Het land van Rembrand


auteur: Cd. Busken Huet


bron: Cd. Busken Huet, Het land van Rembrand. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw (2 delen in 3 banden). H.D. Tjeenk Willink, Haarlem 1882-1884.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

II [De tooneelspeelkunst]

De hollandsche tooneelspeelkunst had in de tweede helft der 18de en het begin der 19de eeuw buitenaf zulk een naam, dat ofschoon uit de 17de eeuw-zelf niet veel berigten omtrent dit onderwerp tot ons gekomen zijn, wij onwillekeurig die latere deugden als het uitvloeisel eener oudere overlevering van de goede soort beschouwen.

[p. 439]

Eigenlijk bestond er, gedurende het tijdperk dat ons bezighoudt, in het geheele land maar één schouwburg. Wel werden ook te Haarlem, te Utrecht, te Leiden, in Den Haag, van tijd tot tijd voorstellingen gegeven, doch meest alleen bij gelegenheid der kermissen, daar en elders; en de reizende tooneelgezelschappen welke in die behoefte voorzagen, zouden of hunne beste krachten eerlang afstaan aan Amsterdam, of waren reeds vroeger aan de amsterdamsche Akademie verbonden en gingen in andere steden enkel gastvertooningen geven.1 Amsterdam was de eenige stad des lands welke een voldoend getal welvarende inwoners telde om op den duur, al werden er slechts twee voorstellingen 's weeks gegeven, het bestaan van een schouwburg mogelijk te maken2.

Van Effen's oordeel over de amsterdamsche tooneelisten dagteekent van 1732, en luidt ongunstig.

‘Kan 'er wel iets aanstotelyker voor een verstandig toeziener uitkomen’, vraagt hij, ‘als een held of koning, op het cierlykst uitgedost, die het toneel komt betreden met voor uit stekende kniën, binnenwaards gekeerde voeten, smalle borst en ronde rug; die niet weet hoe luiden van fatzoen een ongedwongen groet maken; die, om den hoed af te nemen, met het hooft zyn hand te gemoet komt; die twyfelt, waar een

[p. 440]

dame aan te vatten om haar uit te leiden; die, zyne boersheid bewust, de toezienderen deel dwingt te nemen in zyne verlegentheid, en, niet wetende waar zyne armen te bergen, dezelve gebruikt tot onophoudelyke, onbesuisde, en niets beduidende gebaarden? Vry nog walgelyker is die andere, die, deze dorperheid en de daar uit spruitende verlegentheid door ongegronde verwaandheid en onbeschaamdheid willende overwinnen, met een uitgestrekte hals en borst, met ingebogene lendenen, den arm in de zyde, met opgesparde blikken, trotsch gelaat, valsche en gemaakte swier, voor den dag komt; met zyne gedwonge schreden door het toneel dreigt heen te trappen; en, in plaats van een verheven man te vertonen, een zwetzende en windbrekende quakzalver volmaaktelyk nabootst’.1

Niet minder scherp zijn Van Effen's aanmerkingen op het stemgeluid der akteurs; en hij spaart daarbij de aktrices niet. ‘Indien onze vertoners op den grondslag eener welgeredeneerde declamatie wel hadden leeren bouwen’, gaat hij voort, ‘men zoude op ons toneel zulke onverwagte uitvallen, die kant noch wal raken, zo dikwyls niet horen; onze tooneelspeelers van beide de sexen zouden zich wachten voor een onmanierlyk geschreeuw, 't welk in de eerste bedryven, daar in 't gemeen de hevige hartstogten nog geen plaats hebben, reeds begind; waar door de stem, heesch en schor geworden, wanneer t'er op aan komt, versche en onaangename pogingen doet om de vinnigste gemoedsbewegingen te beantwoorden. Men moet zich doen verstaan, dat is waar; maar dat geschied beter

[p. 441]

met duidelyk te spreken, als met gillen en bulderen; en men tracht luiden van aanzien, die doorgaans niet schreeuwen, af te beelden, en geen kruijers en appelwyven. Tot noch toe heb ik reden om te hopen dat 't gene ik omtrent deze stoffe voorgedragen heb, door den lezer zal goedgekeurd worden; doch ik twyfel of hetgeen ik 'er by zal voegen wel 't zelfde geluk zal hebben. Ik ben van gevoelen dat het volstrekt onmogelyk is een goed acteur te zyn, zonder geest en oordeel te hebben’.1

Lieden zonder oordeel, lieden zonder geest, kruijers, appelwijven: dit klinkt hard. Ook is het niet overeen te brengen met het gunstig getuigenis van enkele andere zegslieden. Wij moeten niet uit het oog verliezen dat Van Effen, die als prozaschrijver lof verdient, een aanmerkelijk pedant was. Niet al zijne spreuken mogen voor orakelspreuken gelden.

Eene vrolijke beschrijving van den aanblik der komediezaal, wanneer vóór het begin der vertooning de loges zich met gedekolleteerde jonge vrouwen vulden, hebben wij aan Langendyk te danken.

Hij laat een gehuwden noordhollandschen boer verhalen van eene voorstelling van Aran en Titus, die hij in den amsterdamschen schouwburg op de Keizersgracht is gaan bijwonen met zijne Maartje. De laag uitgesneden keurslijven der jufvrouwen in de loges hebben hem verbaasd, en één oogenblik heeft hij gewaand bij ongeluk in een slecht huis verdwaald te zijn. Door een aanzienlijk Amsterdammer aan zijne zijde is hij daaromtrent gerust gesteld. Deze heeft hem

[p. 442]

medegedeeld dat de bedoelde schoonen inderdaad tot den hoogsten stand der zamenleving behooren, en zij niets anders doen dan zich regelen naar de kleedingswijze van den dag1.

Uit Langendyk's schildering, en evenzoo uit de veel oudere van Huygens in het Kostelick Mal, moeten wij opmaken dat de nederlandsche vrouwen destijds in de groote steden, al waren zij kraakzindelijke huismoeders, en al werden de dochters opgevoed in dezelfde overlevering omtrent het schoonmaken, geenszins, wanneer zij in het openbaar verschenen, zich door overdreven zedigheid kenmerkten. Jaap (zoo heet de boer) is maar half bevredigd. Het hindert hem dat zijne Maartje ondersteld wordt eene minder frissche of minder bevallige vrouw te zijn dan de anderen; en hij doet haar het voorstel, dat zij wijsselijk afslaat, met de stukken het tegendeel te bewijzen.

[p. 443]

Deze onvoltooid gebleven proeve van Langendyk moet uiterlijk van 1715 zijn. Men vindt er ook eene boertige beschrijving van het ontsteken der kaarsen die bij avond (in het begin der 17de eeuw hadden de vertooningen bij daglicht plaats) de duisternis verdrijven moesten. Daarnevens eene aanduiding omtrent het scherm, dat aanvankelijk openging bij wijze eener portière, doch later een op- en nedergaand gordijn werd, beschilderd met mythologische figuren op een donkeren achtergrond:

 
Daar hong ien zwarte doek, zoo bried as de stellaezies
 
Waer op een Doofpot stong, en ook twee Jamportaezies.
 
D'ien, die Neef Teun hiet ('k loof 't is al ien ouwe Sangt),
 
Reê op ien walvisch mit ien hooijvork in zen hangd,
 
En de angder hiet Malkuur, zo as ik hoorde praeten.
 
Ik docht: ze zellen strak die keerels spreeken laeten,
 
Of kunstjes laeten doen. Mit vielen er terstongd
 
Vyf kerrickkroonen, hiel vol kaersen, nae de grongd:
 
Daer quam ien kaerel om die kaersen op te steeken,
 
Puur of 't de koster was, en dat ze zouwen preeken;
 
'k Zocht nae den preekstoel, maer dien kreeg ik niet in 't oog.
 
De kaersen gongen toen van zelf weêr nae om hoog,
 
En toen de kaerels mit de doofpot1.

Uit Van Effen weten wij dat die vijf koperen kroonen niet lang daarna door twee ‘lustres van glazen kralen’ vervangen zijn; doch zonder dat het publiek daardoor bewogen werd meer decorum in acht te nemen. Nog in 1732 hadden er in den ‘bak’, bij iedere drukbezochte voorstelling, min of meer heftige tooneelen plaats, wanneer personen die tijdig ‘lootjes’ genomen en plaatsen besproken hadden, dezen bij het binnen-

[p. 444]

treden reeds bezet vonden. Het bestuur werd gevoerd door kommissarissen van liefdehuizen, die in het belang der hulpbehoevenden niet schroomden tweemalen geld aan te nemen voor dezelfde zetels. ‘Zo je lui miend dat je verongelykt bint’, zeiden de bezittende buitenlieden tot de nakomende stedelingen, ‘dan kan je nae boven veur de Heeren gaen. We hebben hier al vroeg eweest, en ien drie gulden betaald; want we dochten op de gallery te gaan zitten; maer daer was et vol. Toen wouwen wy ongs geld weerom hebben, maer ze wouwen 't ongs niet geeven, en zaiden: As jy 'er nog drie gulden bylegt, dan kunje op de beste plaets kommen, anders zellen we jou een briefje langen teugen margen. En margen motten we weer tuis wezen; daerom waeren we gedwongen, zo we dat spul zien wouwen, nog iens zo veul geld te verkyken. Nou was hier ook niet open as deuze plek; en daer bin we op gaen zitten, en we sellender niet ofgaen, je mag doen wat je wild’.

Al deze boersche taal doet duidelijk genoeg zien welke soort van publiek doorgaans in den schouwburg den boventoon voerde. Tusschen de bedrijven liep in Van Effen's dagen een vrouwspersoon heen en weder, die met eene groote kan en een glas in de hand gedurig riep: Motje hier ook bier? Een ander schreeuwde daar tegen in: Belieft er ook iemand van boekjes gediend te wee - zen? ‘Behalve dit’, verhaalt hij, of verhaalt zijn zegsman, ‘kreeg ik altemet eens een hagelbui notedoppen en appelschillen op het hoofd; zo dat ik my verbeeldde op een dorp in een redenrijkers tent te zyn’.1

[p. 445]

Honderd jaren vroeger bruide het niet anders. Van oudsher was de amsterdamsche schouwburg de uitgelatenheid ten prooi. ‘In den bak stonden of zaten ouden en jongen, kinderen en volwassenen, knapen en meisjes dooreen. Er werd gevrijd, gekust, gegeten, gerookt, gelagchen, geschreeuwd, getierd, met schillen en doppen geworpen. Ten minste, zoo ging het in de Oude en de Brabantsche Kamers, en waarschijnlijk ook nog in de Akademie toe’.1

Het is niet gemakkelijk van de verdiensten der spelers en speleressen, wier roeping het was deze dartele schaar beurtelings te boeijen en te vermaken, ons eene voorstelling te vormen. De aard der vertoonde stukken, kluchten van Bredero, treurspelen van Vondel, en hetgeen verder naar deze twee typen zich vermenigvuldigde, eischte niet dat de tooneelisten in de eerste plaats zich beligchaamden in een karakter buiten zich. Na het grimeren en kostumeren kwam in het treurspel alles op het fraai opsnijden der verzen, in de klucht alles op het gelukkig nabootsen der platte volksspraak aan. Echter vindt men aangeteekend dat de tooneelschrijver Blasius, bij het vertalen eener latijnsche komedie in 1670, voor een bejaard vader eene bejaarde moeder in de plaats stelde ‘omdat op deese amsterdamsche schouwburg geen manspersoon bij verdeeling van de rollen so bequaam voor een vader speelt, als Jeuriaan Baat voor een oude vrouw’. De akteur Baat, moet men gelooven, legde dus wel degelijk er zich op toe een karakter zamen te stellen2.

[p. 446]

Ik herhaal dat de opgang, dien onze troepen niet lang daarna in het buitenland maakten, verbiedt voetstoots al het kwade aan te nemen wat door Van Effen daarvan gezegd is. Hollandsche komedianten zouden niet te Weenen, te Berlijn, te Frankfort, te Lubeck, te Hamburg, te Kopenhagen, zekere lauweren geplukt hebben; er zou niet voor eene poos te Stockholm een hollandsche schouwburg hebben kunnen bestaan; zoo er onder deze vertooners en vertoonsters, - want vrouwelijke hollandsche tooneelisten waren geen zeldzaamheid, - zich niet althans enkelen bevonden hadden die hetzij als akteurs, hetzij als aktrices of als danseressen, door een wezenlijk talent zich onderscheidden. In Frankrijk waren zij misschien niet opgemerkt; in Duitschland, in Zweden, in Denemarken, blonken zij uit1.

Sommigen hunner hadden schik in hun vak. Valentyn verhaalt in zijn leven van den gouverneur-generaal Maetsuycker (1606-1678): ‘Hy heeft een zusters zoon gehad, Heere de Boer genaamt, die lange jaren te Amsterdam een vermaard tooneelspeelder geweest is. Dezen heeft hy menigmaal na Indien ontboden, om door hem gevorderd te werden. Dog hy schreef zynen oom weer: dat het voor hem veel beter was, dan eens prins, dan eens koning, en dan weer eens keizer, en, na daar voor te hebben gespeelt, weer vry te zyn, dan altyd een slave in Indien te werden’. Heere de Boer erfde in 1678 van zijn oom ƒ100.000, en liet

[p. 447]

zich daarvan te Haarlem een fraai huis bouwen1.

Er zijn uit onze 17de eeuw een betrekkelijk groot aantal namen van dramatische kunstenaars en kunstenaressen in het geheugen blijven hangen, en van sommigen woei de roem tot naar Java over2. Niemand echter is nog heden zoo vermaard als de amsterdamsche Adam Karelsz, die zijn franschen geslachtsnaam De Germes op zijn hollandsch Van Zjermes schreef3.

Wanneer wij bedenken dat Adam Karelsz in 1617, bij het openen der Akademie van Samuel Coster, mans genoeg was om de hoofdrol in een toen gegeven treurspel te vervullen, en tevens dat hij onderwijs in de welsprekendheid heeft gegeven aan Petrus Francius die geboren werd in 16454, dan zijn wij genoodzaakt hem mede te tellen onder de krasse ouden over welken hiervóór door mij gesproken is: Jacob Cats, Constantyn Huygens, Joost van den Vondel, Antonie van Leeuwenhoek, en de overigen5. Hij doet denken aan sommige sociétaires van het Théâtre Français onzer eeuw, die, na dertig- of veertigjarige aktieve dienst, zich van het tooneel terugtrekken en ten behoeve van

[p. 448]

een jonger geslacht een openbaren cursus over de kunst van spreken en voordragen openen.

In eene latijnsche redevoering van 1696 of daaromtrent roemt Francius dezen amsterdamschen akteur als een buitengewoon man, dien vele tijdgenooten zich toen nog levendig konden voorstellen; zoo volleerd in het uitdrukken, door stem en gebaren, van hetgeen geacht werd om te gaan in het hart zijner tragische personen, dat men er door herinnerd werd aan hetgeen de klassieke oudheid omtrent den tooneelspeler Roscius verhaalt, den onderwijzer van Cicero1. Francius droeg er roem op, zeide hij, evenzoo den man tot leermeester gehad te hebben die in 1647 op onovertrefbare wijze, in de stadskomedie, Brandt's lijkrede op Hooft voorgedragen had2.

De amsterdamsche Akademie, die de voormalige rederijkerskamers opvolgde en zelf naderhand de amsterdamsche Schouwburg werd, had aanvankelijk eene vinnige anti-klerikale strekking. Kalvinistische kraaijers en liberale tegenkraaijers, dezen met Dr. Coster aan de spits, boden in den eersten tijd tegen elkander op. Iedere hatelijkheid van het tooneel werd van den kansel met eene wederkeerige hatelijkheid beantwoord, en omgekeerd. Het was een onedele wedstrijd. Ons

[p. 449]

walgt, wanneer wij de buitensporigheden herdenken waartoe van beide zijden vervallen werd1.

Echter had de volharding van Coster en de zijnen dit goede, dat het nationaal tooneel er door gered is van den ondergang. De regtzinnige predikanten zouden, indien men voor hen gezwicht was, te Amsterdam verworven hebben hetgeen, door den invloed van den frieschen stadhouder Willem Lodewijk, Bogerman te Leeuwarden verkreeg2. Het kalvinisme was in beginsel tegen iedere tooneelvoorstelling gekant. Blind voor de overweging dat ook de kerk gesloten zou moeten worden, indien nergens op aarde de onedele driften een schuilhoek vinden mogten, zagen de bedienaren der godsdienst in den schouwburg slechts een tempel der zonde3.

In Frankrijk waren de priesters het tooneel niet minder vijandig dan de predikanten in Nederland. Te onzent, waar van de onderliggende katholieke gemeente geen uitspattingen te duchten waren, toonden de roomsche herders zich welwillender. Vondel is onder den invloed van jezuietepaters kunnen geraken, zonder dat dit den tooneeldichter in hem benadeeld heeft. Zijne biechtvaders (beschouwden zij welligt zijne bijbelsche trage-

[p. 450]

dien als eene voortzetting der passie-spelen en andere mysterien uit den middeneeuwschen voortijd?), zijne biechtvaders verboden hem niet-alleen het werken voor den schouwburg niet, maar hielpen hem meer dan eens aan nieuwe bouwstoffen1.

‘Men kan met weinig moeite het volk eene andere godsdienst doen aannemen,’ heeft honderd jaren geleden een vaderlandsch geschiedvorscher gezegd; ‘maar het de vreugde en de feesten van het oudere geloof doen afleggen, gaat zoo ligt niet’.2 De Amsterdammers der 17de eeuw, verwend door de voorstellingen in de kerken en de rederijkerskamers uit den tijd vóór de hervorming, kozen de partij der Akademie. De nauwgezetten onder hen paaiden hun geweten met de overlegging dat alles een weldadig doel beoogde: de weezen werden er door gebaat, de oude stok voer er wel bij. De meer luchthartigen vroegen alleen naar vermaak. Het kon in de oogen van God niet schuldig zijn een stichtelijk treurspel te zien vertoonen. Wat de vuile praat der kluchten betreft, sloegen ook niet op den kansel-zelf de predikanten bijwijlen een toon aan, die den schouwburg nabijkwam? Zij die zoo dachten waren geneigd, indien er een godsdienstleeraar gevonden werd die aan sommige naaktheden zich ergerde, hem met Molière's Dorine toe te voegen:

 
Et je vous verrois nu, du haut jusques en bas,
 
Que toute votre peau ne me tenteroit pas3.