Het land van Rembrand


auteur: Cd. Busken Huet


bron: Cd. Busken Huet, Het land van Rembrand. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw (2 delen in 3 banden). H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1882-1884.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

VIII [Johan de Witt]

In een vorig hoofdstuk heb ik reeds te kennen gegeven dat men den stadsregent der 17de eeuw te onzent best van al een bourgeois-gentilhomme noemt1. Is hij een man daar bijzit, dan verhindert die hoedanigheid hem niet, op verschillende wijzen uit te munten. Er kan een goed burgemeester uit hem groeijen, een goed ambassadeur, een goed gedeputeerde te velde, een goed raadpensionaris der voornaamste provincie. Maar in de oogen des volks, nog meer dan in die der vorsten of der mannen van geboorte, moet hij door zijn stand zich gehaat maken. De geweerkolven, waarmede officieren der haagsche schutterij in Augustus 1672 Johan de Witt den schedel insloegen, hebben het bewezen2. De onverdragelijkste aller vormen van den adeltrots, leert de geschiedenis, is de adeltrots van den parvenu. Alleen de domme heerschappij der sabel is vergelijkbaar bij de tirannie van den tot aanzien gekomene, wiens grootvader kruidenier was3.

[p. 325]

Door deze regenten is De Witt als werktuig gebezigd, en zij wederkeerig door hem als springplank. Te vergeefs had sedert 1584 de stedelijke aristokratie eene gelegenheid verbeid, haar denkbeeld eener republiek te verwezenlijken. De dood van Willem I was te dien aanzien eene teleurstelling geweest, en Maurits had den prijs weggedragen die de republikeinen beloofd scheen1. Meer dan veertig jaren had dit geduurd, en daarna, onder Frederik Hendrik, nog ruim twintig. Het scheen of de dag van het zuiver aristokratisch Gemeenebest nimmer aanbreken zou. Eindelijk stierf de jonge Willem II, geen anderen erfgenaam nalatend dan een kind dat nog geboren moest worden. Nu was voor de regenten de kans schoon, en zij sloegen spijkers met koppen2.

[p. 326]

Men hoore op welke wijze De Witt in 1654 de Staten van Holland verdedigt, wanneer men hem en hun verwijt den kleinen Willem III aan Cromwell opgeofferd, en jegens het Huis van Oranje zich aan ondankbaarheid schuldig gemaakt te hebben. Friesland, Groningen, en Zeeland, hadden beweerd dat, als belooning voor de diensten door vroegere vorsten uit dit Huis aan de Republiek bewezen, hunne waardigheden nu ook op het driejarig prinsje moesten overgaan. Neen, zegt De Witt namens Holland:

‘Indien den yver van de voornoemde Provincien, omme haer Ed: Groot Mo: de Heeren Staten van Holland ende West-Vriesland te culperen van ondanckbaerheydt, haer tot noch toe mochte hebben beleth de contradictie inde voorsz. argumentatie residerende te bemercken, soo versoecken haer Ed: Groot Mo: dat deselve eenmael hare gedachten gelieven te arresteren ende t'overwegen of dieselve last ende charge, over welckers support ende uytvoeringe niet alleenlijck bejaerde Vorsten op wiens schouders die is geleyt gheweest, maer oock haere naekomelingen recompense ofte belooninge meriteren, tot voldoeninge vande selve ghemeriteerde recompense wederomme billijcklijck op de teere schouderen van een soo jongen spruyte afcomstich van de voorsz. Vorsten kan werden geschoven. Wie hoorden ooyt van soodanige manieren van recompensen? wie sach ooyt sorge met surcharge van nieuwe sorge, moeyte met accablement van nieuwe moeyte, bekommeringe met oplaedinge van nieuwe bekommernissen beloonen? Ende voorwaer, al 't gene selfs belooninge waerdich is, kan niemandt tot vol-

[p. 327]

doeninge van belooninge werden toegereeckent’.1

De Apologie van Willem den Zwijger, de Remonstrantie van Oldenbarnevelt, de Verantwoording van Hugo de Groot, en De Witt's Deductie aan welke ik deze plaats ontleen, zijn vier gedrukte stukken uit den ouden tijd die de studie van vele archieven, sedert toegankelijk geworden, bijna overbodig maken. Een groot gedeelte van Nederlands geschiedenis in de 17de eeuw wordt er door verklaard. Jammer alleen dat deze merkwaardige proeven niet fraaijer geschreven zijn.

Iemand van iets culperen. Eene argumentatie waar eene contradictie in resideert. Het arresteren van gedachten. Eene gemeriteerde recompense. Zorgen met eene surcharge. Moeite met een accablement. De Witt's regering is de bloeitijd dezer soort van hollandsch geweest. De welsprekende haagsche advokaat Simon van Middelgeest, De Witt's tijdgenoot, die in een vermaard politiek regtsgeding Pieter de Groot verdedigde, drukte zich niet anders uit2. Pieter de Groot zelf evenmin3.

Doch nu de groote zijde. Er waren, in de 17de eeuw,

[p. 328]

de republieken van Zwitserland en van Italie. Er was Genève; er was Venetie. Maar nergens in Europa bestond iets zoo eigenaardigs als de republiek van De Witt, na hem door Heinsius met eene tusschenpoos van dertig jaren voortgezet. Oldenbarnevelt, hoewel door zijne tijdgenooten teregt beschouwd als de man om wien alles in Nederland draaide, had nogtans het rijk niet alleen. Maurits evenaarde, Maurits overschaduwde hem. Een stadhouder betimmerde zijn licht.

Elders regeerden de Stuart's, de Bourbon's, de Habsburgen, de Wasa's; bij ons de dynastie der Oranje's. In de oogen van het buitenland verschilden de Zeven-Provincien niet wezenlijk van eene gewone monarchie. Aziatische vorsten kenden slechts den koning van Holland1. Ofschoon in Europa de vreemdeling den stadhouderlijken titel ledebraakte en van zijne afleiding zich geen rekenschap gaf, ook hij stelde dien ongeveer met den koningstitel gelijk. In den prins van Oranje zag men den doge van Amsterdam.

Het was eene weergalooze stoutheid dat De Witt, zonder bloed te vergieten, zonder eene van te voren beraamde omwenteling, alleen door den vasten wil eene stadhouderlooze regering voor de stadhouderlijke in de plaats te stellen2, deze geheele orde van zaken, toen zijne mederegenten hem eenmaal in den stoel getild hadden, met één gebaar als in de doos deed en

[p. 329]

zijne eigen alleenheerschappij daaruit te voorschijn tooverde. De Witt is geen opstandeling hoegenaamd; geen Zwijger die een koning doodverklaart, geen Cromwell die er een onthoofdt. Hij is alleen een vrijpostige. Partij trekkend van een onvoorzien vorstelijk sterfgeval, komt hij in zijne volle breedte zich nederzetten onder den vakanten troonhemel. Op zijn acht en twintigste jaar is hij Maurits en Oldenbarnevelt in één persoon; raadpensionaris van Holland en feitelijk admiraal-generaal der Unie1.

Veel van het nederlandsche dat reeds vóór den dood van Willem III door overdrijving of eenzijdigheid potsierlijk begon te worden, - zoodat sommigen zich gingen afvragen of het niet betaamde eerst mensch, en daarna Hollander te zijn2, - veel daarvan was onder De Witt nog toonbaar niet alleen, maar trof door iets ongemeens, aangenaam verpoozend van het eeuwig eenerlei overal elders. Het Broek-in-Waterland der toekomst was nog niet het levenloos japansch kamerschut, met trekschuitvaarten boven den beganen grond of mandjes onder de staarten der paarden. Het was een Broek dat militaire vloten uitrustte, oorlogen verklaarde, zeeslagen won, kolonien veroverde, steden stichtte. Het komische ging schuil in magt.

Het volgende is een treffend verschijnsel. Bijna al de berekeningen van De Witt zijn verkeerd uitgeko-

[p. 330]

men. Hij vleide zich de aristokraten op het kussen te hebben gebragt, maar moest ondervinden dat zij, zijne dictatuur eerlang meer dan moede, hem er afstieten en zijn broeder Cornelis wegens hoogverraad op de pijnbank legden1.

Wanneer, tot verheerlijking van zijn bestuur, een boek het licht ziet waarvoor hijzelf bouwstoffen heeft geleverd, dan moet hij den storm, hierdoor opgewekt, daags na het verschijnen bezweren door intrekken van het privilegie en strafbaar stellen van het venten2.

Hij heette de burgerlijke en staatkundige vrijheid der Nederlanders gegrondvest te hebben; en onder niemands bestuur is ooit in Nederland zulk een scherp plakaat tegen de drukpersvrijheid uitgevaardigd; eene Loi des Suspects zoo nabijkomend, of zulke premien uitlovend aan mouchards3. De militaire insolentie van Willem III op dit stuk was verdragelijker4.

[p. 331]

Engeland meende hij in 1654 tevreden te hebben gesteld, door Cromwell de Akte van Seklusie in handen te spelen; en, gekomen onder Karel II, wiens troonsbestijging door De Witt met eene fransche aanspraak begroet was, verklaarde in 1665 hetzelfde Groot-Brittannie de Republiek den oorlog1.

Hij schreef aan Pieter de Groot over het gebrek der Hollanders, alles altijd te laten aankomen op het laatst, en nooit, gedurende den vrede, zich op den oorlog te willen voorbereiden2. Maar hijzelf had, zoo vaak het de landmagt betrof, van die neiging in zulke mate het voorbeeld gegeven, dat in 1665 en 1666 de nietige bisschop van Munster straffeloos Oost-Nederland kon platbranden, en Lodewijk XIV hulptroepen zenden moest om den strijdlustigen prelaat tot rede te brengen3.

[p. 332]

Het was geen geringe zaak den vrede van Breda geteekend te krijgen. De oude prenten van 1667, die de herinnering van dit feit en van de feesten waarmede het gevierd werd, bij ons levendig houden, liegen niet1. Maar na zoo vele geweldige zeeslagen was het hard den vijand in het bezit van Nieuw-Amsterdam te moeten laten. Alleen misplaatste opgewondenheid kon De Witt bij die gelegenheid aan zijne eigen vreugde zich een roes doen drinken2.

Hij dwaalde niet of pochte niet, indien hij geloofde in 1668, bij den vrede van Aken, Frankrijks koning een knip op den neus gezet te hebben. Niettemin kwam het naderhand uit dat toorn over die vernedering, hem bezorgd door zijn zich noemenden bondgenoot, eene voorname aanleiding tot Lodewijks veldtogt van 1672 was, die de Republiek voor eene poos tot een wingewest van Frankrijk maakte3.

De Triple Alliantie, door de Witt voor een meesterstuk van diplomatie gehouden, smolt als sneeuw voor den gloed van Frankrijks goud en Frankrijks schoone vrouwe-oogen. De nederlandsche staatsman, die op alles bedacht geweest was, had eene averegtsche zuinigheid betracht. Engeland en Zweden, zijne bondgenooten, waren om strijd te koop. Hij deed een te laag bod, en liet door Lodewijk XIV zich verschalken4.

[p. 333]

Bitterder ironie dan al het overige: toen op de teruggenomen Akte van Seklusie in 1667 het Eeuwig Edikt gevolgd was, toen bleken voor het verslinden dier eeuwigheid vijf jaren voldoende. Het uitgesloten stadhouderschap werd ten bate van Willem III hersteld niet alleen, maar erfelijk verklaard. De Witt's eigen aanhangers schrapten uit de resolutien der Staten-Generaal het hoofdgedenkstuk zijner volharding en het getuigschrift hunner beginselloosheid1.

Weinig europesche staatslieden van den ouden of den nieuweren tijd, Guizot uitgezonderd, hebben hunne loopbaan in die mate zich door eene reeks nederlagen zien kenmerken. Maar het bijzondere in de Witt is, dat die teleurstellingen hem niet verkleinen. Gelijk Willem III op de slagvelden weinig overwinningen behaalde, en niettemin door zijne krijgsbewegingen zich een geboren veldheer toonde, zoo muntte ook De Witt allermeest uit door het keeren der booze gevolgen die onder het bestuur van ieder ander uit zijne tegenspoeden zouden voortgekomen zijn.

Met den franschen minister onzer eeuw dien ik zooeven noemde, en die insgelijks in één dag zijn schijnbaar alvermogen zag vernietigen, vrucht eener inspanning van vele jaren; met Guizot heeft De Witt de eigenschap gemeen dat het vuile werk der staatkunde,

[p. 334]

waarmede hij zich inlaat, hem niet bezoedelt. Hij weet dat dit bedrijf nu eenmaal niet uitgeoefend kan worden door heiligen1. Hij draait, intrigeert, koopt, knoeit, konkelt. Maar zijn bijzonder leven blijft de waardigheid zelve, en zijne persoonlijke onbaatzuchtigheid is boven verdenking.

‘Eene aristokratische toegevendheid voor de schare gaf in zijne eigen oogen hem vrijheid anderen, grover van maaksel dan hijzelf, lokazen voor te houden die hij voor zich steeds versmaad zou hebben. Te naauwernood droeg hij er roem op, voor zulke verleidingen levenslang ongevoelig geweest te zijn. Hij had niets anders gedaan dan de inspraak zijner hoogere natuur volgen. Zelf arm gebleven, ondanks zijn uitoefenen van het hoogste gezag, keurde hij het niet onvoorwaardelijk af dat anderen, in dezelfde omstandigheden, zich verrijkt hadden. Zij waren niet ontrouw geworden aan de gangbare eerlijkheid; maar hem was die pasmunt te min. Op die wijze verklaart het zich dat hij, zonder op zijne deugd zich te verhoovaardigen, niettemin regt had zich te gevoelen’.2

Ondanks zijn familietrots was de Witt wezenlijk een kind van hetzelfde volk dat in eene vlaag van razernij de ligchamen van hem en zijn broeder aan

[p. 335]

stukken scheurde. Hij en de Zwijger zijn van alle personen die in den ouden tijd over Nederland geregeerd hebben het populairst gebleven: Willem I bij het leger, hij bij de vloot. Met den Prins over de Maas geweest of een jongen van Jan de Witt te zijn, geldt nog heden in de volkstaal voor de omschrijving van een beproefd karakter. Beter hollandsche soldaten of hollandsche matrozen, wil men zeggen, zijn er niet.