurits' invloed op de Staten van Holland en de Staten-Generaal, administratieve hervormingen in het financiële tot stand. Van den naam dien in de 17de eeuw de Zeven-Provincien hadden een voorbeeldig beheer der openbare gelden te voeren, behoort een gedeelte aan Stevin2.

[p. 21]

Aan de zeevaartkundige wetenschap, voor de Noord-Nederlanders dier dagen eene levenskwestie, bewees hij diensten, door, insgelijks op verzoek van Maurits, zijn geschrift over de Havenvinding zamen te stellen hetwelk de jonge De Groot door eene latijnsche vertaling wereldkundig maakte1.

De eerste helft van Stevin's levensgeschiedenis is zeer onvolledig bekend2. Naar het schijnt heeft hij, óók al uit vrees dat wegens zijne onafhankelijke denkwijze Alva's bloedraad hem aan het lijf zou komen, op zijn achttiende of negentiende jaar Zuid-Nederland verlaten, en is, evenals tezelfder tijd (1567) Cornelis Hooft, gaan reizen in Duitschland. Ook Polen, Pruissen, en Noorwegen, schijnt hij doorkruist te hebben3. Er zijn geen bewijzen dat ooit openlijk door hem gebroken is met het katholicisme. Veeleer wordt beweerd dat hij in zijn voorlaatste levensjaar geld naar eene kerk in Vlaanderen gezonden heeft, voor zielmissen4. Doch hij was een beslist voorstander van

[p. 22]

volksverlichting, en moest, vriend der wetenschap, de vrijheid liefhebben welke toen voor vlaamsche ballingen in Noord-Nederland te bekomen was.

Dit schijnt de reden geweest te zijn dat hij ten slotte zich te Leiden is komen vestigen, aangetrokken door de nieuwe universiteit. Zoo hem geen leerstoel is opgedragen, dan lag dit welligt alleen hieraan dat hij geen heksemeester was in het spreken of schrijven der taal van het oude Rome1. Maar de professoren erkenden hem voor een evenknie, en een hunner, de mathematicus Willebrord Snel, man der straalbreking en der graadmeting, vertaalde zijne Wisconstige Gedachtenissen in het latijn2.

Het is niet zeker dat Stevin te Leiden, als privaat-docent of als lector, openbare lessen over zijn vak gegeven heeft in de moedertaal. Wel dat, weder door den invloed en den aandrang van Maurits, er ten behoeve van jonge genie-officieren destijds, in het hollandsch te Leiden hooger onderwijs in de vestingbouwkunde gegeven werd3. Bovenal staat vast dat Stevin,

[p. 23]

in verband met zijne denkbeelden over de levende betrekking welke de wetenschap met de volksontwikkeling behoort te onderhouden, van het bezigen der moedertaal aan de akademien een warm voorstander was.

Nadat Maurits hem achtereenvolgens tot hoofdin-spekteur van den waterstaat en tot kwartiermeester-generaal bij het leger der Unie had doen benoemen, zag Stevin zich met eervolle ambten bekleed en had hij eene vaste maatschappelijke stelling1. Doch dit alles is eerst later gekomen, nadat hij reeds een tamelijk gevorderden leeftijd bereikt had. Indien het waar is dat hij in 1620 is overleden, twee en zeventig jaren oud, en zijn zoon Hendrik toen een zesjarige knaap was2, dan ligt het voor de hand te onderstellen dat de omstandigheden hem verboden hebben jong te trouwen. Onwillekeurig verbeelden wij ons dat hij omstreeks 1580 als vrijgezel te Leiden is komen aandrijven3; hij er door huislessen in zijn onderhoud

[p. 24]

voorzien heeft; en hij niet lang daarna, door diezelfde lessen, in aanraking is gekomen met den jeugdigen Maurits, sedert 1582 leidsch student. De herinnering van den genialen repetitor zal den genialen leerling bijgebleven, en, toen de prins naderhand een beroemd veldheer geworden was, dit de aanleiding geweest zijn dat hij Stevin op allerlei wijzen aan zijn persoon verbonden heeft.

Zoo de lezer zich herinnert hetgeen, op eene andere plaats in dit werk, gezegd is over den weldadigen invloed vertegenwoordigd door het Schilderboek van Karel van Mander1 dan zal hij toestemmen dat hetzelfde in niet minder mate van Stevin's Wisconstige Gedachtenissen geldt.

Het tijdperk van Stevin's hoogsten bloei en meest erkende vermaardheid valt zamen met de burgertwisten die de twaalf jaren van het Bestand ontsierd hebben. Hij heeft den val van Oldenbarnevelt beleefd. Het is hem niet onbekend kunnen blijven dat Hugo de Groot tot levenslange opsluiting veroordeeld stond te worden. Hij daarentegen, zoo er al geen termen zijn hem als een vertrouweling van Maurits te beschouwen, had ongetwijfeld 's prinsen oor. Het geheele land ging toen in twee hartstogtelijk vijandige partijen uiteen. Onzijdig of gematigd te blijven scheen niet denkbaar.

Even vruchteloos nogtans als naar onwaardige vleijerijen aan het adres van den vorstelijken beschermer, zal men in Stevin's geschriften naar sporen van kerkelijken of theologischen wrok omzien. Den man der

[p. 25]

wetenschap zijn beide zwakheden gelijkelijk vreemd. Onbewust is hij, bij voorbaat of reeds dadelijk, de meerdere van Coornhert, Marnix, Bogerman, Voetius, en wie verder in die dagen den algemeenen gezigteinder beperkt en het vuur der tweedragt te goeder trouw mogen aangestookt hebben. Met Van Mander staat hij op een terrein waar lieden van de meest uiteenloopende denkwijze, mits de theologie hun niet het hoogste was, elkander de broederhand reiken konden1.

De nagedachtenis van Maurits zelf wordt door die van Stevin gebaat. De onverzoenlijke prins, dien om De Groot's en Oldenbarnevelt's wil sommige vaderlandsche historieschrijvers zoo hard gevallen zijn, treedt uit Stevin's geschriften te voorschijn als een voorbeeldig kapitein-generaal, admiraal, en stadhouder; steeds vervuld met de belangen van den burger, den zeeman, den soldaat; de eenvoud en de degelijkheid in per-

[p. 26]

soon; een sieraad van zijn Huis; de waardige zoon van Willem I en oudoom van Willem III.