|
|
|
| | | | | |
Elizabeth Wolff, Agatha Deken, en Jacoba Busken.
| |
I
Dit is een gezellig onderwerp; een oude kennis van het publiek en
van mij.
Aanleiding om er nogmaals bij stil te staan vind ik in het
voorlaatste deel van
Dr. Jonckbloet's niet minder gezellige
Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, waar men, met
de dien geleerde eigen naauwkeurigheid en volledigheid, in nog geen vijftig
bladzijden de geheele litteratuur van en over de jufvrouwen Wolff enDeken behandeld vindt, maar ongaarne het
éénige mist wat mij toeschijnt nieuw te zijn.
De heeren
Frijlink,
Van Vloten,
Theod. Jorissen,
Jan ten Brink,
R.H.J. Gallandat Huet, Joh. Dyserinck, hebben van
Elizabeth Wolffallengs zoo vele
levensbijzonderheden en vertrouwelijke brieven aan het licht gebragt, dat
omtrent de identiteit dezer beroemde vrouw elke onzekerheid voortaan opgeheven
is.
1
Jufvrouw Wolff's letteren aan
Noordkerk, aan
Lucretia W. van Merken, aan
J.E. Grave, aan
Hendrik Vollenhoven, alle vier te
Amsterdam, aan
Van der Mieden te Alkmaar,
aan
Cornelis Loosjes te
Haarlem, aan den vlissingschen medicus
Gallandat, | | | | aan
Jacoba Busken en
Samuel Th. Huet, beiden insgelijks
teVlissingen, zijn uit verschillende hoofdstukken van
Sara Burgerhart en Willem Leevend,
in den ongunstigen zoowel als den gunstigen zin van het woord, als
weggeloopen.
Overal dezelfde ernst of dezelfde jok, dezelfde levendigheid van
gevoel of van vernuft, dezelfde belangstelling in de voornaamste verschijnselen
der algemeene beschaving van den dag, zich uitend in hetzelfde eigenaardig
hollandsch vol wendingen en woorden van eigen vinding. Overal ook, van tijd tot
tijd, dezelfde onvaste smaak die of niet van uitscheiden weet, of de
poëzie op ongelegen oogenblikken door het proza in de rede laat
vallen.
Aan Loosjes, Gallandat, Van der Mieden, Noordkerk, schrijft
jufvrouw Wolff over haar geloof en hare studiën. Vollenhoven zegt zij,
half lagchend half schreiend, dank voor een amsterschen kalfskop.
‘Mevrouw’ Van Merken brengt zij sierlijke speldeprikken toe. Grave
vecht zij , door hare geestigheden, uit zijne vooroordeelen en zijne
knorrigheid. Wanneer vlissingsche vrienden de oude vrouw feestelijker onthaald
hebben dan voor de innigheid bevorderlijk kon zijn, dan vindt zij, hare
behouden thuiskomst meldend aan Samuel Huet, eene formule welke Willem Leevend
benijd zou hebben: ‘Men legt maaltijden aan om te lagchen, maar schrijft
brieven om te genieten’.
1 Coosje Busken kan in hare jonge meisjesjaren zulk een
verheven toon niet aanslaan, of jufvrouw Wolff, die hare moeder kon zijn, komt
aanstonds met een platburgerlijk recept, ten behoeve der gevoelige zielen en
der zwakke zenuwgestellen.
2
Iedere intieme bladzijde van hare hand is voor de lezers en
lezeressen van Willem Leevend of Sara Burgerhart weinig minder
dan een gemeenzame bekende, en de twee romans hadden er naauwelijks anders
kunnen uitzien dan zij doen, zoo zij | | | | na jufvrouw Wolff's overlijden
door derden waren bijeengezocht uit hare verspreide persoonlijke
briefwisseling.
Wat de verhouding tot jufvrouw Deken betreft, - de lezer moge zelf
oordeelen of ik indertijd, door het voordragen der gissing, dat jufvrouw Deken,
bij het zamenstellen der twee genoemde boeken, geen andere werkzaamheden dan
die van geheimschrijfster vervuld heeft, te ver ging. Was bij het voorstaan van
dit gevoelen aarzelen toen voegzaam, de stukken omtrent jufvrouw Deken in 1879
door den hoogleeraar Jorissen, de stukken omtrent jufvrouw Busken in 1882 door
Mr. Gallandat Huet openbaar gemaakt, schijnen mij toe eene zoo voldoende mate
van gewisheid te geven als in dergelijke kwestien redelijkerwijs verlangd kan
worden.
1
| |
II
Agatha Deken heeft uitgemunt door een
vasten geest, een edel hart, en een natuurlijken aanleg voor de letteren. Reeds
vóór hare kennismaking met jufvrouw Wolff in 1776, had zij door
een bundel Stichtelijke Gedichten hare gaven gestaafd;
2 en zij staafde die nogmaals toen zij op haar ouden dag,
voor den Gezangbundel der haarlemsche Doopsgezinden, meer dan zeventig
bijdragen leverde.
3 Daartusschen valt,
insgelijks eene pennevrucht des ouderdoms, haar catsiaansche rijmbrief van 1799
aan
Hendrik Vollenhoven te Amsterdam.
4
Zij gevoelde voor jufvrouw Wolff, nadat zij deze één
oogenblik miskend en voor ligtzinnig gehouden had, daarna en | | | | tot
het einde de zuiverste genegenheid; zag in haar van het begin af eene
buitengewone vrouw, in staat eene wereld te hervormen;
1 verdedigde haar karakter tegen de
onderstellingen der onbescheiden vriendschap van derden;
2 bewonderde haar om hare kundigheden en genie;
3 vereerde haar als eene reddende engel.
Voor het waarderen van het geestige, in anderen, had Agatha Deken
geest in overvloed. Bij wijlen kwamzij in gezelschap kluchtig uit den hoek, en
legde, ook in brieven, juist genoeg zin voor het komische aan den dag om
jufvrouw Wolff te voldoen. Maar volgens een gemeenschappelijk vriend
weerspiegelde de blik van beide vrouwen (Aagje drie jaren jonger dan Betje)
beider verschillenden aard. Jufvrouw Wolffs oogen keken doordringend; jufvrouw
Deken's oogen meewarig. De gewone stijl der brieven van deze was statig en
deftig; hare doorgaande stemming ernstig, gemoedelijk, teder; haar wezen goedig
en meegaande; een mengsel van braafheid en verstand.
4
Jufvrouw Wolff moet eene der kleinste en tengerste nederlandsche
vrouwen der 18de eeuw geweest zijn. In haar een en zestigste
zinspeelde zij hierop in een rijmverslag aan eene oude vriendin die zij in geen
dertig jaar aanschouwd had, en deed gevoelen (onbeleefd genoeg, maar dit
besefte of telde zij niet) dat de andere tusschentijds een vleeschberg geworden
was.
5Toen Agatha Deken haar leerde kennen was Elizabeth
Wolff zulk een onnaspeurlijk wezen, hoewel gehuwd en bijna veertig, dat de
noordhollandsche burgemeestersvrouwen, bij gelegenheid van rijpartijen,
elkander schertsend | | | | het voorregt betwistten haar op den schoot te
nemen.
1
‘Het weeuwtje in miniatuur’ teekende zij zich, eene poos na het
overlijden van haar echtgenoot, en beschreef zichzelf als eene vrouw zoo
beknopt, dat een welgebouwd man ‘haar in zijn kamizoolzak kon steken en
de knoopjes toedoen’.
2
Omtrent jufvrouw Deken vindt men nergens aangeteekend, voor zoover
ik mij herinneren kan, dat zij als jonge vrouw forschgebouwd was; maar wij
moeten gelooven dat onder de goede eigenschappen, welke jufvrouw Wolff in haar
waardeerde, ook behoorde eene gewenschte heerschappij over hare zenuwen.
In elk geval onderscheidde zij zich door een kloek karakter, en
was als in de wieg gelegd om tot steun te dienen aan eene medezuster wier
aandoenlijk gestel best van al bij een levend weerglas kon vergeleken worden.
Dit flinke is, van de eerste kennismaking af, ondanks de ongunstige
voorteekenen waaronder deze plaats had, voor jufvrouw Wolff de voorname
bekoring geweest. Door Agatha's beleedigingen heen voelde zij niet slechts
Agatha's hart kloppen, maar ook dat hier eene vrouw tot haar sprak wier
gelijkmatige geest, bij nagenoeg gelijke jaren, haar onrustigen tot kalmte
dwingen kon.
Hoewel zij in hare brieven aan Lucretia van Merken plaagziek zich
‘maar eene boere-domineesvrouw’ noemde, behoorde jufvrouw Wolff in
hare eigen schatting, door hare geboorte, hare opvoeding, en haar huwlijk met
een geletterd predikant, tot de hoogere klassen der maatschappij. Zichzelf
duidde zij aan als ‘eene vrouw die in zeker fatsoen leeft’. Op
twintig buitenplaatsen in Noord-Holland, het eigendom van vermogende
stedelingen, waaronder patriciers, was zij des zomers eene welkome gast. Verre
van zich door dien stroom te laten medeslepen, wilde zij slechts met
één vrouw uit dezen kring vertrouwelijk omgaan. InDe
Rijp en te Beverwijk toonde zij in de eerste jaren van haar
weduwstaat zich nog hooghartiger, en schreef aan Coosje Busken dat | | | |
zij het gezelschap dier kleine groote wereld voortaan opzettelijk meed.
1
Zonder rijk te zijn leefde zij in zoover te midden der weelde, dat
zij door de gegoedheid van haar man zich vergelijkenderwijs niets behoefde te
ontzeggen; nog minder dan noodig was geweest in hare meisjesjaren, dank zij de
welvaart haars vaders. Ds. Wolff hield haar ‘voor de pronk’, gelijk
hij zich uitdrukte; en zij mogt zich zooveel elegante toiletten aanschaffen als
bij haar aristokratischen patrijshond voegden. Voor de aardigheid, maar ook
voor deze alleen, maakte zij noord-hollandsche kaasjes, en zond die present aan
vrienden of vriendinnen te Amsterdam en elders. ‘Door eene goede directie
en een excellent slag van een meid’ sleet zij in de Beemster zulke
aangename en voorspoedige dagen als de leeftijd van haar echtgenoot, het
kinderloos blijven van haar huwlijk, het ‘slijk onreine’ van haar
polder, en hare zwakke gezondheid toelieten. Te Beverwijk vermeerderde haar
overvloed nog. De acht deelen van Willem Leevend bragten zesduizend
gulden in kas, ongeacht hetgeen andere geschriften afwierpen; zoodat jufvrouw
Wolff er toen eigen rijtuig op nahield, of hetgeen daarmede gelijkstond.
2
Zeer verschilden hiervan de omstandigheden van jufvrouw Deken,
vooral in het begin. Bijna eene vondeling, geboren in den omtrek van
Amsterdam uit verarmde boere-ouders, was deze als driejarig kind
in een amsterdamsch weeshuis opgenomen en daarna de wereld ingegaan als
dienstbode, slapend op meidekamertjes en des morgens andermans waschwater
uitgietend. Verder dan jufvrouw van gezelschap bij een ziekelijk tijdgenootje
van eenig aanzien, of dan stille slijtster van wat kruidenierswaren in een
eigen gesloten magazijntje, | | | | had zij, onderwijl eene rijpe maagd van
vijfendertig geworden, in de dagen der kennismaking met
Elizabeth Wolff het niet kunnen brengen. Zelfs was zij
toen op de maatschappelijke ladder, door sterfgevallen onder begunstigers,
weder eenige treden gedaald, en had zij zich als winkelbediende verhuurd bij
een koekebakker en zijne vrouw. Eene aan armoede grenzende bekrompenheid.
Naderhand wel is waar, in 1783, toen zij reeds sedert zes jaren
met jufvrouw Wolff zamenwoonde, verbeterde een legaat ter waarde van ƒ 18
à 20.000, haar vermaakt door een stokoud bloedverwant, aanmerkelijk haar
lot.
1 Doch ik had daarom niet minder regt te beweren dat zij jufvrouw
Wolff als hare weldoenster beschouwde. Deze was omtrent Agatha's
afhankelijkheid geheel op de hoogte toen zij, haar alleen nog kennende uit
brieven, 4 Augustus 1776 haar schreef: ‘Hoe gelukkig zoude ik mij achten,
indien ik eene jufvrouw Deken tot mijn gezelschap had! Hoe gaarne zoude
ik alles met haar deelen wat de milde God mij gegeven heeft!’
Hetgeen zij aan Agatha-zelf niet schrijven kon, schreef zij 15
Augustus daaraan volgende aan vriend Grave, den amsterdamschen raffinadeur:
‘Dewijl zij door de Voorzienigheid niet in dien rang geplaatst,
is, waarin ik mij bevind, buiten mijn toedoen, dunkt mij dat het zoo zacht, zoo
vriendelijk zoude zijn zulk een mensch te gemoet te gaan; want haar
karakter heb ik uit zeer vele brieven leeren kennen voor boven haar sober
lot verheven.’
Evenals de jonge heldinnen harer romans geloofde jufvrouw Wolff
aan le coup de foudre dans l'amitié .
2 Één ontmoeting
was voldoende om haar voor eene lieve vrouw of een geestig man, als Grave, in
vriendschap te doen ontvlammen. Op die wijs was Grave's jonge schoonzuster, nog
vóór zij den doopnaam van het meisje kende, haar dierbaar
geworden. Op die wijs schonk zij, tien jaren later, want dit vuur was bij haar
| | | | onbluschbaar, voor het leven aan
Jacoba Busken haar hart. Niet anders was het met
Agatha Deken gegaan.
Nog vóór de persoonlijke kennismaking, van aangezigt
tot aangezigt; alleen om den warmen en medegevoelenden toon van een overigens
vijandigen brief; beminde jufvrouw Wolff haar, die uit de volle borst durfde
schrijven hetgeen zij, hoewel het louter misverstanden waren, voor waarheid
hield. Zelf zoo rond van karakter dat zij eenmaal zeggen kon: ‘Als mijn
hart niet uit Zeeland was, het verdiende er gemaakt te zijn’, trok, bij
al het overige, die aan onbeschaamdheid grenzende maar welgemeende
vrijmoedigheid haar aan.
En kon jufvrouw Deken anders dan liefde gevoelen voor de vrouw
welke zoo dacht en zoo handelde, en die zij erkennen moest uit vooroordeel
beleedigd te hebben? Van te voren kon zij niet weten dat eenmaal eene erfenis
hare afhankelijkheid voor de helft verminderen zou. Door toe te slaan bleef zij
tot op zekere hoogte dienstbaar. Maar ook zij geloofde in een afgod der
eeuw, de met de Liefde wedijverende Vriendschap; en haar karakter was te vast,
haar wil te krachtig, haar hart te onergdenkend, om ook maar tijd van opkomen
te laten aan de kleingeestige onderstelling dat jufvrouw Wolff het er op
toelegde haar te vernederen.
| |
III
Bij het verschil van stand en van middelen kwam nog de
ongelijkheidin kundigheden en geestbeschaving.
Zoolang het slechts Brieven over verscheiden
onderwerpen in middelmatig proza, of Economische
Liedjes en verdere even middelmatige verzen gold, trad dit
onderscheid niet zoozeer aan het licht. Doch, gelijk jufvrouw Deken zelf in
hare eenvoudigheid erkende (‘wij doen alles in compagnie, tot
verzenmaken incluis’;
1 en welke verzen!), hare opleiding vertoonde zoovele
leemten, dat harerzijds de hoogere composition à deux noodwendig
zich tot werktuigelijk mededoen bepalen moest. Zij kon uit hollandsche boeken
en hollandsche tijdschriften | | | | hare vriendin belangwekkende artikelen
of hoofdstukken voorlezen; kon nu en dan eene bijdrage leveren; kon de pen
houden. Veel verder reikte met den besten wil haar vermogen niet.
Wanneer beide vrouwen bedaagd en arm uit Frankrijk teruggekomen
zijn, en vertaalwerk (naar oorspronkelijk is geen vraag meer)
1 haar helpen moet aan ‘de spijze
die vergaat’, dan kan jufvrouw Deken, omdat zij noch fransch, noch
duitsch, noch engelsch verstaat, hare vriendin op maar één wijs
bijspringen: zij neemt deze de zorg voor hare partikuliere korrespondentie uit
de handen. Aagje wordt zendbriefschrijfster uit beider naam.
2 Betje, gedwongen te vertalen ‘tot zij kikhalst’,
heeft alleen tijd om hare handteekening te geven of de brieven van adressen te
voorzien.
Volgens eene met bewondering voor jufvrouw Deken vervulde oor- en
ooggetuige bepaalde het ‘zamenwerken’
3 zich toen hiertoe, dat jufvrouw Wolff, moê van het vertalen
overdag uit het fransch of het engelsch, 's avonds een naaiwerkje of eene
breikous ter hand nam, en jufvrouw Deken haar in de moedertaal ‘altoos
hardop voorlas’.
4
Ondanks een verblijf van ettelijke jaren in Bourgondie had
jufvrouw Deken niet geleerd zich anders dan in het hollandsch uit te drukken.
En wien kan dit bevreemden, die zich herinnert dat zij er zes en veertig telde
toen zij Nederland verliet? Op dien leeftijd leert men geen vreemde talen meer
aan, allerminst wanneer men de gezellin is eener vrouw, eener meesteres, gewoon
zelf met pen en mond het woord te voeren.
Men moet niet meenen dat dit jufvrouw Wolff tegengevallen is;
gelijk datgene tegenvalt waar men niet tijdig aan gedacht, | | | | of niet
met overleg op gerekend heeft. Van het begin af was het zoo. Reeds
vóór de nieuwe vriendin bij haar kwam inwonen, schreef zij aan
den gemeenschappelijken vriend: ‘Kan jufvrouw Deken, zooals zy is,
wel schrijven als Wolffje? Kan ik schrijven als zy? Nooit, nooit. Ik ben een
brunet, kan ik my tot een blonde maken? Jufvrouw Deken heeft, zeker, zeker
soort van bekwaamheden; en ik agt haar te hooger, omdat zy het in zulk een
lagen staat zoo verre heeft gebragt. Doch is het redelijk dat ik van een
mensch, die gewoon is zich sterk uit te drukken, en iets ruws in hare manier
van zeggen heeft, verg dat zy schrijft als gy en ik, mijnheer? Zoo onze
vriendin opgeleid ware tot studie, ik meen die studien die de vrouw passen en
geen afgetrokken oefeningen en metafysische bespiegelingen, zy zou Van Merken
en my agter zich laten. Haar geest is veel grootscher dan die der eerste, en hy
is veel bedaarder dan die van de krabbelaarster dezes. Doch zy heeft niets
dan zedelijke theologie gelezen, en Wolffje heeft sedert haar tiende jaar
tot op heden byna niets anders gedaan, dan gelezen hetgeen er keurlijks in
drie talen over allerlei onderwerpen en in allerlei trant geschreven is.
En met dit al: een druppel gezond oordeel is oneindig meer waard dan een
Heidelberger Vat vol geleerdheid. Hoe smaakt je die gelijkenis?’
1
Ik ontleen dit signalement van jufvrouw Deken's gaven aan twee
verschillende brieven, en mogelijk schijnt daarom de gedachtegang niet streng
logisch. Maar de hoofdpunten zijn zóó sprekend aangeduid, dat er
geen verwarring ontstaan kan.
Laat ons ten overvloede zien op welke wijs jufvrouw Wolff hare
dagen doorbragt te Beverwijk, en welk daar het aandeel van jufvrouw Deken in
hare werkzaamheden was. Ik bezig met opzet dit woord, omdat de beverwijksche
jaren de werkzaamste en vruchtbaarste van haar leven geweest zijn, en zij toen
zeggen kon, sprekend over haar uitgever in Den Haag: ‘Zoo ik zes handen
had, mijnheer Van Cleef zou die emploiëeren’. Van jufvrouw Deken's
handen wordt geen melding gemaakt; alleen van jufvrouw Deken's voorlezen.
2
| | | |
Aan Jacoba Busken, Lommerlust 27 Mei 1787:
‘Wil ik u eens zeggen hoe ik mijn tijd besteede en verdeele? Des morgens,
als het goed weer is (want hoe frisch ik ben, ik ben niets dan een barometer
door mijn aandoenlijk ligchaam), dan vroeg op, en ontbijt in mijn rieten
huisje alleen,
1 terwijl ik mijn gedachten zoo eens wat ernstig bijeenroep.
Vervolgens wandel ik eens om, zie naar de groentens, ordineer wat er gegeten
zal worden, en ga schrijven tot tien ure. Dan word ik opgemaakt, en
ga weer tot twee ure aan 't werk. Dan eten, dan wat verkleeden, dan
rijden of wandelen, of in den koepel bij Aagje, die zoo goed is van
voor mij te lezen.
2 Zoo gaat de eene dag aan de andere, met weinig variatien. Was
nu eene lieve Coosje hier, wat zou ik mij uitspannen! Nu eens vroolijk,
dan eens ernstig, altijd vertrouwelijk; en dit is het eigenlijke der
vriendschap.’
| |
IV
Hier begint meteen een nieuw onderwerp.
Wij oordeelen juist indien wij uit de verzuchting: ‘Dit is
het eigenlijke der vriendschap!’, opmaken dat de verhouding tot jufvrouw
Deken toen niet meer zoo innig was als in het begin. De ballingschap, de
bankroeten, de gemeenschappelijke armoede, de ouderdom en zijne gebreken,
hebben ten slotte de twee vrouwen, die tusschen haar dertigste en veertigste
jaar een soortgelijk vriendschapsverdrag als David en Jonathan hadden
aangegaan, andermaal en voor goed verbonden. Zij zijn gestorven als in
elkanders armen, en men heeft haar te slapen gelegd in hetzelfde graf.
Maar uit de korrespondentie met
Jacoba Busken blijkt dat in de eerste helft van 1787
en al vroeger, tien jaren na het | | | | intrekken der onvermogende en
ongeletterde vrouw uit het volk bij de welgestelde bourgeoise met het
schitterend vernuft en de overvloedige lektuur, jufvrouw Wolff de ondervinding
had opgedaan dat zij voor haar gemoed, hoe zal ik het uitdrukken? aan jufvrouw
Deken iets te kort kwam. In die zelfde jaren van beginnende on- of
wanbevrediging (1782-1785) zijn Sara Burgerhart en Willem Leevend
ontstaan.
Het is waar dat jufvrouw Deken gestorven is in de overtuiging,
voor de volle helft de auteur dier twee romans te zijn. In eene voorrede van
1804, haar sterfjaar, kwam zij voor haar aandeel in de vennootschap met warmte
op.
1 Echter moet men daarop
niet te veel nadruk leggen. In onze eeuw heeft de vermaarde
De Barante ten einde toe en te goeder
trouw in den waan verkeerd de eigenlijke schrijver der Mémoires
van mevrouw De la Rochejaquelein te zijn.
2 Het letterkundig zelfbedrog wordt
somtijds monomanie of idée fixe.
Jufvrouw Wolff zeide of toonde
jufvrouw Deken niet, dat zij voor haar verstand en
haar hart niet langer genoeg aan deze had. Dit verboden niet alleen de
kieschheid en de edelmoedigheid, maar ook de eigenliefde. In brieven, in
verzen, op de titelbladen van verhandelingen en van dichtbundels, had
| | | | Elizabeth Wolff aan haar bondgenootschap met Agatha Deken zulk
eene openbaarheid gegeven, en in zulke hooggestemde bewoordingen, dat verbreken
of terugnemen een algemeen gelach zou hebben doen opgaan; om niet te zeggen dat
de goede naam der Heilige vriendschap er zeer door benadeeld zou zijn.
Bovendien waren er geen termen voor. De voorlezeres en gezelschapsjufvrouw, met
het open karakter, bleef het voorwerp van jufvrouw Wolff's hoogachting en
onderscheiding, al had zij opgehouden de boezemvriendin te zijn in wier gemoed
deze het hare ieder oogenblik uitstorten kon.
Evenmin hing jufvrouw Wolff aan de groote klok, al verried zij het
onwillekeurig in voorredenen en aanteekeningen, dat jufvrouw Deken's naam op de
omslagen van Sara Burgerhart en Willem Leevend, ten overstaan van
het publiek slechts een offer te meer op een reeds herhaaldelijk omkranst
altaar, en eigenlijk meer de vriendin dan de medewerkster aanduidde. Zij bleef
integendeel te dien opzigte, zelfs in vertrouwelijke brieven aan de nieuwe en
jongere uitverkorene, ten volle in het eenmaal aangenomen karakter, en gewaagde
tegenover
Jacoba Busken zoo niet van
‘onze Saartje’, althans van ‘onze
Willem’.
Ik kan over deze Jacoba die mijne grootmoeder van vaderszijde
geweest is, en wier heugenis in den kleinen kring harer nakomelingen een
voorwerp van eerbiedige en toegenegen bewondering is gebleven, niet met
ingenomenheid spreken zonder in verdenking te komen aan familiezwak toe te
geven. Doch het is inderdaad mijne schuld niet dat de acht en twintigjarige
vlissingsche, die door ik weet niet welk toeval met hare voormalige stadgenoot
jufvrouw Wolff in briefwisseling kwam, als jong meisje niet alleen uitmuntte
door schoonheid en lieftalligheid, maar ook, en reeds als kind, door zulk een
buitengewonen aanleg voor studie, dat zij tot verbazing van
Vlissingen en van de Boekzaal der Geleerde
Wereld, op haar dertiende jaar, élève-externe van het
gymnasium daar ter stede, wegens hare vorderingen in het latijn en het grieksch
door Heeren Curatoren met een prijs vereerd werd.
1
| | | |
Jufvrouw Wolff is uitbundig in het loven van jufvrouw
Busken's vaardigheid met de pen. ‘Geloof mij, mijn hartje’,
schrijft zij haar, en zoo komen wij van zelf op de zaak terug ‘ik krijg
van niemand liever brieven dan van U; door liever versta hier zoo
gaarne als van U. Het is bij mij uitgemaakt, dat niemand het talent van
briefschrijven in grooter volkomenheid bezit dan mijn Coosje. Konde ik zoowel
aan niemand dan aan U schrijven, als ik niemand dan U met mijn geheel hart
liefheb, ik zou U brieven schrijven zoo groot als hollandsche
predikatien’.
1
Dit werd geschreven in de hut, buiten voorkennis van, maar niet
zonder toespeling op, jufvrouw Deken in den koepel.
Eene eerste reden voor jufvrouw Wolff om zich tot jufvrouw Busken,
en hare van intieme mededeelingen overvloeijende brieven, aangetrokken te
gevoelen, was zekere gelijkheid van lot.
Jufvrouw Wolff had, gelijk Coosje's vader niet onbekend was, in
hare jonge jaren een hartsgeheim gehad (liefde voor een vaandrig of ex-vaandrig
wien het met zijne wederkeerige betuigingen niet om le bon motif te doen
was), en dit was op geheel haar volgend leven van beslissenden invloed geweest.
2
Niemand zal mij betichten eene blaam op het karakter mijner
grootmoeder te werpen, indien ik erken dat zij, twintig jaren na jufvrouw
Wolff, een soortgelijke hoewel minder doldriftige fout beging als deze, en
evenzoo voor eene poos zich aan een onwaardig voorwerp hechtte; voorwerp of
sujet, overigens, van wiens naam en maatschappelijke betrekking de
wereldgeschiedenis geen aanteekening gehouden heeft.
3
| | | |
Hoe dit zij, ook jufvrouw Busken, naderhand de vrouw
van een walsch predikant en de moeder van tien kinderen geworden, had in die
dagen eene hartkwaal; en jufvrouw Wolff, voor welke zij eene buitengewone
vereering koesterde, gelijk zij in hare kieschheid teregt een onbegrensd
vertrouwen stelde, was in dit geheim door haar toegelaten.
1
Maar krachtiger nog boeide Coosje's wetenschappelijke en
letterkundige beschaving de vrouw die voor de letteren en de wetenschappen
leefde, en te vergeefs zich poogde te ontveinzen dat jufvrouw Deken, op den
duur, te dien aanzien eene ongeschikte ‘hulpe tegenover haar’
was.
Natuurlijk mogt jufvrouw Deken dit niet weten; en zelfs werd
Coosje nu eens vermaand geregeld aan jufvrouw Aagje te schrijven, ten einde de
jaloezie van deze niet op te wekken,
2dan zacht beknord omdat zij, in hare jongste letteren aan jufvrouw
Betje, verzuimd had hare groeten voor de ‘vaste huisgenoot’ in te
sluiten.
3
Maar al bleef jufvrouw Deken met de geheime wenschen en plannen
harer vriendin onbekend, jufvrouw Wolff dacht daarom niet minder aan de
toekomst. Onderstellend dat Jacoba Busken, in de liefde teleurgesteld,
voornemens was zich voor goed aan het celibaat te wijden, en niet voorziende
dat de omwenteling van 1787 door al deze berekeningen eerstdaags een streep zou
halen, stelde zij de jonge savante voor, daar zij moeder, broeders, noch
zusters had, - indien haar vader, toen een man van zeventig jaren en niet
onvermogend, be- | | | | zwijken mogt, - zich te Beverwijk te komen
vestigen, en op de eene of andere wijs aan het leven harer oudere vriendin het
hare te verbinden.
1
Ik kan mij niet voorstellen dat, zoo deze nieuwe
‘compagnieschap’, gelijk jufvrouw Deken zeide, eene werkelijkheid
geworden was, het letterkundig genie van jufvrouw Wolff zich met een ander Sint
Janslot zou hebben getooid. In Sara Burgerhart had zij al hare
frischheid gegeven; in Willem Leevend daarenboven al hare kracht. De
uitingen van het nederlandsch leven die in haar smaak vielen, en binnen haar
gezigtskring lagen, was zij met de pen in de hand allen rondgeweest. Al had zij
nogmaals uitgemunt, zij zou hoogstwaarschijnlijk zich slechts herhaald hebben.
Van Jacoba Busken is te weinig bekend om als zeker te mogen aannemen dat zij,
en haar ‘schoon verstand’, jufvrouw Wolff nieuwe zeilen zouden
hebben bijgezet.
Maar voor Betje's hart was het jammer dat zij het land verlaten
moest en Coosje niet, bij haar aan huis of naast hare deur, te Beverwijk kon
komen wonen. ‘Hoewel nooit onverzeld’, luidde de aandoenlijke
klagt, want jufvrouw Deken volgde haar alom als hare schaduw, hoewel
‘nooit onverzeld’ speelde zij niettemin altoos ‘solo
solo.’ Eene vroegere vriendin K., niet nader aangeduid, had tijdelijk
haar als afleiding gediend, maar was den verkeerden weg opgegaan, schijnt het,
en eene ‘zedelijk doode’ voor haar geworden.
Bleven over: Lommerlust en Aagje. Doch het verkleinde zeer
de waarde van Lommerlust als aardsch paradijs, dat ondanks Aagje's
tegenwoordigheid Betje er ‘altoos, altoos alleen’ was. Eene
vriendin Coosje daar te hebben! ‘o Meisje, dan zou Lommerlust nog
eens veel schooner zijn!
2 Had ik u maar
langer hier kunnen houden! Hoe gaarne had ik u naast my! Kleinigheden
verzekeren my dat Coosje eigenlijk mijne vriendin | | | | was. Geloof my,
mijne Coosje lief, er is zulk een verbaasd kontrast niet tusschen u en my in
onzen natuurstaat. In de ware beteekenis des woords ben ik onveranderlijk uwe
vriendin. Uw afzijn vervult my met iets ongemakkelijks, en voor my kan niemands
byzijn zoo alleraangenaamst zijn. In het genot van alle aardsche zegeningen;
omringd van de agting, eer, en onderscheidingen, mijner landgenooten; algemeen
geliefd door allen die my in persoon kennen, - is echter mijn hart niet
vervuld en niemand dan Coosje zou het kunnen vervullen’.
1
Arme vrouw! Er was een tijd geweest dat zij met dezelfde
geestdrift over jufvrouw Deken sprak; zij in deze haar één en
haar al meende gevonden te hebben; zij om Aagje's wil met een glimlach de
plagerijen van goede vrienden beantwoordde die tot haar zeiden: ‘Verdedig
jufvrouw Deken, mevrouw Buskruid! Sluit er in je armen, pak er in je hart, druk
er op je ziel, ja eet er op met onverzadelijke liefde!’
2.
En nu in hare ziel en in haar hart waren op nieuw kamers te huur.
Het hoogere, bij jufvrouw Deken gezocht, had zij niet gevonden. Na eene
tienjarige proef was het nogmaals de oude | | | | leegte; en erger dan de
oude, want ten einde den vrede te bewaren was zij thans genoodzaakt jufvrouw
Busken met andere woorden in te fluisteren: ‘Indien mijn plan, mettertijd
u hier te vestigen, van uwe gading is en gij het wenscht te zien gelukken, neem
dan vóór alles jufvrouw Deken in den arm; schrijf er over
regtstreeks aan haar; maar wacht u te laten blijken dat gij het verlangt om
mijnent wil!’
1
| |
V
Jufvrouw Wolff droeg in een klein lichaam eene groote ziel met
zich om,
2 maar was niet volmaakt.
3 Het is mogelijk dat zij de diensten, haar door
jufvrouw Deken bewezen, een tijd lang miskend en ten laatste daarover berouw
gevoeld heeft. Enkel de geschiedenis der letteren heeft er belang bij, tot regt
verstand van twee oude romans, te bepalen welke plaats in die boeken aan de
eene petemoei toekomt, welke aan de andere. In geen geval mag de
litteratuurgeschiedenis scheiden hetgeen door de beschavingsgeschiedenis
onherroepelijk vereenigd is. De wedergade van dit
‘compagnieschap,’om nogmaals dezelfde uitdrukking te bezigen, wordt
door geen ander tijdvak der vaderlandsche historie vertoond. Men behoeft
Elizabeth Wolff en
Agatha Deken slechts te hooren noemen, om aanstonds
aan de merkwaardige nadagen der 18de eeuw herinnerd te worden, -
dagen toen de Vriendschap hoogtijd hield, en de vrouwen een te voren ongekend
aandeel in de algemeene maatschappelijke beweging veroverden.
| | | |
Er is meer. Daags na jufvrouw Deken's overlijden
heeft hare verpleegster, nicht Johanna Laurina, met reden kunnen klagen dat men
slechts te zeer gewoon was te haren koste den lof van jufvrouw Wolff te
verheffen.
1 Jufvrouw Wolff zelve heeft,
in den avond van haar leven, door den wensch te uiten dat jufvrouw Deken haar
óverleven en eenmaal aan hare zijde rusten mogt, haar de schoonste hulde
gebragt. Met één trek heeft zij ‘de achtenswaarde’
voor altijd geschetst.
2 In hare soort was zij eene superieure
vrouw; en het ware geen kompliment aan jufvrouw Wolff's doorzigt, dit tegen te
spreken.
Alleen zegge men niet dat aan deze begaafde dienstbode en
litterarische Elsje van Houweningen een wezenlijk aandeel toekomt in de
zamenstelling van werken getuigend van zooveel kennis, kunst, en geest, als
Willem Leevend en Sara Burgerhart.
Schertsend noemde jufvrouw Deken, korte jaren vóór
haar heengaan, zichzelf eene ‘arme onnoozele oude vrijster en onnoozele
dichteres’.
3 Iets anders dan eene dichteres, of hetgeen
zij daaronder verstond, is zij in hare eigen oogen nooit geweest: dichteres van
luimige rijmen op catsiaanschen trant, van kerkliederen voor geloofsgenooten,
van godsdienstige gemoedsuitstortingen in de dagen der jeugd. Aan zich uit te
geven voor eene prozaschrijfster is door haar niet gedacht.
Evenmin voor eene briefschrijfster. Hare brieven missen, voor
| | | | zoover zij tot ons gekomen zijn en wij oordeelen kunnen,
oorspronkelijkheid.
1 Soms tintelen zij.
Maar het zijn vonken van jufvrouw Wolff's vernuft, uit den haard van jufvrouw
Deken.
1883.
|
1Opgaaf bij Dyserinck, Gids 1882, II 138. Aan
te vullen uit Jonckbloet, Nederlandsche Letterkunde der twee laatste Eeuwen,
1883, I 227-275.
1Elizaheth Wolff en
Agatha Deken. Uit Den Haag, 4
September 1801.
2Aan Jacoba Busken, Beverwijk 17 October 1786:
‘Uwe aanmerking hoe schoon is het toch mensch te zijn verrukt my.
Denkt gy dan ook altoos zoo als ik? Ja, wel schoon! Laaten wy onzen
adel, de menschheid, maar nooit vergeten! Wees wijs, Coosje, volg uw Vaders
raad: Gebruik kina. Gij moet uw overspannen senuwen den rechten toon
zien te geven. Zielenlijden sloopt het sterkste gestel.’
1Theod. Jorissen, over Aagje Deken en Betje
Wolff, uit onuitgegeven bescheiden. Nederland 1879, II 1 vgg., 121 vgg. - Mr.
R. H. J. Gallandat Huet, Van en over Betje Wolff, Haarlem 1882.
2Stichtelijke Gedichten van Maria Bosch en
Agatha Deken, Amsterdam 1775, - Over Maria Bosch bij Theod. Jorissen. Nederland
1879, II 8 vgg.
3Brief van
Johanna Laurina van Crimpen aan
Maurits Cornelis van Hall, Den Haag 22
November 1804. - De weduwe Van Crimpen, geboren Teerling, was eene dochter van
Elizabeth Wolff's éénige zuster. Zij verpleegde hare oude tante,
en verpleegde jufvrouw Deken, gedurende de twee laatste moeijelijke
levensjaren. Van Vloten, Nederland 1880, II 1 vgg.
4Van Vloten, Prozastukken en Brieven, 1866,
bladz. 189 vg. - Deze rijmen zijn het eerst uitgegeven door Frijlink in 1863,
naar het handschrift in het bezit van Mr. Vollenhoven Jr.
1Agatha Deken aan Elizabeth Wolff, Amsterdam
29 Julij 1776: ‘Een mensch als jufvrouw Wolff, die in staat zou zijn om
een waereld te hervormen.’
2Agatha Deken aan J.E. Grave, 26 September
1777: ‘Wie leeft stiller en meer op zich zelf dan zy? Geen non in 't
strengste klooster.’
3Agatha Deken aan Elizabeth Wolff, 29 Julij
1776: ‘Dit zou de zegepraal van mijn sterven en de heerlijkheid van uw
naam zijn.’
4Al deze trekken zijn woordelijk ontleend aan
jufvrouw Wolff's briefwisseling met Grave, bij Theod. Jorissen.
5Elizabeth Wolff aan eene vriendin harer
jeugd, 1800:
Ik ben, 't is waar, juist met een lichaam niet verlegen
Gelijk aan dat, Vriendin! waaronder gy thans zwoegt.
1Aan Grave, Beemster 31 Augustus 1776.
2Aan Grave, Beemster Januarij 1777.
1Elizabeth Wolff aan Jacoba Busken, Beverwijk
27 Mei 1787: ‘Hier is niets voor ons, noch voor het hart noch voor 't
verstand. En dewijl ik mijne vrijheid toen ik hier kwam wonen met hand en tand
vasthield, en nooit wilde familiaar omgaan met zeer aanzienlijke of schatrijke
grooten, dewijl die meest allen ijsselijk dom of belagchelijk trotsch zijn,
speel ik altoos solo solo.’
2Elizabeth Wolff aan Jacoba Huet, geboren
Busken. Den Haag, Augustus 1798 (?): ‘Willem hebben wij in .... maanden
begonnen en geëindigd en dit gaf ons een honorair van f.
6000.’
1Theod. Jorissen, Nederland 1879, II 7, 15,
138 vg.
2‘Vriendinnen maakt men niet. Men vindt
die zooals ik U vind, maar dan ook is onze keuze voor altijd gedaan.’ Aan
Coosje Busken, Beverwijk 17 Oktober 1786.
1Agatha Deken aan H. Vollenhoven. De Rijp, 20
Februari 1778.
1Agatha Deken aan Samuel Th. Huet. Uit den
Haag, 17 Maart 1800: ‘Mijn lieve Wolff heeft het zeer druk met het
schraal betaald wordende vertalen, maar men leest nog minder en betaalt nog
slechter originele werken.’
2Agatha Deken aan Jacoba Huet-Busken. Uit Den
Haag, Maart 1799: ‘Mijn lieve Wolffje moet druk werken om de spijze die
vergaat, hebbende twee werkjes, een uit het Engelsch, en een uit het Fransch te
vertalen, daar haast by is; waarom ik het brieven schrijven op my genomen
heb.’
3‘Zij werkten altoos zamen.’
Wed e. Van Crimpen aan M. C. van Hall, Den Haag, 22 November
1804.
4Wed e. Van Crimpen. - Agatha Deken
aan Coosje Huet, geboren Busken. Den Haag, Maart 1799.
1Elizabeth Wolff aan J. E. Grave, Beemster 31
Augustus 1776 en 2 Februarij 1777.
2Elizabeth Wolff aan Jacoba Busken, Beverwijk
27 Mei 1787: ‘Had ik maar tijd om uw brieven beter te beantwoorden! Doch
ik kan niet, en zoo ik zes handen had, mijnheer Van Cleef zou die
emploiëeren.’
1Deze hut of rieten huisje, twintig jaar
geleden nog in wezen, was zoo klein dat meer personen dan één er
naauwlijks plaats konden vinden; de oppervlakte van het tafeltje daarbinnen zoo
gering, dat er niet te denken viel aan schrijven door twee personen
tegelijk.
2Kort te voren had zij, omdat haar gezigt
begon te verzwakken, een bril moeten aanschaffen. Het was een dure, van acht
dukaten.
1Voorrede van jufvrouw Deken bij hare
Liederen voor den Boerenstand, Leiden 1804
‘Het is indedaad vreemd, en heeft mijne Vriendin (schoon wij geen laage
jalouzij omtrent elkander kennen) zo wel als mij lang gestooten, dat men
geloofd heeft, ik weet niet op wat grond; - dat men het Publiek heeft willen
opdringen (ik zal de bedoeling hier mede niet onderzoeken), nu eens dat alle de
vrolijke Liederen en Brieven in de Oeconomische
Liedjes, in Burgerhart, Leevend, Wildschut, en andere
door ons in het licht gegeeven welken, van mijne Vriendinne, alle de
ernstige van mij waren; dan weder eens bovengenoemde werken
alléén aan mijne Vriendinne hebben [heeft] toegeschreven,
en mij zot en ijdel genoeg geacht van met haar vederen te pronken. Alles wat
zij hier door beweezen hebben is, dat zij noch mijne Vriendinne noch mij
kennen; daar ik niet alleen voor de helft deel aan alle de Werken heb die op
onzer beider naam staan, maar ook mijne Vriendin niet minder ernstige
onderwerpen dan ik behandeld heeft; ik niet minder vrolijke, of, gelijk men
liever zegt, grappige Liederen en Brieven dan zij geschreven heb. Onze
bijzondere Vrienden en Vriendinnen, die ons hebben zien werken, kunnen
getuigen hoe geheel wij in éénen geest dachten en
schreven’. -Dyserinck,
Gids 1884, III 1-41.
2Geschriften over dit onderwerp bij Edmond
Scherer, Etudes sur la littérature contemporaine, 1878, V 15 vgg.: Mad.
de la Rochejaquelein et M. de Barante.
1Bijzonderheden bij Mr. Gallandat Huet, mijn
bloedverwant en met mij een van Jacoba's kleinzoonen.
1Elizabeth Wolff aan Jakoba Busken, Beverwijk,
17 Oktober 1786. - ‘Lieve Coos, hoe schoon zijn uwe brieven! Ik kan u
niet zeggen (amitié à part) hoe zy my behagen.’ Beverwijk,
27 Mei 1787. - Elf of twaalf jaren later: ‘Uw brief heeft mij een
slapeloozen nacht gekost. Alle mijne denkbeelden waren als met zonnestralen
geteekend, en alle die denkbeelden hadden niets onaangenaams dan dat zy my te
zeer schudden.’ Den Haag, Augustus 1798 (?).
2Dagboek van
Conrad Rutger Busken, Jacoba's vader,
op 25 Julij 1755. - Elizabeth Wolff aan Noordkerk, Beemster 19 Oktober
1770.
3Elizabeth Wolff aan Jacoba Busken, in
antwoord:‘Ik vlei my, dat indien gy altoos by my waart, gy zoo aan my
zoudt gehecht raken, dat uwe mislukte en kwalijk geplaatste liefde moest
afnemen.’ Beverwijk, 17 Oktober 1786.
1Elizabeth Wolff aan Jacoba Busken, in
antwoord: ‘Zou ik den eersten steen op mijn medemensen werpen?
Werkzaamheid, ik weet dit by ondervinding, helpt ons best droefheden
overwinnen.’ Beverwijk, 17 Oktober 1786.
2‘Als gy my schrijft, doe er toch een
briefje in voor Aagje.’ Beverwijk, 27 Mei 1787. - ‘Het spijt my dat
geen mijner vaste huisgenooten zin aan u heeft. Jansje meent dat gij haar te
veel als een niets beduidend kind, en Aagje dat gy haar niet heusch genoeg hebt
behandeld.’ Beverwijk, 17 Oktober 1786. - Met Jansje kan ‘het
excellent slag van een ouwe meid’ uit de Beemster pastorij bedoeld
zijn.
3‘Hierby komt dat gy Aagje niet eens
hebt laten groeten... En wat zegt Wolffje op dat alles? niets
méér, wijl het niets uitdoet. Dit of het U ooit te stade
kwam.’
1‘Wanneer uwe lieve Vader dit sterflijke
leven voor een beter aflegt; dan hoop ik vast U hier uwe woonplaats te zien
kiezen.’ Beverwijk, 27 Mei 1787.
2Elizabeth Wolff aan Jacoba Busken, Beverwijk,
27 Mei 1787: ‘o Meisje dan zou Lommerlust nog eens veel schooner
zijn en dit aardsch paradijs heerlijker dan nu, nu ik altoos, altoos alleen hen
(hoewel nooit onverzeld), sedert mijne vriendin K. zedelijk dood voor my is, en
door de eene zwakheid helaas in de andere vervalt.’
1Elizabeth Wolff aan Jacoba Busken, Beverwijk
17 Oktober 1786 - In denzelfden brief: ‘Denk, wanneer gy droefgeestig
zijt: Ik heb eene vriendin die mij, hing het van haar af, altoos bij
haar hield; die naar my (hoe machteloos) verlangt; en die my zoo teder
bemint dat niets daarby te vergelijken is. ’ - Uit den
Haag, Augustus 1798 (?): ‘De afstand tusschen vrienden is verbazend
groot, behalven in welwillendheid. O die is gelijk; die moet gelijk zijn. Maar
Coosje is echter Coosje.’
2Grave aan Elizabeth Wolff, 20 Januarij 1777. -
In Elizabeth Wolff's brieven aan Grave, uit 1776 en 1777, komen onder meer de
volgende betuigingen omtrent Jufvrouw Deken voor: ‘Ik meende vast dat zy
het was die ik liever had dan ik kan uitdrukken. ’ - ‘Ik mis haar
droevig.’ - ‘Mijn lieve Aagje.’ - ‘Mijn lieve
meid.’ - ‘Ik zou haar niet geven voor de heele poppekraam dezer
wereld.’ - ‘Mij meer dierbaar dan mijne De Gorter, mijne Van der
Mieden, my ooit waren.’ - ‘Ik hoop met Deken door banken en klippen
zoo voorzigtig en tegelijk aangenaam het scheepje De Vriendschap te
sturen, dat wy de gewenschte haven inzeilen.’ - ‘Ik agt
Agatha hoog om meer goede qualiteiten als ik ooit in één mensch
ontmoette.’ - ‘Mijne vriendschap is niet romanesq.’ -
‘Agatha zal mijn hart en armen altoos open vinden.’ - ‘Maar
evenwel nochthans en des al niet te min, ik hebbe geen belang dan 't saam met
mijn vriendin.’ - Rijmbrief aan Agatha, in den vorm van een
geparodieerd rederijkers-referein der 16de eeuw:
Deeze wereld is een dangierlijk Foreest der Foreesten
Als ons de Vriendschap daer neyt deur en verzelt.
1Elizabeth Wolff aan Jacoba Busken, Beverwijk
27 Mei 1787: ‘Ik kan nog al eens over U praten; evenwel niet zooals ik
wel wensch, want dat zou jaloezie verwekken. Kunt gy het niet schikken om dezen
zomer te komen? Ik hoop het nog al. Schrijf toch aan Aagje, en ook daarover.
Maar bedek uwe eenzijdigheid voor my, indien gy slagen wilt.’
2Grave aan Elizabeth Wolff, Amsterdam 20
Januarij 1777: ‘Wat moet dat voor je groote hart in je kleine lijf
troostelijk wezen!’
3Het komt in mindering van jufvrouw Wolff's
grootheid dat zij, kind harer eeuw en slavin van het spraakgebruik der mode,
zelf te zeer van hare grootheid doordrongen was. Aan Jacoba Busken, 17 Oktober
1786: ‘Meisje, vertrouw eeuwig op my. Ik heb geene gebreken die op
lafheid rusten. Ik ben groot tot in mijne fouten zelf. Mijn ziel kan
zich niet vernederen tot veinzen of vleien. Ik bemin of ik ben
onverschillig.’
1Wed. Van Crimpen aan M. C. van Hall. Den
Haag, 22 November 1804: ‘Aan hare kunde is zeker door de wereld nooit
regt gedaan; ten minste men heeft haar altoos beschouwd zoo bekwaam in haar vak
niet te zijn, als mijne lieve tante.’
2Elizabeth Bekker aan eene vriendin harer
jeugd, 1800:
Indien ik mij vermeet de Godheid iets te smeeken,
Dan smeek ik: dat ik mijn Vriendin behouden mag;
Dat gij mijne oogen luikt, mijne achtingwaarde
Deken,
En na uw dood, naast my, moogt rusten in één
graf.
Het hoofdgebrek dezer verzen is niet dat graf op
mag rijmt, maar dat jufvrouw Wolff zoo min als jufvrouw Deken zich in
godetaal wist uit te drukken.
3Agatha Deken aan Coosje Huet, geboren Busken,
den Haag 28 September 1798.
1N°. 2, 6, 12, 13 in de verzameling van
Vollenhoven bij Van Vloten, Losse Prozastukken en Brieven. - N°. 4 en
N°. 8-12 in de verzameling van Gallandat Huet.
|
|