Het land van Rembrand


auteur: Cd. Busken Huet


bron: Cd. Busken Huet, Het land van Rembrand. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw (2 delen in 3 banden). H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1882-1884.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

V [Stevin en Hugo de Groot]

Eene plaats in Hugo de Groot's boek over het genie en de zeden der Hollanders vergeleken bij die der Atheners en der Romeinen (werk zijner jeugd) geeft regt het er voor te houden dat Stevin weleer een beslissenden invloed op sommige van De Groot's denkbeelden geoefend heeft.

‘De eerste,’ schrijft deze in zijn hoofdstuk Over de Taal, ‘de eerste die met de grootste en algemeenste toejuiching ondernomen heeft onze moedertaal op te luisteren, en in deeze de mathematische weetenschappen in het licht te geeven, was Stevin, met wien ik in de nauwste vriendschap en betrekking staa1; de uitvinder der gewichtigste dingen, tot wiens lof ik hier niet meer kan toevoegen, dan dat hem de doorluchtige prins Maurits in zijne studien raadpleegt2.

‘Van deezen Vorst komen nu te voorschijn Commentarien van Wiskundige Zaaken, een allergewichtigst werk3; en daar nu deeze allerschranderste veld-

[p. 27]

heer die boeken, in onze taal geschreven, in de latijnsche en fransche als door een tolk heeft laaten spreeken, ontneemt hij ons allen twijffel, welke onder die taalen het meest geschikt zij, om de eigenschappen van alle dingen uit te drukken.

‘En niemand moet van de navolging eenes zoo doorluchten voorbeelds zich hier door laaten afschrikken dat het gebruik, 't welk tog het meesterschap over de taal voert, de wetenschappelijke grondwoorden, uit welke de overigen ontstaan, in deezen (noch latijnschen noch griekschen) vorm tot heden niet heeft aangenomen. Want het gebruik heeft wel het gebied over de woorden, maar wij over het gebruik.

‘Indien wij allen het voornemen hadden om in eene allergeschiktste, en, 't geen ons ten prikkel moest strekken, in onze eigene taal, zaaken van een algemeen belang te boek te stellen, liever dan, door het vernis van vreemde welspreekendheid, ik weet niet wat voor een schijn van geleerdheid na te jaagen, zoo zouden wij onze eeuw, de geletterdste die 'er bij mogelijkheid kan uitgedacht worden, ook tevens voor de wijste kunnen verklaren.

‘Alle weetenschappen hebben dan de grootste vorderingen gemaakt, wanneer ze in de dagelijksche landstaal voor allen zijn bloot gelegd. Dit heeft den Grieken, dit den Romeinen behaagd; en ter zelver tijd

[p. 28]

dat wij ons van hunne taal bedienen, verachten wij evenwel hunnen grondregel!

‘Indien 'er iemand, zelfs uit het laagste grauw der Atheniensers of Romeinen weder in 't leven terugkwam, en hij zag ons schrijven, of hoorde ons spreeken in die taal, waar aan wij ons geheele leven besteeden, hij zou ons uitlagchen, en ons geen dwaazen alleen, maar ook Barbaaren noemen. Wat is dan toch de reden, dat wij de Grieken in dit opzicht niet navolgen?

‘Vreezen wij misschien dat de weetenschappen te gemeen zullen worden, en zoeken wij, door dit afweeringsmiddel, de geringeren onder onze landgenooten van den toegang terug te houden? Doch dit zou zijn eene weldaad, waar ieder recht op heeft, aan verscheidenen misgunnen; daar men liever den weg, en wel den koninklijken, baanen moest, om alle verstanden hunne offerpenningen te doen samenbrengen, ten einde de algemeene som van wijsheid te vermeerderen.

‘Of is de geest ónzer burgerlieden stomper, dan wel eer die deezer classe van inwooners bij andere volkeren? De zaak zelve bewijst het tegendeel; want het mangelt hun noch aan vlijt, noch aan oeffening, noch aan doorzicht.

‘Schijnt onze taal niet even geschikt als andere tot het onderwijs? In 't tegendeel, het is allerzekerst dat zij alleen zou kunnen schijnen, in eene aanzienlijke bijeenkomst der wijste lieden, uitgedacht en gevormd te zijn opdat de regelen der weetenschappen in de woorden van deeze taal zouden geleerd worden.

‘En zoo men omtrent die Eeuw, van welker ge-

[p. 29]

dachtenis wij in geen jaarboeken iets zekers ontdekken kunnen1, eene gissing mag waagen, wie weet of niet een volkomene kennis der weetenschappen in deeze taal bestaan hebbe, welke, in het eigendommelijke van oneindig veel woorden, alle anderen ver achter zig terug laat?

‘Maar, hoe het hier ook mede zij, wij wenschen ons Vaderland geluk, dat men reeds een' aanvang gemaakt heeft met het lesgeven en schrijven over de weetenschappen in die taal, die wij niet in de schoolen leeren maar in de wieg. Want niet op de Academie slechts en in boeken geraakt door eene scherpzinnige behandeling der stelregels de waarheid tot helderheid; maar de knapen leeren zelfs in de schoolen de nauwkeurige regelen der getallen, en de schippers aan den wal of op de schepen de omwentelingen der starren en den stand des aardbols. Ook voor bouwkundigen en landmeeters worden in 't openbaar, over de vraagstukken die daartoe behooren, in onze moedertaal voorlezingen gehouden. Zo dit voortgaat, zullen wij buiten eenigen twijffel eene allervolmaaktste kundigheid van alle weetenschappen 't zij dan verkrijgen, 't zij terugbekomen’2.