‘L'indifférence que m'inspira cet homme, par une grâce de la Providence, finit par devenir une aversion.’ Zoo durfde, in een aan de nagedachtenis van Lacordaire gewijd opstel, een streng geloovig fransch katholiek zich uitlaten over den persoon van Lamennais, weleer door hem, kort vóór zijn grooten omkeer, eene enkele maal in zijne afzondering bezocht; en, ware tot mijne beschaming mij niet te goeder uur te binnen geschoten dat mijne eigen gevoelens omtrent Vader Cats, nog geen tien jaren geleden, weinig christelijker of liefderijker plagten te zijn, welligt had ik de pen opgevat en eene boetpredikatie geschreven tegen het ongoddelijk fanatisme van den vreemdeling en ultramontaan.
‘In het leven van elk regtgeaard Nederlander der 19de eeuw’, dacht ik toen, ‘behoort een oogenblik aan te breken dat hij ophoudt ten aanzien van Cats slechts onverschilligheid te koesteren; een dag en een uur dat hij ‘al de werken’ van dien rijmelaar en kwezel op zijde duwt met geheel den fieren weer-
zin dien zulk een erbarmelijk karakter, eene zoo ergerlijke middelmatigheid, een zoo gemeene en zoo gemeenmakende geest, den weldenkende moet inboezemen. Al hetgeen er onhebbelijks wezen mag in onzen landaard is weleer vleesch geworden in den persoon vanJacob Cats. Deze godvreezende moneymaker is de inkarnatie geweest van den nederlandschen daemon. Met zijne door en door laaghartige moraal, zijne leuterlievende vroomheid en keutelachtige poëzie, heeft hij onnoemelijk veel kwaad gesticht. Zijne populariteit is eene nationale ramp geweest. De verbeelding onzer jeugd heeft hij bezoedeld met zijne kwanswijs zedelijke, doch in den grond der zaak wellustige verhalen, zijne speelsche lessen. Voor onze idealen van jonge liefde en zelfopoffering heeft hij ons de wijsheid van den berekenenden wereldling in de plaats leeren stellen. Den standaard van ons geloof in de menschelijke natuur heeft hij op onverantwoordelijke wijze verlaagd. Aan onzen eerbied voor het heilige - want het is edeler aan Ormuzd en Ahriman te gelooven dan aan den christelijken God van Vader Cats - is door hem eene onberekenbare schade toegebragt. Zijne geschriften zijn alleen daarom hier te lande een tweede bijbel geworden, omdat hij onder een schijn van vroomheid en in de taal der godsdienst ons volk gestijfd en aangemoedigd heeft in al zijne hoofdgebreken. De val onzer nationaliteit moet niet het minst hieraan worden toegeschreven, dat Cats er in geslaagd is het nederlandsch karakter te herscheppen naar zijn eigen beeld. Hij heeft een wawelend en geniepig volk van ons gemaakt, heeft onzen smaak bedorven, heeft onzen kunstzin uitgedoofd, heeft geen hoogere eerzucht bij ons gewekt dan om, met Gods naam op de lippen en eene aalmoes in de uitgestrekte hand, te sterven als millionair. Een engelsch koning heeft hem vruchteloos in den adelstand zoeken te verheffen: de nieuwbakken ridder is tot zijn jongsten snik een zeeuwsche poldergast gebleven....’
Doch, hartstogt en onbillijkheid zijn twee loten van één stam, en indien wij met reden het beneden ons achten onregt te plegen aan eene weerlooze schim, dan zullen wij Cats niet laten boeten voor hetgeen buiten zijne schuld in zijn naam misdreven is.
Ik voor mij zou wenschen dat in den tegenwoordigen tijd niet langer aanbevelingen der catsiaansche poëzie geschreven werden gelijk er niet lang geleden eene gevloeid is uit de pen van den heer Hofdijk, en, noodzaakt men mij van twee euvelen het geringste te kiezen, dan geef ik verweg de voorkeur aan eene voorafspraak als die van den heer Van Vloten. Over het gemeen steekt de zwolsche tekst-editie, door den deventerschen hoogleeraar bezorgd, met hare antieke spelling en haar overvloed van platen, gunstig af bij de blinde en gemoderniseerde tielsche volksuitgaaf, die wel prijkt met een vergulden band, doch inwendig zelfs geen inhoudsopgaaf rijk is. In weerwil van de haar ontsierende drukfouten hier en daar is de schiedamsche, deel uitmakend van het Letterkundig Pantheon dusgenaamd, en wier prijs niet hooger dan bij dertigtallen van centen berekend wordt, eene mijns inziens ernstiger en loffelijker onderneming; terwijl de in 1847 door Siegenbeek aanbevolen editie, te Deventer verschenen, te gemoet komt aan het verlangen van hen die gesteld zijn op eene nieuwerwetsche spelling en op het uitlaten van deze en gene te zeer aan Rabelais herinnerende regels of fragmenten. Een deventersche Cats, een schiedamsche Cats, een tielsche Cats, een zwolsche Cats - de dichter der Minne- en Zinnebeelden is nog altijd in trek, gelijk men ziet, en onze uitgevers zouden hem niet in zoo velerlei formaat en gewaad ter perse leggen, indien zij niet wisten dat er meer eer met hem te behalen valt dan met Hooft of Huygens 1.
Is het echter de schuld van Cats indien men hem gaarne koopt? Reeds bij zijn leven was de zucht naar het bezit zijner werken algemeen, en uit een lofdicht van Jacob Westerbaen op Ouderdom en Buitenleven, uitgegeven door Jan Schipper, verneemt men daaromtrent sommige weinig dichterlijke, doch uit een statistisch oogpunt niet onaardige bijzonderheden:
Laat mij echter de aanbeveling van het zoo even geopperd denkbeeld mogen voortzetten, en moge ik er in slagen mijne lezers de belijdenis te ontlokken dat het inderdaad niet aangaat onzen dichter aansprakelijk te stellen voor eene populariteit die hij misschien bemind, doch waarom hij nooit gebedeld heeft.
Cats predikt, dit is zoo, eene uiterst wereldsche moraal: doch het zou aan onzen landaard gestaan hebben die met zoo veel zelfvertrouwen verkondigde voorzigtigheidsleer in naam van edeler beginselen van de hand te wijzen. De cyclus van kleine berijmde romans waaruit zijn Trouwring en de daarbij behoorende Proefsteen van den Trouwring bestaat, zijne Tachtigjarige Bedenkingen en menig ander onderdeel zijner didaktische dichtwerken, vormen eene voor de weelderige jeugd ongetwijfeld weinig aanbevelenswaardige lektuur. Doch heeft hij ze voor de jeugd geschreven? en, zoo al, ligt het aan hem indien een onbezonnen nageslacht hem hierin op zijn woord geloofd heeft? Zijne godsdienstleer komt neder op eenige ruwe dogmatische begrippen, en hetgeen hij van de Voorzienigheid verhaalt is wel geschikt ons voor het denkbeeld van zulk een God
met afkeer te vervullen. Doch zal een geslacht als het tegenwoordige de dogmatiek van Vader Cats niet weten te waarderen, al laat het zich daardoor niet binden? Hij heeft in meer dan één opzigt de muzen grovelijk beleedigd; heeft de lier gespannen, en welk eene lier! ter eere van veeltijds onwaardige onderwerpen; heeft de taal der goden en der dichters uit den hemel in de keuken gebragt. Doch wordt er eene meer dan matige inspanning en aanwending der redeneerkunde geëischt om ons tot de bekentenis te dwingen, dat het dienstboden-idioom van Jacob Cats te onzent minder opgang gemaakt zou hebben, indien onze antipathie tegen verzen van die soort altijd even levendig geweest was?
Van den staatsman in hem kan ongeveer hetzelfde gezegd worden. Men houdt hem na, dat hij tot de waardigheid van raadpensionaris verheven werd door den zijdelingschen invloed van Frederik Hendrik, omdat hij een persoon was ‘waarover de Prins kon disponeren.’ In de vergadering van Holland, zegt men, vervulde hij de nederige rol van stembus, ‘zich contenterend met alleen te vragen de sentimenten van de leden, zonder de persuasie te gebruiken in geval van discrepantie’. Bilderdijk schenkt hem den lof dat hij een goed man was, zonder erg, gemoedelijk regtzinnig; doch tevens noemt hij hem ‘een treuzelaar, een hals, niet opgewassen voor een staats-minister.’ Tot kenschetsing zijner kordaatheid voert Bilderdijk aan dat hij ‘zoo oorlogzuchtig was als een wezel of een konijn, en alle vrede zou aangenomen hebben waar hy slechts by voortrijmen kon.’ Ook van zijne parlementaire welsprekendheid had Bilderdijk een geringen dunk. Volgens hem was Cats ‘wel de elendigste redenaar dien de wereld ooit opleverde’, en van de vermaarde redevoering, uitgesproken in de Groote Zaal op het Binnenhof, zegt hij: ‘Cats sloot de vergadering met eene aanspraak, die (zoo mogelijk) nog belachlijker was dan die waarmee hy haar geopend had.’
Doch, al beefde Cats gelijk een riet toen prins Willem II hem mededeeling deed van de toebereidselen voor den aanslag op Amsterdam; al viel hij, op den dag van zijn eervol ontslag als raadpensionaris, in de vergadering van Holland op de knieën, God en de Heeren Staten dankend voor de hem be-
wezen gunst, - wat bewijst dit, tenzij dat men kwalijk doet hem te verslijten voor een man die eene waardige rol vervuld heeft in onze vaderlandsche geschiedenis?
Iemand heeft van hem gezegd dat zijn ouderdom de gelukkigste geweest is die ooit een raadpensionaris van Holland te beurt viel; en de opmerking is juist. Met niet minder regt evenwel zou men kunnen beweren dat het grootste ongeluk van Cats hierin bestaan heeft, dat hij zoo kort na Oldenbarnevelt en zoo weinig jaren vóórJohan de Witt, bekleed geweest is met eene der hoogste waardigheden hier te lande. In eene andere eeuw, geplaatst tusschen voorgangers en opvolgers van minder gehalte, zouden zijne praktizijnsverdiensten ook op staatkundig gebied voordeeliger uitgekomen zijn. Staat het vrij, den vinger te leggen op zijne nulliteit, - hij was nullarum partium, zegt Bilderdijk, - men zou ook in verzoeking kunnen komen dat noodlot aan te klagen, dat, in stede van een bloedigen en roemrijken dood, hem slechts een rustigen ouden dag op Sorgh-Vliet gunde.
De reaktie ten gunste van Cats als dichter dagteekent van 1790, het jaar waarin Feith optrad met het eerste deeltje zijner miniatuur-uitgaaf. ‘Zie hier,’ schreefJan de Kruijffonder het fraaije portret tegenover den titel:
Volgens Feith waren de werken van Cats destijds ‘tot den laagsten rang van menschen verwezen’; en ook Bilderdijk ging in die dagen van de stelling uit dat Cats, die vroeger door zijne schriften mogelijk meer invloed op het algemeen had uitgeoefend dan iemand anders, omstreeks het einde der 18de eeuw ‘zijne wettig verkregene achting bijna ten eenenmale verloren had en naauwlijks meer dan van het plompe gemeen gelezen werd.’
Mogen deze verzekeringen voor feiten gelden, en zij hebben er al het voorkomen van, dan is er met het aanbreken van den nieuwen tijd in de waardering van Cats eene groote verandering gekomen. Om alleen van de twee jongste uitgaven te gewagen, er zijn voor het dekken van de onkosten eener zoo zeldzaam goedkoope editie als die van den heer Campagne, eener met zoo vele platen versierde en zoo fraai gedrukte als die van den heer Tijl, te zamen vast niet minder dan tienduizend inteekenaren noodig geweest; en deze koopers kunnen noch tot Bilderdijk's plomp gemeen, noch tot Feith's laagsten rang van menschen gerekend worden. Wel zijn tienduizend koopers nog geen tienduizend lezers, doch het is niettemin merkwaardig dat een dichter dier l7de eeuw, met wier litteratuur ons publiek anders zoo weinig blijkt op te hebben, laatstelijk zoo velen onzer tijdgenooten de hand in den zak heeft doen steken.
In het zoo even genoemd lofdicht van Jakob Westerbaen wordt ons van dit verschijnsel eene verklaring aan de hand gedaan die mij niet bevredigt, doch met wier schijn van juistheid wij rekening behooren te houden. ‘Hier,’ zegt Westerbaen, doelend op den algemeenen inhoud van Cats' werken, of juister, op het waterpas van den catsiaanschen geest:
Effen wagenschot - wij kiezen uit den stroom van Westerbaen's niet altoos even keurige beelden het geestigste en gelukkigst gevondene - behoef ik te zeggen dat effen wagenschot het hout niet is waar groote dichters uit plegen gesneden te worden?
Zeker staat Cats' eenvoudigheid hem niet in den weg. Zij lokt tot hem, meer dan zij van hem vervreemdt. Zij maakt hem verstaanbaar, ook voor de groote menigte van het tegenwoordig geslacht; ook daar, waar aan Hooft's gedachte veeltijds de keel wordt toegebonden door worgende woorden; waar Huygensdoor te groote puntigheid ongenaakbaar wordt en afschrikt; waar zelfs de tot populariteit geschapen Vondel door de snelheid zijner vlugt het oog van den huidigen lezer ontvaart.
Doch de eenvoudigheid is bij Cats geen deugd, en het kan niet om harentwil zijn dat hij in de tweede helft der 19de eeuw zoo vele vereerders vindt. Zijne eenvoudigheid is de platheid-zelve. Zij is omslagtig, breedsprakig, langdradig. Zij verleidt hem tot het uitspinnen van onbeduidende gedachten en het aanwenden van met de poëzie onbestaanbare beelden. Zij is, om kort te gaan, zijne zwakke zijde.
zoo spreekt hij ergens over de verborgenheden der godsdienst, en deze verzen zijn voorwaar zijne slechtsten niet. Zijne werken zouden er geen schade bij geleden hebben, indien hij bij
het schuwen van de diepe zaken des Hemels meer sympathie gekoesterd had voor de diepe der aarde, en hij de zaligheid van het niet-weten en niet-zoeken, instede van haar uit te breiden tot de kennis van het menschelijk hart en den menschelijken geest, beperkt had tot die van het bovenzinlijke.
Evenwel, ofschoon de roem zijner menschekennis in vele opzigten geroofd is, en zijne meeste wetenschap van de bewegingen onzes gemoeds zich bepaalt tot de buitenzijde, het voor zijn Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tijd geplaatst motto: Hominem pagina nostra sapit, behelst nogtans geen grootspraak en zou verdienen geprint te staan op de eerste bladzijde van de volledige verzameling zijner schriften. ‘Hij was geen Rubens, geen Van Dyck; hij had meer van Ostade, van Van de Velde en dergelijke meesters’: dit oordeel van Van Wijn dunkt mij de ware sleutel tot het geheim van Cats' tegenwoordige populariteit.
Hem op het voetspoor van Feith en van De Kruijff aan het nu levend geslacht voor te stellen en aan te bevelen als eene bij uitnemendheid onschuldige lektuur, kweekschool van deugd en godsdienst, wie zal dit ondernemen? 's Dichters eigen openhartige bekentenis:
dit gulle woord van den twee-en-tachtigjarige is eene voldoende waarschuwing. Geen fatsoenlijk meisje van onzen tijd kan dit of dat gedicht van Cats ten einde toe lezen; geen onzer opgeschoten knapen straffeloos bladeren in de dichterlijke nalatenschap van den vromen raadpensionaris. Het is er mede als met de vertellingen van Lafontaine en met de romans van Voltaire.
Tot lof echter van ons geslacht mag gezegd worden dat het de eene eeuw van de andere weet te onderscheiden, den kunstenaar af te zonderen van den moralist zoowel als van den dogmaticus, den dichter van het kind zijns tijds. Gelijk ieder heden ten dage een open oog heeft voor het schoon van de huiselijk-vaderlandsche schilderschool der 17de eeuw, zoo gevoelt
ook klein en groot, in den tegenwoordigen tijd, de blijvende dichterlijke waarde van Vader Cats.
Indien men, bij het aanduiden der grenzen van Cats' talent, billijkheidshalve elke nevens elkanderstelling van hem en van den dramaticus in Bredero of van den lyricus in Vondel achterwege behoort te laten, het kan zijne nuttigheid hebben, met Jan Luyken's Duitsche Lier in de hand, de snaren te tellen op de lier van Cats, den meester en ouderen tijdgenoot.
Het voordeel der veelzijdigheid is bij deze vergelijking ongetwijfeld aan 's meesters kant; evenzeer dat der wereld- en der boekekennis. Ook heeft in vervolg van tijd bij Luyken de kloof tusschen wereld en godsdienst, tusschen natuurleven en hooger leven, tot schade der letteren veel wijder gegaapt.
Doch ik geloof niet dat het noodig is meer dan een tweetal van Luyken's minnedichtjes aan te halen, om mijne lezers aanstonds te doen gevoelen dat sommigen onder onze poëten der 17de eeuw hun speeltuig toonen hebben weten te ontlokken, die nimmer geklonken hebben onder den vingerdruk van Cats.
Ik open de Duitsche Lier, het klein-oktavo boekje, zoo veel dunner en beknopter dan de welbekende foliant met de door Westerbaen herdachte prenten, en vind op de eerste bladzijde de beste:
Al hetgeen in dit versje gevonden wordt, niet slechts aan keurigheid van uitdrukking en versbouw, maar ook aan jong menschelijk gevoel en bovenal aan heilige geestdrift, wordt bij Cats gemist. Ook Cats is een waarnemer der natuur, van de velden, van den hof en zijne schatten; doch hij bestudeert deze voorwerpen niet om hun zelfswil, hij neemt hun leven niet in zich op, zij vloeijen bij hem niet ineen met het leven der menschen. Hem is de natuur een groot lesseboek, eene verzameling zijdelingsche spreuken Salomo's. Hoewel hij niet ontkent dat de bloemen ook van liefde fluisteren, de liefde is volgens hem toch eerst begeerlijk wanneer men zorg draagt er niet mager van te worden; en wel is hij dwaas, beweert Cats, de man die om harentwil zijn middageten onaangeroerd laat:
Wat dunkt u van dien patrijs? Doch zoo is de man; en wij moeten blijde wezen dat hij, van zijn zich vetminnend veldhoen, niet den een of anderen kraanvogel gemaakt heeft, met een papieren kap om den kop, vol stroop of lijm. Er is geen verbloemen aan: een van de tederste en verhevenste gevoelens waarvoor de menschelijke boezem vatbaar is, een dat tevens de schering en inslag zijner eigen verzen pleegt te vormen, wordt telkens bij Cats, ik zal niet zeggen bezoedeld of ontheiligd, want met al zijne onbetamelijkheden is en blijft hij in zijne soort een zuiver man, maar zoo ruw aangegrepen en zoo plomp voorgesteld, dat men al lezend veeleer wanen zou aan het nageregt eener boerebruiloft te zitten, dan te gast genoodigd te zijn door een Stadhouder van de Leenen en Groot-Zegelbewaarder van Holland.
De geschiedenis van Aramantus en Amila, door Jan Luyken bezongen onder het opschrift: Getergde min doet wonderen, is, de beknoptheid niet medegerekend, een dier verhalen gelijk er door Cats in den Trouwring velen bij elkander gesteld zijn, en gelijk hij ook door andere gedeelten van zijn dichtarbeid er op menige plaats heeft weten heen te vlechten. Reeds bij de eerste lezing evenwel wordt men een groot verschil gewaar:
De vraag is niet hoe vele duizendtallen catsiaansche versregels men zou wenschen te missen, indien men daarvoor deze
ééne bladzijde in de plaats bekomen kon. Ook laat ik aan anderen het onderzoek over naar de uitheemsche bronnen waaruit én Luyken deze en dergelijken zijner romancen, én Cats zoo menig door hem bearbeid treffend liefdesgeval mogen geput hebben.
Mijn oogmerk is bereikt indien ik den lezer voelbaar heb gemaakt dat de leegte die Cats achterlaat in onzen geest, de koelheid waarmede hij ons gemoed als met eene ligte ijskorst overdekt, niet minder behooren verklaard te worden uit zijne apathie dan uit zijn gebrek aan tederheid. De Duitsche Lier is, indien men wil, een dartel boekje. Van het zestigtal gedichtjes, die het bevat, kunnen niet veel meer dan een half dozijn ten overstaan van een gemengd publiek voegzaam aangehaald worden. Al ware echter Cats, anders dan Luyken, zoo stemmig als een begijntje, ik bid u, wat komt een dichter niet te kort die hartstogt mist!
Misschien geeft men er zich over het gemeen niet genoeg rekenschap van, dat hartstogten op te wekken de eigenaardige roeping is der kunst, en dat eene magt die bestemd is driften te doen ontwaken, ook uit driften moet geboren zijn. In zichzelf is de kunst nooit onzedelijk; doch het ontroerend vermogen waarover zij beschikt ondermijnt ligt in ons gemoed het zedelijksgevoel, en geenszins ten onregte zullen menschen met strenge begrippen van hetgeen eerbaar en rein is, vooral wanneer zij op zekeren leeftijd gekomen zijn, de kunsten wantrouwen en de aandacht van het opkomend geslacht van haar zoeken af te leiden. Een volkomen onschuldig genot levert de dienst van het schoone alleen voor hen op, die niet te eenemaal onervaren zijn in de zelfbeheersching; en daar de groote meerderheid der menschen op dit gebied wel altijd tot de klasse der dilettanten zal blijven behooren, zal men het nimmer ten kwade kunnen duiden indien er zich waarschuwende stemmen verheffen tegen eene eenzijdige ontwikkeling van het schoonheidsgevoel.
Niettemin zijn ze doodgeboren, de kunstgewrochten waarin het gevaarlijk vuur van den hartstogt, zoo het niet opvlamt en blaakt, ten minste zachtkens sluimert. Ik geloof dat het Jules Janin was die gaarne te velde plag te trekken tegen den
voorgewend moraliserenden invloed van het tooneel; en, hoe hij ook heeten moge, wie deze meening voorstaat heeft volkomen gelijk. De schouwburg, - en in ruimer of beperkter zin kan men hetzelfde zeggen van koncerten, tentoonstellingen, romans, bundels poëzie - de alle uitingen der kunst in zich vereenigende schouwburg is onuitstaanbaar indien hij verveelt; hij kan alleen belangstelling wekken door in het gemoed te tasten. Een apathisch tooneel is als een visch op het drooge. Passie is hier het eerste vereischte, passie het tweede, passie het derde. Doch, hartstogten zijn geen olie in de heilige lamp der deugd, en ligter zal iemand door den schouwburg gevormd worden tot een held dan tot een braaf mensch.
Het zou mij weinig moeite en niet veel drogredenen kosten de stelling vol te houden dat alle helden eene soort van brave menschen, en alle brave menschen eene soort van helden zijn. Wanneer ik echter aan den deventerschen predikant Jacobus Revius denk, den tijd- en geloofsgenoot van Cats, dan behoef ik, tot opheldering van mijne meening, geen heil te zoeken bij redeneringen.
Revius was - en weder met opzet plaats ik nevens Cats, tot kenschetsing van diens verdiensten, een dichter dusgenaamd van den tweeden rang - Revius was een hartstogtelijk man. Hij was dit in zijn kerkelijken ijver, in zijne vroomheid, en ook in zijne vaderlandsliefde; en dit is de reden dat men bij hem gelijk bij Luyken, ofschoon op zeer onderscheiden gebied, toonen hoort weêrgalmen wier echo men vruchteloos zou trachten op te vangen onder het lezen in Cats. 1
Neem diens Twee-en-tachtig jarig leven ter hand, neem welk ander deel van zijne werken het wezen moge, zelden of nooit voelt gij u in betrekking gesteld tot den tijdgenoot van den vrijheidsoorlog, tot het kind dier eeuw waarin Nederland voor zijne nationaliteit en te gelijk voor zijn protestantisme vocht. Lees daarentegen dit epigram van Revius: ‘Op het vergaan
van 't spaansche schip genaamd De Heilige Geest’ en in niet meer dan vijf en twintig regels daagt plotseling een geheel tijdvak der vaderlandsche geschiedenis en een van het hoofd tot de voeten geharnast voorgeslacht voor u op:
Dit zich verblijden in het ongeluk van anderen, dit spotten met hun ondergang, is in hooge mate hetgeen men pleegt te noemen onchristelijk. Een anders kerkgeloof te beschimpen, vooral indien men zich voor een voorvechter der gewetensvrijheid uitgeeft, is ver van deugdzaam. De oud-testamentische voorbeelden van leedvermaak over het onvermogen der afgoden, of over den val van de vijanden des uitverkoren volks, die Revius tot verdediging van zijn hekeldicht zou hebben kunnen bijbrengen, behooren als oneerlijke sofismen van de hand gewezen en ter zijde gesteld te worden. Doch, wat wij tegen hem
mogen inbrengen, Revius toont zich, en daarmede is alles gezegd, een dichterlijken geest. Er tintelt iets in zijne aderen, kookt iets in zijne borst, vonkelt iets in zijn ondeugend oog. Op den bodem zijner spotternijen ligt en brandt een groot gevoel.
De volgende strofen uit zijn Gebed voor de verovering van 's Hertogenbosch door Frederik Hendrik drukken de zielsvervoering uit eener geheele natie die, bij het kampen voor hare onafhankelijkheid, zich bewust is te strijden voor al hetgeen den mensch op aarde dierbaarst en heiligst is. Het is of men in onze dagen een priester der poolsche revolutie-partij hoort bidden om den val van den moskovischen overheerscher:
Hetgeen Cats tot dichter maakt, ook ofschoon er nooit uit zijne anders zoo populaire pen zulke verzen gevloeid zijn, is de waarheid zijner poëzie. Overal in zijne werken is hij zichzelf, geeft hij zich gelijk hij is en voor niet meer dan hij is. Overal handhaaft hij zijne eigenaardigheid. Niets is gemakkelijker dan hem na te volgen in zijne manier, zijne wendingen, zijn versbouw; en te allen tijde heeft het in ons vaderland
gekrield van huis- of kamerpoëten die met beter of minder goed gevolg catsiaansche versjes wisten zamen te stellen. Doch het is eene verdienste, het getuigt van oorspronkelijkheid, dien trant te hebben uitgevonden. Cats is nieuw geweest; en een dichter die dit weet te zijn veroudert niet.
Het kost ons eenige inspanning tot eene voorstelling van zijn persoon te geraken, en het benieuwt ons hoe hij zich mag hebben voorgedaan en welken indruk hij mag te weeg gebragt hebben in de werkelijkheid. Hetgeen hij in zijne eigen levensbeschrijving omtrent zichzelf verhaalt bevredigt niet. De bewoordingen zijn te algemeen, en de moraliserende strekking van het geheele dichtstuk wischt de trekken van 's dichters beeld te zeer uit. Doch uit deze en gene anekdote, bij anderen bewaard gebleven, blijkt genoegzaam dat de dichter in hem zaamgegroeid was met den mensch en wij in zijne poëzie een getrouw afdruksel van zijn wezen bezitten.
Op inwendige gronden zonder ik van die berigten uit hetgeen door Bilderdijk beweerd wordt, dat zijne vrouw ‘hem (als men 't noemde) zeer onder den toffel had’. Ofschoon deze ramp in zeker opzigt niet meer dan zijn verdiende loon geweest zou zijn, - verdiend om den leelijken trek door hem gespeeld aan het middelburgsch meisje dat arm was en zijne vrouw niet werd, - geloof ik nogtans dat Cats de waarheid spreekt wanneer hij roemt in het geluk der vijf en twintig jaren dat de amsterdamsche jufvrouw Valkenburg zijne echtgenoot was. Dat zij liever Plutarchus las dan ‘romansche grillen’, zou kunnen doen vermoeden dat zij wel eens een hartig woord van afkeuring zal hebben doen hooren over de werken van haar gemaal; doch het bezoek door hem in haar grafkelder afgelegd, het feit (hoe onbehouwen door hem verklaard) dat hij na haar dood geen tweede huwlijk aanging, schijnen te pleiten voor een huiselijk leven zonder stoornis en rijk aan zoete herinneringen. Inzonderheid pleit daarvoor de bevallige aanhef van het gedichtje:
Geloofwaardiger dan de overlevering van het opgeheven muiltje dunkt mij het verhaal der versjes en spreukjes waarmede, naar het getuigenis van den pensionaris Hoornbeek, de ambtshalve door Cats gehouden notulen gevuld waren. Hetzij hier spraak is van den tekst dier deftige bescheiden zelf, hetzij Hoornbeek gedoeld heeft op zekere kantteekeningen, wij kunnen ons Cats gereedelijk voorstellen, gezeten in de vergadering der Staten van Holland, luisterend naar zijne eigen invallende gedachten, meer dan naar de verslagen of redevoeringen der afgevaardigden, en de in zijn geest zich aanstonds tot rijmpjes-vormende denkbeelden, diepe en ondiepe, aanteekenend in het vóór hem op de groene tafel uitgespreid papier. Misschien hebben de menigvuldige spreuken in den Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tijd geen andere geboortegeschiedenis.
Het teekenachtigst van al schijnt mij hetgeen te lezen staat in een uit Londen geschreven brief van den ambassadeur Nieuwpoort aan Johan de Witt, in antwoord op diens berigt van zijn voorgenomen huwlijk: ‘Ik zal dezelve op dat werk zoodanig een succes wenschen als daar de Heere Cats mij mei een statig aangezigt, in het collegie van de Heeren Gecommitteerde Raden, even na ik getrouwd was, mede geliefde te feliciteren; namelijk, dat Uwe Edel. malkanderen mede tot flenteren mogen verslijten.’ Om uit den grond des harten en met een onvertrokken gelaat zulk eene huwlijksbede uit te brengen, moet men een man uit één stuk zijn; en mogelijk is deze kleine kluchtige herinnering van onzen gezant in Engeland voldoende om het vermoeden van gemaaktheid, indien wij geneigd mogten zijn den dichttrant van Cats voor knutselwerk te houden, uit onzen geest te bannen.
Bij schier volstrekte gelijkheid van toon en behandeling is er evenwel tusschen de werken van Cats' ouderdom en die van zijn manlijken leeftijd (zijne jongelingsjaren zijn voor de poëzie onvruchtbaar geweest, dan wel, er is daaruit zoo goed als niets over gebleven) een merkbaar verschil. Met de jaren is ook de
praatziekte toegenomen, en van de groote verscheidenheid van onderwerpen waardoor de Minne- en Zinnebeelden, de Emblemata, de Spiegel, het Huwlijk, en vooral de Trouwring zich kenmerken, is in het Buitenleven en vervolgens veel verloren geraakt.
Het een door het ander genomen levert welligt de Trouwring den besten maatstaf van Cats' talent, en mijne lezers zullen het niet ten kwade duiden indien ik de herinnering van een tweetal verhalen uit dien merkwaardigen bundel voor eene wijl bij hen tracht te verlevendigen. Moet ik afzien van het voornemen ook van meer dan één meesterstukje uit de Emblemata of uit den Spiegel te gewagen (er schuilen in die twee afdeelingen sommige voortreffelijke gedichtjes), men stelle die onvolledigheid op rekening van den vooral bij Cats onvermijdelijken dwang tot kiezen.
‘Mandragende Maeght, ofte beschrijvinge van het houwelick van Emma, dochter van den keyzer Charlemagne ofte Karel de Groote, met Eginhard, des zelfs Secretaris’: reeds deze titel verraadt den meester in het zamenstellen van volksromans. Een sekretaris, een geleerde, een homme de rien, die het hart en de hand eener keizersdochter weet te winnen, meer is niet noodig om aanstonds de belangstelling te wekken van een uitgebreid publiek - het publiek der niet-geblaseerden.
Want Cats, men houde dit in het oog, is van nature de minstreel der weinig of niet beschaafden; en toen zijne werken, naar het getuigenis van Bilderdijk en Feith, enkel nog gelezen werden door den minderen man, hadden zij daarom niet opgehouden hunne oorspronkelijke bestemming te vervullen. Vermoedelijk heeft er nooit in Nederland, zoo min in de eigen dagen van Cats als daarna, onder de meer ontwikkelden eene klasse van personen bestaan die zichzelf in zijne dichtwerken teruggevonden hebben. De jongelieden van min of meer goeden huize zijn nimmer bekoord kunnen worden door Jozef's Zelfstrijd; de welopgevoede meisjes hebben te allen tijde geglimlacht om den Wegwijzer ten Huwelijk uit den Doolhof
der Kalverliefde. Daarentegen schijnt de Mandragende Maagd geknipt te zijn geweest voor het volk.
De toestand door den titel aangeduid - een meisje dat haar minnaar, uit vrees voor ontdekking, bij het aanbreken van den dag op haar rug over het besneeuwde wandelpad draagt - strijdt met de eischen van een gekuischten smaak. De groep is wanstaltig; en het verwondert mij dat Staring tot tweemalen toe, eerst in Emma van Oud-Haarlem en daarna omgekeerd in de Verloofden, beproefd heeft dit reddelooze eenigzins goed te maken.
Doch voor bedenkingen van deze soort is Cats te allen tijde doof geweest. Als naar gewoonte heeft hij ook hier eene zedeles op het oog, of hetgeen bij hem daarvoor doorgaat; en het trouwgeval van Eginhard, die, als de andere Abélard eener vroegere Héloïse, prinses Emma les komt geven in de wetenschappen en haar intusschen opoffert aan zijn hartstogt, doet, aan het slot des verhaals en bij wijze van rekapitulatie, hem eene redekaveling in proza over het al dan niet betamelijke van zulke echtverbindtenissen ondernemen. De aanhef dezer nabetrachting, gekleed in den vorm eener zamenspraak tusschen den telkens wederkeerenden Philogamus en den onuitputtelijken Sophroniscus, is karakteristiek:
‘Sophroniscus. Wat dunkt u van dit stuk werks? Houdt gij hetzelve niet voor gansch gedenkwaardig?
Philogamus. Mij dunkt dat Eginhard moet gelezen hebben den raad, dien doctor Coepolla, een groot regtsgeleerde, geeft aan de jongelieden om spoedig tot een huwelijk te geraken, daar ze anders niet wel middel toe zien.
Sophroniscus. Wel, wat is dat voor een raad?
Philogamus. Dat ze zich meester moeten zien te maken van den goeden naam van hunne beminde, en dat ze, zoo doende, wel voorts te regte zullen komen; dewijl de ouders in dien gevalle, en alle de vrienden die hun tegen zijn, daardoor straks anders van gevoelen worden.
Sophroniscus. Voor mij, ik en acht zoodanigen raad niet met allen. Want vooreerst, zoo zie ik dat de raad van uwen doctor Coepolla nog een anderen raad van doen heeft, daar hij voor gewis geen raad toe geeft of heeft; want schoon
iemand in zoo goed een zake zoo kwaden weg ware gezind in te slaan, weet Coepolla wel raad om zijnen raad in 't werk te stellen? weet hij zijn leerlingen wel zoodanige krachtwerkende woorden in den mond te leggen, waardoor een eerbare deerne zal bewogen worden haar beste pand over te geven ten luste van den eenen of den anderen mooiprater? En schoon hij zulks al wist te doen, als hij geenszins en kan, zoo is het al vrij bedenkelijk of uw doctor Coepolla dit al wel voorheeft, en of er uit volgen zoude hetgeen hij meent en de jongelieden wil inbeelden.
Philogamus. hoe! is er te twijfelen aan hetgeen de ervarenheid nu dikwijls heeft geleerd, en dat ook heel onlangs? Ik weet een vader, die met de vrienden van zekeren jongeling, zijns dochters vrijer, op de huwelijksche voorwaarden malkanderen niet wel kunnende verstaan (met het maken van dewelke zijluiden onderling bezig waren), kwam schielijk en met een grammen zin in de keuken geloopen, roepende tot de keukenmeid: ‘Spit af, meisje! hier van en zal niet vallen.’ Maar zijne zuster, moei van de toekomende bruid, hem ter zijden genomen en wat in 't oor geluisterd hebbende: hoe het met de dochter al stond en dat ze wel haast mogt komen te bevallen, is hij plotseling daarop van meening veranderd, roepende op staanden voet: ‘Spit aan, meisje!’ en, sluitende zonder verder verschil de huwelijksche voorwaarden, wenschte hij de lieden veel geluks. Even denzelfden inval had, zoo ik geloove, keizer Karel de Groote, als hij zijn dochter Emma vond in den stand als wij gelezen hebben; en dit is, mijns oordeels, hetgeen waar op doctor Coepolla heeft gezien, als hij den voorzegden raad de jongelieden gaf.’
Zoo er in de kalmte waarmede Cats aan deze en dergelijke zamenspraken voortspint iets onbetaalbaar naiefs is, er is ook iets zeldzaam onergdenkends in den overvloed van bijzonderheden door hem verkwist aan de beschrijving der gevoelens waarvan zijne helden en heldinnen wederzijds blaken. Op dit gebied is zijn geloof in onze ligtgeloovigheid onbegrensd, en geen onwaarschijnlijkheid zoo groot of hij spelt haar ons op de mouw. Het middel waardoor Eginhard den weg naar Emma's hart leert vinden bestaat in een kunstig
omgetrokken A B C; zulk een A B C is ook de vorm waaronder het meisje hem berigt geeft van hare stille genegenheid voor hem; en de dichter, die zich eenmaal voorgenomen heeft u niets te sparen, lascht beide kalligrafische oefeningen van A tot Z halverwege zijn geschiedverhaal in.
De sekretaris schrijft aan de prinses:
Emma, die op zekeren dag dit gedicht vond liggen op den lessenaar waaraan zij gewoon was met Eginhard te arbeiden, droeg zorg dat hij niet lang daarna te zelfder plaatse haar antwoord aantrof:
De dichterlijke waarde van dit alles is uiterst gering; en, had men hier niet te doen met eene zich pas vormende en voor het eerst ten tooneele tredende litteratuur, men zou voor deze matte toonen naauwlijks oosren hebben. Laat ons alleen niet vergeten dat aan den leeftijd van Cats hier te lande eene dier
omwentelingen voorafgegaan was, waardoor het leven van een volk tot in zijne diepste grondslagen pleegt geschokt te worden.
De lijn, waardoor in onze vaderlandsche geschiedenis de midden-eeuwen gescheiden liggen van den nieuweren tijd, is scherp. Toen in den aanvang der 17de eeuw de letteren begonnen te leven, hadden zij zich op te heffen uit een diepen val. De romans van Cats staan in sommige opzigten lager dan de oude vaderlandsche romantiek aan welkeMaerlant den oorlog verklaard had. Karel en Elegast, Floris en Blancefloer, zijn onbetwistbaar fraaijer dan de Mandragende Maagd of het Spaansch Heidinnetje. Cats heeft eene poging gedaan om tot dien eenvoud en dat nationale terug te keeren, en het strekt hem tot lof dat het uitheemsche in de renaissance hem slechts tot zeker punt heeft medegesleept.
Doch, al is hij niet geslaagd, wij mogen daarom niet vergeten hoe vele hinderpalen hij overwinnen, hoe vele nieuwe organen hij scheppen moest. De revolutie had het verledene weggevaagd, een nieuw geslacht was opgestaan, er hadden zich toestanden gevormd te voren ongekend, en met het nieuwe leven was ook eene nieuwe taal geboren.
Cats was geen genie, geen groote geest, geen ziener; maar om te zijn hetgeen hij was en voort te brengen hetgeen door hem geleverd is, werd eene sterk sprekende individualiteit geëischt, een ongewoon karakter, een onverzettelijk talent. Zijne fout is dat hij het leven schier uitsluitend opgevat heeft van de sexuële zijde, de betrekking van man en vrouw nimmer uit het oog verliezend en daaraan tot in zijn ouderdom onverdeelde aandacht wijdend. Dit maakt zijne gezamenlijke dichtwerken tot een door omvang gedrochtelijken bundel erotische poëzie. Dit heeft hem gebragt tot die somtijds koddige en meestentijds walgelijke vermenging van de deftigheid eens zede- en godsdienstleeraars met de dubbelzinnigheid van een plattelands-minnedichter. Bij de gasten eene naar de zijne aardende ingenomenheid onderstellend met het onderwerp waarmede hij zelf tachtig jaren lang vervuld was, heeft deze waard zijne helden en met name zijne heldinnen gevoelens toegedicht die vreemd plegen te zijn aan het welgeaard vrouwelijk karakter, en zedige meisjes eene taal in den mond
gelegd die naauwlijks zou behooren geduld te worden in de gezelschapszaal van een oude-manhuis. Met dat al heeft hij onze letterkunde sommige onwaardeerbare diensten bewezen. De fijnheid zijner waarnemingen moge niet evenredig zijn aan hare massa, die massa is monumentaal; en men kan naar waarheid van hem getuigen dat hij eene eerbiedwekkende hoeveelheid menschelijk leven in zijne voorraadschuren bijeenverzameld en aan de nakomelingschap vermaakt heeft.
Indien men aan zijne ridder-romans (de lezer dulde deze min of meer onnaauwkeurige benaming) den navolger herkent, den voortzetter van een uit vroeger eeuw herkomstig genre, met zijne tafereelen uit het nederlandsch volksbestaan is dit niet het geval. Eene tegenstelling als die van het boere- en het visschersbedrijf in Thetis en Galathea, als die van het land- en het stadsleven in de Herdersklagt, is van de 17de eeuw en van haar alleen. Tevens kind en schilder van zijn tijd is de dichter hier niet slechts nationaal, maar ook oorspronkelijk.
Om tot den Trouwring terug te keeren, bezwaarlijk zal men in onze oude dichtschool iets zoo karakteristieks aantreffen als de zuid-hollandsche historie van Liefdes Vossevel; en zoo men met reden Cats verwijten kan in deze blijgeestige novelle te zeer af te dalen tot de zeden en gewoonten van den kleinen burgerstand, wij willen dankbaar erkennen dat de zoo even genoemde school aan dit medegaan van den hooggeplaatsten staatsminister een harer gelukkigst uitgevallen Jan Steentjes dankt.
Dit schijnt ook de meening geweest te zijn van den teekenaar en graveur die weleer dit trouwgeval illustreerde. De prenten in Vader Cats zijn dikwijls onbehagelijk; soms misteekend, soms noodeloos gechargeerd. Doch het drie- of viertal schetsen waardoor het Vossevel opgeluisterd wordt zijn bij uitstek goed gedijd; en indien het mij vrijstaat een oordeel te vellen over den arbeid van den heer Kaiser, die zich de moeite getroostte ten behoeve der zwolsche pracht-editie al de platen der beste oude uitgaven over te brengen op staal, ik zou van
meening zijn dat hij zich misschien nergens beter van zijne taak gekweten heeft dan te dezer plaatse. De zittende Venus in gesprek met Cupido; de overmoedige Faes leunend tegen Alette's deurpost; de liedjeszanger op de ton, met de zingende volksmenigte om hem heen en de bedrijvige handlangster achter hem - deze drie gravuren zijn even bevallig weergegeven als indertijd vernuftig gevonden.
Het middel waartoe de schooijer Faes zijne toevlugt neemt om zich door Alette, de jonge en rijke weduwe, tot echtgenoot te doen aannemen, is de ongemanierdheid zelve; en indien de liefde in den loop der eeuwen wanhopige minnaars niet somtijds en vaak edelmoediger en vooral geestiger listen ingegeven had, Cupido zou niet verdiend hebben ooit te worden afgebeeld met eene sierlijk gedrapeerde vossevacht om de leden. Doch de beschrijving van dezen alweder ongelikten held: - hoe hij de dorp- of stedelingen wil doen gelooven dat Alette hem haar woord en meer dan dit gegeven heeft, hoe hij te dien einde zich aanstelt als een toegelaten minnaar en 's morgens vroeg, met medeweten van de door hem omgeprate jonge dienstmaagd Ruth, post vat in de openstaande voordeur, - deze teekening is klassiek en kan wedijveren met het beste wat ooit elders door Cats in denzelfden trant geleverd is.
Faes dan, op een schoonen morgen:
Waarom Cats het komisch verhaal waartoe dit fragment behoort bij de eerste uitgaaf van den Trouwring weggelaten heeft, is moeijelijk te bepalen. De uitgever van den tweeden druk, verschenen toen de dichter nog leefde, spreekt in het meervoud van redenen ‘den schrijver weleer bewegende.’ Doch hij regtvaardigt het opnemen van het Vossevel in zijn herdruk enkel door de mededeeling dat hij ‘goedgevonden heeft onze landsluiden ook deelachtig te maken van het volgende trouwgeval.’ De inheemsche tint waardoor het geheel zich kenmerkt en waarvan de dichter-zelf zich bewust was:
wettigt het vermoeden dat wij hier te denken hebben aan eene ware gebeurtenis, voorgevallen te Dordrecht of in Den Haag onder 's dichters oogen of in zijne buurt, doch waarvan het onbescheiden zou geweest zijn gebruik te maken bij het leven der hoofdpersonen.
Wat intusschen aanleiding moge gegeven hebben tot het aanvankelijk achterhouden, het komt mij voor dat wij te dezer plaats den echten Cats in zijne volle kracht aan het werk vinden: den fotograaf van het nederlandsch volkseigen, den omslagtigen doch aangenamen verteller, den niet keurigen doch des te vaardiger versbouwkundige. De voorafspraak van het dichtstuk herinnert ons dat het Vossevel eene lettervrucht is
uit den renaissancetijd; doch de vinding van den grieksch-mythologischen proloog is zoo eenvoudig, en past zoo goed bij het verhaal, dat men ongaarne eene andere inleiding in de plaats gesteld zou zien: