|
|
|
| | | | | |
Jacob Geel.
Jacob Geel, Onderzoek en Phantasie. Gesprek op den Drachenfels. Het Proza. Met eene voorrede van W.P. Wolters. Leiden, Gebroeders Van der Hoek, 1871.
| |
I
Hoe veel kleinere prozastukken telt de nederlandsche letterkunde,
die, in diepte of klaarheid, grondigheid of bevalligheid, ernst of luim,
waardig zijn vergeleken te worden bij de voorrede van den eersten druk van
Jacob Geel's Onderzoek en Phantasie?
Doch wat beduiden cijfers, waar het voortbrengselen van den geest
geldt! De schrijver, toen reeds een man van in de veertig, maar aan deze zijde
van de vijftig, had zijn vollen wasdom bereikt, was in de wereld van het latijn
en grieksch eene vermaardheid, hield wacht over den boekeschat der leidsche
akademie, ging in dat heiligdom als priester voor, en gold voor een regter
wiens humaniteit alleen door zijne bevoegdheid overtroffen werd.
Terwijl hij, aldus op den top van den berg zetelend, het gebied
der vaderlandsche letteren rustig overzien kon, ontloken | | | | in de
vlakte allerlei frissche bloemen; maar daaronder sommige, welke door overmaat
van weelderigheid uit hare kracht dreigden te groeijen. Het was de Sturm-
und Drangperiode onzer litteratuur.
De goede dingen komen in Nederland altijd een weinig achteraan; en
zoo was ook de fransche romantiek, door Victor Hugo geleid, als voortzetting
van Scott en Byron, eerst omstreeks 1836 onze landpalen binnengedrongen. Sir
Walter had in Jacob van Lennep een vasten navolger gevonden, en de beurt scheen
op dat pas bovenal aan Byron.
Voor de wereld in het gemeen was Byron's poëzie in 1836 eene
gedane zaak. Nederland (want Da Costa had Byron meer
omsluijerd dan onthuld), Nederland moest de nieuwe spijs nog tot zich nemen en
leeren verteren. Zij werd den volke te onzent op allerhande schotels voorgezet.
En daar bleef het niet bij.
Ook in het proza ontstond, meest naar het voorbeeld van Hazlitt,
Charles Lamb, Leigh Hunt, onverwachts eene aanmerkelijke beweging. Tegelijk met
de engelsche poëzie deed de engelsche humor eene landing op onze kust, en
met beter gevolg dan de anglo-russische van 1799. Het was eene reaktie tegen
alle vormen van het klassieke te gelijk, het echte zoowel als
bastaardsoorten.
Wie meer bevoegd, wie uitdrukkelijker geroepen dan
Jacob Geel, dat verschijnsel te beoordeelen? de man
die de letteren van Griekenland en Rome van buiten kende, en tevens in die van
geen der groote volken van den nieuweren tijd een vreemdeling was? Daarbij
stond de gelegenheid zoo schoon als ooit.
Om een door hem zelf gekozen beeld te gebruiken: juist had hij op
dat oogenblik de laatste hand aan eene opera gelegd, en moest nog slechts de
stof eener ouverture gevonden worden. Onderzoek en Phantasie heette het
nieuwe zangspel. Onderzoek en Phantasie: een boekje zonder wedergade in
onze letteren, de smakelijke vrucht van geleerdheid, gehuwd aan vernuft.
Maar zou dat kind behoorlijk zijne intrede in de wereld doen, dan
moest het zich aanmelden met iets bevattelijks, iets | | | | aktueels, tot
inleiding; en niets was destijds aktuëler dan de nieuwe beweging op het
gebied van onze poëzie en ons proza. Aan te wijzen waar de klippen lagen
op welke dat genre, bij al zijne regtmatigheid als verschijnsel, dreigde te
stranden; op welk punt onmiskenbare talenten dwarswegen stonden in te slaan,
die blijken moesten sloppen te zijn; hoe weinig er noodig was de humor in
manier, de geestigheid in valsch vernuft, de gemoedelijkheid in wansmaak te
doen ontaarden, - dien inhoud drongen de omstandigheden en de muzen om strijd
der ouverture op. Zoo ontstond de voorrede.
Die het ontgelden moest was
Nicolaas Beets, toen nog alleen als
dichter van byroniaansche navolgingen bekend. In den Gids
van November 1837 had deze, voor het eerst als
Hildebrand optredend, een stukje over den
Vooruitgang geplaatst, sedert herdrukt in Proza
en Poëzy, en nog later daaruit onder de aanhangsels der
Camera Obscura opgenomen. Dat het opstel, hoewel een
talentvolle misslag, nogtans een misslag was, is duidelijkst van al hieruit
gebleken dat Beets daarna nooit weder over denzelfden steen gestruikeld is, en
hij zijne populariteit in later jaren te danken heeft gehad aan het vermijden
derzelfde onnatuur, waaruit die eersteling zijn oorsprong nam. Geel's
verdienste, en het bewijs zijner superioriteit, was dat hij, dertig jaren
vroeger dan de meesten, onmiddellijk den vinger op de fout legde; dat hij door
één voorbeeld voelbaar maakte, aan welke misgeboorten een geheel
genre, zoo men niet oppaste, het aanzijn geven zou:
‘Ik wenschte wel, oude paai! dat gij wat strenger verband
tusschen luim en ernst gemaakt hadt. Geest en humeur kunnen een diepen grond
hebben, maar zij moeten peilbaar wezen, of het heeft ligt den schijn dat men
een paradox najaagt, of onzin nederschrijft... Het herstel van het spokenrijk
hebt gij in het oog; maar de eerbied voor het betere licht staat u in den weg:
daarom solt gij met dat licht. Dat kan er door: maar nu komen Moeder de Gans en
eene reeks kinderlegenden, en - een man van jaren bejammert het, dat hij er
niet meer aan gelooven mag. Ziet gij wel dat gij nu weêr met het
spokenrijk solt? Het is goede ernst en verkeerde luim en daardoor een
hybrida... Wilt gij een muildier heb- | | | | ben, breng een paard en een
ezel bij elkaar; wilt ge er nog een hebben, al weder een ezel en een paard. Het
gaat even hybridisch toe in de vereeniging van ernst en luim, wanneer zij
zoodanig verbonden zijn, dat de ernst regtuit kijkt, en dat men duidelijk ziet
wat hij in het oog gevat heeft, terwijl de luim nu en dan met datzelfde oogpunt
solt, in plaats van ruiterlijk en aanhoudend te sollen met de voorwerpen, die
zijn oog in den weg staan. Bij zulk eene beschouwing komt er een bastaardopstel
te voorschijn, dat geen genetische kracht heeft, geen onderdeel der kunst is,
waarop men voortarbeiden kan... Uwe rhetorische antithesen zijn kunstig: tegen
Luilekkerland staat onze arme wereld over, geloof ik: tegenover
de schatrijke versiering de flaauwe, dorre, ware
werkelijkheid. Maar let nu eens zelf op het hybridische! Eerst was die
flaauwe werkelijkheid voor de kinderen niet passend: en nu zegt gij,
zonder omwegen, dat zij voor volwassen mannen ongeschikt is: want terwijl wij
ons daarmede bezig houden, zegt gij dat wij kinderachtig zijn. Dus
moeten wij volwassenen aan Luilekkerland gelooven? Hebben is hebben,
maar krijgen is de kunst. Voorts staat de schoone slaapster tegenover
onze wakende leelijken. Rhetorisch gaat dat goed; maar, oude Heer! in uw
jongen tijd zoudt gij slecht uw hof gemaakt hebben bij onze schoone sekse, met
die kunstfiguur. Of hebt gij toen liefst gevrijd als uw schoone sliep?
Dat won veel praten uit. Maar nu die flaauwe, dorre, ware
werkelijkheid, die het treurige lot der volwassenen is. Ik vrees, waarde
vriend! dat gij in uw lange leven den slag niet verkregen hebt van ze goed te
bezien, en op te merken dat waarheid tot iets Hoogers, tot iets werkends
of toelatends, terugvoert. Laat mij, bid ik u, bij den Gothard stilstaan
en in bewondering verstommen, en verdiep gij u in den Rijst- en
Brijberg: dat is eerlijk gedeeld. Wilt gij een flaauwe, dorre, ware kom
rijst-en-brij (de suiker en kaneel voor mij: cela va sans dire ) bij mij
komen nuttigen, gij zult mij welkom zijn; maar een berg van dien kost is mij te
veel... Gij zijt knorrig, omdat wij niet meer gelooven mogen, dat de ooijevaars
hunne zwakke ouders op den rug dragen. Wel! geloof het maar, en zweer er op,
dat zij malkaar met hun langen | | | | bek een dienst bewijzen: onze Ouden
geloofden het ook. Maar zeg mij, wie heeft zich het eerst bezondigd aan dat
treurig onderzoek der Schepping? Want gij moet hooger opklimmen dan
Theophrastus en Aristoteles. Gij weet het niet? Ik ook niet; maar het onderzoek
is ouder dan gij, al zijt gij nog zoo bedaagd: en ik geloof zelfs, ik zou er op
durven te sterven, dat het onderzoek begonnen is van het oogenblik af, dat er
een mensch op den aardbodem geplaatst is - omdat zijn Maker het wilde. Dat
vindt gij naar genoeg: daarom moet de arme Buffon het misgelden... Monsieur
le baron de Buffon, dat is een scherpe zet! Waarom mogt hij geen
Baron wezen? Indien ik in uw geheele opstel niet zag, afgeleefde man! dat de
wereld voor u versleten is, en gij voor de wereld, dan zou ik denken, dat gij
jaloersch zijt. Er zijn groote mannen geweest (misschien zijn er nog) die hun
hoogen oorsprong en voorvaderlijken adel in oude boeken en legenden, met
kinderachtige combinatiën, poogden op te krabbelen. Of dat van Moeder de
Gans en van Blaauwbaard komt, weet ik niet. Zoo gij weinig aan titels hecht,
doet gij braaf, maar laten wij aan niemand een welverdiende onderscheiding
besnijden!... Ik bid u, Papa! zet uw lampetkan, waarin al die gedrochten
zwemmen, welke de oxygeen-mikroskoop u in een droppel water toonde, met uwe
bevende handen een oogenblik neer, en zeg mij: waarom zet gij somtijds uw bril
op den neus van uw “blij gelaat”? Wel, omdat ik sommige dingen niet
goed meer zien kan. Best geantwoord; er is veel, dat gij niet ziet, zelfs van
het zigtbare; maar het is “onbescheiden” van u, dat gij een
bril opzet; want uwe zintuigen zijn zoo, als zij aan een ouden man passen; zoo
wil het de wet der natuur. Het is een onregt (zegt gij) dat wij ons zelven
aandoen, wanneer wij ons in eene wereld begeven, waarvoor wij geen zin, geen
sympathie hebben. Ik laat die andere nieuwe wereld nu eens loopen,
hoewel zij toch de onze is, waarin wij zijn, en waar wij niet uit
kunnen; maar hebt gij dan zoo veel zin en sympathie voor een nijdige spin, en
een leelijke tor, en een smerigen worm? Ik niet, en toch zie ik ze
zonder bril, en gij ook, of gij moest nog ouder zijn dan ik mij verbeeld. De
leeuw en de tijger en de krokodil | | | | behooren misschien niet tot
uwe wereld. Ik wensch u niet toe, dat gij ze ooit in deze wereld
ontmoet: in het woud bedoel ik, of in den Nijl. “Ja, maar dat
binnenslikken van zoo veel gedrochten in één enkelen
waterdrop!” Lieve Grootpapa! hebt gij al uw leven zindelijke keukenmeiden
gehad? Daar dit niet mogelijk is, weet gij ook zeker, dat gij dagelijks aan
tafel iets naar binnen kunt krijgen, waarvoor gij “zin noch
sympathie” hebt. Eet maar getroost voort: de pannekoeken zijn u altijd
wel bekomen, al ging er een vlieg met den stroop naar binnen... Nu nog iets,
Overgrootvader! Maak poëzij zooveel gij wilt, want er is poëzij in uw
opstel, al is zij onberijmd. Maar uwe poëzij is van anno
één. Of ziet gij niet dat gij het zoo mooi gemaakt hebt, dat gij
met uw vooruitgang achteruit gaat, en een zeilend schip met een draad
terugtrekt? Wij moeten zorgen, dat er geen touw van groeije... Daar het nu
eenmaal mijne monomanie is, te gelooven dat de mensch en zijn stijl
één moeten zijn, heb ik u eene eer willen aandoen, met die
identiteit bij u te vooronderstellen: ik wil evenwel gaarne gelooven, dat gij
en uw stijl niet één zijt. Maar het is zonderling dat, hoe
minder eer ik u aandoe, wij des te digter bij elkander komen, en daarna des te
vriendelijker van elkander scheiden. Ik wil den omgang met u gaarne aanhouden:
want gij hebt talent; maar gij moet het zoo niet misbruiken, noch onze
jonge menschen, die naar den weg zoeken, van den wal in den sloot
helpen: gij zijt een verkeerde gids.’
Het kursijf gedrukte slotwoord ziet op het tijdschrift, in hetwelk
Hildebrand, die hier wegens sommige bakersbegrippen als een afgeleefd man wordt
voorgesteld, voor zijn opstel eene plaats vond. Geel hield van den Gids,
toen nog pas aan zijn tweeden jaargang; maar dit belette hem niet Goethe's
woorden tot motto zijner voorrede te kiezen:
‘Wir, unsrerseits, tadeln sie nicht, dass sie dieses unreife
Produkt aufnahmen: denn wenn ein Archiv Zeugnisse von der Art eines
Zeitalters aufbehalten soll, so ist es zugleich seine Pflicht, auch dessen
Unarten zu verewigen.’
| | | | | |
II
Ook zonder verdere aanwijzing kunnen mijne lezers zich met eigen
oogen overtuigen, - in zóó vele handen bevindt zich heden ten
dage de Camera Obscura van
Hildebrand, - dat geen der aanmerkingen, door Geel
tegen dat opstel over den Vooruitgang gerigt, het doel miste of
voorbijschoot. Doch het zou weinig geweest zijn, de tekortkomingen van een
eerstbeginnende in het licht te stellen, zoo die kleine inspanning niet van
eene groote gedachte was uitgegaan. En dat deed zij. Er ligt onvergankelijke
waarheid in de stelling, waarmede Geel, in zijne tweede voorrede, de eerste
handhaafde:
‘Alle reactie, zonder actie, is ijdel gescherm. Het talent komt
in de maling en dreigt zichzelf te verduisteren, wanneer het zich waagt aan een
verheven levensbeschouwing, met vernuft, zonder diepte van wetenschap en
ondervinding. De geest gewent zich ligt, voort te sukkelen in een negative
rigting, omdat het veel gemakkelijker schijnt, af te breken dan op te
bouwen. Werking en tegenwerking, op zich zelve als krachtoefening van het
vernuft beschouwd, hebben ieder een punt van uitgang en eene soort van
spiraalloop. De eerste wendt zich, met een klein begin, naar buiten om; de
laatste begint misschien met een grooten zwaai, doch keert zich naar binnen. De
eerste breidt zich uit, de laatste krimpt zich in. De eerste heeft geen einde,
de laatste loopt uit in afmatting van het gepijnigd talent, en -
stilstand.’
Hoewel dergelijke bladzijden in twintig regels meer wijsheid
bevatten dan menig lijvig boekdeel, heeft Geel bij zijn leven herhaaldelijk
moeten ondervinden dat zelfs mannen van naam, maar in het oordeelen zijne
minderen, hem misverstonden. Vroeger en zuiverder dan iemand anders heeft hij
gevoeld dat de nederlandsche verzetaal, zou onze poëzie van den nieuweren
tijd zich niet in een kring van gemeenplaatsen, getooid met overgeleverde
beeldspraak, blijven bewegen, den doop van een veredeld proza moest ontvangen.
Daarom ijverde hij voor het proza en arbeidde, door leer en voorbeeld, aan | | | |
zijne zuivering. Het was hem niet genoeg dat men, als eene van zelf sprekende
zaak, het proza voor de taal van den nieuweren tijd erkende: ook die nieuwe
vorm, beweerde hij, moest eene kunst en door studie volmaakt worden. Hetgeen
hij in zijne door een ambtgenoot, den utrechtschen hoogleeraar Simons, averegts
opgevatte verhandeling over dat onderwerp schreef, is klassiek:
‘Het is zoo: het proza houdt gelijken tred met de beschaving;
want het staat daarmede in een voortdurend verband. Hoe naauwkeuriger de kennis
wordt, des te juister en volkomener poogt de taal ze mede te deelen; en hoe
meer innemendheid en bevalligheid zij met hare naauwkeurigheid vereenigt, des
te beter ingang vindt het gesprokene en het geschrevene. Gij eischt niet, dat
ik bewijze wat aangenomen maar wel eens vergeten is: dat het groote geheim dier
bevalligheid in het schilderachtige van den stijl ligt. Al wat natuur of kunst
of wetenschap is, het kan alles dienen tot verfraaijing van den stijl, en de
voorraad van verwen en beeldwerk is onafzienbaar groot. Doch, hoe bevoorregt
die weinigen ook zijn, die door gaven en door vlijt het bezit van zulk een
rijkdom verkregen hebben, het is minder moeijelijk dien te vergaderen, dan met
geen ongewasschen handen er in rond te tasten, - dan te weten wanneer mildheid
betaamt, wanneer spaarzaamheid pligt is; wanneer die schatten in al hunnen
glans mogen schitteren, en wanneer zij moeten ontveinsd of geheel verborgen
worden. Of mogen wij dit gemakkelijk rekenen, terwijl wij zoo zelden een
geschrift ontmoeten, dat dien toets kan doorstaan? waarin het juiste en
onbedorven oordeel niet schraalheid en dorheid meent te ontdekken, of
uitstalling eener al te groote volheid en overvoeding; eene netheid en
gemaaktheid, die volgens het oude verwijt naar de lamp riekt, of eene
slordigheid, die zich losheid en ongedwongen zwier, bij
verbloeming, noemt - even alsof de schoone, die haar kleed schikt en verschikt,
dat het niet prange noch hare bewegingen belemmere, alsof zij zich
bevlijtigt, slordig te schijnen!’
Door een treffend voorbeeld, ontleend aan de brieven van Cicero,
stelde Geel in het licht dat, zelfs waar het geldt in | | | | een
gemeenzaam schrijven aan een vriend lucht te geven aan de smart over eene
huiselijke ramp, kunst te pas komt:
‘Wie denkt ooit aan studie, wie neemt ooit kunst te baat,
wanneer hij eene aandoening wil openbaren, die uit het diepste der ziel
ontspringt? Ik beken, dat de kreet der smart ongekunsteld is; maar dien kreet
heeft het redelooze vee met ons gemeen. Doch wanneer die smart zich zal
uitdrukken in woorden van den redelijken, verstandigen mensch, dan wordt de
taal het middel om onze gewaarwordingen te toetsen en te beproeven; de
overspanning, die zich toont in onzamenhangende weeklagten, houdt op, en het
onderzoek onzer innerlijke stemming scheidt al die hartstogten af, die niet
duurzaam kunnen zijn. Wat er overblijft, en zuiver en echt is, dit aan anderen
mede te deelen en, zoo het mogelijk ware, in hen hetzelfde gevoel op te wekken,
dat in ons zoo levendig is - het woord kunst moge u mishagen, maar het is de
kunst alleen, die het ons doet gelukken. Wat zij daartoe bezigt, sieraden,
beelden, de wetenschap der kracht van één enkel woord, het is
alles evenmin te veroordeelen als de betamelijke netheid van het rouwgewaad,
wanneer geen zeden ons noodzaken onze kleederen te verscheuren en ons te
dompelen in ruige zakken en morsige assche.’
Begeert men de proef op de som? Leg naast den brief van Cicero,
waarin hij over den dood zijner dochter treurt, die waarin de amsterdamsche
professor
Van Baerle aan zijn vriend
Constantyn Huygens kennis geeft van het
overlijden zijner vrouw.
Heeft Van Baerle niet veel geschreven? Heeft hij niet, in
dichtstukken en in kunstwerken van welsprekendheid, zijne zorg aan den dag
gelegd en zijn ijver om de Ouden op zijde te streven? Was hij niet geleerd en
scherpzinnig? Was hij niet braaf en opregt, en was het een gering verlies, toen
zijne echtgenoot hem ontviel? Hoe rijk is het opstel van
Barlaeus! hoe schitteren daarin zijne belezenheid en
zijne wetenschap! hoe kunstig is het! hoe heeft hij moeten arbeiden, om zulk
een krioelend gewemel van personen en leenspreuken in zoo naauw eene ruimte in
te sluiten! Maar, herinnert u dat Cicero zeker weinig minder gelezen had en
wist; dat hij zeker niet armer geweest is in verbeelding dan | | | | Van
Baerle: dat zijne eigenliefde hem misschien niet minder aanspoorde om ten toon
te spreiden wat hij vermogt; en rekent dan na hoe diep bij hem het inzigt was
in eene kunst, waaraan hij zoo veel kon opofferen!
Onder het vertalen van beide modellen heeft Geel te worstelen
gehad met het latijn: het minst met dat van Van Baerle, voor wien het latijn
slechts eene aangeleerde schooltaal was; meer met dat van Cicero, wien het uit
het hart welde. Hij zelf erkent dat in zijne overzetting iets van den ernst en
de stille pracht der latijnsche periode verloren is gegaan; maar er bleef toch
genoeg van over, om een denkbeeld te geven van het oorspronkelijk. Cicero
schrijft aan zijn vriend:
‘Niet alleen uwe woorden, en het deel, dat gij in mijne smart
neemt, troosten mij, maar zelfs uw gezag. Want ik zou het berispelijk achten,
indien ik mijn ongeluk niet zoo droeg, als gij, een man van zooveel wijsheid
zegt, dat ik het dragen moet. Maar ik word somtijds neergedrukt, en met moeite
overwin ik mijne droefheid, omdat mij die troost ontbreekt, die anderen, wier
voorbeeld ik mij voor den geest breng, niet misten. Mij bleef, na het verlies
van die eer en waardigheid, waarvan gij melding maakt, en die ik met moeite en
arbeid verkregen had, - die eenigste troost bleef mij over, die mij nu ontnomen
is. Geen zorg voor de belangen mijner vrienden, geen zorg voor het gemeenebest
onderving mijn droevige gedachten; geen lust noch bezigheid riep mij naar het
Forum: het raadhuis kon ik niet aanzien: ik meende - zoo als het was - dat ik
de vrucht verloren had van al mijnen ijver en van al mijnen voorspoed. Maar
wanneer ik overwoog dat ik dit met u en met anderen deelde: en wanneer ik mij
zelven onderdrukte en mij dwong dat alles met gelatenheid te dragen, dan wist
ik toch, waarheen ik mijn toevlugt kon nemen; in wier toespraak en zoeten
omgang ik al dien kommer en al die kwelling kon afleggen. Doch nu wordt door
deze zware wonde, ook wat genezen scheen weder opengereten.’
En thans het fragment (want het is nog maar een fragment) van Van
Baerle's eindeloozen brief over den dood zijner vrouw:
| | | |
‘Een huiselijk onheil heeft mij getroffen,
voortreffelijke
Huygens! ik ben een tortelduif zonder ga, een olm
zonder wijnrank, een wandelaar zonder gezellin. Wanneer ik Aurora aanschouw,
dan jammer ik, arme Tithonus, dat mijn Thaumantia niet opstaat. [Hier verzon
zich
Barlaeus; want Thaumas was de vader
van den Regenboog en niet van den Morgenstond]. Wanneer ik den dag met mijne
oogen aanschouw, dan klaag ik met Apollo, dat mijne Leucothea niet meer leeft.
Ik, Adonis, zoek vergeefs mijne Venus; maar wanneer de nacht zich over het
aardrijk spreidt, dan ben ik Morpheus, en ik zoek de schaduw mijner Psyche met
eene ledige omhelzing. Zoo gaat de tijd mij voorbij, onder zuchten, gesnik en
droevige gedachten. Mijne boeken zijn getuigen van mijne klagten, mijn middag-
en avondmaal van mijne tranen, mijn dorpel, mijn slaapkamer, mijne sponde, van
mijn geween. De pen, waarmede ik u en zoo vele vrienden bezongen heb, is droog
en slorpt geen inkt. Ik klaag (om met Persius te spreken), dat het vocht
verdikt in mijn veder blijft hangen. Mijn papier trekt zich in vouwen en
rimpels zamen, omdat het geen dichtregelen wil ontvangen. De kracht van mijnen
geest is verslapt. Mijn verzen stroomen daarheen, zonder wet en maat, omdat
mijne Terpsichore mij ontrukt is. Het verschil van accenten is verloren; zij
zijn allen zwaar voor mij. Geen voet staat overeind, omdat de mijne wankelt.
Mijne syllaben zijn stijf, omdat zij gevoel hebben van mijnen rouw, en liever
stom zouden willen zijn. In het heldendicht ontbreekt mij die vrolijke sprong
der dactyli. In mijne iamben is nog meer mankheid dan in de laatste
lettergreep. In de elegie ben ik nog treuriger dan de elegie zelve. In het
lierdicht ben ik al te ongebonden. In den dithyrambus sta ik, als door den
donder getroffen, op ééne plaats, en ik onderscheid geen
epanodos, geen strophe en geen antistrophe meer. Welke
Apollo zal mij de vorige kracht hergeven? Welke Thalia zal in staat zijn, den
lof mijner echtgenoot te verkondigen, die vroom was zonder geveinsdheid, zedig
zonder gemaaktheid, eerbaarder dan hare eeuw, spraakzaam zonder praatzucht,
geestig waar het pas gaf, verstandig tot benijding van haar geslacht, eene
voorbeeldige bestuurster van haar huis- | | | | houden, haren man beminnende
zonder dartelheid, hare kinderen zonder zwakheid. Zoo ik Orpheus was, zou ik
deze Eurydice terughalen, al blafte Cerberus mij nog zoo aan. Indien ik Admetus
was, zou ik doen, wat Alcestis gedaan heeft. Indien ik Antoninus was, ik zou
mijne Barbara niet minder, dan hij zijne Faustina, als eene Godin vereeren. Nog
kort geleden, als ik mij van ernstige studie wilde verpoozen, begaf ik mij in
de aanminnige wijkplaatsen der Pegasiden, dan eens naar het spel van Anacreon,
dan weder naar de bevalligheid van Catullus, of naar de weelderigheid van
Tibullus en Propertius; of, als het nieuwere mij aanlokte dan baadde ik mij in
de kusjes van Secundus. Thans, nu al het vrolijke mij mishaagt, wil ik liever
in de Tristia van Ovidius, in de Epicedia van Statius, in de Tranen van
Scaliger wegsmelten. Al wat treurig en akelig is trekt mij zoo zeer aan, dat ik
alle mijne vrienden wenschte te zien schreijen. Ik wenschte alle Hollanders in
rouw te zien, opdat ik van alle kanten den aanblik van ongeluk en elende mogt
genieten. Ik wenschte dat de zon in een eeuwigen nacht verholen bleef, en dat
die helderheid van den dag voor de stervelingen niet opging, waarop mijn licht,
mijn leven, mijn wellust is ondergegaan. Ik wenschte dat die ure uit den Zodiak
uitgeligt werd, die de laatste geweest is van mijne vreugd. Ach, of eene Lethe
mij de herinnering van mijn vroegere leven ontnam, opdat ik niet mogt
herdenken, o mijne Barbara, aan die vriendelijke toespraak en alleenspraak en
troost, waarmede gij dikwijls uwen kwijnenden echtgenoot opgekweekt hebt! De
Corneliaas, de Semproniaas, de Porciaas, de Cleliaas, de Liviaas mogen groot
geweest zijn; voor mij, Barbara! zijt gij geen mindere heldin geweest. Ik zeg
voor mij: want ik heb zoo groot eene achting niet voor de moeders der
Gracchussen, die triumfen voor huwlijksgoed rekenden. Zij is mij eene Porcia,
die naar haren man luistert; zij eene Cornelia, die voor haar kroost zorgt; zij
eene Sempronia, die het vrouwelijk handwerk bedrijft; zij eene Clelia die zich
in den kerker der huwelijkstrouw wil laten opsluiten; zij eene Livia, die vleit
zonder list of bedrog; zij eene Faustina, die het huisgoed vermeerdert en niet
karig is. Zulk | | | | eene had het lot mij gegeven; zulk eene heeft het
lot mij ontnomen. Maar zoovele deugden als ik herdenk, zoo veel gemis en
smarten pijnigen mij: wanneer ik ze vermeng en vereenig, dan word ik door alle
bijna overstelpt! wanneer ik ze wil onderscheiden, dan ben ik op velerhande
manieren ellendig.’
Niet slechts de vorm, maar ook de keus van dit citaat kenmerkt
Geel. Hij had een satirieken geest. Gewis heeft hij er een ondeugend behagen in
geschept, den ouden amsterdamschen kollega, die kort na den dood zijner Barbara
op zulk eene indecente wijze het hof aan de weduwe Krombalch, geboren
Maria Tesselschade Roemers, maakte, eens
uit het graf te halen en het publiek der 19de eeuw zich te zijnen koste te
laten vermaken. Maar hij had ook een fijn gemoed, dat door elke prostitutie van
aandoeningen gekwetst werd. Zonder genade voor Van Baerle's
weeûwnaarspijn, wist hij in Cicero den beroofden vader te eeren.
| |
III
Ik geloof dat in het Gesprek op den Drachenfels de grens
van het goede bereikt is, door Geel gesticht; dat hij dit zelf gevoeld, en
daarom niet heeft gewild dat het opstel, met welks gelukkigen vorm hij
overigens vrede moest hebben, in Onderzoek en Phantasie werd opgenomen.
Laat ons maar dadelijk met de deur in het huis vallen, en geven wij het woord
aan Charinus, waar deze kwanswijs Diocles op de vingers tikt. Kwanswijs, zeg
ik, want niet Charinus, maar Diocles is Geel's man:
‘Gij kent de kunst zoo goed, Diocles, maar beziet ons
vraagstuk evenwel steeds van de verkeerde zijde. De historische en aesthetische
waarheid moeten hand aan hand gaan: buiten deze waarheden zweeft de kunst in
het ledige. Kunt gij u geen voorval verbeelden in een paleis, waar vorsten en
helden eene taal voeren, verheven boven die van het dagelijksche leven: terwijl
personen van minderen rang, | | | | bedienden, menschen uit het laagste
gemeen, tevens in dat zelfde stuk hunne rol spelen, overeenkomstig met natuur
en waarheid? Gaat het anders in het leven? En wanneer nu de kunst alle die
draden, grove en fijne, vereenigt en tot één weefsel zamensmelt?
Zoudt gij in den roman van Walter Scott een kroegtooneel willen missen, wanneer
zich daaruit de draad eener treffende geschiedenis begon te ontspinnen? Behaagt
u, uit dat gezigtspunt, niet het gejoel der brooddronkenheid, het gemeene der
taal en der scheldwoorden, wanneer het waarheid is, en levendig, juist,
uitvoerig, beschreven of verhaald wordt? - Terwijl ik een oogenblik stond na te
denken over de edele kunst van dien romanschrijver, bij wien het gemeene, zoo
dikwijls hij het noodig heeft, altijd middel, nooit doel is,
antwoordde Diocles lagchend: Het is mogelijk, dat uwe manier van redeneren
romantisch is; maar ik kan ze niet volgen; gij klutst alles door
elkander; van het drama brengt gij mij in eens op den roman. Maar wij hadden
over het treurspel nog niet afgehandeld. De oude treurspeldichters wilden het
gemoed aandoen, treffen, het edele der smart uitdrukken, en de geheele diepte
dier gewaarwording uitputten: eene worsteling van den wil met het noodlot, die
de ziel verheft, en zelfs wanneer de lijder bezwijkt, haar het bewustzijn
overlaat eener kracht, die over het stoffelijke triomfeert. Het hart van den
toeschouwer werd geschokt, zoo gij wilt, maar niet gepijnigd, niet gefolterd
als met beulshanden. Dat doet uw romantisch drama. Weg met uwe waarheid,
wanneer zij het eeuwige van het ideaal vernietigen moet! Wilt ge weten, hoe het
er mede gelegen is? Het treurspel is eene lijkstatie... - (Ik spitste mijn
ooren: want de vergelijkingen van Diocles waren somtijds vreemd: en nu scheen
hij kracht te vergaderen, als wilde hij een einde aan het gesprek maken). - Het
treurspel, zeide hij, is eene lijkstatie: die ze volgen, zijn verdiept in
ernstige gedachten: de treurige pligt weegt zwaar op hun hart. De goede oude
kunst zal ze u voorstellen met al hare stilte en plegtigheid: niet langs ledige
straten, of waar het oog geen voorwerpen tegenkomt; neen, zij zal aan de
lijkbaar te gemoet zenden wat met den statigen optogt | | | | strijdig is,
maar harmonisch strijdig, zoo gij dit verstaat: een vorstelijk paleis;
maar het versterkt den indruk van de nietigheid des levens: een spelend kind,
dat in onnoozelheid dartelt; maar het verhoogt de gedachte aan 's menschen
bestemming! Neen, zegt uwe romantische kunst; wij veroordeelen dat wel niet,
maar er geschiedt nog meer in de wezenlijkheid:... en zij voert de lijkstatie
waggelend door het gedruisch der markt, langs een marionettenspel, misschien
tegen een uitgelaten gemaskerden optogt in. Dat is waarheid! roept zij:
zóó is het leven! Ja, zoo kan het zijn; maar uwe kunst behoeft
het niet aldus te schilderen, en het hart op te rijten en te verscheuren,
steeds de eene aandoening met eene andere tegenstrijdige te doen worstelen, de
verbeelding te teisteren en te vermoeijen, de deugd met ondeugd te benevelen,
en de ondeugd met deugd te vergoelijken, en aan de treurigheid ook dat zoete
inmengsel van verteedering te ontrooven, dat haar eigen is.
Dat wordt tragisch, viel Charinus hem in de rede: zulke
buitensporigheden geloof ik niet, dat men aan de Duitsche romantische school
verwijten kan: en waar zij, naar uwe meening, mogt gezondigd hebben, daar
schittert evenwel hare kunst. - Dat is een verdoemde kunst (riep Diocles), die
smaak en schoonheidsgevoel op den dwaalweg brengt; die zich verlustigt in de
razernijen van krankzinnigen; die liever het benevelde verstand schildert, waar
één enkele lichtstraal in doorbreekt, dan den glans van een
helder begrip. Zij heeft de deur opengesteld voor een stroom van schrijvers en
schrijvertjes: geen bijen, die dommelen in den gloed der zon, over bloem en
plant; maar gonzende muggen in het vale licht, dat door moerasdampen schijnt.
Zie maar rondom u, in onze Duitsche letteren, maar ook in die van andere
volken. Wat onzinnig, wat afzigtelijk, wat afgrijselijk is, wordt bij voorkeur
uitgekozen, ontleed, in al zijn deelen blootgelegd: met kunst en talent, God
beter 't! Zóó veel verstand hebben zij, dat zij gevoelen, dat het
talent der beschrijving die dingen smakelijk moet maken; maar men sla dat
talent niet te hoog aan! Een riool is een riool, en niets meer: de enkele
melding geeft walging. Het is zoo moeijelijk niet, het verwulfde met- | | | | selwerk, de duisternis en de onreinheid te beschrijven; kruipt er door, zoo het
u lust, en wentelt er u in! mits ik wandelen mag in de zalen van het gebouw,
dat er boven staat. Die Wandalen! zij zullen den Apollo in onze muzeums
verbrijzelen en er den gebogchelden Thersites voor in de plaats stellen: een
ligchaamsgebrek is waarheid, en die geheele akelige man is waarheid: want
Homerus heeft hem geschilderd. Ja! zoo zij schilderen konden, als Homerus, in
drie trekken! Ziet gij dan niet dat het wanbegrip dier overdreven
beschrijvingskunst ook op het betere terugwerkt? Ontaardt het verhaal, in dicht
en ondicht, niet in een pijnlijke uitvoerigheid, die geene daad vermelden kan
zonder al hare morele en physieke oorzaken: geen voorwerp teekenen, dan alsof
het door een vergrootglas betuurd was: die niet meer zeggen kan: “hij eet
een stuk brood:” neen, dat zou kunsteloos en prozaïsch zijn, maar,
“hij nam brood: zijne hand bragt het tusschen zijne lippen door, in zijn
mond: de beweging zijner kaken vermaalde het tusschen zijne tanden en kiezen,
en door de kneuzing met het speeksel werd het een week deeg, dat door zijn
strot nederdalen kon.” Dat heet schilderen! dat is poëzij! De lezer
moet het genieten, en er mag niets overblijven, dat hij, onder het lezen, zou
kunnen denken. Wee hem, zoo hij denkt! indien de romantische kunst dat bemerkt,
dan zal zij zich van het onderwerp meester maken. Gij zult weten,
hoeveel tanden de broodeter verloren heeft, of hij een bedorven kies heeft, of
er een zweer op zijn tong zit, en zijn adem... - In 's hemels naam, Diocles,
houd op! riep ik: mijn hart draait om! - Ik kan het niet helpen, antwoordde
hij, het is de Fransche romantische school. Gij moogt niet walgen: uw
vaderland begint ze te huldigen.’
Hier nu keer ik tegen
Geel zelf die zinvolle stelling van hem:
‘Alle reaktie, zonder aktie, is ijdel gescherm’, en beweer dat
hij, meenende de romantiek te bestrijden, slechts te velde getrokken is tegen
den wansmaak in het algemeen. Hij kon niet gelooven dat, waar de
uitvoerigheid gepaard gaat met een smaak en talent als waarover Walter Scott
beschikte; waar het realisme epos wordt, gelijk in
Byron's Don Juan; eene mindere soort van kunst
ten tooneele treedt. | | | | Eene andere soort moge het zijn, minder is
zij niet. En daar tegenover, - overdreven beschrijvingskunst, pijnlijke
uitvoerigheid, walgelijke bijzonderheden, een folteren van 's lezers
verbeelding als met beulshanden, waar vindt men die gebreken overvloediger dan
bij den ouderwetschen en klassiek gevormden
Bilderdijk, als hij in zijne Ziekte der Geleerden
u de historie van niet één der vieze kwalen spaart, waardoor
een man der studeerkamer geteisterd kan worden? Wat Geel in zijn Gesprek op
den Drachenfels gispt, het zijn fouten waarin schrijvers van alle tijden,
de besten niet uitgezonderd, somtijds vervallen zijn. Het verdiende zijnerzijds
die felle satire niet. Zijne roeping was, gelijk hij in zijne
teregtwijzing aan
Hildebrand gedaan heeft, de klippen van den dag aan te
wijzen: te deklameren over de schuld der eeuwen kon veilig aan anderen worden
overgelaten. Ja, zoo ver is hij mijns insziens, door die persiflage der
romantiek, afgeweken van den goeden weg, dat ik den indruk ontvang alsof hij
zelf niet regt wist wat hij wilde en de ware smaak hem somtijds begaf. Helaas,
de nederlandsche letteren hadden niet noodig, door hem gewaarschuwd te worden
voor buitensporigheden! De deugden der excentriciteit hebben haar nooit
versierd. Geel's invloed, vrees ik, heeft in dat ééne opzigt meer
kwaad dan goed gedaan.
Al wie, in eene goede hollandsche vertaling, gelijk er sommige
gevonden worden, wel eens een dialoog van Plato gelezen heeft, bemerkt
aanstonds, bij het bladeren in Geel's geschriften, dat die vorm hem meer dan
eenige andere toelachte; en in zoo ver is het Gesprek op den Drachenfels
misschien de zuiverste uitdrukking van het eigenaardige in zijne schrijfwijze.
Dat sprekend invoeren van min of meer denkbeeldige vrienden met klassieke
namen, Diocles, Charinus; dat splitsen van des auteurs eigen denkbeelden in
tweeën of drieën, zoodat niet hij zelf de persoon schijnt te zijn die
het onderwerp van verschillende zijden beziet, maar anderen dit doen in zijne
plaats, en hij nu en dan slechts eene nieuwe wending aan de zamenspraak geeft;
die ingehouden scherts, welke alleen van tijd tot tijd met een krachtiger en
ernstiger woord van rol wisselt; die gekuischte en sobere taal, welke niets | | | | zoo zeer schijnt te duchten dan een woord te veel te zeggen of een
verkeerd beeld te gebruiken; die stille toon, kortom, welke nooit hartstogt of
uitgelatenheid wordt, - hêt zijn even zoo vele kenmerken van den kunstig
nagebootsten platonischen stijl, en nergens treft men daarvan bij Geel zoo vele
voorbeelden vereenigd aan, als in dat opstel.
Ik zal mij wachten het berispelijk te noemen, dat Geel's
hollandsch somtijds sprekend op eene bepaalde soort van vertaald grieksch
gelijkt; maar ik mag de opmerking niet achterhouden dat, wie daarin de
hoofdverdienste zijner schrijfwijze stelt, hem miskent. Voor het gehoor van
onkundigen het proza van Plato na te bootsen, dit heeft, zelfs al geschiedt het
met zulk eene bedriegelijke volmaaktheid als in de geschriften van
Frans Hemsterhuis, in zichzelf even
weinig te beduiden als versjes te vervaardigen in den trant van
Jacob Cats. Ook geloof ik dat Geel, als
men hem een kompliment had gemaakt over het platonische in zijn stijl, zich
daardoor even weinig vereerd zou gevoeld hebben als iemand in gezelschap wien,
na het voordragen van een anders gedicht, waarin hij beproefd heeft zijne
geheele ziel te leggen, de lof verrast: Welk een geheugen!
Werkelijk was dat zoogenaamd platonische enkel iets
werktuigelijks: en niet hierin steekt Geel's voortreffelijkheid, dat hij zich
van dat idioom met zulk een gemak bediende, maar dat hij, in overeenstemming en
tegelijk in tegenspraak met dat gelijkmatige en rustige, zoo teekenachtig wist
te zijn.
In tegenspraak, ja; want als hij, ten einde Diocles eene definitie
van het romantisme te ontlokken, dezen, halfweg de wandeling in het gebergte,
uitnoodigt plaats te nemen op een granietblok, dan is daarin niets wat aan
Plato, veeleer iets wat aan de forsche luim van Ostade herinnert. En toch ook
weder geheel in harmonie met het platonische, want vóór men er
aan denkt is de steenklomp een Delfische orakeldrievoet, en Diocles een
manlijke Pythia geworden:
‘Digt bij de plaats waar wij stonden, lag een groote steen,
en daarnevens groeide heestergewas. - Zoo dikwijls ik hier kom, zeide Charinus,
wekt deze steen eene zonderlinge gedachte in mij op. - Wat dan? vroeg ik hem. -
Ik vermoed, antwoordde hij, dat het een overblijfsel is van een altaar, | | | | dat oudtijds op dezen berg moet gestaan hebben, bij het hol van den
Draak. - Ik ging er naderbij, en bezag den steen; maar het was een ruwe klomp,
en ik vroeg aan Charinus, of hij de oudheidkundigen van Bonn er reeds bij
gehaald had, om de sporen van eenig beitelwerk of opschrift te ontdekken. -
Neen, antwoordde hij: voor mij, hoe onzekerder, hoe liever, wanneer het
fantazie en gevoel geldt: en bovendien, zij zouden den steen naar het Muzeum
halen; en wanneer hij daar ligt, dan wekt hij die gedachten niet meer in mij
op: dan is die zoete mijmering voorbij: dan voert hij mijne verbeelding niet
meer naar die oude tijden terug. - Weet gij wel, vroeg Diocles, dat in overoude
dagen meestal orakels bestonden, waar een hol en een draak waren? Misschien
heeft hier ook eene Sibyl of Pythia gehuisvest. - In dat geval, antwoordde ik
hem, moet er, zoo het hol niet meer te vinden is, nog eenige profetische kracht
in den steen overgebleven zijn. Beproef het eens, en ga er op zitten: te Delphi
werkte het voorspellend vermogen óók van onderen op. - Daar zit
ik, zeide Diocles (en hij zat): het begint al te werken. Ik voorspel u, dat wij
zoo doende niet boven zullen komen. - Het is wel mogelijk, antwoordde ik, dat
dit een juiste blik in de toekomst is; maar gij handelt tegen den regel: gij
moogt niet voorspellen, vóór dat gij ondervraagd wordt. - Nu,
ondervraag mij dan, zeide hij. - Wat is Romantische poëzij? vroeg
ik hem. - Neen, zeide hij terstond, dat is óók mis: geen orakel
heeft ooit definitien gegeven, en bovendien behoort uwe vraag tot het verledene
en het tegenwoordige, en, zoo min mogelijk, tot het toekomende. - Ik begon het
reeds op te geven, toen Charinus mij te hulp kwam, en zeide: Het is evenwel zoo
verkeerd niet, dat onze vriend u deze vraag doet; iedereen heeft zijne eigene
gedachten over dat onderwerp, maar het blijft nogtans duister: het zou jammer
zijn, dat wij uw orakel niet beproefden: en waarlijk, die vraag staat wel met
de toekomst in verband: want indien wij een goede beschrijving van het
romantische door u ontvangen, dan weten wij, waar het op uit zal loopen, en
waarheen het ons brengen zal. - Goed, zeide Diocles, maar ik gevoel, dat deze
steen mij | | | | geen warme denkbeelden geeft, en dat ik niet veel meer
zal kunnen antwoorden, dan ja of neen. - Dat is genoeg, zeide
Charinus tot mij: het is regt in den ouden korten orakelstijl: lever gij maar
definitien: wanneer Diocles ja zegt, dan zijn wij er.
Dit viel tegen mijne verwachting uit: want ik had wel het een en
ander over die twistvraag gelezen, en de dichtsoort leeren kennen die ik meende
dat met dien naam bestempeld werd, maar het lag mij alles nog duister in het
hoofd, en mijne begrippen hadden zich nog niet tot een bestemd oordeel
gerangschikt. Daardoor kwam het waarschijnlijk, dat ik ongeschikte
omschrijvingen voorstelde. Ik begon: Is het romantische een
schrijfwijze, die van de oude klassieke daarin afwijkt, dat zij
het menschelijke hart beter doorziet: het goede van het kwade, het
schoone van het onbehagelijke, beter afscheidt: de driften en togten
beter beschrijft, en het zedelijk gevoel beter opwekt? - Diocles
antwoordde: neen. - Dat was geen kwade vraag, zeide Charinus, en het verwondert
mij, dat het mis is. Ga voort met vragen: hoort gij niet, dat zijne stem hol
klinkt? de orakelgeest stijgt in hem op. - Ik vroeg wederom: Is het eene
manier, die de natuur scherper bespiedt: hare geheimen met de
gewaarwordingen onzer ziel in een naauwer verband brengt: waarin het verstand
flaauwer, maar het gevoel sterker werkt: die alles tot poëtische
stoffe maakt, waar dat gevoel zich aan hecht? - Neen, was het
antwoord. - Charinus kon alweder niet zwijgen, maar zeide mij: Nu is het, alsof
gij met het orakel spot, en de Ouden niet gelezen hebt. - Ik ging voort: Is
het eene dichtsoort, waarin de liefde... - Neen, om 's hemels wil,
viel Charinus mij in de rede: doe toch betere vragen. - Nu, dan nog eens, zeide
ik: Is het eene poëzij, die beelden schept, buiten den
kring van al wat bestaat of bestaan kan: die in het wonderbare zweeft, en eene
tooverwereld schept? - Tegelijk met het neen van Diocles riep
Charinus mij toe: Hebt gij dan het eiland van Alcinoüs vergeten en de
tooverroede van Circe? - Wat is het dan? riep ik ongeduldig. - Niets,
antwoordde Diocles, terwijl hij oprees. - Niets? vroeg ik. - Wacht eens, zeide
Charinus: het laatste niets heeft geen gezag: want Diocles zat niet | | | |
meer toen hij het uitsprak: ik stond op deze helling, iets lager, en zag onder
hem door. - Goed! zeide deze; maar ik ga niet weder zitten: want uw orakelsteen
of altaar is vuil en al te koel.’
Bemerkt gij dat de schrijver al dien tijd met een afgetrokken en
ondankbaar onderwerp bezig is geweest, en hij nogtans uwe aandacht wist te
boeijen? Hetzij Geel die dwaze definitien der romantische poëzie al dan
niet uit maandwerken of voorredenen dier dagen woordelijk nageschreven heeft,
geen oogenblik hebt gij Diocles uit het oog verloren, heen en weder schuivend
op zijn geïmproviseerden profetestoel, en aarzelend te kiezen tusschen de
gril zijner vrienden en den killen opslag van den vochtigen steen. De gedachte
en het beeld zijn in uwe voorstelling onafscheidelijk zamengegroeid. Of, zoo er
nog iets aan de aanschouwelijkheid hapert, geef acht op de nieuwe en nog
vreemder houding, waarin gij een oogenblik later denzelfden Diocles aantreft,
zijne twee deftige vrienden tot navolging verlokkend:
‘Bravo! riep ik, dat is sterven: de Mazeppa van Byron,
Charinus, wint het u met moeite af. - Ik zag naar Diocles en meende zijne
toejuiching te zullen hooren, toen hij plotseling zich omwendde, met den rug
naar den Rijn gekeerd zich schrap zette als een schraag, zich voorover boog,
diep, het hoofd digt bij den grond. Ik schoot toe: want ik dacht dat hem iets
overkwam. - Wacht! riep Charinus, mij tegenhoudende; hij ziet tusschen zijn
beenen door: dat doen wij op de bergen wel meer, ofschoon ik het Diocles nog
nooit heb zien doen. Beproef het ook eens. -Ik gehoorzaamde eenigzins bevreemd;
maar Charinus ging mij insgelijks vóór: en zoo stonden wij alle
drie in zonderlinge houdingen. Het zou niet genoeg wezen te zeggen, dat ik
alles 't onderste boven zag; ik weet niet of de geperste stand, of eene
suizeling in het hoofd de oorzaak was, maar het scheen geene natuur meer, die
ik zag; het was eene nabootsing, eene schilderij, die men omgekeerd hield: de
omtrekken vertoonden zich minder scherp, en de tinten smolten zachter in
één. - Hoe bevalt u dat romantische gezigt? vroeg mij
Diocles, die zich weder opgerigt had.’
| | | |
O meester in het schilderen en het spotten! Ware het
romantische niet onsterfelijk, gij zoudt het gedood hebben; en ten eeuwigen
dage stond het menschdom, tusschen de beenen door, zich te vergapen aan een
zinsbedrog.
| |
IV
Geel's voorlezing over het reizen, welke in Onderzoek en
Phantasie voor het venster staat, vormt een zoo welgesloten geheel van
fraaije bladzijden, dat er voor den verslaggever niets anders overschiet, dan
hier en daar in den blinde, met het geloofsvertrouwen van een scheepsdokter uit
den ouden tijd, een greep in de medicijnkist te doen. Reeds door de
aankondiging van het onderwerp moet de bitterste vijand van nuts- en andere
verhandelingen zich verzoend gevoelen:
‘Met of zonder uw verlof zal ik mijn onderwerp zoo ver mogelijk
van hier zoeken, en een weinig over het reizen praten. Ik zou regt
hebben te zeggen, dat ik er over meê mag spreken: want ik heb tweemaal
gereisd, en vrij verre van huis; doch gij zoudt kunnen denken, dat er in die
praktijk velerlei manieren zijn, en een groote verscheidenheid van aanleg, om
naar behooren te reizen. Op de Alpen heb ik een Hollander ontmoet (wij zijn
hier onder ons, M.H!) die een der bergstroomen zag voortspoeden en, in zijne
wijze van verrukking uitriep: waar of al dat water blijft! Ik heb
anderen ontmoet, die in besloten koetsen voortrolden, en 's nachts al slapende
zoo veel wegs mogelijk aflegden. Ik voor mij ben met deze wetenschap op weg
gegaan, dat een stroom uit eene bron voortkomt en naar zee vloeit, en dat men
slapende de natuur niet zien kan. Of ik nog meer bekwaamheden op reis
medegenomen heb, mag ik zelf niet beslissen.’
Het is een vast kenmerk van al Geel's geschriften dat, als er eene
harde waarheid gezegd moet worden, hij nooit het harde woord schuwt. In het
bovenstaande komt die eigenschap niet uit, omdat de goedhartigheid der scherts,
of, gedoogt men die uitdrukking, hare leukheid, een ander diapason | | | | gebood. Des te krachtiger treedt zij aan het licht in deze half
weemoedige, bijna tragische, aan Pascal's verheven misanthropie herinnerende,
en in elk geval voor de menschelijke natuur weinig vleijende analyse der
beweegredenen, welke ons het reizen eene begeerlijke zaak doen achten:
‘Wat doet ons reizen? Wij willen zien, wat buiten den kring is,
waarin wij ons gewoonlijk bewegen. Daarmede geven wij te kennen, dat die kring
niet genoeg voor ons is: omdat hij niet genoeg voor ons is, zijn wij er niet
mede te vreden: en omdat wij er niet mede te vreden zijn, vervelen wij ons er
in. Valt mij nu niet in de rede, M.H! Het eerste punt staat door een
redeneringsreeks vast: verveling te huis. Zoo is het van de oudste
tijden af geweest. Zondert Ulysses uit, die nolens volens reisde, en bij
Calypso en elders de genoegens waarnam, die zich in het voorbijgaan opdeden.
Maar met Herodotus begint zeker de reeks van reizigers, die zich te huis
verveelden. Hoe kon hij immers, uit enkele nieuwsgierigheid, het schoone
Griekenland verlaten, terwijl hij wist, dat hij buiten deszelfs grenzen den
neus stekende, terstond onder barbaren zou rondwandelen? Het woord
verveling klinkt hard, M.H! wanneer men het lieve vaderland en de
geboortestad en den zoeten huiselijken kring er tegenover zet. Maar het harde
woord moest er uit; gij zult er aan gewennen. Altijd dezelfde vrouw en dezelfde
kinderen tegenover zich te hebben, moet vervelend zijn, men raakt er mede
uitgepraat. Beproeft het, wanneer gij een gezelschap aan uwen disch noodigt:
zet, naar oud-voorvaderlijk gebruik, echtgenooten of boezemvrienden naast
malkander, en er zal geen levendigheid van gesprek, maar tegen het nageregt,
veel verknepen gegeeuw zijn. En hij, die het genoegen van den huiselijken kring
mist: - waarom? dat is zijne zaak, - doch hoe zijne eenzelvigheid door
onbevoegden ook beoordeeld worde, hij zit van daag alleen, en hij zal morgen
alleen zitten, en dat is vervelend, al slaat hij dikwijls Cicero op, en leest
er, dat Scipio gewoon was te zeggen, nunquam se minus solum esse quam quum
solus esset. [Nooit minder alleen, dan wanneer ik alleen ben]: het is
snedig gezegd, maar Cicero en Scipio, en allen die het hun | | | | nazeggen, offeren veel waarheid, aan de woordspeling op. Mij dunkt, het
zou gemakkelijk te bewijzen zijn, dat men van zichzelven verveeld kan worden. -
Maar men mag zijn huis uitgaan? - Jawel! aanstonds dezelfde gevels van uwe
overburen in het gezigt: voor dezelfde glasramen moet gij uwen hoed afnemen:
dezelfde kennissen moet gij op straat groeten of aanspreken. Gaat gij buiten de
poort: - altijd hetzelfde Endegeest, en zoo gij digter bij huis blijft, altijd
dezelfde buitensingels, met staande of liggende boomen, naarmate de regering
snoei- of rooilust gevoelt.’
Het schijnt een zielkundig raadsel, hoe iemand die met den denker
van Port-Royal zoo zuiver en zoo diep gevoelde dat hetgeen de menschen tot het
zoeken van verstrooijing drijft, geenszins een onbestemd of instinktmatig haken
naar verandering tot iederen prijs, maar veeleer een gestadig ontvlieden van
zich zelf, een van zich afwerpen van het besef en den last hunner eigen
tegenwoordigheid is, - tevens zulk een blijmoedig en opgeruimd mensch is kunnen
zijn, als, in weerwil zijner inzigten in de magt der verveling,
Jacob Geel was. Doch men houde in het oog, dat hij nog
niet heeft uitgesproken! Eerst te elfder ure, als hij den kring der
menschelijke onvoldaanheid en van hare oorzaken tot aan de uiterste grenzen
doorloopen heeft, verraadt hij zijn geheim; of liever, noemt hij de kracht die,
als eene gaaf des Hemels, de inwendige bron der tevredenheid gestadig ontsloten
houdt:
‘“Bezigheid, zegt men, is het onfeilbaar geneesmiddel der
verveling, bezigheid van beroep of van liefhebberij.” Een
geneesmiddel? het is mij wel: maar onfeilbaar! Ik heb niet noodig
allerlei bezigheid op te noemen, en te beproeven hoe sterke middelen zij zijn.
Ik herinner u slechts, dat men dikwijls van vervelend werk,
vervelende bezigheden, vervelende ambten hoort spreken. Werk van
liefhebberij, wanneer het den geest bezighoudt, is verterend of voortbrengend.
Verteren is lezen. Wanneer men nu de literatuur van een paar
goede tijdvakken kent, zegt, M.H.! welk nieuws een derde zal opleveren. Het
zijn altijd dezelfde woorden, maar eenigzins anders geplaatst, dezelfde
gedachten, met wat meer orde of wanorde geschikt. Toen de kaleidoskoop
uitgevonden, ten | | | | minste in alle huizen gevonden werd, en ik het
ding zag, dacht ik: “daar ga ik zeker acht dagen meê zitten te
draaijen en te kijken!” - en zoo dachten er velen, maar het waren altijd
dezelfde snuisterijtjes, in dezelfde bus rondwentelende: en toen men dat begon
te bemerken, geloof ik dat men het instrument aan de kinderen overgelaten
heeft. - Ik neem de vrijheid, M.H.! u de vergelijking van de fraaije letteren
met den kaleidoskoop aan te bevelen: denkt er eens over na. - Van de
geschiedenis spreek ik niet eens. Een oostersch vorst (zijn naam doet
niets tot de zaak: ook ken ik dien niet) die veel historie weten wilde, maar
tegen den berg historische boeken opzag, zette al de geleerden van zijn rijk
aan den arbeid, om uittreksels te maken. Toen zij gereed waren, vond hij hunne
pandekten nog zóó dik, dat hij alweder inkorten liet, en daarna
nog eens, ten derden male. Hoe lang die arme inkorters gezwoegd hebben, weet ik
niet, maar wel, dat de bekwaamste van allen, die er in eens af wilde zijn, aan
den vorst zeide: “Sire! wij hebben nu zoo veel ingepalmd, als mogelijk
was: wat er overblijft, is: ken u zelven.” Rekent nu eens,
M.H! hoe doodelijk vervelend het is, altijd te lezen: ken u zelven! -
Voortbrengen schijnt onderhoudend en eene altoos vloeijende bron van
genoegen, zelfs wanneer men voortbrengt, wat anderen vervelen zal. Men brengt
voort om voordeel, of om eer, of uit liefde tot het voortbrengen. Het eerste is
eene noodzakelijkheid; het tweede levert muffen wierook van recensenten of
letteroefeningen: staat dien eens lang door, zoo gij kunt! - Het derde? ik heb
er eerbied voor, M.H! - wie voortbrengt, omdat het voortbrengen hem een genot
voor den geest is, hij mag te huis blijven en behoeft niet te reizen.’
Die laatste wending is als geknipt om een denkbeeld te geven van
Geel's humaniteit. Hij is nooit een profeet geweest, nooit een apostel, nooit
een zedeleeraar; ook niet in den verheven zin welke meer algemeen aan die
benamingen gehecht zou worden, indien zij minder vaak misbruikt werden. Maar
zoo hij nergens de vlugt van
Pascal of ook maar van
Vauvenargues neemt, er staat tegenover dat hij nergens
in het stelselmatig verhevene van
Montaigne of
Larochefoucauld ver- | | | | valt. Hij is een
middenman, maar een beminlijk en diepzinnig middenman. Zonder genade voor de
laagheden, waartoe de menschelijke natuur in staat is; onverbiddelijk, als het
er op aankomt de maskers op te ligten of de sluijers te verscheuren, waarachter
zich onder den naam van reislust het gevoel van wanbevrediging verbergt,
hetwelk de meeste menschen tot uithuizigheid verleidt, - weet hij nogtans
één klasse van thuisblijvers te sparen, en verbindt aan het lot
dier bevoorregten de hoogste lofspraak. Doch verg nu ook niet van hem, dat hij
over dat onderwerp zal uitweiden! Wat hij er van gezegd heeft, heeft hij
gezegd. Geen woord meer over die verveling. Daarmede is eens voor al
afgerekend, en wij zijn aan de menschekennis genaderd, welke men al reizende
opdoet:
‘“Onze beste kennissen, die wij bijna dagelijks zien, die
kennen wij”, zegt gij. Zoo meent gij, M.H! maar gaat er mede op reis: dan
zult gij nog meer leeren. Gij zult elkander alle dagen (met verlof) tot op het
hemd bekijken. Ik bedoel niet het gezamenlijk naar bed gaan: want men kan zich,
ieder in een afzonderlijk vertrek, ter slaap begeven. Ik spreek overdragtelijk,
M.H! en ik doel op het fransche spreekwoord: il n'y a pas de héros
pour son valet de chambre. Verholen deugden of kleine zwakken en gebreken
komen voor den dag, bij hen en bij u. Er is op reis allerlei beproeving voor
het humeur; er is teleurstelling en gemelijkheid; er is hoop en vrees, moed en
bangheid; en dit alles met oneindig grooter snelheid van afwisseling, dan gij
ooit te huis kunt ondervinden. Wees zoo befaamd een held als gij wenscht: rok
en broek moeten uit, en gij staat voor uwe reisgenooten in het hemd. - Ik ben
met twee vrienden op weg geweest en had ligte ongesteldheden in het Schwarzwald
en te Genua: ik ondervond dat zij belang in mij stelden: want zij bezorgden
mij, alsof ik gevaarlijk krank was. Wij bezochten in het Walliserland de
Pissevache, een beroemden waterval, dien gij overal beschreven kunt vinden.
Wanneer gij al die beschrijvingen zult gelezen hebben, en de mijne er bij (zoo
ik er het talent toe bezat), gaat dan evenwel naar het land der watervallen. Al
het geklots en gespat en gebruisch, waarmeê | | | | gij in die
beschrijvingen om- en overplast wordt, - het mag misschien bewijzen, dat er een
onderscheid is tusschen poëzij van het hart en poëzij der zintuigen;
maar gij zult er niet verder meê komen. Gij zult daarbij niets gewaar
worden van die magt, waarmeê de denkbeelden der majesteit, der hoogste
levenskracht, der eeuwige duurzaamheid, uwe ziel van iedere gedachte aan haar
zelve ontledigen, en ze toch niet vervullen, omdat die zamengevatte denkbeelden
overweldigend maar onbestemd zijn, en u doen gevoelen, dat u iets ontbreekt, en
dat gij iets hoogers behoeft, wat deze omringende zinlijkheid u niet geven kan.
Bij zulk een schouwspel zult gij niet spreken noch zingen, maar gij zult er
sprakeloos bij staan, zoo lang uw wegwijzer niet zegt: Allons,
messieurs, avançons! - Zulk een waterval is echter die
niet, waar ik van spreek: gelukkig voor de poëzij, en voor den
aanschouwer, die de onaangename slingering niet ondervindt tusschen stomme
bewondering en het zoeken naar het tertium comparationis der benamingen.
- Bij dezen val ligt een heuvel, M.H! waarop men digt bij den rotswand staat,
waarlangs de stroom nederdaalt, en in de diepte ziet, waar het water, omdat de
stroom niet rijst en de hoogte aanmerkelijk is, in druppels en schuim als
sneeuwvlokken nederploft. Het beklauteren van dien heuvel was moeijelijk, M.H!
omdat hij steil is, en het waterstof, uit de rotsspleten teruggekaatst, den
grazigen kruin gedurig besprengt en glad maakt. Wij hadden er boven op gestaan,
en begonnen aan den anderen kant af te dalen, voorzigtiglijk, voet voor voet,
toen ik - : niets van belang M.H! ik miste mijn portefeuille met mijn
aanteekeningen. Ik liet een kreet hooren en keerde terug, denkende: met ons
drieën zullen wij het ding wel terugvinden. Ik was voorop en vond de
portefeuille bij het punt der eerste bestijging en riep uit: Daar heb ik ze!
- maar er was niemand achter mij: mijne vrienden waren aan den anderen kant
reeds op gelijken vloer. Ik besloot daaruit, dat zij aan zulke nietigheden
minder hingen dan ik, en leerde hen en mij beter kennen’.
Niet waar? er heerscht bevallige harmonie tusschen het verhaal
dier verloren reisaanteekeningen en dat praten over | | | | het reizen; en
ofschoon de auteur zichzelf niet met gemaakte nederigheid laagstelt, gevoelt
gij niettemin dat, als hij van de onverschilligheid zijner reisgenooten en
vrienden voor het geleden verlies gewaagt, hij het eerlijk meent. Of zoo die
lof te flaauw klinkt, er straalt in hetgeen hij eene bijdrage tot bevordering
zijner menschekennis noemt, eene beschamende zelfkennis door.
Aanstonds heeft hij eene nieuwe luimige anekdote bij de hand:
‘Ik was op de stoomboot van Villeneuve naar Genève, en
werd door een heer in het Duitsch aangesproken, met wien ik in die taal een
langdurig gesprek voerde. De togt over het schoone meer leverde stof in
overvloed op. Het doorschijnend smaragd-groen water, waarvan men den bodem zien
kan, tot op dertig voet diepte: de zachtrijzende noordkust met haar rijken
akkerbouw, en het vrolijk liggende Lausanne, sterk gekleurd door een gloeijend
zonlicht: de sombere zuidkust met haar steile oevers, en het verder wegwijkende
Savoysche gebergte, reusachtig en graauw, met donderwolken op de toppen bedekt;
regts rijkdom en welvaart, links stoute natuur, maar schrale bodem, door geen
nijverheid verholpen: hier de vrucht eener milde regering, ginds de
uitwerkselen eener kleingeestige - een oogenblik, M.H! over staatkunde laat ik
mij van avond niet uit - maar toch, dit alles hield ons gesprek aan den gang,
en ik dacht: Hoe levendig gevoelt de Duitscher alles wat hem treft! Dit heeft
hij boven ons vooruit! - Deze tusschengedachte gaf misschien aanleiding, dat ik
weldra van Holland sprak, en door mijn man gevraagd werd: “Um Vergebung,
haben sie vielleicht Holland bereiset?” Ik antwoordde: “Freilich,
wenn nur ein Holländer so behaupten darf.” - “Dan kunnen wij
het ons nog gemakkelijker maken, mijnheer”, zeide hij: “want
ik ben een Rotterdammer, en hield u voor een
Franschman.”’
Wanhopige citatendwang! Wie van dat koddig misverstand leest, zal
er om glimlagchen; maar zal hij ook de naauwkeurigheid op prijs stellen
waarmede hier, als tusschen twee komma's, de tegenstelling tusschen de beide
oevers van het | | | | Meer van Genève geschilderd is? Toch is niet
het geringste blijk der kunst, waarmede Geel zijne verhandeling over het reizen
zamenstelde, dat, in stede van zijne hoorders of lezers met opzettelijke
natuur- en plaatsbeschrijvingen te vermoeijen, hij het verhaal van al het
schoone of eigenaardige, wat hij in Zwitserland en Noord-Italie zag, telkens
slechts als kader of aanloop laat dienen voor de menschkundige opmerking die
hij in petto houdt, of voor de reisles die hij ten beste geeft.
Nog slechts deze aanteekening, geschreven op den Mont
Brevèn, aan de zuidzijde der vallei van Chamounix, waar het panorama der
toppen van den Mont Blanc zich regts en links voor den reiziger uitbreidt en
hem in verrukking brengt:
‘Wanneer gij, in Noord-Holland, M.H., een frissche boerenmeid
onder een koe ziet zitten, en zij u vergunt een teug melk uit haren nap te
drinken, dan denkt gij: “Neen, dit genot levert Holland
alléén op.” Een vooroordeel, M.H! [een van de vijf, welke
de schrijver al reizend leerde afleggen]. Gaat naar den Châlet de Pamprai
en gij zult u bekeeren; op die rotsen, in dien hoogen dampkring, groeijen
geurige kruiden, die het rundvee afweidt, en een melk geeft, - M.H! het is geen
honger en dorst en uitputting van krachten, zooals zij den koning van Perzie op
roggebrood onthaalden, en die nu misschien zoo smakelijk maken, wat zeer gewoon
is. Indien ik de stoute wendingen van sommigen dorst na te volgen, die bekende
dingen met onbekende vergelijken, om zich regt begrijpelijk uit te drukken, dan
zou ik zeggen: Zulke nektar dronken de Goden!’
Hoe het komt kan niemand uitleggen; maar er is in de wijze, waarop
Geel zulke dingen zegt, iets wat enkel hèm toebehoort en den meester
verraadt. Dien uitval tegen het vergelijken van het bekende met het onbekende,
ten einde zich regt begrijpelijk te maken, bedoel ik niet zoo zeer. Ook een
begaafd leerling zou dergelijke wending kunnen bezigen. Maar te
zeggen:‘Wanneer ge in Noord-Holland een frissche boerenmeid onder een koe
ziet zitten,’ - zulk schilderen met één trek is de zegepraal
van den door zelfverloochening bevochten eenvoud.
| | | | | |
V
Al heb ik het zelf daareven gebezigd, ik zou niet in staat zijn de
beteekenis van het woord‘leuk’ behoorlijk te omschrijven. De Engelschen
zeggen luke-warm. Maar wij Hollanders denken niet aan spijzen, aan
zekere temperatuur. Bedoelen wij er de uitdrukking van iemands gelaat mede, dan
beteekent leuk in onzen mond hetzelfde als onvertrokken. Denken wij aan iemands
geest, dan achten wij het woord gelijkluidend met onderdrukte of ingehouden
scherts.
Leuk, in dien zin, is de scherts van
Jacob Geel. In de voorafspraak zijner verhandeling
over het reizen zegt hij:
‘De Leidsche Afdeeling onzer Maatschappij houdt eenige avonden
des winters openbare vergaderingen, waarin een spreker, somtijds twee sprekers
optreden, de tweede na den eersten.’ Studentikoos gesproken, is dat
bijvoegsel niet meer dan eene flaauwiteit. Maar als men weet, hoe weinig Geel
met Maatschappijen van Kunsten en Wetenschappen ophad, en hoe hij de valsche
deftigheid haatte, welke daar haar zetel pleegt op te slaan, dan leest men er
eene stille satire uit. Wel moet het boven alle beschrijving ordelijk en
geregeld in leesvergaderingen toegaan, waar de alleenspraak eene wet van Perzen
en Meden is; waar de tweede spreker nooit den mond opent, vóór de
eerste amen heeft gezegd!
‘Een oostersch vorst (zijn naam doet niets tot de zaak: ook ken
ik dien niet) die veel historie weten wilde’... Ook dit voorbeeld is
karakteristiek. Er wordt weinig moeite of kunst vereischt, om te zeggen dat men
iemands naam niet kent; en menigeen, het vak niet meester, zal de wending
misbruiken, om of zijne gemaakte nederigheid ten toon te spreiden, of zijne
lompheid te verbergen. Maar in Geel's mond is zij een omfloersde kritiek van
den wansmaak die het publiek met uitheemsche namen zand in de oogen strooit, en
zichzelf een schijn van geleerdheid geeft.
Uit zijn
‘Tafelgesprek over zaken van groot gewigt’ wensch ik te
bewijzen, dat hij die kunst van spreken en schrijven langs den neus weg, gelijk
men zegt, ook in het breede verstond:
| | | |
‘Wat zegt gij van die prijsvraag, vroeg ik aan Acilius, die naast
mij zat aan den maaltijd te Amsterdam, nadat de algemeene vergadering der
Maatschappij gehouden was. Was het niet van belang dat men vroeg: of de
theorie van het Chinesche schrift bruikbaar zou zijn voor onze westersche
talen, en of men hiervan eenige voordeelen zou kunnen verwachten voor de
meer algemeene verbreiding van wetenschappelijke kennis? - Eenige Chinaas
appelen zouden bruikbaar wezen, antwoordde Acilius; ik mis ze ongaarne op dezen
rijken disch; maar hoe meer men heeft, hoe meer men vraagt. - Ik werd bijna
ontstemd, omdat hij dit gesprek scheen te ontduiken; want ik had niet bemerkt,
dat de Heer Quaestor, die aan het buurten was, achter op mijn stoel leunde. -
Ik meen te hooren, zeî Quaestor, dat gij zamen bezig zijt over de vraag,
die ik in mijne afdeeling voorgesteld heb, maar die ongelukkig dezen morgen
niet gekozen is. - Waarom ongelukkig? vroeg Acilius. - Wel, was het
antwoord, ik heb juist geen al te groot zwak voor mijne eigen opstellen, maar
het is toch een stil genoegen, wanneer men aanleiding geeft tot een goed
geschrift, en de behandeling van een moeijelijk onderwerp uitlokt. - Jawel, het
was een chinesche lokvink, hervatte Acilius; kent gij Chineesch? - Neen, maar
er zijn meer anderen in hetzelfde geval, en ik vermoed zelfs dat men
bezwaarlijk hier te lande iemand vinden zal, die het verstaat. - Dan moet de
vraag door een Chinees of door Abel Rémusat beantwoord worden. - Ik weet
niet, zeide hierop Quaestor, of onze vragen tot Parijs en Peking doordringen;
maar zoo gij u de mijne herinnert, dan weet gij ook, dat ik slechts naar de
theorie van het Chinesche schrift vraag. - Maar kent gij dan de theorie
van het Chinesche schrift? vroeg Acilius. - Die is zoo moeijelijk niet,
antwoordde Quaestor; de Chinezen schrijven geene klanken, maar zaken; of met
andere woorden, zij schilderen hunne gedachten. - Weet gij ook, hoe zij dat
doen? vroeg Acilius wederom. - Gij schertst, Acilius, was het antwoord: want
wie onzer heeft geen Chineesch schrift gezien? het heeft iets bevalligs voor
het oog, door symmetrie en kracht van trekken... Het is hier verschrikkelijk
warm; ik ga buiten een | | | | luchtje scheppen. - Nog even, zeide
Acilius, en hield hem bij een pand van zijn rok: gij bedoelt toch zeker iets
meer, dan die symmetrie en kracht van trekken, en gelooft toch niet dat
hierin de theorie van het Chinesche schrift bestaat? - Ik heb het u reeds
gezegd, antwoordde Quaestor; zij schilderen hunne taal, en dit is zulk eene
eenvoudige manier, zóó door de natuur aangewezen, en
zóó onafhankelijk van buiging en voeging en klank van woorden,
dat zij verdient algemeen te worden. - Ik begin nu te begrijpen, zeide Acilius,
dat uw vraag bij de IVde klasse van het Instituut te huis behoort, en het best
door Humbert of Moritz beantwoord zal worden. Maar het bevreemdt mij, dat de
Chinesche boeken zoo onverstaanbaar voor ons zijn, en hoewel zij de zaken
schilderen, zooals gij zegt, ik echter geen enkele figuur herken. Welligt komt
dat hier van daan, dat in China alle dingen er geheel anders
uitzien dan bij ons. Maar hoe dit ook zij (want ik ken China in het geheel
niet), uw vraag bevat velerlei nut: want zij moet de lithographie doen
bloeijen, en de graveerkunst ook, over wier verachtering wij zoo bekommerd
zijn, dat er gisteren avond, in de Bestuurs-Vergadering, twee vragen tegelijk
over voorgesteld werden; eindelijk ook de schilderkunst zelve. Want zij, die
eeuwig schrijven, zullen lithographiëren; boeken van geleerdheid en fijn
oordeel, die zoo spoedig niet zamengesteld worden, doch wier maker een man van
smaak is, wiens verstand moeijelijk voldaan kan worden door iets, dat het
zintuig zijner oogen beleedigt, zulke boeken zullen het graveerijzer
bezighouden: boeken van vertooning eindelijk, waarvan men zou kunnen zeggen,
dat zij representeeren, voornamelijk die, waarvoor de maker, zooals van
zelfs spreekt, onderscheidingen ontvangt, die hem in voordeel en eer van het
overige gemeen onderscheiden, zulke moeten met penseel en olieverw gewerkt
zijn. Een bibliothekaris zal, in het vervolg, niet meer van folio en quarto en
octavo spreken, maar van steenwerk, koperwerk, doekwerk. Gij hebt zelf, geloof
ik, nog niet berekend, mijn lieve Quaestor, hoe ver uw vraag zich uitstrekt: de
geheele klasse van letterzettende en boekdrukkende menschen zal tot de
beeldende kunsten opklimmen; boekverkoopers worden kunst- | | | | koopers:
uwe vraag zal eene revolutie in de standen en rangen teweegbrengen. - Dat is
een vreemde blik in de toekomst! antwoordde Quaestor; doch gij toont, op zijn
minst, dat gij mijn vraag niet begrijpt. De Chinezen teekenen de dingen niet,
zooals zij zijn.-Ze teekenen ze dus, zooals zij niet zijn? vroeg ik. - Laat mij
uitspreken, zei Quaestor: wanneer zij het woord boom willen schrijven,
dan teekenen zij geen stam en takken en bladeren: want dit zou te lang
ophouden; maar b.v. een loodlijnig streepje. Nu stel ik, dat zij een
treurwilg schrijven, dan komt er een dakje op dat streepje, van
nederhangende streepjes aan weerszijde; willen zij van een populier
spreken, dan zullen die zij streepjes, weerzijds, in eene omgekeerde rigting,
naar boven gaan, enz.; doch het verstaat zich van zelf, dat zulk eene
gelijkenis niet altijd kan bewaard worden: want hoe zouden de Chinezen anders
zich redden, wanneer zij afgetrokken denkbeelden wilden uitdrukken? - Gij
voorkomt mijn zwarigheid, zeide Acilius: ga voort. - Wanneer men b.v.
deugd denkt, is niets eenvoudiger, dan een cirkeltje te schrijven (ik
heb wel in het Chineesch niet veel cirkels ontdekt, maar ik spreek nu van de
theorie en van de toepassing op de westersche talen); volmaakte deugd
zou men kunnen voorstellen door een cirkeltje met een stip er in voor
middelpunt. - Dat begrijp ik zeer goed, nam ik de vrijheid op te merken: het is
alsof men zeide “daar ligt het centrum! steek er uw passertje gerust in,
en beproef maar of het cirkeltje niet zuiver is.” - Dit had ik er niet
eens bij gedacht, zeî Quaestor; doch gij hebt gelijk, en gij ziet tevens,
hoe redelijk zulk een theorie kan wezen, en welk een helder denkbeeld en
afgeronden volzin deze eenvoudige figuur kan voorstellen. - Ik begin
langzamerhand het gewigt van uwe diep doordachte vraag te gevoelen, zeide
Acilius, en wat gij onder de theorie van het Chinesche schrift verstaat,
is mij nu bijna helder. - Dat is mij aangenaam, antwoordde Quaestor; er is
echter zooveel niet bij verloren, wanneer zij een volgend jaar eerst
uitgeschreven wordt: de wetenschappen gaan wel wat al te langzaam, maar toch
zeker vooruit; doch ik vrees dat mijne openstaande zitplaats door een anderen
ingenomen zal wor- | | | | den, wanneer ik zoo lang rondwandel. - Geen nood !
zeide ik, wij zullen er u iure postliminii op terug brengen. -
Intusschen had Acilius aan Quaestor een snuifje aangeboden, die zelden hiervan
gebruik maakt, en nu ook sterk stond te niezen, zeggende dat dit kruid een
enkelen keer de levensgeesten opwekt, en aan een laat middagmaal de
slaperigheid weert. - Ieder volk heeft zijn gewoonten, zeide ik, en zijne
aanwendsels: de Chinezen b.v. zijn verzot op slaapgoed. - Recte mones,
riep Acilius uit: neen, mijn lieve Quaestor! ik laat u niet los, eer gij mij
nog een paar inlichtingen gegeven hebt. Gij vraagt, of de theorie van het
Chinesche schrift bruikbaar zou zijn voor de westersche talen; wat
bedoelt gij met westersche talen? - Wel! niets is eenvoudiger dan mijn
bedoeling: ik bedoel al de talen, die men niet onder de oostersche begrijpt, of
liever, al de talen, die in Europa gesproken worden. - Dit begrijp ik zeer
goed, zeide Acilius; misschien zondert gij evenwel het Turksch uit, voor zoo
verre het in Europa gesproken wordt. - Natuurlijk, antwoordde Quaestor ; maar
die uitzondering zal ééns ophouden, wanneer de Turken uit Europa
verjaagd zijn. - Maar wat ik niet begrijp, ging Acilius voort, is waarom gij,
in dit vraagstuk, de westersche talen van de oostersche onderscheidt. Houdt gij
het reeds voor uitgemaakt, dat de theorie van het Chinesche schrift voor de
oostersche talen bruikbaar is? - Neen, antwoordde Quaestor twijfelend; ik heb
eigenlijk hierover niet nagedacht; maar (ging hij met vertrouwen voort) het is
beter aan de vraag geen al te grooten omvang te geven, en over de oostersche
talen kan ik niet oordeelen ; ik versta er geen eene. - Dit geeft een bewijs
van uw verstand en voorzigtigheid, zeide Acilius, en toen gij gevraagd hebt
naar de bruikbaarheid voor onze westersche talen, hebt gij zeker die
Europesche talen alleen bedoeld, waarmede gij bekend zijt; of kent gij ze
allen? - Zeker niet, antwoordde Quaestor. - Maar, mijn lieve Quaestor, vroeg
Acilius hem wederom, hoe zal de beantwoorder weten, welke talen gij kent en
bedoelt?- Quaestor overwoog deze vraag een oogenblik, en antwoordde toen: nu,
men zou duidelijkshalve eene verandering in de vraag kunnen maken, en in plaats
van voor onze westersche
| | | |
talen, schrijven: voor
de meest bekende westersche talen. - Gij weet te geven en te nemen, zeide
Acilius, en wanneer men met u een zaak behandelt, vordert men...’
| |
VI
Bij niets van hetgeen ik in vroeger of later tijd over
Bilderdijk gelezen of geschreven heb,
kan ik het hoofd zoo rustig nederleggen, als bij de twintig korte bladzijden
uit Onderzoek en Phantasie, waar
Geel, in zijn
‘Iets opgewondens over het eenvoudige,’ de schimmen van
Bilderdijk en
Schiller in eene soort van Elyzeesche velden een
gesprek laat voeren:
‘Wie wandelt daar in die schoone streek? Ik herken het bevallig
oord niet. Maar wie is hij? Hij schijnt zelf hier nog vreemdeling te wezen. Hij
ziet rond: maar het is een blik die verslindt; een vonkelend oog onder dien
ruigen wenkbraauw. Over het geelbleeke gelaat zweeft een pijnlijke trek. Is het
ontevredenheid? Is het een onvervulde begeerte? Is het een rusteloos jagen van
het genie, dat alles omvatten wil, maar geklemd wordt tusschen bewustheid van
kracht en een kwalijk onderdrukt gevoel van onvermogen?’
Dat is Bilderdijk.
‘Maar het oord is niet onbewoond. Ginds wandelen nog andere
gestalten. Ik zie er eene naderen. Ziet dien minder stroeven leest, die mildere
gelaatstrekken: het levendig, maar teeder oog, dat alle voorwerpen zwelgt, die
zijn rijke geest tot dichterlijke grondstoffe verwerkt.’
Dat is Schiller.
Hun gesprek, dat aanvankelijk over afgetrokken zaken geloopen had,
- over het eenvoudige als kenmerk van het schoone, over de regten der
verbeelding in de poëzie, - neemt, wanneer Bilderdijk verklaart zekere
wijsgeerige stelling van Schiller niet regt te begrijpen, eensklaps eene andere
wending en wordt personeel.
‘Niet begrijpen ? Dat komt, - valt Schiller uit, - dat komt van
dien mist van uw Hollandsch Boeotie. Die nevel belet uwen landaard, iets anders
te zien dan het materiële: | | | | daaraan houden zij zich allen
vast, in letteren en in kunst. Van daar die gemeene vorm in meest alle hunne
werken; want een gemeen talent zal de edelste stoffe door een gemeene
behandeling onteeren; maar een groot talent, en een edele geest, zullen het
eenvoudige, zelfs het gemeene, weten te veredelen. Een alledaagsch
geschiedschrijver zal de nietigste verrigtingen van eenen held even zorgvuldig
opteekenen als zijn verhevenste daden, en even lang vertoeven bij zijn
geslachtslijst en huishouden, en bij de knoopen van zijn rok, als bij zijn
ontwerpen en ondernemingen. Zóó doet hij, omdat hij een gemeenen
smaak heeft, evenals een smakeloos schilder, die zich op de gemeenste
voorwerpen met zijn naauwkeurig teekenkrijt afslooft, en zoo hij er, bij
toeval, een edeler gekozen heeft, alle waardigheid er van wegpenseelt. En dit
zult gij mij toestemmen, hoe gramstorig gij ook schijnt te worden: want het
geheele geslacht, waarmeê gij geleefd hebt, hebt gij altijd gevloekt en
verwenscht. Gij hebt niets goeds in hen gevonden, en zelfs hen, die uwe werken
bewonderden, en daardoor ten minste toonden, dat zij op den goeden weg waren, -
ook die hebt gij van u gestooten.’
Denkt gij dat Bilderdijk den strik bemerkt, waarin Schiller hem
lokken wil? In geenen deele; ofschoon de strik welgemeend was en alleen een
broederlijk verwijt bedoelde. Als van ouds door den hartstogt medegesleept, en
om zich te zuiveren van eene blaam die hij meende dat op anderen teruggeworpen
moest worden, barst hij los:
‘Ja, ik heb ze verstooten, omdat zij zingend en dansend uwe
landslieden bij zwermen inhaalden, die zich gouden en zijden dagen in ons
Schlaraffenland beloofden, - en ze vonden! Ik heb ze verstooten, die hunne
kinderen naar uw vaderland ter opvoeding zonden, om ze als ganzen terug te
ontvangen, en opgeblazen, en vervuld met minachting voor alles wat Hollandsch
was. Van daar die verwoesting van den goeden smaak en van onze schoone
moedertaal, tot onkenbaarheid toe verbasterd. Van daar die verknoeijing in
uitspraak en stijl, die tot brakens toe walgen doet. Toen alles rondom mij
flets en flaauw werd, en het vergif der sentimentele wartaal doordrong, heb
ik toen het geneesmiddel niet toegediend? Heb ik ooit de zieken
ontzien, | | | | of hen door eene weekelijke behandeling bedorven? Heb
ik den standaard niet opgehouden, toen allen wankelden, omdat zij
ongewoon geworden waren op eigen beenen te staan, en, beschaamd over hetgeen
van de Fransche dichtkunst geworden was, aangrepen wat zij konden? Doch wat
heeft het geholpen? Een gering getal hoorde mij: waanwijzen, die mij niet
begrepen, beoordeelden mij; die mij navolgden, werkten zonder kennis van taal,
zonder diepte van studie, zonder rijkdom van gedachten. Men zou tot de natuur
terugkeeren! die meende men in de werken der Ouden, misschien ook in de mijne,
te zien. Alweder dweepen met natuur, dweepen met eenvoudigheid! Maar hunne
eenvoudigheid was een dom en laf gebeuzel: een miskenning van de oneindige
verscheidenheid en heerlijkheid der natuur, een misselijk kaauwen en herkaauwen
van opgewarmde, en vermufte, en weder opgewarmde spijs. Wat zij
verbeelding noemden, was een onnoozel kinderspel: het kwikkwakblazen van
vorschen in een poel’...
Men wijte het
Geel niet, zoo deze bladzijde een onaangenamen indruk
maakt. Zij is van het eerste tot het laatste woord zuiver bilderdijksch
gedacht, en bilderdijksch van uitdrukking. Geen parodie, en nog veel minder een
paskwil, maar eene door kunst volmaakte nabootsing der natuur. Bilderdijk's
idealen, Bilderdijk's heimwee, Bilderdijk's zeggingskracht, Bilderdijk's
hooghartigheid, Bilderdijk's minachting, Bilderdijk's waanzin, van alles is in
die ééne bladzijde iets gemengd en tot een geheel vereenigd. Ook
iets van zijn waanzin: want
Bilderdijk was bijwijlen, evenals
Rousseau, buiten zichzelf, en deraisonneerde zonder
het gewaar te worden. Geel teekent hem naar het leven, als hij in zijn
onderhoud met
Schiller hem zich laat vastpraten en, in strijd met
zijne bedoeling, hem juist datgene laat zeggen wat hij in de eerste plaats voor
zich had behooren te houden:
‘S. Waartoe maakt gij u zoo boos? wij zijn het immers eens?
- B. Eens? dat is onmogelijk! - S. Wel, ik heb op uwe landslieden
gescholden: gij ook; ik heb hen flets genoemd: gij
dom: ik alledaagsch: gij laf; ik heb hun droomerigheid
verweten: gij hebt hun eene nachtmuts opgezet!
Zij staan stil en zwijgen. Zou hun gesprek hier eindigen? | | | | Schiller ziet rond; hij spreekt. - S. Is hier iemand die voor uw volk
pleiten wil? - Bilderdijk zwijgt. - S. Mijn hart werd zoo warm, toen ik dat
oude tijdperk uwer geschiedenis te boek stelde, en mij verbeeldde
geschiedschrijver te zijn, omdat ik zulk eene heerlijke stoffe bearbeidde. Dat
tijdperk van kracht en hooge eenvoudigheid hebt gij menigmaal bezongen, niet
waar? Uw hart stroomde er altijd van over. Gij hebt het beschreven en
geschilderd. Is het niet zoo? - Bilderdijk zwijgt. - S. Uw volk is magtig en
rijk geworden : het heeft aan overvloed en weelde tol betaald! Maar het is
ongelukkig geworden ; - en het heeft zoo geleden! Toen hebt gij hen getroost:
hebt gij niet? Toen hebt gij geleden met de lijdenden, en uwe zangen waren
balsem voor hunne smart? - B. Willen wij niet wat voortwandelen? - S. Gij hebt
bestraft; maar hebt ook minzaam vermaand en geholpen: niet waar? want gij
tastte in uw eigen boezem, waar gij den hoogmoed en de eigenliefde onderdrukte.
Maar toen een gunstiger lot hun ten deele werd, en uw vaderland eer genoot,
toen hebt gij gejuicht? - hebt gij niet? want gij hadt eene groote ziel,
die kleine teleurstellingen kon vergeten, en vrolijk kon zijn met de vrolijken?
- B. Het lang staan wordt mij moeijelijk. - S. Gij hadt gevoel: want gij hebt
het dikwijls betuigd: en gij hebt het nooit aan uw schitterend kunsttalent ten
offer gebragt. Het was die weldadige warmte, die koestert en kweekt: die het
harde verzacht, en de scherpte der ijzerkleur tempert met bevallige tinten. Gij
hebt nooit aan anderen opgedrongen, dat gij den smeltenden omtrek eener Venus
voorstelde, wanneer de gespierde Hercules u voor den geest was. De afdwalingen
der kunst hebt gij nooit met magtspreuken gewraakt, maar met helder onderrigt
hebt gij teregt gebragt die doolden: want gij deedt het uit liefde voor de
waarheid! Nooit heeft in uw hart de wangunst gewrokt: nooit hebt gij
geveinsd te weten, wat gij niet wist. Aan het edele, dat in uwe ziel
was, hebt gij eene vrije werking gelaten: en dan trok het u heen, waar
één zelfde neiging, een ontmoeting der gedachten, een gelijkheid
der geestvervoering was. Dat noemdet gij geen dweepen, neen, maar een
overstorting van het gemoed, die liefde wekt...
| | | |
Wat zie ik!... een traan van Bilderdijk!
Het gezigt was verdwenen!’ -
Zeker is die traan te weinig, voor hen die
Bilderdijk als een halfgod, als een Messias vereeren.
Aan den anderen kant zou ik er geen eed op durven doen dat Geel, alvorens hij
die zamenspraak met Schiller ontwierp, in zijne studeerkamer of in besloten
gezelschappen zich niet wel eens ongunstiger over Bilderdijk heeft uitgelaten.
Doch zoowel om de eene als om de andere reden heb ik het gesprek lief. Het zou
niet goed zijn, zoo wij Bilderdijk geheel en al au sérieux gingen
nemen en, naar zijne leer en terminologie, onszelf voortaan als de telgen van
een versodomd en verkikkerd geslacht beschouwden; of onzen kinderen inprentten
dat verlichting, vrijheid, en menschewaarde, niets beduidende poespas is; of
hun onze vaders en grootvaders afschilderden als een hoop schoorsteenvegers en
ketellappers. Want zoo dacht hij meestentijds, en zoo was menigmaal zijn
spraakgebruik.
Doch er staat tegenover dat onder Bilderdijk's haters er velen
gevonden worden die niet waardig zijn, zijn ketel te lappen of zijn schoorsteen
te vegen; velen wien het evenzeer aan studie ontbreekt om zijne geleerdheid,
als aan verstand om de vlugt van zijn geest, aan gemoed om het vuur van zijn
hartstogt, aan taalgevoel om de meesterschap zijner zegswijze te waarderen.
En nu is mij geen gezigtspunt bekend, uit hetwelk die onbevoegden
zoo naar verdienste in de schaduw komen, als dat humane van Geel, waarbij men
eenerzijds Bilderdijk neemt gelijk hij is, aanmatigend, beleedigend,
onhartelijk, gewetenloos, doch tevens bij hem de vatbaarheid onderstelt om,
wanneer een evenknie als Schiller hem te woord staat, afstand te doen van zijn
trots en zich tot tederheid te laten bewegen. Ja, wie weet of Bilderdijk's
buitensporigheid niet allermeest, in plaats van aan de vooroordeelen zijner
natie, of aan het ongeloof of de middelmatigheid zijner tijdgenooten, hieraan
moet worden toegeschreven, dat hij Schiller alleen ontmoet heeft in het
schimmerijk van Geel's fantasie?
De jonge Nederlander van den tegenwoordigen tijd, voor zoo ver hij
aanspraak maakt op kennis en beschaving, heeft | | | | niet aanstonds
vrede met het denkbeeld, dat in zijn leven een oogenblik kan aanbreken, en
gewis aanbreken zal, waarop hij, evenals Geel, moet afrekenen met Bilderdijk.
Met den stuurschen, ouderwetschen, reaktionairen, breedsprakigen, altoos
rijmenden Bilderdijk? Dat kan men niet gelooven.
Voor een deel is daarvan oorzaak dat men Bilderdijk te zeer als
den maker dier driemaal honderdduizend versregels beschouwt, welke in de
oorspronkelijke uitgaven meer dan honderd boekdeelen gevuld hebben. Het oordeel
wordt reeds juister, wanneer men bij de verzen de brieven voegt. Het rondt zich
af, wanneer men nog eene schrede verder gaat, en den dichter aanvult met den
taalgeleerde, den briefschrijver met den historieschrijver. Voor de kennis van
Bilderdijk is uit de acht deelen zijner Taal- en Dichtkundige
Verscheidenheden, uit de dertien deelen zijner
Geschiedenis des Vaderlands, vooral niet minder te
leeren, dan uit zijne korrespondentie. Zelfs zou het mij niet verwonderen, zoo
het nageslacht die Geschiedenis des Vaderlands ten slotte eene hoofdbron
noemde. Is het ook niet natuurlijk dat, waar binnen een kort bestek over zoo
vele daden, karakters, gebeurtenissen, zich uitstrekkend over zulk eene lange
reeks van eeuwen, telkens een oordeel wordt geveld, het karakter van den
beoordeelaar zelf op ongezochte wijze aan het licht komt?
Wanneer men al de feilen in Bilderdijk's leven uitgewischt, uit
zijne dichtwerken het onbeduidende of gerekte of gemaakte verwijderd, in zijne
brieven de onwaardige klagten geschrapt , zijne historische en
filosofische en linguistische schriften van hunne personaliteiten en hunne
magtspreuken gezuiverd heeft, dan houdt men een geest over die op de vijf
fakulteiten eener hoogeschool gelijkt.
En de eenheid te midden dier verscheidenheid? Zij heeft bestaan in
een voorgevoel, even magtig als de geest zelf in welken dat gevoel
sluimerde.
Uit den boezem van elk volk dat niet te eenemaal une nation
éteinte is, staan van tijd tot tijd mannen op die in hun persoon
eene geheele toekomst, maar ook mannen die een geheel verleden
vertegenwoordigen; en niet vertegenwoordigen met lijdzaamheid, met
onderwerping, enkel en alleen door te | | | | zijn die zij zijn en te
dragen wat hun wordt opgelegd, maar door het afleggen van getuigenissen of het
indienen van protesten, door op de openbare markt hunne stem te verheffen, door
vriend en vijand te doen weten hoe zij denken, wat zij willen, en waar het op
staat.
Zulk een strijdbaar genius van het verleden is Bilderdijk geweest.
Hij heeft gevoeld, zeer diep gevoeld, dat de beschaafde wereld zijner dagen in
eene krisis verkeerde; de oudste en heiligste overleveringen, op allerlei
gebied, eene beslissende gedaantewisseling stonden te ondergaan; noch de
wetenschap, noch de Staat, noch de Kerk, ooit weder zouden worden wat zij
voorheen geweest waren; het godsdienstig en zedelijk bewustzijn der geheele
maatschappij uit zijne oude en beproefde voegen was geligt; naar menschelijke
berekening, indien geen nieuwe Openbaring licht kwam scheppen in die
duisternis, orde in dien bajert, het einde der wereld nabij was.
Ware hij een andere profeet Jeremia geweest, hij zou zich
vergenoegd hebben, op de puinhoopen van het verwoest Jeruzalem, gelijk hij ook
menigmaal gedaan heeft, klaagliederen aan te heffen. Doch zijn hart was te vol,
om enkel langs dien uitweg lucht te kunnen bekomen. Hij wilde wel klagen, maar
ook aanklagen, ook beschuldigen en verwijten. Nu eens zocht en vloekte hij, in
vroeger eeuwen, of in de eerste helft van die wier tweede helft hem zag geboren
worden, de vaders van het verderf welks voldragen vrucht zijne oogen
aanschouwden. Dan weder zag hij zijne tijdgenooten aan, en vroeg hun met
vlammenden blik: of zij dan altegader met waanzin en blindheid geslagen waren?
of geen hunner het einde giste van den weg, waarop zij gedachteloos den voet
gezet hadden? geen hunner zich schaamde voor eene zwakheid die met
medepligtigheid gelijkstond?
Naarmate de goederen, voor wier behoud hij streed, van eene edeler
soort waren, toonde hij zich in den strijd vuriger, stouter in het aanvallen,
hardnekkiger in het verdedigen, onverschilliger in de keus der wapenen. Het
gold zijn land, dat niet dan door een wonder van eene vlok zeewier een bolwerk
geworden was, om ten laatste met naam en toenaam van de kaart van Europa te
verdwijnen; zijn volk, dat | | | | zonder zelfmoord te plegen niet
zelfbehagelijk roemen kon in het kosmopolitisme van den nieuwen tijd; zijn
vorst, wiens Huis hij met verkropte spijt, voor den rotsgrond van het absolute
regt, in den zandgrond der volksgunst naar nieuwe onderlagen zoeken zag; zijn
geloof, dat als verouderd ter zijde gesteld, door de belijders zelf
verloochend, ondermijnd, vernietigd werd, en met welks ondergang hij zich
tevens den bodem voelde ontzinken waarop voor hem het zelfbestaan der natien,
de onschendbaarheid van het huisgezin, de deugd der bijzondere personen
rustte.
Men zegge niet dat Bilderdijk, door zoo te denken en te gevoelen,
te eenemaal het slagtoffer eener zinsbegoocheling geweest is; hij den
uitstekendsten onder zijne tijdgenooten ongeroepen een spiegel der toekomst
voorhield; hij zonder volmagt hen de schitterende voorloopers eener aanstaande
verduistering noemde. In zoo ver hij niet aan een nieuwen hemel en eene nieuwe
aarde geloofd heeft, mag hij gedwaald hebben. Doch dat hij een ziener was, toen
hij de oude aarde eene industriële onderneming geworden, en den ouden
hemel ontvolkt zag, is een feit.
Indien het geoorloofd is eeuwen bij speeltuigen te vergelijken,
dan is de tijd, waarin wij leven, eene harp met eene gesprongen snaar. De
volksprediker onzer dagen in de straten van Londen, die in het argot
zijns kerkgeloofs den voorbijgangers de ijdelheid van al de wonderen der
menschelijke schranderheid verkondigt; hun bij al wat heilig is bezweert dat
noch hunne spoorwegbruggen over den oceaan, noch hunne trans-atlantische
telegraafkabels den uitgewischten weg naar het Koningrijk der Hemelen vergoeden
kunnen; hun verwijt het Eene Noodige te missen, en op slependen toon hun
afvraagt: wat het den mensch baat de geheele wereld te winnen, zoo hij schade
lijdt aan zijne ziel, - die man is in zijne eenvoudigheid, zijne haveloosheid,
zijn wansmaak, zoo gij wilt, een even gewigtig persoon als Ferdinand de
Lesseps.
Hoeveel hooger verdient Bilderdijk dan niet aangeschreven te
staan, die, toen de geheele wereld om hem heen van blijdschap juichte over de
zegeningen van den dag; toen de schrandersten al het oude brooddronken
prijsgaven, omdat zij een nieuw | | | | steunpunt meenden te voelen
aangroeijen onder hunnen voet; toen eene vrees als de zijne kleingeloovigheid
heette, - verder zag dan al de anderen te zamen, en in de krachtigste klanken,
welke onze taal ooit voortbragt, het toen levend geslacht heeft voorbereid op
een onuitsprekelijk verlies?
De negentiende eeuw mist of een eigen stempel, of de jaarboeken
van het nageslacht zullen van haar getuigen:
‘En het geschiedde in die dagen, dat de menschen ophielden aan de
Voorzienigheid te gelooven.’ Het zien verschieten dier ster is in de beste
oogenblikken van Bilderdijk's leven de bron van zijn lijden, in de zwakkere de
springveer van zijn haat, in beide het onmiskenbaar teeken zijner meerderheid
geweest.
| |
VII
Doch zullen de lezers het den schrijver vergeven, zijn
hoofdpersoon in die mate uit het oog verloren, en
Geel voor eene wijl aan
Bilderdijk opgeofferd te hebben?
Zeker, zoo hij hen mogt hebben opgewekt zelf tot de bron te gaan,
en regtstreeks zich te laven aan den stroom van hooger leven, die nu reeds voor
het derde geslacht in Geel's boekje vloeit.
‘Over de pligten van den toehoorder’, -
‘Gesprek over poëzij en arbeid’, -‘Nieuwe
karakterverdeeling van den stijl’, - er is niet meer dan eene toevallige
aanleiding noodig om hetgeen daarover in Onderzoek en Phantasie te lezen
staat gretig te doen naslaan, en in telkens uitgebreider kring ter harte te
doen nemen.
1872.
|
|
|