Het land van Rembrand


auteur: Cd. Busken Huet


bron: Cd. Busken Huet, Het land van Rembrand. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw (2 delen in 3 banden). H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1882-1884.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 69]

XII [De ontleedkunde. Nicolaas Tulp]

Eene bijzonderheid uit het leven van Swammerdam leidt van zelf tot de opmerking dat door de medici der 17de eeuw in Nederland het natuuronderzoek als de voornaamste der wetenschappen beschouwd is, en tevens dat die mannen meest van al in het vak der ontleedkunde uitgemunt hebben1.

Door zijne gemeenzame bekendheid met den aanzienlijken Thévenot2, die te Parijs omgang hield met den amsterdamschen burgemeester en gezant Van Beuningen, bekwam op Van Beuningens aanbeveling Swammerdam vergunning, de lijken der in het gasthuis te Amsterdam gestorvenen ten bate der wetenschap te ontleden3.

[p. 70]

Dit feit helpt ongetwijfeld staven, hetgeen ook van elders bekend is, dat de amsterdamsche anatomen voor hunne studien of hunne lessen somtijds moeite hadden lijken te bekomen, en in die omstandigheden eene alvermogende burgemeesterlijke voorspraak geen overdaad was.

Doch wij zouden dwalen indien wij daarin de openbaring van een specifiek-nederlandsch vooroordeel zagen. Veeleer was Nederland in de 17de eeuw, bij vergelijking gesproken, en in aanmerking genomen de hinderpalen welke in andere landen den ontleedkundigen in den weg gelegd werden, met Engeland de snijkamer van Europa1.

Al spoedig na het oprigten der leidsche hoogeschool in 1575 kwam het onderzoeken der ledematen en ingewanden van menschelijke lijken aan die universiteit zoo in zwang, dat vijf en twintig jaren daarna, wel is waar met eenige rhetorische overdrijving, doch voor het overige door opregte bewondering gedreven, Hugo de Groot van een ‘weldadig woeden tegen de dooden ten bate der levenden’ spreken, en met zekere deer-

[p. 71]

nis gewagen kon van de oude Grieken die geen ‘folterkamers voor afgestorvenen’ toelieten1.

Het heelmeestersgilde te Amsterdam had reeds geruimen tijd vroeger de eerste schrede gezet op dezen nieuwen weg. Waren de Amsterdammers weleer door de Haarlemmers, en andere omringende benijders, met een populairen schimpnaam ‘koek-eters’ genoemd, sedert 1550 heetten zij ‘menschevilders’2, omdat de amsterdamsche chirurgijns in dat jaar van de Edel-Achtbare Heeren van den Geregte vergunning bekomen hadden het lijk van een beruchten dief te ontleden; toen eene ongehoorde zaak. De huid van den ter dood gebragte werd door de chirurgijns ‘afgeschild’, door een looijer ‘bereid’, en ‘ter gedachten van dit hun aangevangen werk nog langen tijd daarna bewaard’.

Van dit oogenblik werd Amsterdam, hoewel daar vooreerst noch hoogeschool noch athenaeum bestond, om zoo te zeggen een middenpunt van anatomisch leven. De vroedschap zelve stelde belang in het vak. Een harer leden, tevens praelector der anatomie, verhaalt hoe hij op het stadhuis, tot ‘groot genoegen’ der overheid, zijne ambtgenooten, bij zekere gelegenheid een vrouwelijk ‘wanschepsel’ ontleedde3. Het

[p. 72]

amsterdamsch chirurgijnsgilde bekwam het karakter eener medische fakulteit; en beroemde schilders van het tijdvak zouden voor het nageslacht de namen en de beeldtenissen der amsterdamsche anatomen op doek brengen1.

Nicolaas Tulp is op deze wijze, ofschoon hij aan de wetenschap geen diensten bewezen heeft welke in vergelijking komen met die van Huygens, Swammerdam, Leeuwenhoek, of Boerhaave, door Rembrand's Anatomische Les van 1632 zulk eene europesche vermaardheid geworden, dat hij in onze galerij niet ontbreken mag2. De namen van Tulp, van Deyman, van beider opvolger Frederik Ruysch, zijn van de wetenschappelijke herinneringen der 17de eeuw in Nederland onafscheidelijk3.

[p. 73]

Als lid der amsterdamsche regering, - want behalve praktiserend geneesheer, en praelector der anatomie met den titel van professor, was hij ook vroedschap, schepen, en meer dan eens burgemeester, - heeft Tulp in 1642 zich belagchelijk en min of meer hatelijk gemaakt door zijn gezag te misbruiken, en een amsterdamsch sociniaan van de walsche gemeente, die niet gelooven wilde aan de godheid van Christus en evenmin aan de persoonlijke onsterfelijkheid van den mensch, gedurende zeven maanden te doen opsluiten in de duisternis van een tuchthuis-kamertje met digtgespijkerde vensters. Zeker geen geschikt middel om dien François van der Mers, zoo heette de ketter, hetzij een hoog denkbeeld van de genoegens der persoonlijke onsterfelijkheid te geven, hetzij hem te verzoenen met de voorstelling van Christus als tweeden persoon der Drieéénheid1.

Doch dit voorval bewijst alleen dat er ook onder de mannen der wetenschap in het Nederland dier dagen kalvinistische ijveraars gevonden werden, die, om een ‘boef’ of een ‘guit’ als Van der Mers tot zwijgen te brengen, niet terugdeinsden voor het verkrachten der justitie. Bovendien gold Tulp niet voor een belhamel. Hij werd gerekend onder de gematigden of weifelaars, die niet zoozeer zichzelf door hunne regt-

[p. 74]

zinnigheid in de vroedschap geholpen hadden, als daarin geholpen waren door anderen, banierdragers eener scherpere orthodoxie1.

Als geleerde is Tulp in zijne eeuw een der schrandere en nuttige opmerkers geweest die, zoo zij hun vak niet eigenlijk gezegd vooruitbrengen, nogtans menig tijdgenoot de oogen openen2. Zijne Observationes Medicae, verschenen in 1641 en vele malen herdrukt, bezorgden hem ook buiten Nederland eene ongemeene bekendheid3. Zijne verdiensten als ontwerper der

[p. 75]

amsterdamsche Pharmacopoea, schild der zieken en gids der apothekers, uitgevaardigd in 1636 en vervolgens, zijn onmiskenbaar1. Laat ons er bijvoegen dat hij als burgemeester in 1672, bij den inval der Franschen, ondanks zijne negen en zeventig jaren met ‘manlijke cordaetheid’ tot tegenstand bieden adviseerde2. Al moeten wij gelooven dat Hendrik Hooft en de zijnen van het hagchelijke in den toestand dier dagen een helderder begrip hadden dan Tulp, het zal dezen altijd tot eer strekken aan het vaderland niet gewanhoopt te hebben3.

Merkwaardig is het dat Tulp's latijnsche Observationes Medicae door hemzelf op zijn ouden dag in uitmuntend hollandsch vertaald zijn. Uit den hollandschen woordeschat dezer Insigten over de Geneeskunst mogen wij besluiten dat de schrijver gewoon was, althans voor een gedeelte zijner lessen, zich van de moedertaal te bedienen. Dit wordt daarenboven bevestigd door het getuigenis van een tijd- en ambtgenoot, die in de voorrede van een aan Tulp opgedragen hollandsch boek hem prijst: dat hij bij zijn onderwijs in de anatomie ‘de grieksche en latynsche duystere konst-naemen geluckich en geestich in duytsche woorden verwisselde’.4

[p. 76]

Aan den anderen kant blijkt uit het in portefeuille blijven dezer overzetting, van welke eerst onlangs uit gebreide fragmenten door den druk openbaar gemaakt zijn1, dat wij hier nogmaals op hetzelfde verschijnsel stuiten als eene halve eeuw te voren bij Stevin. Tusschen de wetenschappen en de landstaal is in de Zeven-Provincien steeds eene kloof blijven gapen. Aan pogingen om die te doen verdwijnen heeft het niet ontbroken; maar het zijn pogingen gebleven.

Het volgende is eene der luimige uitweidingen waarmede Tulp somtijds zijne openbare lessen kruidde. ‘O geluckige hovelingen’, moraliseert de republikeinsche professor, na ontvouwd te hebben welk eene krachtige beschutting in het menschelijk ingewand de darmklep is2, ‘geluckige hovelingen, indien uwe wanklige staet met sulken stut gestijft waere, gij luiden zoud van 't bovenste topie van de mast so ligt niet op 't boevenet of 't ruim van 't schip, maer vlak in zee gesmeten ende gekielhaelt (daer wel wat in de loop blijft) werden; om daer na als Narses met het spinrocken gedreigt te worden, ofte met de veldoverste Belisarius tot de bedelsak te raken. Om daer na ook anderen te sien van 't hof (daer men 't eene ogenblik wel, en 't andere qualik te bouk staet) insgelix nu verheffen tot den hemel, en dan met hunne glinsterige

[p. 77]

glans en los vertrouwen op anderen, die niet een hair vaster staen als sij, wederom int voedsand raken. Want hoven huld is geen erf; maer uit het land gedreven en dood gesmeten, dat zijn de hulden die hoven geven. Muisie wagt uw staartie, en houd uit de val’.1

Even aangenaam klinkt zijn tot den ‘nieuwsgierigen lezer’, wanneer hij in eene voorrede zinspeelt op het mishandelen van zijn boek, in eene vertaling buiten hem om, door een ontaalkundig landgenoot: ‘Gelijk een frisse romer, versch voor 't volle vat met een schuimtie geschonken, veel verscheelt van een verlept teugie, uit een verschaelde kan traeg overgegote; so trekt ook merklik een rok uit, wat bouk in een andere tael word over geset’.2

Met zijne portretten door Rembrand en anderen, in olieverf en in ets; met zijn beeld in marmer door Quellinus; zijn dit de trekken door welke Tulp nog heden tot zijne landgenooten spreekt3.