|
|
|
| | | | | |
Rabelais.
Oeuvres de Rabelais. Texte par Louis Moland. Illustrations de Gustave Doré. Paris, 1873.
Niemand kan over
Rabelais spreken, of hij behoort van te voren aan te
kondigen dat hij weinig of niet citeren zal. De reden waaróm is, met
verwijzing naar eene anekdote uit het leven van Sterne, door Sainte-Beuve
genoemd:
‘Wanneer men, zelfs in tegenwoordigheid van heeren, want in die van
dames is het volstrekt ondoenlijk, overluid een hoofdstuk uit Rabelais zal
voorlezen, dan gevoelt men zich steeds te moede als iemand die op een
regenachtigen dag een marktplein moet oversteken, waar des morgens verkooping
van schapen en runderen gehouden is. Telkens eene schrede regts of eene schrede
links, ten einde dit of dat gedenkteeken eener andere dan menschelijke
tegenwoordigheid te ontwijken, en niet al te bemodderd den overkant te
bereiken. Eene dame verweet eens aan Sterne, dat in zijn Tristram Shandy
zoo vele onvoegzame tooneelen voorkwamen.
‘Mevrouw,’antwoordde hij zonder dralen, wijzend naar een
driejarig knaapje dat in paradijskostuum over het tapijt rolde,
‘ziedaar mijn boek: even naakt, maar ook even onschuldig.’ Bij
Rabelais komt men er zoo gemakkelijk niet af. Het knaapje is bij hem een
volwassen man geworden, en niet alleen een man, maar een monnik of een reus.
Het heet Gargantua, het heet Pantagruel, het heet Panurge, en gaat voort, niets
te verbergen. Van een tot de dames gerigt: | | | |
‘Ziedaar, mevrouw!’ kan geen spraak zijn; zelfs onder mannen
moet, als men zekere grenzen niet overschrijden wil, gekozen worden.’
De nieuwere kritiek is van meening dat sommige anekdoten uit
Rabelais' leven, welke overigens in zich zelf geen aanstoot geven kunnen,
louter fabelen zijn en uit eene ernstige biografie voortaan behooren geweerd te
blijven.
Hoogleeraar in de geneeskunde aan de hoogeschool te Montpellier,
heet het, werd Rabelais door den raad der Universiteit naar den kanselier
Duprat gezonden, met het doel de bedreigde belangen der akademie bij dien
minister te verdedigen (1530). Te Parijs aangekomen, vroeg hij vruchteloos
gehoor. De kanselier kon of wilde hem niet te woord staan. Toen doste hij zich
uit in een wonderlijk kostuum: eene lange groene toga, eene armenische muts,
eene wijde afhangende broek, een groote inktkoker aan den gordel, een bril
vastgemaakt aan de muts. Dus toegetakeld ging hij deftig op en neder wandelen
voor de woning van den kanselier. Deze, het gejuich der zaamgevloeide menigte
vernemend, trad aan het venster en liet, den gewaanden vreemdeling ziende, hem
door een bediende vragen wie hij was. Rabelais antwoordde in het fransch:
‘Ik ben kalvevilder.’ Nog nieuwsgieriger geworden, zond de
kanselier eene tweede boodschap. Rabelais antwoordde den bediende in het
latijn. De kanselier zond een page, die latijn verstond. Rabelais antwoordde in
het grieksch. Toen een anderen page, die grieksch verstond. Rabelais antwoordde
in het spaansch, daarna in het italiaansch, daarna in het hoogduitsch, daarna
in het engelsch, daarna in het hebreeuwsch, al naarmate de kanselier hem liet
ondervragen. Eindelijk werd hij in persoon bij Duprat toegelaten, en wist hij
de zaak der universiteit zoo uitnemend te bepleiten dat de opgetogen kanselier
alles toestond wat men van hem verlangde.
Eenige jaren later (1534), op zijne eerste terugreis van Rome, waar
hij, verbonden aan het gezantschap van den kardinaal Du Bellay, Paus Clemens
VII vele gewaagde geestigheden in het oor gefluisterd had, bevond hij zich te
Lyon in eene herberg en was buiten staat zijne vertering te betalen. Het
vermaarde
‘quart d'heure de Rabelais’ was aangebroken. | | | | Weder
nam hij, ten einde zich uit den nood te helpen, zijne toevlugt tot eene
fantastische kleeding, en deed aan alle voorname lyonsche doktoren boodschappen
dat een man van het vak, zoo even van eene buitenlandsche reis teruggekeerd,
hun mededeeling wenschte te doen van zijne opgedane kundigheden. Voor een
talrijk gehoor besprak hij, met nagebootst accent, de moeijelijkste
geneeskundige vraagstukken en verbaasde allen door zijne geleerdheid.
Plotseling neemt hij een gewigtig voorkomen aan, sluit behoedzaam alle deuren,
en berigt den aanwezigen dat hij bereid is hun zijn geheim te verklaren.
‘Ziet hier,’ zegt hij,
‘een fijn vergif, dat ik uit Italie heb medegebragt om u van den
koning en zijne kinderen af te helpen; ja, dit vergif is bestemd voor den
tiran, Frans I, die zijn volk uitzuigt en Frankrijk te gronde rigt!’Ontsteld
zien de omstanders elkander aan, en sluipen zwijgend heen. Niet lang daarna
werd de herberg in naam der stedelijke overheid omsingeld, de gewaande
gifmenger gearresteerd, onder goed geleide in een draagstoel naar Parijs
vervoerd, onder weg, als een staatsmisdadiger van gewigt, best verzorgd, en
zelfs op kosten van den Staat uitmuntend onthaald. In de hoofdstad aangekomen,
brengt men hem bij den koning, die aanstonds den vrolijken gunsteling van
kardinaal Du Bellay herkent, den lyonschen magistraat kwanswijs bedankt voor de
getoonde belangstelling in de veiligheid van zijn persoon, en Maître
François aan zijne tafel noodigt, waar menig glas op de gezondheid des
konings en der goede stad Lyon geledigd werd.
Zeer mogelijk missen al die en dergelijke vertelsels een
historischen grondslag. Welligt zijn zij slechts de legendaire vorm waarin de
herinnering van een gedeelte van Rabelais' levensloop bewaard gebleven is, die,
eerst geestelijke en lang vóór hij pastoor van Meudon werd,
gedurende eene reeks van jaren het verworven doktoraat in de medicijnen
aanwendde, ten einde des te veiliger strijd te kunnen voeren tegen den stand
zelf waarvan hij ten einde toe lid bleef. Dit laatste maakt eene andere
anekdote, - dat hij op zijn sterfbed tot de omstanders gezegd zou hebben:
‘Tirez les rideaux, la farce est jouée,’ - hoogst
onwaarschijnlijk. Hij was het tegenovergestelde van een huichelaar. Toen hij in
later jaren, een achtbaar grijsaard ge- | | | | worden, hoog van gestalte
en met eene krachtige stem, eene poos het herdersambt vervulde, kwamen de
Parijzenaren met den meesten ernst en in grooten getale 's zondagochtends naar
Meudon om hem te hooren prediken.
Dat spreken intusschen van allerlei talen, dat meesterlijk en
spelend behandelen van moeijelijke onderwerpen, waarvan de sage gewaagt,
bewijst genoeg dat de verdichting, op zijn minst genomen, feiten tot grondslag
had. Er bestaan van Rabelais' werken zestig uitgaven. Niet slechts zijne
landgenooten, ook vreemdelingen hebben hem bestudeerd: in de vorige eeuw waren
het Engelschen, thans zijn het Duitschers. Zulk eene onsterfelijkheid wordt
alleen door het genie veroverd; en zoo de volksoverlevering in hare
onbesuisdheid het kaf met het koren vermengd en op rekening van den grooten
geest allerlei grollen gesteld heeft, het buitengewone van dien geest komt er
slechts te krachtiger door uit.
Mogelijk ook heeft men die kluchten, zelfs waar zij den stempel van
het verzinsel aan het voorhoofd dragen, als even zoo vele populaire pogingen te
beschouwen om het genie van Rabelais, het aanzien waarin hij stond, den stand
dien hij bekleedde, in overeenstemming te brengen met de uitgelaten tooneelen
waarvan La vie très horrifique du grand Gargantua en het daarop
gevolgd leven van Pantagruel overvloeijen. Om rekenschap te geven van den
opgang dien dit komisch heldedicht in proza bij zijn verschijnen gemaakt heeft,
is het niet genoeg op het verschil der zeden van toen en thans te wijzen. Geen
lezer van den tegenwoordigen tijd begrijpt dat de dames, aan het hof van koning
Frans I, elkander het boek uit de handen hebben gerukt. Al slaat men den
invloed der tijdsomstandigheden, de gisting van het hervormingstijdperk, de
aantrekkingskracht eener te voren ongekende meesterschap over de taal, nog zoo
hoog aan, er blijft eene kloof gapen tusschen den pastoor en den schrijver. Het
volk heeft er niets beters op
weten te vinden, dan aan te nemen dat de buitensporigheden van den
laatste verklaard moeten worden uit den vroegeren levensloop van den
eerste.
In den vorm parodien van den verdoolden ridderroman der
midden-eeuwen, zijn Gargantua en Pantagruel in den grond eene | | | | alles omvattende satire der europesche maatschappij waarin de
schrijver leefde. Alles welbezien schijnen de geheimzinnige namen, cijfers,
beelden, waarvan het in beide verhalen wemelt en wier sleutel men zoo dikwijls
te vergeefs gezocht heeft, slechts spelingen van een weelderig vernuft geweest
te zijn, alleen bestemd den lezer te boeijen door hem van het spoor te brengen.
De jongste kommentatoren zijn van oordeel dat Pantagruel's zwerftogten, op reis
naar het orakel der Dive Bouteille, eene filosofische beteekenis hebben,
en de stelling verkondigen dat, bij de onmogelijkheid waarin de mensch verkeert
de waarheid te vinden, naar welke hij voorbestemd is te zoeken, de geestdrift
van het zingenot het beste deel, en de schuimende beker het getrouwste beeld
van een krachtig opbruischend en naar het ideale strevend leven is. Op die
wijze zou het duidelijk worden dat Rabelais, te midden van zijn vinnigen strijd
tegen de geestelijkheid, nimmer de hoogere opvatting van het menschelijk
bestaan, welke ook door de kerk geleerd wordt, uit het oog heeft verloren.
Duidelijker dan de wijsgeerige strekking van Pantagruel, is
de opvoedkundige van Gargantua; in dit opzigt niet beter te vergelijken
dan bij den Émile van Rousseau. Gargantua is een jonge reus, die
aanvankelijk onder de leiding komt van Maître Jobelin, een opvoeder naar
het hart der middeneeuwsche scholastiek. Deze propt den jongeling vol dwaze
kundigheden, met het gevolg dat Gargantua, in kennis gekomen met een griekschen
knaap van twaalf jaren, zich dood schaamde over zijne eigen wanbeschaving en
ongemanierdheid:
‘Il ne trouva rien à répondre, mais toute sa
contenance fut, qu'il se prit à plorer comme une vache et se cachait le
visage de son bonnet.’ Zijn vader Grandgousier vertrouwt hem daarop aan den
onderwijzer Ponocrates, onder wiens leiding Gargantua's opvoeding geheel wordt
hervormd. Te midden der onafgebroken reeks van grillige snakerijen, waaruit de
geschiedenis is zamengesteld, wordt men eensklaps verrast door het verhaal hoe
Ponocrates zijn onbehouwen leerling gewende den dag te besluiten:
‘Puis, avecques son précepteur, Gargantua
récapitulait brièvement, à la mode des pythagoriques, tout
ce qu'il avait lu, vu, su, fait et entendu dans le courant de toute la
journée. Après, ils | | | | priaient Dieu le
créateur en l'adorant, et ratifiant leur foi envers lui et le glorifiant
de sa bonté immense; et, lui rendant grâce de tout le temps
passé, se recommandaient à sa divine clémence pour tout
l'avenir. Ce fait, entraient en leur repos.’ In deze en andere ernstige
plaatsen wordt geheel dezelfde natuurlijke godsdienst gepredikt als in de
Confession de foi du Vicaire Savoyard.
Men kent het tooneel bij
Molière, waar Géronte, als zijne dochter
Lucinde door Sganarelle van hare sprakeloosheid genezen is en heftig begint uit
te varen, hem verzoekt haar weder stom te maken.
‘Onmogelijk,’ antwoordt Sganarelle;
‘alles wat ik voor u doen kan is, u van het gehoor te
berooven.’ Dit is niet de eenige komische trek, dien Molière aan
Rabelais ontleend heeft. Zelfs voegt Rabelais, als hij de klucht verhaalt van
den man die eene sprakelooze vrouw getrouwd had, er een bij, waarmede
Molière verzuimde zijn voordeel te doen. De brave man wenschte vurig dat
zijne vrouw van hare kwaal genezen werd. Een geneesheer kwam en sneed haar van
de tongriem. Daar werd hare spraakzaamheid zoo buitensporig, dat de man ten
tweede male naar den dokter ging, en hem verzocht zijne vrouw weder in haar
vorigen staat te brengen. Tot zijne smart moest hij vernemen dat er wel
middelen bestonden om de vrouwen te doen spreken, maar niet om haar te doen
zwijgen, en alleen de doofheid van den man in zulke gevallen verlichting geven
kon:
‘remède unique estre surdité du mary contre cestuy
interminable parlement de femme.’ De man onderwierp zich aan die voorwaarde,
liet zich doof maken, en profiteerde van den staat waarin de kunst hem gebragt
had om doof te blijven, toen de dokter hem om betaling aansprak.
‘Je ne ris oncques tant que je fis à ce
patelinage,’besluit Rabelais, die in het opmerken en weêrgeven van
zulke toestanden een meester was. Patelinage is eene zinspeling op de
middeneeuwsche klucht van den advokaat Pathelin, die op dezelfde wijze door het
‘bê!’roepen van den loozen schaapherder verschalkt
wordt.
Op grond dat hij in zijne jongelingsjaren de vriend of althans een
goed bekende van Kalvyn geweest is, en meer nog
uithoofde zijner gestadige polemiek tegen de roomsche geestelijkheid, wil men
Rabelais onder de medestanders van het pro- | | | | testantisme gerekend
hebben. Mij komt het voor dat het protestantisme onvoorzigtig handelt, door
zulk een bondgenoot op te eischen.
Luther en
Rabelais waren volle tijdgenooten. Doch zoo lang Dokter
Maarten voor een hervormer geldt, moet aan Meester François elke
aanspraak op dien naam ontzegd worden. Niet slechts de ernstige ook de
levenslustige Luther, de Luther der Tafelgesprekken, was een geheel
ander man. Het eenige wat men zeggen kan is, dat Gargantua en
Pantagruel dezelfde diensten aan het fransche proza bewezen hebben, als
Luther's bijbelvertaling aan het duitsche
1.
1872.
|
1Er bestaat een brief van
Kalvyn, gedagteekend Oktober 1533,
waarin hij Pantagruel onder de
‘livres obscènes’ noemt, welke in dat jaar door de
censuur der Sorbonne naar verdienste getroffen werden. Het nieuwste duitsche
geschrift over Rabelais is dat van Dr. Arnstadt (Leipzig 1872), aangekondigd
door Dr. A. Réville in de Deux-Mondes van 15 Oktober van dat
jaar. De prenten van Gustave Doré verheffen zich ditmaal slechts bij
uitzondering boven het middelmatige, doch de fraaije druk van den tekst der
fransche prachtuitgave veraangenaamt zeer de lezing.
|
|